Chapter 2 of 43 · 3996 words · ~20 min read

Part 2

„Hare zeer opmerkelijke gestalte, – zij was bijna zes voet lang, – en hare eveneens in het oog vallende gelaatstrekken en kleeding deden hem haar oogenblikkelijk herkennen, ofschoon hij haar in jaren niet gezien had, en het was eene droevige verrassing voor den armen man, zulk een wezen te ontmoeten op deze eenzame plek en waarschijnlijk in de nabijheid van hare stamgenooten, daar hij het geld voor zijne huur bij zich had en het verlies daarvan hem te grond gericht zou hebben.

„Jane begroette hem met vreugde. „Wel, wel! de brave boer van Lochside! Ga zitten, ga zitten; – want nu ge onder het dak van een vriend zijt, moogt ge heden avond niet verder gaan.” De boer moest dan ook afstijgen en het aangeboden avondmaal en het nachtverblijf aannemen. Er was vleesch genoeg op tafel, – hoe men er ook aan kwam; – alles scheen voorbereid voor een ruim maal voor tien of twaalf gasten, waarschijnlijk, zooals de boer zich voorstelde, tot hetzelfde slag van menschen behoorende als zijne gastvrouw.

„Jane liet hem geen twijfel op dit punt. Zij herinnerde hem aan het gestolen varken en vertelde hoezeer haar die zaak gegriefd had. Even als andere wijsgeeren, merkte zij op, dat de wereld hoe langer hoe slechter wordt, en even als andere ouders, dat hare kinderen aan hare tucht ontgroeid waren en de oude wetten der Zigeuners schonden, die hun voorschreven op hunne strooptochten het eigendom hunner weldoeners te ontzien. Eindelijk vroeg zij hoeveel geld de boer bij zich had, en verlangde, of liever beval hem haar zijne beurs toe te vertrouwen, daar de kinderen, zoo als zij hare jongens noemde, weldra te huis zouden zijn. De arme boer maakte uit den nood een deugd, vertelde wat hem overkomen was en gaf het goud aan Jane in bewaring. Zij deed hem eenige zilverstukken op zak steken, met de opmerking, dat het verdacht zou schijnen als hij geheel zonder geld op reis was gegaan.

„Nadat dit geschied was, legde zich de boer te slapen op wat beddelakens boven een strooleger gespreid; maar genoot, zoo als men licht gelooven zal, weinig rust.

„Tegen middernacht keerde de bende terug met hun buit, en de heldendaden door de dieven bedreven, werden besproken in taal, welke den boer deed rillen. Het duurde ook niet lang, of zij ontdekten dat zij een gast hadden, en zij verlangden van Jane te weten wie het was.

„Niemand anders dan de boer van Lochside, die arme sukkel,” hernam Jane.

„Hij is naar Newcastle geweest om geld te zoeken om zijn huur te betalen, als eerlijk man, maar heeft niets kunnen krijgen, en nu gaat hij naar huis met een leege beurs en een zwaar hart.”

„Dat kan wel waar zijn, Jane,” hernam een der bandieten; „maar we dienen toch eventjes zijne zakken te onderzoeken, en te zien of hij de waarheid verteld heeft.”

Jane verzette zich luide tegen deze schennis der gastvrijheid, zonder echter hen van hun voornemen te kunnen afbrengen, en de boer hoorde weldra hoe zij naast zijn legerstede samen fluisterden en zijne kleeren onderzochten. Zoodra zij het geld vonden, dat hij, volgens den raad van Jane bij zich gehouden had, raadpleegden zij samen of zij het nemen zouden of niet; maar de geringe som en Jane’s vermaningen deden hen daarvan afzien. Zij keerden aan hun maal terug en legden zich daarop te rust. Zoodra de dag aanbrak, waarschuwde Jane haar gast, haalde zijn paard, dat zij achter de schuur goed verzorgd had, en bracht hem een paar uren ver op weg naar Lochside. Daarop gaf zij hem al zijn geld terug, en kon er niet toe gebracht worden zelfs een enkel goudstuk tot belooning aan te nemen.

