Chapter 22 of 43 · 3923 words · ~20 min read

Part 22

Maar hoezeer Glossin zich innerlijk ook ergerde over deze vooroordelen des lands, zoo als hij het gaarne noemen wilde, was hij toch te verstandig, om hierover openlijk te klagen. Hij gevoelde dat zijne opkomst nog te nieuw was om vergeven, en de middelen, waardoor hij zich verheven had, te verfoeielijk waren, om zoo spoedig vergeten te worden. Maar de tijd, dacht hij, verkleint het wonder en omsluiert de middelen. Met de sluwheid van iemand, die door het waarnemen van de zwakke zijde der menschelijke natuur fortuin gemaakt heeft, nam hij zich voor, om elke gelegenheid aan te grijpen, waarbij hij zelfs hen, die den grootsten afkeer van hem hadden, van nut kon zijn; vertrouwende dat zijne eigene bekwaamheden de neiging tot twisten onder de aanzienlijken van het land, waarbij de raad van een rechtsgeleerde dikwijls onschatbaar wordt, en duizend andere toevallige omstandigheden, waarvan hij met geduld en behendigheid partij zou kunnen trekken, hem spoedig meer invloed en achting bij zijne buren zouden verschaffen.

De aanval op het huis van den kolonel Mannering en Hazlewood’s wonde schenen Glossin eene gunstige gelegenheid te zijn, om het geheele land te bewijzen welke gewichtige diensten een werkzaam ambtenaar kon bewijzen, die én met de wetten, én met de schuilhoeken en gewoonten der sluikhandelaars bekend is. Dit laatste had hij aan eene vroegere, nauwe betrekking tot eenige der vermetelste smokkelaars te danken, wier deelgenoot of raadsman hij dikwijls geweest was, al naar de omstandigheden zulks vereischten. Hij dacht echter geenszins, dat hij gevaar zou loopen een ouden vriend, die in staat was wedervergelding uit te oefenen, door zijne tegenwoordige navorschingen in ongelegenheid te brengen, daar zijne betrekking tot de smokkelaars sedert verscheidene jaren niet meer bestond en vele omstandigheden dezen lieden zelden veroorloofden, hunne rol lang op hetzelfde tooneel te spelen. Naar zijn gevoelen dus behoefde zijne vroegere deelneming in dezen sluikhandel hem geenszins terug te houden, om thans van zijne ondervinding ten beste van het algemeen, of liever om zijne eigene oogmerken te bevorderen, gebruik te maken. Hij, een man, die reeds verheugd moest zijn, als men eenige notitie van hem nam, moest het als eene zaak van geen gering belang beschouwen, de gunst en achting van den kolonel Mannering te verwerven; en nog gewichtiger was het voor hem, de genegenheid en bescherming van den ouden Hazlewood, die veel invloed in het graafschap had, te winnen. En bovendien zou hij, indien het hem gelukte de schuldigen te ontdekken, te vatten en te doen vonnissen, de voldoening smaken, Mac-Morlan, die als ondersheriff van het graafschap eigenlijk met het onderzoek der zaak belast was, te krenken en waarschijnlijk zelfs eenigermate in de algemeene achting te doen dalen.

Door zulke verleidelijke beweegredenen aangespoord, en goed bekend met het personeel der gerechtsdienaren, stelde Glossin alle middelen in het werk, om zoo mogelijk eenigen van de bende, welke Woodbourne aangevallen hadden, en hoofdzakelijk hem, door wien de jonge Hazlewood gekwetst was, te ontdekken en te vatten. Hij loofde groote belooningen uit, gaf verscheidene plannen en ontwerpen aan de hand, bediende zich van zijn persoonlijken invloed bij zijne oude kennissen, die den verboden handel begunstigden, en spiegelde hun met vele drangredenen voor, dat zij veel beter deden een paar van deze knapen op te offeren, dan den blaam op zich te laden, dat zij zulke afschuwelijke daden begunstigden. In het eerst evenwel waren alle zijne pogingen vruchteloos. Het volk begunstigde of vreesde de smokkelaars te zeer, om als getuige tegen hen op te treden. Eindelijk echter vernam de ijverige ambtenaar dat een man, die in kleeding volkomen geleek op den onbekende, die Hazlewood gewond had, den nacht vôor die ongelukkige gebeurtenis in de herberg, the Gordon Arms, te Kippletringan zijn intrek genomen had, Zonder dralen begaf Glossin zich daarheen, ten einde onze oude kennis, de waardin, vrouw Mac-Candlish, te ondervragen.

