Part 41
De predikant van het kerspel, de voormalige leermeester van Karel Hazlewood, had, even als vele anderen, het gerucht gehoord, dat de moordenaar van Kennedy op de plaats zelve, waar de misdaad zoo vele jaren geleden gepleegd was, gevangen genomen en dat eene vrouw daarbij doodelijk gewond was. Nieuwsgierigheid, of liever het gevoel dat zijn plicht hem riep, om lijdenden te vertroosten en bij te staan, voerde hem naar den toren van Derncleugh, waar hij nu zijn dienst aanbood. De heelmeester kwam terzelfder tijd en wilde de wond onderzoeken. Meg wees echter beider hulp van de hand en zeide: „Wat menschen doen kunnen, kan mij niet heelen of redden. – Laat mij zeggen, wat ik te zeggen heb, en dan moogt gij doen, wat gij wilt. Ik zal het niet verhinderen. – Maar waar is Hendrik Bertram?” De omstanders, die dezen naam in zoo vele jaren niet gehoord hadden, staarden elkander verbaasd aan. – „Ja!” zeide zij met een sterkere, schorre stem, „ik zeg Hendrik Bertram van Ellangowan. Gaat uit het licht, opdat ik hem zien kan.”
Aller oogen vestigden zich op Bertram, die de ellendige legerstede naderde. De gekwetste vrouw vatte zijne hand. „Ziet hem aan,” zeide zij, „gij allen, die zijn vader of grootvader ooit gekend hebt, en getuigt, of hij niet hun levend evenbeeld is!”
Een dof gemompel verhief zich onder de menigte. De gelijkenis was te sprekend, om geloochend te worden, „Hoort mij verder,” vervolgde zij, „en laat dezen man” (op Hatteraick wijzende, die met zijne wachters op eene kist zat) „laat dezen man loochenen, wat ik zeg, indien hij kan. Dit is Hendrik Bertram, de zoon van wijlen Godfried Bertram, heer van Ellangowan; dit is het kind, hetwelk Dirk Hatteraick op denzelfden dag, waarop hij den opzichter vermoordde, uit het bosch van Warroch ontvoerd heeft. Ik was daar, als een dwalende geest: want ik wilde dit bosch nog eenmaal zien, vóor dat wij de landstreek verlieten. Ik redde den knaap het leven en bad en smeekte, dat men hem aan mij overlaten zou. – Maar men voerde hem weg en hij is lang in verre gewesten geweest. Nu is hij teruggekomen, om zijn eigendom te vorderen; en wie zou hem weerstaan? – Ik zwoer, het geheim te bewaren tot hij een en twintig jaren oud was; – ik wist, dat hij zijn noodlot vervullen moest, tot die dag kwam. – Ik heb dien eed gehouden. Maar ik heb voor mij zelve nog een anderen eed gezworen, dat ik hem, als ik den dag van zijne terugkomst beleefde, weder op zijns vaders zetel zetten zoude, al moest elke schrede een leven kosten. Ik ben zelve het eerste slachtoffer. Hij, (op Hatteraick wijzende) zal spoedig het tweede zijn en dan komt er nog een derde.” Hier zweeg zij.
De predikant maakte de aanmerking, dat het jammer was dat deze verklaring niet behoorlijk opgeteekend was, en de heelmeester drong er op aan hare wond te onderzoeken, vóor dat zij door vragen verder uitgeput werd. Toen zij zag, dat men Hatteraick wegbracht en de omstanders het vertrek verlaten wilden, opdat de wondarts zijn werk ongestoord zou kunnen verrichten, verhief zij zich op haar leger en riep met luider stemme: „Dirk Hatteraick! gij en ik zullen elkander nooit weder zien, vóor dat wij voor den oppersten Rechter staan – wilt gij bevestigen, wat ik gezegd heb?”
Hij zag haar met een strak gelaat aan en scheen haar door zijne blikken tegen te spreken.
„Dirk Hatteraick, durft gij, met mijn bloed aan uwe handen, een enkel woord loochenen van alles, wat mijn stervende mond gezegd heeft?”
