Chapter 3 of 43 · 3978 words · ~20 min read

Part 3

Godfried Bertram van Ellangowan had vele voorouders, maar weinig inkomsten, gelijk zoo menig landedelman van dien tijd. De rij zijner voorouders strekte zich ver uit tot in de aloude eeuwen der onafhankelijkheid van het land onder Gaelen, en men vond aan zijnen stamboom; behalve de Christelijke namen van Godfried, Gilbert, Roland enz., uit den tijd der kruistochten, ook nog de Heidensche vruchten van eenen veel ouderen tijd als Arth, Knarth, Donagild en Hanlong. Zij waren inderdaad voorheen de onrustige gebieders over een woest, doch zeer uitgestrekt grondgebied en de hoofden van eenen talrijken stam, met name Mac-Dingawaie, ofschoon zij later den Noormandischen naam van Bertram aannamen. Zij hadden oorlogen begonnen, oproeren gesticht, waren geslagen, onthoofd en opgehangen, gelijk het voor eenige eeuwen een aanzienlijk geslacht betaamde. Langzamerhand verloren zij echter hun aanzien en de Heeren van Ellangowan, eens de hoofden en aanleggers van samenzweringen, daalden in het vervolg tot ondergeschikte deelnemers daarin. Hunne ongelukkigste ondernemingen van dezen aard hadden plaats in de zeventiende eeuw, toen een heillooze geest van tegenspraak hen beheerschte, en zij steeds met de bovendrijvende partij overhoop lagen. In tegenstelling met den uit het lied bekenden predikant van Bray, die zich steeds bij de machthebbenden aansloot, trokken zij standvastig partij voor de overwonnenen, en even als de geestelijke, vonden zij loon naar verdienste. Allan Bertram, die ten tijde van Karel I leefde, en een standvastige koningsvriend was, zoo als Sir Robert Douglas meldt in zijne geschiedenis der Schotsche Baronnen, onder het hoofd Ellangowan, verbond zich met den dapperen Montrose en andere ijverige, getrouwe vaderlandsvrienden, en onderging groote verliezen. De Koning verhief hem, wel is waar, tot den ridderstand, maar hij werd door het Parlement zwaar beboet in 1642, en in 1648 werd hij weder als kwalijkgezind vervolgd. De helft van zijne bezittingen ging op deze wijze verloren. Zijn zoon, Dennis Bertram, redde de overblijfsels van het stamgoed door een huwelijk met de dochter van eenen machtigen dweeper, welke medelid van den staatsraad was, doch tot zijn ongeluk hechtte hij even zeer aan hare grondbeginsels, als aan hare persoonlijke bekoorlijkheden. De reeds aangehaalde schrijver beschrijft zijn karakter als volgt: „Hij was iemand van uitstekende bekwaamheden en groote vastberadenheid, en werd om die reden door de westelijke graafschappen tot lid van de Commissie van Edelen en Heeren gekozen, om hunne grieven voor de invallen der Hooglanders in 1678 aan den geheimen Raad bloot te leggen. Door zich hiermede te belasten, haalde hij zich eene geldboete op den hals, waardoor hij zich genoodzaakt zag, de helft van zijn vaderlijk erfgoed te verpanden. Door spaarzaamheid had hij dit verlies wel weder te boven kunnen komen; maar bij het uitbersten van den opstand onder den Hertog van Argyle kwam Bertram weder onder verdenking, werd gevangen genomen, naar het kasteel Dunnotar vervoerd aan de zeekust bij Mearrus, en verloor het leven bij eene poging, om uit den onderaardschen kerker, „de whigs kelder,” genoemd, te ontvluchten, waar hij met een tachtigtal partijgangers opgesloten was. De houder van den pandbrief deed zijn recht gelden, en beroofde dus de familie weder van een aanzienlijk deel van het stamgoed. De jonge erfgenaam van Ellangowan, Donohoe Bertram, die een Ierschen doopnaam voerde en met wat Iersche drift bezield was, aanvaardde het verkleinde erfdeel. Hij wierp den kapelaan zijner moeder, den eerwaarden heer Aron Mackriar, het huis uit, omdat zij, gelijk het verhaal luidt, over eene melkmeid, naar wier gunst zij beiden dongen, in twist geraakt waren; hij maakte zich dagelijks bij het drinken op het welzijn van den Koning, den Staatsraad en de Bisschoppen, aan dronkenschap schuldig, braste met den heer van Lagg, met Theophilus Oglethorpe en sir James Turner, en steeg eindedijk te paard, vestigde zich te Killikrankie bij Claverhouse. In de schermutseling te Dunkeld, in 1689, werd hij door een Cameroniër met eenen zilveren knoop doodgeschoten, omdat men hem algemeen schootvrij hield voor lood en ijzer. Zijn graf wordt nog altijd „het graf van den boozen heer” genoemd.