De heer Glossin stond bij vrouw Mac-Candlish, om hare eigene spreekwijze te bezigen, niet best te boek. Zij ontving hem dus zeer droogjes en volgde hem langzaam en niet dan ongaarne, toen hij haar om een afzonderlijk onderhoud verzocht, naar de huiskamer.

„Een schoone wintermorgen, niet waar, vrouw Mac-Candlish?” zei Glossin.

„Ja, Mijnheer, het is zeer schoon weer.”

„Ik wilde gaarne weten, of de heeren vrederechters volgens gewoonte, na de dinsdagsche zitting hier gezamenlijk het middagmaal zullen houden.”

„Ik geloof – ik meen, Mijnheer – als naar gewoonte,” – antwoordde zij en wilde de kamer verlaten.

„Wacht toch een oogenblik, vrouw Mac-Candlish! wat zijt gij verschrikkelijk haastig? Ik heb er over gedacht, dat als een vast gezelschap hier iedere maand eens het middagmaal hield, dat niet onaardig zou zijn.”

„Zeker niet Mijnheer, wanneer het een gezelschap van fatsoenlijke heeren is.”

„Ja, ja! Ik bedoel bezitters van landgoederen en aanzienlijke lieden in het graafschap; ik had wel lust om zoo iets gedaan te krijgen.”

Door een droog kuchje, waarmede de waardin dit voorstel beantwoordde, wilde zij niet te kennen geven dat het op zich zelf haar mishaagde, maar alleen dat zij er sterk aan twijfelde, of zoo iets onder de leiding en bescherming van den voorsteller tot stand zou komen. Het was geen ontkennend, maar twijfelend kuchje. Dit gevoelde Glossin zeer goed; maar het paste niet in zijn rol, om zijne gevoeligheid te laten blijken.

„Zijn er in den laatsten tijd vele reizigers geweest, vrouw Mac-Candlish? Gij hebt geloof ik steeds overvloed aan gezelschap?”

„Dat gaat wel, Mijnheer! – maar ik meen dat de menschen op mij wachten.”

„Neen, neen, kunt gij niet een oogenblik blijven om een ouden klant te verplichten? Herinnert gij u ook nog, dat er verleden week een bijzonder groot jongmensch een nacht in uw huis doorgebracht heeft?”

„Waarlijk, Mijnheer, dat kan ik niet zeggen. Ik bekommer mij er nooit over of mijne gasten groot of klein zijn, als zij maar groote rekeningen maken.”

„En indien zij het niet doen, dan kunt gij het voor hen doen, niet waar, vrouw Mac-Candlish? Ha, ha, ha! Maar de jongeling, naar wien ik vraag droeg een donkeren rok met blinkende knoopen, had licht bruin, ongepoederd haar, blauwe oogen, een rechten neus en reisde te voet, zonder bediende en zonder koffer of valies. Gij zult u zeker dezen reiziger herinneren.”

„Wel, Mijnheer! ik kan mijn geheugen met zulke dingen niet bezwaren, Ik verzeker u, dat er in een huis als dit, meer te doen valt dan te denken om het haar, de oogen, of den neus van elken reiziger” hernam de waardin, die geen lust had om hem eenige inlichtingen te geven.