Hij keek haar nog steeds met dezelfde onbeschaamdheid en onbuigzame verstoktheid aan, en bewoog de lippen, maar zonder eenig geluid te doen hooren.
„Vaarwel dan!” vervolgde zij, „en God moge het u vergeven! Uwe eigene hand heeft mijne getuigenis verzegeld. – Bij mijn teven was ik de verachte, krankzinnige Heidin, die gegeeseld, gebannen en gebrandmerkt was – die van deur tot deur gebedeld had en als een omzwervende hond, van kerspel tot kerspel gejaagd en vervolgd werd. – Wie zou toen op hare woorden gelet hebben? – Maar nu ben ik eene stervende vrouw; en mijne woorden zullen niet in den wind worden geslagen, zoo zeker als de aarde mijn lichaam bedekken zal.”
Hier zweeg zij weder; en allen verlieten het vertrek, behalve de heelmeester en een paar vrouwen. Na een zeer kort onderzoek schudde hij het hoofd en ruimde zijne plaats bij de stervende vrouw aan den geestelijke in.
Een gerechtsdienaar, die voorzag dat Hatteraick spoedig naar de gevangenis gebracht zou moeten worden, had een rijtuig, hetwelk ledig naar Kippletringan terugkeerde, op den weg doen stilhouden. Zoodra de voerman hoorde, wat er te Derncleugh gaande was, liet hij zijn rijtuig aan de zorg van een straatjongen over, zich, zoo als men gerust mag veronderstellen, meer op de jaren en het geduld van zijne paarden, dan op de voorzichtigheid van den knaap verlatende, en snelde heen, om te zien wat er toch eigenlijk te doen was. Hij kwam juist op het oogenblik, dat de verzamelde landlieden, wier aantal van oogenblik tot oogenblik vermeerderde, hunne aandacht op Bertram vestigden, nadat zij lang genoeg de woeste, ruwe trekken van Hatteraick aangestaard hadden. De meesten onder hen, in het bijzonder de bejaarden, die den ouden Ellangowan in den bloei zijner jaren gezien en gekend hadden, gevoelden en erkenden dat Meg Merrilies de waarheid had gesproken. Maar de Schotten zijn voorzichtig; zij bedachten, dat een ander in het bezit der heerlijkheid Ellangowan was en deelden elkander, voor als nog, hunne gevoelens slechts fluisterende mede; maar onze vriend Hans Jabos, de voerman uit Kippletringan, drong met geweld door de menigte en had nauwelijks het oog op Bertram geslagen, of hij sprong van verbazing eene schrede terug en riep plechtig uit: „Dat is, zoo waar als ik leef, de oude Ellangowan, van den dood opgestaan!”
Deze openhartige verklaring van een onpartijdigen getuige was juist de vonk, die noodig was, om het smeulende gevoel der omstanders in vlammen te doen uitbarsten. Aanstonds klonk het van alle kanten: „Leve Bertram! – Lang leve de erfgenaam van Ellangowan! God geve hem het zijne weder, en late hem onder ons leven, gelijk zijne voorouders sedert eeuwen deden!”
„Zeventig jaren heb ik op het land van Ellangowan gewoond,” zeide de eene.
„Ik en de mijnen wonen er sedert tweemaal zeventig jaren,” sprak een ander; „ik moet dus het gelaat van een Bertram wel kennen.”
„Ik en de mijnen,” hernam een ander oud man, „zijn hier reeds drie honderd jaren geweest, en de jonge heer zal weder in zijn recht hersteld worden, al moest ik mijne laatste koe verkoopen.”
De vrouwen, altijd met het wonderbare ingenomen, en niet minder wanneer een schoon jongman de held der geschiedenis is, voegden hare schelle vreugdekreten bij het algemeene gejuich. „God zegene hem!” riepen zij. „Hij is het ware evenbeeld van zijn vader! De Bertrams waren altijd een zegen voor het land!”
„O! dat zijne arme moeder, die in kommer en angst om hem gestorven is, dezen dag had mogen beleven!” riepen eenige stemmen.