„Ik heb van bejaarde lieden te Jedburgh hooren vertellen, dat Jane’s zonen allen op denzelfden dag dáar ter dood veroordeeld werden. Naar men zegt was de Jury verdeeld, maar één van de leden, die gedurende de discussie geslapen had, werd plotseling wakker en besliste voor den dood met de krachtige woorden: „Knoopt ze allen op!” Eenparigheid van stemmen werd bij eene Schotsche Jury niet vereischt en het „schuldig” werd uitgesproken.

Jane was tegenwoordig en zei alleen: „de Heere sta den onschuldige bij op een dag als dezen!” Haar eigen dood ging vergezeld van wreede mishandelingen, die zij in vele opzichten geenszins verdiende. Onder hare goede, of slechte hoedanigheden, zoo als de lezer verkiest, behoorde die van eene trouwe aanhangster der Jacobieten te zijn. Zij was, bij toeval, op een marktdag te Carlisle aanwezig, kort na het jaar 1746, en gaf lucht aan hare politieke neigingen op eene wijze, die het grauw van de stad beleedigde. Daar zij even vurig waren in het uiten van hunne koningsgezindheid, nu zulks geen gevaar meer bracht, als zij vroeger lafhartig waren geweest in de overgave der stad aan de Hooglanders in 1745, werd de arme Jane door het grauw gegrepen en herhaaldelijk in de rivier Eden gedompeld, tot zij dood was. De marteling duurde eenigen tijd, want Jane was eene forsche vrouw, worstelde met hare moordenaars en kreeg het hoofd telkens boven water, bij welke gelegenheid zij telkens „Leve ons Kareltje!” riep. Toen ik als kind de tooneelen bezocht, waar zij bekend was geweest, heb ik dikwerf deze verhalen gehoord en tranen gestort over het harde lot van de arme Jane Gordon.

„Ten opzichte van deze grens-Zigeuners, kan ik nog mededeelen, dat toen mijn grootvader over de zeer uitgestrekte Charleshouse-hei reed, hij plotseling onder eene bende dezer lieden geraakte, die in eene holte, door struiken omgeven, aan ’t feestvieren waren. Zij grepen dadelijk zijn paard bij de teugels met luide welkomstgroeten, want hij was aan bijna allen bekend; zij riepen luide, dat zij dikwerf op zijne kosten gegeten hadden en dat hij nu hun gast moest zijn.

„Mijn grootvader was zeer ongerust, want, even als de boer van Lochside, had hij meer geld bij zich dan wenschelijk was in zulk gezelschap. Daar hij echter een onbevreesd, opgeruimd mensch was, schikte hij zich naar de omstandigheden, en nam deel aan het maal, bestaande uit allerlei wild, gevogelte, varkensvleesch enz., – de vruchten van hun stelsel van algemeene plundering. Het feest werd zeer vroolijk; maar mijn grootvader kreeg een wenk van eenige der oude Zigeuners om zich te verwijderen, eer het te luidruchtig werd. Hij beklom dus zijn paard, zonder afscheid te nemen, maar ook zonder de minste schennis der wetten van de gastvrijheid te hebben ondervonden. Naar ik meen was Jane Gordon ook hij dit feest aanwezig.” (Blackwood’s Magazine, deel 1, blz. 54.)