„Dan moet ik u maar ronduit zeggen, vrouw Mac-Candlish, dat deze persoon van eene zware misdaad verdacht gehouden wordt; en het is ten gevolge van deze verdenking, dat ik u hierover, als vrederechter, ondervraag. Zoo gij weigert op mijne vragen te antwoorden, moet ik u onder eede drijven.”

„Ik heb geene vrijheid om een eed te doen, Mijnheer! Wij behooren tot de Antiburgher-vergadering. Toen mijn goede man zaliger nog leefde, hielden wij ons wel aan de heerschende kerk, daar dat, wegens zijn ambt als gerechtsbode, beter paste; maar, nadat hij naar betere gewesten dan Kippletringan opgeroepen is, ben ik weder tot den eerwaarden Mac-Crainer overgegaan. Gij ziet dus, Mijnheer, dat ik niet zweren kan, zonder er met den predikant over te spreken; vooral niet tegen een armen jongen bloed, die als vreemdeling en zonder vriend door het land reist.”

„Ik zal uwe zwarigheden misschien uit den weg ruimen zonder dominé Mac-Crainer lastig te vallen, als ik u zeg, dat deze knaap, naar wien ik onderzoek doe, de persoon is, die uw jongen vriend Hazlewood gekwetst heeft.”

„Lieve hemel! wie zou zoo iets van hem gedacht hebben? Neen, indien het om schulden, of zelfs om eene vechtpartij met de tolbedienden geweest was, dan zoudt ge geen woord tot zijn nadeel over mijne lippen gekregen hebben. Maar als hij wezenlijk op den jongen Hazlewood geschoten heeft – ik kan het toch niet gelooven, Mijnheer Glossin! het is zeker een streek van u – ik kan het van dien goeden jongen niet denken; – neen, neen, dat is juist een van uwe oude streken. Het is er u om te doen, om hem in handen te krijgen.”

„Ik zie, dat gij geen vertrouwen in mij stelt, vrouw Mac-Candlish. Lees dan deze verklaringen van de personen, die ooggetuigen van de misdaad waren, en oordeel zelve, of de beschrijving van den booswicht niet volkomen op uw gast past.”

Hij overhandigde haar de papieren, welke zij zeer aandachtig doorlas. Onder dit lezen zette zij meermalen den bril af, om de oogen ten hemel te heffen, of misschien om er een’ traan uit te wisschen: want de jonge Hazlewood was een lieveling der goede vrouw. „Wel, wel,” zeide zij, toen zij met lezen gedaan had, „nu het inderdaad zoo is, geef ik hem op, dat slechte mensch! Maar hoe kunnen wij stervelingen toch dwalen! Ik heb nooit een gelaat gezien dat mij beter beviel, zóo zacht, zóo vriendelijk! Ik dacht dat het een fatsoenlijk man was, die zich in ongelegenheid bevond. Maar ik geef hem op den booswicht! – Op den jongen Hazlewood te schieten, en dat voor de oogen van de jonge dames, die arme onschuldige schapen! – Ja, ik geef hem op!”

„Gij stemt dus toe dat zulk een persoon den nacht vóor die afschuwelijke daad hier gelogeerd heeft?”

„Ja, dat is wel het geval Mijnheer! en alle menschen in huis waren met hem ingenomen, zoo vroolijk en rondborstig was hij. Het was zeker niet om de verteering die hij maakte, want hij heeft niets gebruikt dan een stukje koud vleesch met een glas bier en een paar glazen wijn, geloof ik. Ik heb hem ook nog verzocht om thee met mij te drinken en dat niet in rekening gebracht. Ook heeft hij des avonds niet gegeten; hij zeide dat hij dood moede was, omdat hij den geheelen vorigen nacht onderweg geweest was. Wie weet, op welken rooftocht hij toen uit geweest is!”

„Hebt gij bij geval zijn naam ook vernomen?”