Zijn zoon Lodewijk bezat meer verstand, dan in dit geslacht erfelijk schijnt geweest te zijn. Hij zocht te behouden, wat hij van het stamgoed geërfd had, want de uitspattingen van Donohoe en nieuwe geldboeten en verbeurdverklaringen hadden weer de bezittingen verminderd, en ofschoon hij, door het noodlot medegesleept, dat vijandig over de heeren van Ellangowan heerschte, zich in de staatkundige verdeeldheden mengde, had hij de voorzorg genomen, eer hij in 1715 met Lord Kenmore naar de wapens greep, om zijne landerijen aan anderen over te dragen, om te voorkomen, dat alles verbeurd zou worden, als het den Graaf van Mar niet gelukte de Protestantsche dynastie te verdrijven. Maar dit was slechts aan Scylla ontgaan, om in Charybdis te vallen; – want hij kon alleen weêr bezit krijgen van zijn eigendom na een kostbaar rechtsgeding, dat nogmaals aanzienlijke verkleining van zijn vermogen medesleepte. Hij was echter een vastberaden man en verkocht een gedeelte van zijne landerijen, verliet het oude slot, waarin zijne voorouders gewoond hadden, en bouwde, van een gedeelte van deze eerwaardige puinhoopen, een nieuw huis van drie verdiepingen, welks voorgevel er als eene grenadiersmuts uitzag, met éen rond venster, als het oog van een Cykloop in het midden, twee ramen van weêrskanten en eene deur daartusschen, die toegang verleende tot een huiskamer en een zaal, die beiden even slecht verlicht waren.

Dit was het nieuwe huis van Ellangowan, waar wij onzen held verlieten, die zich wellicht intusschen beter vermaakt heeft dan de lezer, en hierheen had zich Lodewijk Bertram teruggetrokken, bezield met allerlei plannen voor het herstellen der verliezen door zijne familie geleden. Hij pachtte eenige landerijen van naburige grondeigenaars, kocht en verkocht rundvee uit het Hoogland en schapen van Cheviot, reed naar jaarmarkten en andere bijeenkomsten, en hielp zich uit den nood zoo goed hij kon. Maar wat bij hierdoor aan geld won, verloor hij aan aanzien: want dit landbouwen en handeldrijven werd door zijne standgenooten, welke aan niets dan aan hanengevechten, aan jacht en wedloopen, tusschenbeide door een woedend tweegevecht afgewisseld, dachten, zeer ongunstig beoordeeld. Zulke bezigheden waren, volgens hun gevoelen, beneden de waardigheid der adellijke heeren van Ellangowan, en hij zag zich ten laatste gedwongen, om hun gezelschap te vermijden en een aanzienlijk landbouwer te worden, dat ten dien tijde nochtans geen aanzienlijke stand was.