„Maar wij zullen hem aan zijn eigendom helpen!” riepen anderen. „Glossin zal het slot Ellangowan niet behouden, al zouden wij hem met onze nagels er uitkrabben!”
Anderen omringden Dinmont, die gaarne alles verhaalde, wat hij van zijn vriend wist, en er zich niet weinig op liet voorstaan, dat hij tot de ontdekking medegewerkt had. Daar hij bij velen der aanwezigen bekend was, verhoogde zijne getuigenis de algemeene geestdrift. Om kort te gaan, het was één van die oogenblikken van opgewondenheid, waarop de koelheid der Schotten als sneeuw voor de zon smelt en de eenmaal opgewekte geestdrift, als een woedende stroom, dijken en dammen met zich medesleept.
Het luide vreugdegeschrei stoorde den geestelijke in het gebed, hetwelk hij voor de stervende ten hemel opzond. Meg, die in een bewustelooze sluimering, de gewone verkondigster der nabij zijnde ontbinding, op haar ellendig leger lag, rees plotseling op en zeide: „Hoort gij het niet? Hoort gij het niet? – Hij is erkend, hij is erkend! Zóo lang nog moest ik leven! – Ik ben eene zondige vrouw. Maar heeft mijn vloek hen ten val gebracht, – mijn zegen heeft hen weder hersteld! En nu wenschte ik wel, dat ik meer gezegd had! Maar het kan niet zijn. – Wacht,” vervolgde zij, haar gelaat naar den lichtstraal wendende, die door eene nauwe spleet, welke de plaats van een venster in den muur vervulde, in het vertrek viel; „is hij niet hier? Gaat uit het licht, opdat ik hem nog eenmaal zie! Maar mijne oogen worden duister – alles is voorbij.
Adem, verdwijn! Dood, verschijn!”
Met deze woorden zonk zij weder op haar strooleger neder en gaf, zonder een zucht te laten hooren, den geest. De geestelijke en de heelmeester teekenden alles, wat zij gezegd had, zorgvuldig op en betreurden het, dat zij haar niet nauwkeuriger ondervraagd hadden. Beiden waren echter bij zich zelven vast overtuigd, dat hare verklaringen de waarheid behelsden.
Hazlewood was de eerste, die Bertram met het uitzicht op de spoedige herwinning van zijn naam en stand in de maatschappij geluk wenschte. De omstanders, die van Hans hoorden dat Bertram de man was, die Hazlewood gekwetst had, waren getroffen over zijne grootmoedigheid en mengden ook zijn naam in hun herhaald vreugdegejuich. Sommigen vroegen den voerman, waarom hij Bertram niet reeds herkend had, toen hij hem korten tijd geleden voor de eerste maal te Kippletringan zag. „Hoe kon ik toen aan Ellangowan denken?” antwoordde hij. „De aangeheven kreet, dat de jonge Bertram wedergevonden was, deed mij de gelijkenis ontdekken. Het moest mij wel in het oog vallen, zoodra ik er opzettelijk naar keek.”
De verstoktheid van Hatteraick was door dit laatste tooneel eenigszins geschokt. Hij sloeg de oogen neder, poogde zijne gebonden handen op te heffen om den hoed dieper in het gezicht te trekken, en zag verdrietig en ongeduldig naar den weg, alsof bij met verlangen naar het rijtuig uitzag, hetwelk hem van deze plaats verwijderen zoude. Eindelijk beval Hazlewood, bezorgd dat de gisting onder de volksmenigte zich tegen den gevangene mocht richten, dat hij met het rijtuig naar Kippletringan gebracht en ter beschikking van Mac-Morlan, wien hij terzelfder tijd door eenen bode van het voorgevallene liet onderrichten, gesteld zoude worden: „En nu,” zeide hij tegen Bertram, „zou het mij zeer aangenaam zijn, als gij mij naar Hazlewood-house wildet vergezellen, maar, daar gij er misschien thans nog niet zoo welkom zoudt zijn, als ik vertrouw dat binnen een paar dagen het geval zal wezen, moet gij mij veroorloven, met u naar Woodbourne terug te keeren. Maar gij zijt te voet.” „O, indien de jongeheer mijn paard wilde nemen!” „Of het mijne!” „Of het mijne!” riepen ten minste zes stemmen. „Of het mijne! dat kan, zonder zweep of sporen, tien mijlen in een uur afleggen en de jongeheer mag het van dit oogenblik af aan behouden, indien hij het als een geschenk wil aannemen.” – Bertram nam het paard, maar slechts ter leen aan, en betuigde de verzamelde menigte zijn dank voor den betoonden goeden wil, wat weder door gejuich en betuigingen van gehechtheid beantwoord werd.