„Ja zeker heb ik dat. Hij zeide dat er waarschijnlijk een oude vrouw, die er als eene Heidin uitzag, naar hem zou vragen. – Ja, ja, soort zoekt soort; daar men meê verkeert, daar wordt men meê geëerd; die schelm! – Toen hij ’s morgens vroeg wegging, betaalde hij eerlijk zijne rekening en gaf eene fooi aan de meid. Die verdient ook niets bij mij dan twee paar schoenen in het jaar en de fooitjes, die zij zoo nu en dan krijgt.”

Hier vond Glossin het wenschelijk de woordenvloed der waardin te beteugelen en haar op het gewichtige punt, van hun gesprek terug te brengen.

„Nu dan,” dus begon de waardin haar verhaal weder, „nu dan! Hij zeide als er zulk een persoon naar Mijnheer Brown komt vragen, dan moet gij zeggen, dat ik naar het meer Creeran, zoo als gij het noemt, gegaan ben om de schaatsenrijders te zien, en dat ik tegen den middag weder terugkom. Maar hij is niet teruggekomen. Ik verwachtte hem zoo vast, dat ik zelve een kip voor hem gebraden had, en dat is anders mijn gewoonte niet, Mijnheer Glossin! Hoe weinig dacht ik er aan, dat hij met zulk een boos opzet heengegaan was – dien goeden, onschuldigen jongen Hazlewood neer te schieten!”

Nadat de heer Glossin als een voorzichtig rechtsgeleerde zijne getuige behoorlijk tijd gelaten had, om aan hare verbazing en verontwaardiging lucht te geven, begon hij te vragen of de verdachte persoon ook eenige goederen of papieren in de herberg achtergelaten had.

„O ja, hij heeft mij een pakje, een klein pakje in bewaring gegeven. Ook gaf hij mij wat geld en verzocht mij hem daarvoor een half dozijn overhemden te laten maken. Peg Pawley is er thans juist mede bezig. – Laat hij ze aan doen, als hij den gang naar de galg doet, die booswicht!”

Glossin wenschte nu het pakje te zien, maar hier aarzelde de waardin. Zij wilde niet zeggen dat de gerechtigheid haren vrijen loop niet moest hebben, evenwel, wanneer iemand iets aan een ander toevertrouwde, was deze er ook zonder twijfel verantwoordelijk voor. Maar zij wilde den diaken Bearcliff roepen, en indien Mijnheer Glossin dan ten overstaan van den diaken eene lijst van de goederen verkoos op te maken en haar een bewijs wilde geven, dat hij ze van haar ontvangen had, of wat zij nog veel liever had, als die verzegeld en in handen van den diaken Bearcliff gesteld kon worden, dan kon zij volkomen gerust zijn. Zij was nergens meer voor, dan voor gerechtigheid aan alle kanten.

Toen Glossin zag dat de natuurlijke scherpzinnigheid en het door ondervinding gescherpte wantrouwen dezer vrouw onverzettelijk waren, zond hij om den diaken Bearcliff, om met hem over den booswicht, die den heer Charles Hazlewood gekwetst had, te spreken. Bearcliff verscheen op het verzoek van den vrederechter zoo haastig, dat hij zich niet eens den tijd gegund had, om zijne paruik, tegen welke hij de muts waarmede hij zijne klanten gewoonlijk bediende verwisseld had, recht te zetten. Vrouw Mac-Candlish haalde hierop het pakje, dat Brown haar in bewaring gegeven had, te voorschijn.

Men vond er de beurs van de Heidin in. Bij het gezicht van den gemengden maar zeer kostbaren inhoud er van, verheugde de waardin zich over hare genomene voorzorgen, vóor dat zij ze aan Glossin overgaf, terwijl hij met een schijn van belanglooze kieschheid de eerste was, die het voorstel deed, om de goederen behoorlijk op te schrijven en ze aan den diaken Bearcliff ter hand te stellen, tot dat ze van rechtswege opgevorderd zouden worden. „Hij wilde niet gaarne persoonlijk verantwoordelijk zijn” zeide hij, „voor zaken die zulk eene aanzienlijke waarde schenen te hebben en zonder twijfel door de verfoeielijkste middelen verworven waren.”