Hoewel Jane’s zonen allen op het schavot stierven, werd zij overleefd door eene kleindochter, die ik me herinner gezien te hebben; – dat wil zeggen: even als Dr. Johnson eene flauwe herinnering koesterde aan Koningin Anna, als eene deftige dame in het zwart, met diamanten, zoo word ik vervolgd door eene plechtige herinnering aan eene vrouw van meer dan gewone lengte, in een langen rooden mantel uitgedost, die onze kennismaking inwijdde door mij een appel te schenken, maar die ik met even veel eerbied beschouwde als den toekomstigen doctor en Tory van latere tijden: de Koningin zelve. Ik geloof dat deze vrouw Madge, of Margaretha Gordon was, van wie een indrukkend bericht gegeven wordt, ook in Blackwood, maar door een anderen schrijver dan degeen, die over hare moeder schreef:

„Madge Gordon werd toen beschouwd als de Koningin der Yetholm-Clans. Zij was, naar wij meenen, eene kleindochter van de beroemde Jane Gordon, en men zeide dat zij sterk op haar geleek. Nastaand bericht is aan een vriend ontleend, die haar gedurende vele jaren kende en zeer gunstige gelegenheden vond om de eigenaardigheden der Yetholm-stammen na te gaan. Madge Gordon stamde van moeders zijde van de Faas af, en was met een Young gehuwd. Zij was eene opmerkelijke vrouw, – indrukwekkend van uiterlijk en bijna zes voet lang. Zij had een grooten, krommen neus, – doordringende oogen, zelfs op haar ouden dag, – ruig haar, dat van onder een strooien hoed over hare schouders hing, – droeg een korten mantel, van zonderling maaksel, en een langen stok, – bijna zoo lang als zij zelve was. Ik herinner me haar zeer goed; iedere week bracht zij mijn vader een bezoek, om haar aalmoes te halen, en als kleine jongen, beschouwde ik haar met niet weinig ontzag en angst. Als zij driftig sprak (want zij knorde veel) sloeg zij met den stok op den vloer en nam eene houding aan, die men onmogelijk met onverschilligheid kon aanzien. Zij placht te zeggen, dat zij vrienden halen kon van de meest verwijderde streken van het eiland om hare zaak te omhelzen, terwijl zij zelve stil te huis kon blijven zitten, en zij beroemde zich menigmaal er op, dat zij in vroegere tijden nog meer aanzien bezeten had, daar er bij haar huwelijk vijftig opgetoomde ezels waren geweest – en onopgetoomde zooveel, dat men ze niet tellen kon. Als Jane Gordon de prototype van Meg Merrilies, moet Madge den onbekenden schrijver, wat haar uiterlijk aangaat, tot model hebben gezeten.” (Blackwood’s Mag., deel 1, blz, 56.)

De lezer ziet nu in hoever de slimme correspondent van Blackwood zich vergiste, of niet.

Overgaande tot een karakter van geheel anderen aard, namelijk Dominé Sampson, kan de lezer zich gemakkelijk voorstellen, dat een armoedig, geduldig, nederig geleerde, die in zijne klassieke studiën goede vorderingen heeft gemaakt en in de wereld niet vooruitkomt, op het platte land geene zeldzame verschijning is, waar eene zekere hoeveelheid geleerdheid gemakkelijk verkregen wordt door diegenen, die bereid zijn om den wille van wat Latijn en Grieksch honger en dorst te lijden. Maar van den waardigen Dominé bestaat er toch een veel nauwkeuriger prototype, die tot model van de rol heeft gediend, welke hij in den roman speelt, en van wien, om bijzondere redenen, het noodzakelijk is slechts in zeer algemeene bewoordingen te spreken.

Een zoodanige leermeester als de heer Sampson, bekleedde werkelijk die betrekking in het huisgezin van een zeer aanzienlijk heer. De jonge lieden, zijne leerlingen, groeiden op en gingen de wereld in, maar de leermeester bleef in het huisgezin; iets dat niet ongewoon was vroeger in Schotland, waar kost en inwoning gaarne verstrekt werd aan nederige vrienden en afhangers. De voorzaten van het hoofd des huizes waren onvoorzichtig geweest; hij zelf was geduldig en ongelukkig. De dood beroofde hem van zijne zonen, wier voorspoed tegen zijn eigen ongeluk en onbekwaamheid had kunnen opwegen. De schulden vermeerderden en het geld verminderde, tot de ondergang nabij was. Het landgoed werd verkocht en de grijsaard stond op het punt zijn vaderlijk erf te verlaten, – om, hij wist niet waarheen te gaan, toen hij, even als een oud meubelstuk, dat in den hoek ongestoord langen tijd kan blijven staan, maar ineen valt zoodra men het verzetten wil, door een beroerte getroffen op zijn eigen drempel dood viel.