Doch te midden van zijne plannen eischte de dood zijne schatting, en het armoedige erfgoed ging over op zijnen eenigen zoon, den gastheer van onzen reiziger. Het bleek spoedig, hoe gevaarlijk de ondernemingen zijns vaders voor hem waren. Het ontbrak geheel aan het eigene werkzame opzicht van den ouden heer, en alles, wat de zoon begon, mislukte gedeeltelijk of geheel. Zonder een vonkje eigene kracht, om zulke ongelukken te herstellen, verliet hij zich op de werkzaamheid van anderen. Hij hield jagers, noch jachthonden, noch andere dingen, die ten verderve leiden; maar hij liet zijne belangen aan eenen zaakwaarnemer over, die hem even goed den weg ten ondergang baande. Onder het opzicht van dezen man werden kleine schulden groot, interesten op kapitalen gehoopt, aflosbare lasten erfelijk gemaakt, en proceskosten gaven eindelijk den doodsteek, ofschoon de goede heer zoo weinig van rechtsgedingen hield, dat hij somtijds eerst kennis van zijne twisten kreeg, als het gerecht de kosten invorderde. Zijne buren zagen zijnen val vooruit, en terwijl de aanzienlijken hem als eenen onwaardigen broeder beschouwden, over wiens val zij zich verheugden, hadden de geringeren meer medelijden met zijnen nood, omdat zij in zijnen stand niets benijdenswaardig vonden. Hij was zelfs eene soort van gunsteling van deze laatsten, en bij menige openbare bijeenkomst, waar het de verdeeling van eene gemeenteweide gold, eene vrije visscherij, of maatregelen tegen de wilddieven te beramen, en over verdrukking van de adellijke landheeren gesproken werd, werd er dikwijls gezegd: „ja, als de eerlijke Ellangowan nog zoo vele macht bezat als zijne voorouders, zou hij de arme lieden zoo niet onder de voeten laten treden.” Maar niettegenstaande dit gunstige gevoelen zag men er toch geene zwarigheid in, om hem bij elke gelegenheid te benadeelen, het vee in zijne bosschen te drijven, hout van hem te stelen en zijn wild te schieten: „want de goede man sloeg daar immers geen acht op en nam het den armen lieden niet kwalijk.” Marskramers, heidenen, ketellappers, en allerlei landloopers zetten zich in den omtrek van zijne woning neder, of vertoefden in zijne keuken, en de landheer, „die niet al te keurig was,” en gaarne veel praatte, zoo als de meeste zwakke menschen, vond zich voor zijne gastvrijheid beloond, door het genoegen van zijne gasten naar het nieuws uit den omtrek te vragen.

Op den weg naar zijnen ondergang werd de heer nog staande gehouden door vier duizend pond sterling, welke zijne bruid hem ten huwelijk bracht. Niemand, in den ganschen omtrek, kon begrijpen, waarom zij hem gekozen en haren rijkdom met hem gedeeld had, of het moest zijn, omdat hij eene rijzige, fraaie gestalte en aangename gelaatstrekken bezat, en zeer vriendelijk en zeer goedaardig was. Ook mag hierbij nog wel in aanmerking genomen worden, dat zij den rijperen ouderdom van acht en twintig jaren bereikt had en geene naastbestaanden had, die haar in hare daden of in hare keus belemmeren konden. Zij zou nu voor de eerste maal moeder worden, en het was om harentwil, dat de bode op dien avond naar Kippletringan gezonden was, gelijk de oude vrouw in de hut aan Mannering verteld had.