Terwijl de gelukkige eigenaar van het paard een’ knaap heen zond, om den nieuwen zadel te halen, een’ ander, om het dier met een droogen stroowisch af te wrijven, een derde, om de verzilverde stijgbeugels van Dan Dunkieson te leenen, en zich beklaagde dat er geen tijd was om het dier eens voeder te geven, opdat de jongeheer eens zien kon hoe vurig het was; terwijl dit alles plaats had, begaf Bertram zich met den geestelijke in den toren en sloot de deur achter zich toe. Hij staarde eenige oogenblikken zwijgende op het lijk van Meg Merrilies. De dood had hare gelaatstrekken, welke nog steeds het ernstige, krachtige karakter verkondigden, waardoor zij zich bij haar leven als heerscheres onder het woeste volk waaronder zij geboren was, had gehandhaafd, nog scherper geteekend. De jonge krijgsman droogde de tranen af, welke onwillekeurig in zijn oog opwelden, toen hij het stoffelijk overblijfsel van deze vrouw aanschouwde, die als een offer van hare getrouwe verkleefdheid aan zijn geslacht gevallen was. Hierop vatte hij den geestelijke bij de hand en vroeg hem plechtig, of de gestorvene in hare laatste oogenblikken in staat geweest was, aan zijne gebeden de behoorlijke aandacht te wijden.
„Ik vertrouw,” antwoordde de leeraar, „dat deze arme vrouw nog besef genoeg had om mijne gebeden te verstaan, en daarmede in te stemmen. Laat ons echter nederig hopen, dat wij naar de gelegenheid, welke wij voor godsdienstig en zedelijk onderricht hadden, geoordeeld zullen worden. Zij kon eenigermate als eene onbeschaafde Heidin in het midden van een Christelijk land beschouwd worden, en wij mogen ook niet vergeten, dat de dwalingen en ondeugden van een in onkunde doorgebracht leven door bewijzen van eene belangelooze, zich bijna tot heldenmoed verheffende verkleefdheid opgewogen werden. Met eerbiedige vrees, maar niet zonder hoop, laten wij haar over aan Hem, die alleen in staat is, onze misdaden en dwalingen tegen onze pogingen ten goede te wikken en te wegen.”
„Mag ik u verzoeken,” hernam Bertram, „te zorgen, dat deze arme vrouw met de behoorlijke plechtigheid ter aarde besteld wordt? Ik heb iets van eenige waarde in handen, hetwelk haar eigendom is. In elk geval blijf ik borg voor de kosten. Te Woodbourne kunt gij mij vinden, of ten minste bericht van mij krijgen.”
Dinmont, die door een’ zijner kennissen van een paard voorzien was, riep nu luide dat alles tot hunne terugreis gereed was. Onder een luid vreugdegejuich begaven Bertram en Hazlewood zich met Dinmont op weg, nadat zij de omstanders, wier aantal reeds tot verscheidene honderden geklommen was, ernstig vermaand hadden, bij hunne vreugde toch vooral de goede orde te bewaren, daar de minste onbezonnenheid den jongen heer, zoo als zij hem steeds noemden, tot nadeel zou kunnen strekken.