De leermeester ontwaakte als uit een droom. Zijn patroon was dood, en het eenig overgebleven kind van zijn patroon was eene bejaarde dame, nu niet meer aanvallig noch schoon, als zij het ooit geweest was, en thans eene hopelooze van alle middelen beroofde weeze.

Hij sprak haar aan bijna in de woorden door Dominé Sampson tot mejufvrouw Bertram gericht, en gaf zijn besluit te kennen om haar nooit te verlaten. Op deze wijze geprikkeld om gebruik te maken van talenten, welke sedert lang gesluimerd hadden, richtte hij eene kleine school op en onderhield de dochter van zijn patroon voor het overige van haar leven, terwijl hij haar steeds behandelde met denzelfden nederigen eerbied en die oprechte toegenegenheid, welke hij haar in gelukkige dagen bewezen had.

Dit is de omtrek van het verhaal van Dominé Sampson, waarin noch iets romantisch noch eenige sentimentaliteit te vinden is, maar die wellicht wegens de rechtschapenheid en eenvoudigheid van harte, welke ze doet kennen, den lezer boeien en treffen zal, evenzeer alsof de rampen geschilderd werden van een verhevener of waardiger karakter.

Deze voorafgaande bijzonderheden betreffende het verhaal van Guy Mannering en de daarin voorkomende personen, zullen misschien den lezer en den schrijver de moeite uitwinnen, om eene lange reeks van onsamenhangende aanteekeningen op te stellen, of te lezen. Ik moet er bijvoegen, dat de spreuk vóor dezen roman geplaatst, ontleend is aan het „Lied van den laatsten der Menestreelen,” om de gevolgtrekkingen van diegenen te voorkomen, die begonnen zich te verbeelden, dat, daar de schrijver van Waverley nooit de werken van Sir Walter Scott aanhaalde, daarvoor reden bestaan moest, en dat juist die omstandigheid bewijzen moest, dat tusschen beiden identiteit bestond.

Abbotsford, 1 Augustus 1829. W. S.

GUY MANNERING OF DE STERREWICHELAAR.

EERSTE HOOFDSTUK.

„Hij kon niet ontkennen, toen hij rondkeek op de woeste streek en niets ontwaarde dan kale velden, dorre boomen, heuvels in nevel gehuld en vlakten die overstroomd waren, dat hij een tijdlang droefgeestig gestemd werd en wenschte weêr veilig te huis te zijn.”

Reizen van Will. Marvel.

In het begin van November 17.. maakte een jonge Engelschman, die juist de hoogeschool te Oxford verlaten had, van zijne verkregene vrijheid gebruik, om eenige noordelijke streken van Engeland te bezoeken. De nieuwsgierigheid verleidde hem, om zijne reis tot over de nabijgelegen grenzen van Schotland uit te strekken.