Hij bekeek vervolgens het papier waarin de beurs gewikkeld geweest was. Het was de achterzijde van een brief aan den heer V. Brown, maar het overige van het opschrift was weggescheurd. De waardin, die thans, daar de gemengde en kostbare inhoud van de beurs haar genoegzaam scheen te bewijzen, dat alles niet was zoo als het behoorde, even gaarne licht over de vlucht van den misdadiger wilde verspreiden, als zij ze vroeger zocht te bedekken – de waardin verklaarde verder aan Glossin, dat haar postiljon en haar stalknecht beiden den vreemdeling op denzelfden dag, waarop de jonge Hazlewood gekwetst was, op het ijs gezien hadden.

Onze oude bekende, Hans Jabos, werd het eerst geroepen en verklaarde rondborstig, dat hij dien morgen op het ijs een vreemdeling gezien en gesproken had, die, zoo als hij hoorde, den vorigen nacht in the Gordon Arms gelogeerd had.

„Welke wending nam uw gesprek?” vroeg Glossin.

„Wending? wij maakten geheel geene wending, maar gingen rechtuit op het ijs.”

„Maar waarover spraakt gij? meen ik.”

„Waarover? hij deed juist zulke vragen als ieder vreemdeling gewoonlijk doet.”

„Waarnaar vroeg hij dan?”

„Wel, naar het volk dat op het ijs aan het spelen was, naar den ouden Jock Stevenson, naar de dames en zoo al verder.”

„Naar welke dames, Hans? en wat vroeg hij omtrent haar?”

„Welke dames? Het waren de dames Julia Mannering en Lucie Bertram, die gij zelf zeer goed kent, Mijnheer Glossin! Zij wandelden met den jongen heer van Hazlewood op het ijs.”

„En wat hebt gij hem van haar gezegd?”

„Wij zeiden hem: de eene was juffrouw Lucie Bertram, die, naar men zegt, eens een groot landgoed in onze streek bezeten heeft, en de andere juffrouw Julia Mannering, die met den jongen Hazlewood zou trouwen. Zie maar eens, hoe zij aan zijn arm hangt. – Wij spraken er met hem over, zoo als wij landlieden gewoon zijn. Het was een zeer flinke man, zoo zonder komplimenten.”

„Nu, wat antwoordde hij hierop?”

„Hij keek de jonge dames scherp aan en vroeg, of het huwelijk tusschen juffrouw Mannering en den jongen Hazlewood zeker voltrokken zou worden? Ik antwoordde hem, dat het stellig en uitgemaakt zeker was, zoo als ik ook met recht zeggen kon: want mijne nicht Johanna Clavers (zij is ook met u vermaagschapt, Mijnheer Glossin, gij kent haar ook sedert lang) is eene bloedverwante van de huishoudster te Woodbourne en heeft mij meer dan eens gezegd, dat het heel waarschijnlijk was.”

„En wat zei de vreemdeling, toen gij hem dit alles verhaaldet?”

„Zeggen? hij zei geen woord. Hij keek hen aan, terwijl zij het meer rondwandelden, als of hij hen opeten wilde. Hij wendde geen oog van hen af, en zei geen enkel woord meer, ofschoon het zoo buitengemeen vroolijk bij het spel toeging. Hij keerde zich om, verliet het meer, ging langs het kerkpad in het Woodbourner dennenbosch en wij zagen niets meer van hem.”

„Denk eens,” zei vrouw Mac-Candlish, „welk een steenen hart hij gehad moet hebben, dat het bij hem opkomen kon, den armen jongen voor de oogen van de dame, met wie hij huwen zou, aan te vallen.”

„Soortgelijke gevallen worden er wel meer in de gerechtelijke akten gevonden, vrouw Mac-Candlish!” hernam Glossin. „Hij wilde zich zonder twijfel wreken, waar de wraak het scherpst treft en het zoetst is.”