Ofschoon wij reeds zooveel van den heer zelven medegedeeld hebben, moeten wij nog den lezer eenigszins bekend maken met zijn makker. Deze was Abel Sampson, gewoonlijk, als onderwijzer der jeugd, „Dominé [1] Sampson” genoemd. Hij was van geringe afkomst, maar had sedert zijne vroegste jeugd een zoo buitengewonen ernst getoond, dat zijne arme ouders de meeste hoop koesterden, dat hun zoon nog wel eens den weg tot den kansel zou vinden. Bij dit eerzuchtige vooruitzicht bezuinigden zij op alles wat zij bedenken konden, stonden vroeg op en gingen laat te bed, aten droog brood en dronken koud water, om den kleiner Abel het noodige onderricht te verschaffen. Maar ongelukkig werd de arme Sampson door zijne lange, onbevallige gestalte, door zijne stilzwijgendheid en zijn ernstig gedrag, zoowel als door eene belachelijke gewoonte om met armen en beenen te zwaaien, en zijn gezicht, onder het opzeggen van zijne les, te vertrekken, den school kinderen ten spot. Op de hoogere scholen te Glasgow ging het hem even zoo. De straatjongens liepen gewoonlijk samen, als Dominé Sampson – dezen eeretitel had hij toen reeds – met zijn woordenboek onder den arm uit de Grieksche klasse kwam en zijne lange misvormde beenen uitspreidde, welke op zonderlinge wijze maat hielden met de bewegingen van zijne ongemeen groote schouderbladen, waarop een kale zwarte rok, zijne gewone en eenige kleeding, op en neder bewogen werd. Zoodra hij sprak, waren alle pogingen van den hoogleeraar (hoewel een professor der theologie) te vergeefsch, om het onophoudelijk gelach der studenten te keer te gaan of om zelf ernstig te blijven. Het uitgestreken bleeke aangezicht, de groote uitpuilende oogen, de zware benedenkaak, welke hij niet willekeurig op en neer scheen te kunnen bewegen, maar die door een inwendig ingewikkeld werktuig opgeheven en neergelaten scheen te worden, zijne heesche, onwelluidende stem en de gillende toon, waarin ze overging, als hij tot duidelijker spreken vermaand werd – dit alles bracht de lachspieren nog meer in beweging, waarbij dan nog de gelapte rok en gescheurde schoenen kwamen, welke, reeds sedert den tijd van Juvenalis, stof tot spotten met eenen armen geleerde gegeven hebben. Men weet geen voorbeeld, dat Sampson hierover toornig geworden was, of zich op zijne plagers had zoeken te wreken. Hij sloop langs de eenzaamste paden, die hij vinden kon, uit de hoogeschool naar zijne ellendige woning, waar hij, voor achttien stuivers in de week, op eenen stroozak slapen en, als de huisvrouw eene goede bui had, bij haar vuur zijne lessen leeren mocht. Onder deze benauwde omstandigheden verwierf hij nochtans veel kennis van het Grieksch en Latijn, en bleef ook in de andere wetenschappen geen vreemdeling. Met den tijd werd hij dan ook kandidaat in de godgeleerdheid, en verkreeg dus het recht in den kansel op te treden. Maar helaas! op den predikstoel stond hem eensdeels zijne beschroomdheid in den weg en, ten andere, barstte de geheele vergadering, bij zijne eerste proef, zoodanig in lachen uit, dat de arme man geen woord meer uitbrengen kon. Hij hoestte en opende den mond, zijne oogen rolden vreeselijk, hij sloeg den bijbel dicht, struikelde de trappen van den predikstoel af, en liep de oude vrouwen, die hier gewoonlijk hare plaats hadden, bijna omver. Sedert dien tijd noemde men hem niet anders dan den verongelukten predikant. Nu keerde hij, met verloren hoop en zonder vooruitzichten, naar zijne geboorteplaats terug, om de armoede zijner ouders te deelen. Daar hij vriend noch vertrouwde, ja nauwelijks éénen bekende had, vond niemand gelegenheid om nauwkeurig waar te nemen, hoe Dominé Sampson een ongeluk droeg, dat aan het stadje, waar hij opgetreden was, gedurende acht dagen stof tot lachen gaf. Het zou zelfs een werk zonder einde zijn, de ontelbare aardigheden te willen opsommen, waartoe het aanleiding gaf, beginnende met eene Ballade, „Sampsons Raadsel” geheeten en geschreven door een vluggen jongen student in de philosophie, en eindigende met de uitdrukking van den vriend van den Deken van de faculteit, dat „Sampson”, niet als Simson op zijne vlucht, de poorten van den tempel meêgenomen had. Naar den schijn, ten minste, werd zijne lankmoedigheid ook hierdoor niet geschokt. Hij zocht, door het oprichten van eene school, zoo veel te verdienen, dat hij zijne ouders ondersteunen kon en had spoedig leerlingen genoeg, maar zeer weinige inkomsten. De zonen der pachters konden hem geven wat zij wilden; van den armen man nam hij niets; en het strekte den eersten weinig tot eer, dat de arme onderwijzer nooit zoo veel verdienen kon, als een bekwame knecht achter den ploeg. Hij schreef echter eene goede hand, en verdiende dus nog iets door afschrijven van rekeningen en het stellen van brieven voor den heer Ellangowan. Deze, die zeer afgezonderd leefde, schiep langzamerhand behagen in het gezelschap van Sampson. Aangename gesprekken kon Sampson zekerlijk niet voeren; maar hij was een goed toehoorder en kon het vuur op den haard goed aan den gang houden. Hij beproefde ook wel eens de kaars te snuiten; maar nadat hij, bij twee mislukte proeven, de kamer in duisternis gehuld had, gaf hij dit eerzuchtig streven om beleefd te zijn ook op, en bepaalde van nu af zijne diensten hierbij, dat hij juist op hetzelfde oogenblik zijn glas aan den mond bracht, als zijn begunstiger, en met onverstaanbare tonen zijne toestemming mompelde, zoodra de heer van Ellangowan zijne eindelooze, verwarde verhalen sloot.