Op den dag, waarmede onze geschiedenis begint, had hij eenige bouwvallen van een klooster in het graafschap Dumfries bezocht, en het grootste gedeelte van den tijd besteed, om ze van verschillende standpunten uit te teekenen. Toen hij weder te paard steeg, om zijn tocht voort te zetten, was de korte en sombere avondschemering van het jaargetijde reeds ingevallen. De weg liep door een akelig moeras, dat zich naar beide zijden en vóor hem uit, mijlen ver uitstrekte. Kleine hoogten, welke hier en daar met koren begroeid waren, dat zelfs in dit jaargetijde nog niet rijp was, verhieven zich als eilanden boven de vlakte, waarop men buitendien niets zag dan eene enkele hut of eene pachterswoning, door eenige wilgen beschaduwd en door eene heining van vlierboomen omringd. Voetpaden, die door het moeras slingerden, en alleen voor de landbewoners begaanbaar waren, verbonden deze eenzame woningen. De rijweg was nochtans vrij goed en veilig, zoodat de reiziger, welke hier door den nacht overvallen mocht worden, geen gevaar behoefde te duchten. Ondertusschen is iemand, die in het donker, en alleen door een onbekende streek reist, niet altijd wel te moede, en bij weinige gelegenheden is de verbeelding zoo werkzaam, als in een toestand van dien aard, waarin Mannering, onze ruiter, zich bevond.

Naarmate het donkerder werd en het moeras hoe langer zoo zwarter scheen, vroeg onze reiziger iederen voorbijganger dringender, hoever hij nog van het dorp Kippletringan, waar hij den nacht wilde doorbrengen, verwijderd was. Op zijne vragen volgde gewoonlijk wederkeerig de vraag: waar komt Mijnheer van daan? Zoo lang de voetgangers bij het flauwe licht nog onderscheiden konden, dat zij eenen reiziger van aanzienlijken stand voor zich hadden, werd de vraag doorgaans als eene veronderstelling ingekleed, zooals: „Mijnheer komt zeker van het oude klooster van het Heilige Kruis, waarheen zoo vele Engelsche heeren gaan, om het te bezichtigen.” Of: „Mijnheer komt zeker van het slot Pouderloupat?” Toen men echter eindelijk niets dan de stem van den vrager onderscheiden kon, antwoordde men gewoonlijk: „Waar komt gij zoo laat in den avond toch van daan?” of wel: „Gij behoort zeker niet in deze streek te huis, vriend?” Voor het overige waren de antwoorden, welke hij kreeg, evenmin overeenstemmend als nauwkeurig.

Eerst was de afstand van Kippletringan nog een „goed eind wegs”, dat bij nadere bepaling drie mijlen heette, waarvan dan weder ééne groote mijl gemaakt werd, welke later verder op omstreeks vier mijlen begroot werd. Eindelijk verzekerde eene vrouw, die eerst een schreiend kind, dat zij op den arm droeg, zocht te sussen, onzen reiziger, dat het dorp nog een heel eind verder af lag en dat de weg voor voetgangers uiterst moeielijk was. Het arme paard, dat Mannering bereed, scheen den weg even weinig te bevallen, als dat het geval was met de goede vrouw; het begon zeer vermoeid te worden, steunde hij bij iederen spoorslag en struikelde over elken steen, van welke er niet weinig op den weg lagen.

Mannering werd ongeduldig. Tusschenbeide waande hij in een licht, dat in de verre schemerde, het doel zijner dagreis te zien; doch als hij naderbij kwam, vond hij slechts eene van die boerderijen, welke hier en daar het uitgestrekte moeras verlevendigden. Zijne verlegenheid steeg eindelijk ten top, toen hij aan eenen kruisweg kwam. Al ware het ook licht genoeg geweest, om de overblijfsels van eenen wegwijzer, welke hier stond, te raadplegen, zou hem dit toch weinig gebaat hebben, daar, volgens loffelijke Schotsche gewoonte, het opschrift spoedig na de oprichting weder uitgewischt was. Als een dolende ridder moest onze reiziger zich dus op de schranderheid van zijn paard verlaten, dat zonder aarzelen den weg ter linkerhand insloeg, en daar het wat vlugger, dan het tot hiertoe gedaan had, begon te draven, zijn berijder hoop gaf, dat het misschien besefte, dat zijn nachtverblijf niet ver meer af was. Deze hoop werd echter niet spoedig vervuld, en het scheen Mannering, wiens ongeduld hem den weg lang deel vallen, dat het doel zijner reis, het dorp Keppletringan, zich, met iedere schrede die hij deed, meer verwijderde.