Toen zij de vervallen hutten van Derncleugh voorbij reden, zeide Dinmont: „Als gij uwe goederen wederkrijgt, kapitein, zult gij zeker niet vergeten, daar een huisje te laten bouwen? Ik deed het waarachtig zelf, als ik niet wist dat het in betere handen was. Maar ik wilde er zelf niet in wonen, na alles wat zij gesproken heeft. – Ik zou het door de oude Elspith, de weduwe van den doodgraver, laten bewonen; zulke menschen zijn gewoon, met graven en geesten en dergelijke dingen om te gaan.”
Een korte, doch snelle rid bracht hen te Woodbourne, waarheen de tijding van hunne onderneming, welke reeds wijd en zijd bekend was geworden, ook reeds doorgedrongen was. Alle bewoners kwamen hen te gemoet en ontvingen hen met luide gelukwenschen. „Dat gij mij levend wederziet,” sprak Bertram tot Lucie, die het eerst naar hem toeliep, ofschoon Julia’s oogen haar nog vooruitgesneld waren, „hebt gij aan deze vrienden te danken.”
Blozende boog Lucie voor Hazlewood, om hem haren dank te betuigen, en reikte Dinmont met hartelijkheid de hand. In de overmaat zijner vreugde veroorloofde de eerlijke pachter zich veel grootere vrijheid, dan waartoe dit bewijs harer dankbaarheid hem scheen uit te noodigen, en drukte haar een kus op de lippen. Nauwelijks had hij dit echter gedaan, of hij ontstelde over het onwelvoegelijke van zijn gedrag en zeide: „Om Godswil, juffrouw, vergeef het mij! het was mij waarlijk, alsof gij mijne dochter waart. De kapitein is zoo vriendelijk en gemeenzaam, dat men zich zelven waarlijk vergeet.”
Pleydell kwam intusschen nader en zeide: „Nu, indien er zulke belooningen uitgedeeld worden” –
„Zacht, zacht, Mijnheer Pleydell” hernam Julia, „gij hebt uw loon reeds vooruit ontvangen. Denk slechts aan gisteren avond.”
„Dat ontken ik niet,” antwoordde de oude heer; „maar als ik morgen geen dubbel loon van Lucie en u ontvang, wanneer het verhoor van Dirk Hatteraick afgeloopen is – ik verzeker u, ik zal hem gedwee maken! Gij zult het zien, kolonel! en zoo gij het al niet zien kunt, mijne nuffige dames! dan zult gij er van hooren.”
„Als wij namelijk verkiezen te luisteren, Mijnheer Pleydell!”
„En gij zoudt wel twee tegen één willen wedden, dat gij dit niet verkiezen zult? – Maar de nieuwsgierigheid leert u, uwe ooren nu en dan wel eens te gebruiken.”
„En ik verzeker u, dat zulke neuswijze heeren als gij, ons spoedig zouden leeren, nu en dan onze vingers te gebruiken.”
„Bewaar die liever voor het klavier, mijne lieve! Dat is voor ons allen beter.”
Onder dit gesnap geleidde de kolonel een eenvoudig gekleed man met een innemend gelaat, naar Bertram en zeide: „Ik heb het genoegen u den heer Mac-Morlan voor te stelten.”
„Het verheugt mij u te leeren kennen, edele man, die mijne zuster zoo belangeloos onder uwe hoede en bescherming naamt, toen zij zich van alle vrienden en bloedverwanten verlaten zag,” hernam Bertram, hem hartelijk omhelzende.
Nu trad Sampson ook nader en poogde te glimlachen en te fluiten. Hij kon echter zijne ontroering niet verbergen en snelde naar buiten, om zijn gevoel door een stortvloed van tranen lucht te geven.
De avond van dezen gelukkigen dag werd verder in gezellige vreugde en vroolijkheid doorgebracht.
ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Gelijk aan een hatelijk’ aap Grijnzend verrast bij zijn geroofden schat, Schijnt de bedrieger, wiens verachtelijk streven Ontsluierd wordt.
Graaf Basselius.