Het was bij zulk eene gelegenheid dat hij onzen held voor het eerst zijne lange, magere, lompe, houten gestalte vertoonde, die in een zwarten, versleten rok gehuld, waarbij nog een bonte, niet al te zindelijke doek om den gespierden mageren hals, eene grijze broek, donkerblauwe kousen en bespijkerde schoenen met kleine koperen gespen gevoegd waren.

DERDE HOOFDSTUK.

„De geschiedenis van alle eeuwen Is rijk aan vreemde voorteekenen Van groote omkeeringen, Door Sterrewichelaars voorzien.”

Hudibras.

De gastheer onderrichtte Mannering van de omstandigheden, waardoor de vrouw des huizes belet werd hem welkom te heeten, en die gedeeltelijk strekken moesten als eene verontschuldiging voor een gebrekkig onthaal, dat hare zorgvuldigheid wel voorgekomen zou hebben, maar ook als aanleiding diende, om hen nog eene fijne flesch voór te zetten.

„Ik kan niet slapen,” zei de huisheer met die onrust, welke een vader in zulke omstandigheden natuurlijk eigen is, „voor dat ik weet, dat alles goed afgeloopen is. Indien gij niet al te slaperig zijt, Mijnheer, en mij en dominé Sampson de eer bewijzen wilt bij ons te blijven, zullen wij, hoop ik, u niet zeer lang ophouden. De vroedvrouw is zeer bekwaam en zoekt haars gelijke. Er was eens een meisje, dat haar ook noodig had, – zij woonde hier in den omtrek. – Waarom schudt gij zoo het hoofd en zucht ge zoo Sampson? – Ik weet zeker, dat de kerkboete behoorlijk betaald is, en wat kan men meer doen? – Het was vóor dat zij gehuwd was, en de man, die haar naderhand getrouwd heeft, acht haar om dat ongeluk niets minder. – Zij woont te Annan, aan de kust, en ik zeg u, mijnheer Mannering, men kan geen braver, ordentelijker paar zien. Zij heeft zes lieve kinderen, en de kleine krullebol Godfried – dat ìs de oudste, die, zoo als men wel zeggen kon, zonder verlof in de wereld gekomen is – is aan boord van een tolschip. Ik heb op het tolschip ook eenen neef, de commissaris Bertram: hij kreeg dezen post in den grooten verkiezingsstrijd, waarvan ge gehoord zult hebben, daar men er over appelleerde bij het Lagerhuis, – en ik zou mijne stem voor den heer van Balluddery gegeven hebben; – maar mijn vader, ziet ge, was Jacobiet, en onder de vragers veel kennissen, en wilde nooit den eed afleggen van getrouwheid aan het hedendaagsche bestuur, – en hoe het gebeurd is, weet ik niet; maar zij schrapten mij steeds van de kiezerslijst, hoewel mijn rentmeester eene geldige stem uitbrengen mocht, voor den ouden Sir Thomas Cittlecourt. – Maar, om terug te komen tot hetgeen ik zeggen wilde, Luckie Hoevation is zeer vlug, – want dit meisje – –”