„God beware ons!” riep de diaken Bearcliff, „wat zijn wij toch arme, zwakke schepsels, als wij aan ons zelven overgelaten zijn! Hij dacht niet aan hem, die gezegd heeft: de wraak komt mij toe; ik zal het vergelden.”

„Hoort eens, Mijne Heeren,” zei Hans, die met zijne onbeschaafde sluwheid het spoor van het wild scheen te vinden, terwijl anderen in de struiken klopten, „hoort eens! gij kondet het hier allen toch wel eens mis hebben. Ik kan me volstrekt niet verbeelden, dat iemand het plan zou maken, om een’ ander’ met diens eigen geweer, dat hij hem eerst afnemen moest, dood te schieten. De hemel beware ons! ik ben zelf ginds op het eiland onder-boschwachter geweest en ik houd staande, dat, als de grootste en sterkste man uit Schotland mij een geweer ontnemen wilde, ik hem vroeg genoeg den kogel door het lijf zou jagen, ofschoon ik maar een klein zwak ventje ben, dat nergens goed toe is, dan om op den zadel of den bok van een wagen te zitten; – neen, neen, zoo iets zou geen verstandig mensch wagen! Ik verwed er mijn besten broek op, en ik heb die op de Kirkudbrighter jaarmarkt eerst nieuw gekocht, dat het een ongelukkig toeval geweest is. Maar als gij mij niets meer te zeggen hebt, moest ik, dunkt mij, heengaan, om mijne paarden te voêren.” En met deze woorden verliet Hans het vertrek.

De verklaring van den stalknecht, die hem vergezeld had, kwam met de zijne volkomen overeen. Glossin vroeg hierop weder, of Brown op dien ongelukkigen morgen ook wapens bij zich gehad had? Het antwoord was: „geene andere, dan eene gewone kleine sabel of houwer.”

„Inderdaad,” zei de diaken, terwijl hij Glossin vertrouwelijk bij een roksknoop trok (door ingespannen nadenken over deze ingewikkelde zaak had hij den nieuw verkregen rang van den vrederechter vergeten), „inderdaad, alles wel overwogen, komt mij het geval zeer twijfelachtig voor, meester Gilbert, – want het is volstrekt niet waarschijnlijk, dat hij met zulk een ellendig wapen er op uit gaan zou om te vechten.”

Glossin maakte zich uit de handen van Bearcliff los en ontweek alle verdere verklaring, maar alles op zachte en vriendelijke wijze: want er lag hem thans veel aan gelegen, om allerhande menschen gunstig voor hem te stemmen. Hij vroeg naar den prijs van thee en suiker, en liet zich eenige woorden ontvallen, als of hij een voorraad voor het geheele jaar wilde opdoen. Hij gaf vrouw Mac-Candlish bevel, om een goed middagmaal in gereedheid te hebben voor een gezelschap van vijf vrienden, die hij op Zaterdag over acht dagen in the Gordon Arms ten eten wilde verzoeken, en tot slot gaf hij Hans Jabos, die, in plaats van den stalknecht, zijn paard vasthield, een daalder.

„Wel,” zei Bearcliff tegen de waardin, terwijl hij een glaasje bitter dronk, dat zij hem aanbood, „ik moet zeggen dat de duivel niet zoo leelijk is, als hij uitgeschilderd wordt. Men moet zich verheugen, dat iemand zich de belangen van het land zoo aantrekt, als Mijnheer Glossin doet.”

„Daaraan hebt gij wel gelijk, diaken!” antwoordde de waardin, „en toch verwondert het mij, dat onze heeren hier hunne zaken aan zoo iemand overlaten. Maar zoo lang een stuk geld gangbaar is, moet men niet al te nauwkeurig toezien, welk koningsbeeld er op staat.”

„Ik geloof, dat Glossin er ten laatste nog slecht afkomen zal,” bromde Hans, terwijl hij de schenktafel voorbijging; „maar dit is toch goede munt!”