Den volgenden morgen was alles te Woodbourne reeds vroeg in beweging, om het verhoor te Kippletringan bij te wonen. Daar de heer Pleydell voorheen met het onderzoek, betrekkelijk den vermoedelijken moord op Kennedy gepleegd, belast was geweest en daardoor reeds eenigermate met deze duistere zaak bekend geworden was, werd hij, zoo wel om deze reden, als uit eerbied voor zijne buitengemeene bekwaamheid, door den heer Mac-Morlan, Sir Robert Hazlewood en een derden, hen vergezellenden vrederechter verzocht, den post van voorzitter bij het verhoor op zich te nemen. De kolonel Mannering werd uitgenoodigd de zitting mede bij te wonen. Dit verhoor, hetwelk het eigenlijke proces voorafging, vond overigens met gesloten deuren plaats.
De voorheen afgelegde getuigenissen werden nagelezen en de nog levende getuigen werden op nieuw verhoord. Vervolgens werden de geestelijke en de heelmeester omtrent de verklaringen door de stervende Meg Merrilies gedaan ondervraagd. Beiden getuigden, dat Meg duidelijk, stellig en bij herhaling verklaard had dat zij toevallig ooggetuige was geweest van den moord, door Hatteraick en twee of drie van zijn scheepsvolk op Kennedy gepleegd; dat zij geloofde, dat hunne verbittering tegen hem, als de oorzaak van het verlies van hun schip, hen tot deze misdaad verleid had; dat er nog een getuige van den moord, die echter geen deel aan de bloedige daad had willen nemen, leefde, met name haar neef Gabriël Faa – en dat zij eindelijk nog met een enkel woord van een derden man, die na, – en niet vóór het plegen van den moord medeplichtig geworden was, gesproken had, maar dat hare krachten haar te snel begeven hadden, dan dat zij zich dienaangaande nader kon verklaren. Verder getuigden zij dat Meg ook nog verteld had, dat zij het kind eerst gered had, maar dat het haar door de smokkelaars weder ontrukt was, die het naar Holland voeren wilden. – Al deze bijzonderheden werden zorgvuldig opgeteekend.
Hierop werd Dirk Hatteraick, zwaar geboeid, binnen gebracht. Men vroeg hem naar zijn naam; hij antwoordde niet, – naar zijn beroep; hij zweeg. Even zoo ging het met alle andere vragen, welke hem gedaan werden. Pleydell wischte de glazen van zijn bril af, keek den gevangene strak aan en fluisterde Mannering in het oor: „Een woeste, norsche knaap, maar zoo als Dogberry zegt, ik zal listig met hem te werk gaan.” – Daarop beval hij een gerechtsdienaar: „Laat Soles, de schoenmaker, binnen komen” Deze verscheen. „Soles, herinnert gij u nog dat gij op mijn bevel op den ** November 17** verscheidene afdrukken van voetstappen in het bosch van Warroch opgemeten hebt?” – Soles herinnerde zich dit volkomen. – „Bezie dit papier; is dat hetzelfde, waarop gij de verschillende maten opgeteekend hebt?” – Soles bevestigde zulks. – „Best! Daar staan een paar schoenen op de tafel; meet ze en zie, of ze met een van de door u opgeteekende maten overeenkomen.” – De schoenmaker deed het en verklaarde dat ze met de grootste der voetstappen volkomen overeenstemden.”
„Wij zullen bewijzen,” zeide Pleydell ter zijde tegen Mannering, „dat deze schoenen, die in de bouwvallen te Derncleugh gevonden zijn, aan Brown, den knaap, dien gij bij Woodbourne nedergeschoten hebt, toebehoord hebben – Soles, meet nu nauwkeurig den voet van dezen gevangene.”
Mannering sloeg Hatteraick opmerkzaam gade en zag, dat deze eenigszins ontstelde. „Komen zijne voeten met een van de gemeten voetstappen overeen?”
De schoenmaker zag van zijne maat op het papier, mat nog eenmaal en zeide: „Ze komen volmaakt met een voetstap, een weinig breeder en korter dan de vorige, overeen.”
Hier verloor Hatteraick zijne zelfbeheersching.
„De duivel!” riep hij uit, „hoe konden er voetstappen in den grond zijn, daar alles door de vorst zoo hard was als een steen?”