Hier werd de lange verwarde geschiedenis, welke de verhaler dus begon, afgebroken door de luide stem van iemand, die zingend de keukentrap opkwam. De hooge tonen waren te schel voor eene mannenstem: de lagere schenen te zwaar voor eene vrouwenstem te zijn. De woorden, welke Mannering onderscheiden kon, luidden dus:

Tijdstip, dat vaak zorgen kost! Is de huisvrouw nu verlost? ’t Zij ’t een knaap of meisjen is, Slaat een kruis en zingt de mis.

„Het is Meg Merrilies, de waarzegster, zoo waar ik een arme zondaar ben,” zei Bertram.

Sampson, die met de beenen kruiselings over elkander gezeten had, loosde een diepen zucht, trok zijn langen voet, welke in zijne vorige stelling uitgestrekt was, naar zich toe, plaatste dien recht op den grond en legde het andere been er over, terwijl hij dikke wolken tabaksrook uitblies. „Waarom zucht gij, dominé? Ik weet zeker, dat Meg’s gezang geen kwaad zal doen.”

„Ook geen goed,” antwoordde dominé Sampson met eene onaangename, schorre stem, die volkomen bij zijne lompe gestalte paste. Dit waren de eerste woorden, welke Mannering van hem hoorde, en daar hij er niet zonder nieuwsgierigheid op gewacht had, of dit etende, drinkende, bewegende en rookende beeld eindelijk ook spreken zou, vermaakten hem de ruwe tonen, welke het uitte, niet weinig.

Op dit oogenblik werd de deur geopend, en Meg Merrilies trad binnen. Mannering stond verstomd bij hare verschijning. Zij was volle zes voet groot, droeg een mansoverrok over hare andere kleederen, welke, behalve de rokken, meer op eene mannen- dan vrouwenkleeding geleek, en had eenen dikken doornstok in de hand. De verwarde zwarte haren hingen, als de slangen van een Medusa-hoofd, van onder eene oudmodische muts en verhoogden de zonderlinge uitdrukking in hare scherpe, door de zon verbrande gelaatstrekken, terwijl het woeste rollen harer oogen eene werkelijke of gekunstelde waanzinnigheid scheen aan te duiden.

„Maar, Ellangowan!” zeide zij; „het zoude iets fraais geweest zijn, als de vrouw verlost was, terwijl ik er op de jaarmarkt van Drumshourloch niets van geweten of gedroomd had! Wie zou de geesten verdrijven? wie de kaboutermannetjes en heksen van den lieven knaap, dien God zegene, verjagen? of wie de tooverspreuk van de heilige Colmia voor hem opzeggen?” En zonder op een antwoord te wachten, begon zij te zingen:

„Klaver, ijzerkruid en dill’ Hind’ren heksen in haar’ wil; Hem is ’t wel, die vasten mag Op sint-Andries heil’gen dag. Sint-Brigitta en haar schat, Heil’ge Colma en haar kat En sint-Michel met zijn zwaard Houden ’t huis voor ramp bewaard.

Deze tooverspreuk zong zij op haar ruwe wijze, met eene sterke, schelle stem, en maakte daarbij drie, zulke hooge en vlugge sprongen, dat zij bijna aan den zolder van de kamer kwam. Hierop zeide zij: „zult gij mij nu een glas brandewijn laten geven, edele heer?”

„Dat zult gij hebben, Meg! – Ga nu daar bij de deur zitten, en verhaal ons, wat nieuws gij op de kermis te Drumshourloch gehoord hebt.”

„Waarlijk, Ellangowan, daar hadt gij en uws gelijken moeten wezen; er waren, buiten mij, vele mooie meisjes en geen mensch om haar een kermis te geven.”

„En hoeveel Zigeuners zijn er in de gevangenis gebracht?”