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Een mensch, die gelooft dat de dood niet vreeselijker is dan een dronkemansroes, – die zorgloos, roekeloos is en zich om het verledene, het tegenwoordige en hetgeen nog komen moet niet bekommert, – die ongevoeliger is voor de onsterfelijkheid en wanhopig sterfelijk blijft.”

Maat om maat.

Glossin had de berichten, welke hij ingewonnen had, zorgvuldig opgeteekend. Ze verspreidden hem weinig licht over de gebeurtenissen; maar de beter onderrichte lezer is, door zijn onderzoek, bekend geworden met het wedervaren van Brown, sedert wij hem op zijne wandeling naar Kippletringan uit het oog verloren hebben tot aan het oogenblik, dat hij door ijverzucht aangedreven, zich zoo onverwacht en ongelukkig aan Julia Mannering vertoonde en de strijd, door zijne verschijning veroorzaakt, bijna zulk een noodlottig einde had genomen.

Glossin reed, peinzende over hetgene hij vernomen had, langzaam naar Ellangowan terug en werd hoe langer zoo meer overtuigd, dat hij door krachtdadig en, zoo mogelijk, voorspoedig deze geheimzinnige zaak uit te vorschen, zulk eene gunstige gelegenheid had, om zich de gunst van Hazlewood en Mannering te verwerven, dat hij ze volstrekt niet verwaarloozen mocht. Misschien gevoelde hij ook dat, om den naam van een ijverig en scherpzinnig ambtenaar te verdienen, er voor hem veel aan gelegen lag, zijne pogingen met een gelukkig gevolg bekroond te zien. Zeer verheugd was hij dus, toen zijne bedienden hem bij zijne tehuiskomst met veel ophef berichtten, dat de gerechtsdienaar Mac-Guffog en een paar zijner makkers een man gevat hadden en met den gevangene in de keuken op hem wachtten.

Hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, snelde in huis en beval eenen bediende: „Laat mijn klerk dadelijk komen; hij zit in het groene kamertje te schrijven. Breng alles in mijn studeervertrek in orde; plaats de groote lederen stoel bij de schrijftafel en zet een stoel voor Mijnheer Scrow. – Scrow!” (tegen den klerk, toen deze binnentrad) „krijg het werk van Sir George Mackenzie over crimineele misdaden: sla de afdeeling Vis Publica et Privata op en leg eene vouw bij de plaats over het dragen van verboden wapens. Help mij mijn jas uittrekken en hang die in de kleerkast op. Laat nu den gevangene binnenbrengen: ik denk, dat ik het wel met hem zal klaren. Maar neen; laat Mac-Guffog eerst bovenkomen. – Nu, Mac-Guffog! waar hebt gij dezen knaap opgedaan?”

Mac-Guffog, een forsche kerel met kromme beenen, een’ hals als een stier, een echt gauwdievengezicht en geweldig scheel ziende met het linkeroog, begon, na vele lompe buigingen voor den vrederechter, zijn verhaal, dat hij met sluwe knikjes en veelbeteekenende wenken, die eene groote gemeenzaamheid tusschen den verhaler en zijn voornaamsten toehoorder schenen te verraden, vergezeld deed gaan. „Hoor eens, Mijnheer, ik ging naar de plaats, die ge wel weet, waar die vrouw woont, die gij wel kent, ginds aan het strand. – „Wat komt gij hier doen?” zeide zij. „Ge komt zeker van Ellangowan om hier iemand op te halen?”

„Hoe drommel zou dit kunnen gebeuren?” zei ik. „Ge weet zelve, dat in vroegere dagen Mijnheer met –”

„Genoeg, genoeg! treed niet in bijzonderheden; maar vertel mij de hoofdzaak.”

„Nu dan, terwijl wij over den brandewijn zaten te praten, welken ik beweerde noodig te hebben, kwam hij binnen.”

„Wie is hij?” vroeg de vrederechter.