„Des avonds, dát stem ik u toe, kapitein Hatteraick! maar niet des voormiddags. Wilt gij nu wel zoo goed zijn mij te zeggen, waar gij op dien dag, welker gij u zoo nauwkeurig herinnert, geweest zijt?”
Hatteraick begreep zijn misslag en bewaarde van nu af weder een hardnekkig stilzwijgen.
„Schrijf de aanmerking, welke hij zich heeft laten ontvallen, toch op,” zeide Pleydell tegen den klerk.
Op dit oogenblik werd de deur geopend en de heer Gilbert Glossin trad tot groote verwondering der aanwezenden binnen. Deze waardige man was op slinksche wijze te weten gekomen, dat Meg hem in hare verklaringen op haar doodbed niet genoemd had; eene omstandigheid, welke hij zeker niet aan hare gunstige gezindheid jegens hem, maar alleen aan het te lang uitstellen van een geregeld verhoor en aan haren spoedigen dood te danken had. Hij begreep dus, dat hij niets had te vreezen dan de verklaringen van Hatteraick, en om deze te voorkomen, besloot hij zich vrijpostig naar de gerechtszaal te begeven en het verhoor bij te wonen. „Ik zal wel gelegenheid hebben,” dacht hij, „om den schurk te doen begrijpen, dat zijne veiligheid van zijn zwijgen afhangt; en buitendien zal mijne tegenwoordigheid tot een bewijs van mijn vertrouwen en van mijn onschuld strekken. Moet ik de landerijen verliezen – het zij zoo; maar ik vertrouw, dat het beter zal afloopen.”
Bij het binnentreden maakte hij eene diepe buiging voor Sir Robert Hazlewood. Sir Robert, die eenigszins begon te vermoeden dat zijn nederige buurman hem, als het ware, gebruikt had, om de kanstanjes uit het vuur te halen, knikte koel met het hoofd, nam een snuifje en keek den anderen kant uit.
„Mijnheer Corsand,” zei Glossin tot den derden vrederechter, „uw onderdanigste dienaar.”
„Uw onderdanige dienaar, Mijnheer Glossin,” antwoordde de heer Corsand droogjes en volgde het voorbeeld van den baronet.
„Mac-Morlan, waarde vriend, hoe vaart gij? – Steeds ijverig als de plicht u roept?”
„Hm!” bromde de eerlijke Mac-Morlan, zonder verder acht op zijne woorden te slaan.
„Kolonel Mannering, (met eene diepe buiging, welke zeer onachtzaam beantwoord werd) en Mijnheer Pleydell, (weder eene diepe buiging), „ik had niet durven hopen dat gij ons in dit saizoen met uwe hulp en tegenwoordigheid vereeren zoudt.”
Pleydell nam een snuifje, keek hem scherp en schamper aan en zeide tegen Mannering: „Ik zal hem de waarde van de oude waarschuwing: ne accesseris in concilium antequam voceris, [34] leeren kennen.”
„Maar misschien kom ik hier ongelegen, Mijne Heeren,” hernam Glossin, de koele ontvangst opmerkende. „Het is toch eene openbare vergadering?”
„Wat mij betreft,” hernam Pleydell, „ik houd het er in het geheel niet voor, dat gij ongelegen komt. Ik ben integendeel zeer verheugd, u hier te zien, daar wij u, naar mijne gedachten, anders nog wel in den loop van dezen dag hadden moeten verzoeken, ons met uwe tegenwoordigheid te vereeren.”
„Welaan dan, Mijne Heeren,” hernam Glossin, terwijl hij een stoel bij de tafel trok en in de papieren begon te bladeren, „waar zijn wij? Hoe ver zijn wij gekomen? Waar zijn de verklaringen?”
„Geef mij al die papieren,” zeide Pleydell tegen den klerk. „Ik heb mijne eigene wijze, om mijne stukken te schikken, Mijnheer Glossin, en raak licht in de war, als een ander ze in handen neemt. Maar ik zal u straks wel om uwe hulp moeten verzoeken.”