„Niet meer dan drie, heer! want er waren niet meer dan drie, buiten mij, en ik ben hun uit den weg gegaan; want met twistzieke menschen is het niet goed te doen te hebben. En Dunbog heeft den rooden Rotten en Hans Young van zijn erf gejaagd. Vervloekt zij zijn geslacht! Hij is geen edelman en heeft geen droppel edel bloed. Waarom een paar armen schelmen te misgunnen, dat zij in een vervallen gebouw onder dak zoeken te komen, of eenige distels aan den weg zoeken en een dorren berkenboom omhakken, om hun eten te koken? Maar er is een God hier boven. – En wij zullen zien of niet spoedig, eer de morgen daagt, de roode haan op zijn dak gezet wordt.”

„Stil, Meg, stil! dat is gevaarlijke taal.”

„Wat bedoelt zij daarmede?” vroeg Mannering zacht aan Sampson.

„Brandstichten,” antwoordde de woordkarige dominé.

„Zeg mij toch, bid ik u, wat of wie is zij?”

„Eene lichtekooi, eene dievegge, eene heks en waarzegster.”

„O waarlijk, heer,” ging Meg voort, „slechts voor u en uws gelijken kan men zijn hart openen. Hoor! Dunbog is zoo min een edelman, als de metselaar, die het fraaie huis in het dorp bouwt. Maar wie u gelijkt, is van eeuwen-ouden adel, en jaagt geene arme lieden van zijn erf, als of het dolle honden waren, en niemand van ons volk zou iets van u aanroeren, al hadt gij even veel kapuinen, als er bladen aan den boom zijn. En nu moet één uwer zijn horlogie op de tafel leggen, en mij de juiste minuut zeggen, waarop het kind geboren wordt, en ik zal zijn lot voorspellen.”

„Wij zullen uwe hulp niet noodig hebben, Meg! hier is een student uit Oxford, die verstaat het waarzeggen veel beter dan gij; hij doet het uit de sterren.”

„Zonder twijfel, mijnheer,” antwoordde Mannering, de grap van zijn gastheer vattende; „ik zal zijn lot berekenen naar de regelen der tripliciteiten, welke Pythagoras, Hippocrates, Diokles en Avicenna geleerd hebben; of ik zal beginnen ab hora questionis, zoo als Haly, Messahala, Canwehis en Guido Bonatus aanbevelen.”

Eene der eigenschappen, waarvoor Sampson het meest bij den heer Bertram in gunst stond, was, dat men hem voor den gek zocht te houden, hoe lomp men dat ook mocht aanleggen, zoo dat de landjonker in den onergdenkenden dominé het beste voorwerp voor zijne zoutelooze spotternijen vond. ’t Is waar, dat hij nooit daarbij lachte of medelachte, wanneer men het over zijne onnoozelheid uitschaterde; ja men zegt, dat hij maar eens in zijn leven lachte, en dat zijne huiswaardin bij deze merkwaardige gelegenheid, deels door verwondering over de gebeurtenis zelve, deels door schrik over de ijselijke wijze, waarop hij zijn gezicht vertrok, een miskraam kreeg. Bemerkte hij weleens, dat men schertste, dan maakte dit verder geen indruk op hem, dan dat hij langzaam zeide: „Wonderlijk!” of: „zeer koddig!” zonder echter een gezicht daarbij te vertrekken.

Bij deze gelegenheid vestigde Sampson een verbaasden, verschrikten blik op den jongen Sterrewichelaar, staarde hem aan en scheen te twijfelen, of hij zijn antwoord wel verstaan had.

„Ik vrees, mijnheer,” zeide Mannering, zich tot Sampson wendende, „dat gij een van die ongelukkige menschen zijt, wier zwak gezicht niet in staat is in de hemelsche sferen door te dringen, om daarin de besluiten des hemels uit de verte te lezen, en die uit dien hoofde het hart, uit vooroordeel en dwaling, voor overtuiging sluiten.”

„Inderdaad,” zeide Sampson, „ik ben met Sir Izaäk Newton, ridder en voormaals Koninklijke muntmeester, van gevoelen, dat de voorgewende kunst der sterrewichelarij ijdel, dwaas en onbevredigend is.” En hiermede sloot hij de lippen.