Het was zeer duister, ofschoon de sterren van tijd tot tijd met een bleek en flauw licht door de wolken schenen. Niets stoorde de diepe stilte in ’t rond, dan de stemmen der roerdompen en het huilen van den wind over het sombere moeras. Eindelijk vernam de reiziger ook van verre het bruisen der zee, die hij snel scheen te naderen; eene omstandigheid, welke hem nieuwe reden tot bezorgdheid gaf. Vele wegen in deze streek loopen langs het zeestrand en worden dikwijls door den vloed, welke zeer hoog en buitengemeen snel is, overstroomd. Andere paden zijn door kreeken en smalle zeearmen doorsneden, en kunnen ten tijde van den vloed niet altijd veilig betreden worden. Beide waren voor eenen met den weg onbekenden reiziger, op een vermoeid paard, in zulk een donkeren nacht gevaarlijk genoeg. Mannering besloot te vertoeven in de eerste bewoonde plaats, hoe ellendig ze ook zijn mocht, tenzij hij eenen gids naar het ongelukkige Trippletringan vinden kon.

Hij hield eindelijk bij een ellendig hutje stil, en nadat hij met veel moeite de deur gevonden en lang geklopt had, vernam hij eerst tot antwoord niets anders dan eenen luidruchtigen strijd tusschen eene vrouwelijke stem en het janken van een hond, welke zich bijna te bersten blafte, terwijl de vrouw daartusschen schreeuwde. Ten laatste kreeg de menschelijke stem de bovenhand, maar het gehuil, waarin het blaffen van den hond overging, scheen te verraden, dat iets gevoeligers dan woorden deze overwinning behaald had. „Houd je toch stil,” waren de eerste verstaanbare woorden; „ik kan door jou gejank niet hooren, wat de man verlangt.”

„Ben ik nog ver van Kippletringan, vrouwtje?” riep Mannering.

„Van Kippletringan!!!” luidde het antwoord op een toon der hoogste verbazing, die zich door drie uitroepingsteekenen slechts flauw laat aanduiden. „Wel, vriend! ge hadt oostwaarts moeten rijden om daarheen te komen; – nu moet ge terug naar den voet van den heuvel en daar langs houden tot Ballenclose, – dan –”

„Toch niet, vrouwlief! Mijn paard kan niet verder. Kunt gij mij geen nachtverblijf geven?”

„Dat kan ik waarlijk niet. Jakob is naar de markt te Drumshourloch, om kalveren te verkoopen, en ik durf onmogelijk de deur openen voor een landlooper, die zoo laat rondzwerft”

„Maar wat zal ik dan beginnen goede vrouw? Hier op den weg kan ik toch den nacht niet doorbrengen.”

„Ja, dat weet ik niet. Doch ga beneden naar het heerenhuis. Ik wed, dat men u gaarne opneemt, – wie ge ook zijt, heer of knecht.”

„Maar hoe kom ik naar het huis? Is hier niemand, die mij den weg wijzen kan? Ik zal er goed voor betalen.”

Dit woord betalen werkte als een tooverslag. „Hans! luije bengel!” riep de vrouw in huis. „Gij ligt daar te snorken, terwijl een jonge mijnheer eenen gids naar het slot noodig heeft. Sta op, deugniet! en breng hem er heen. Hij zal u den weg wijzen, Mijnheer, en ik sta er u borg voor, dat gij goed ontvangen zult worden, want zij wijzen dáár nooit iemand af. Ik denk, dat gij juist ter goeder uur zult komen; de knecht van mijnheer, – niet zijn eigen lijfknecht, maar een der boden, – reed heden avond hier voorbij, om de vroedvrouw te halen, en verhaalde ons, terwijl hij hier een glas bier dronk, dat mevrouw al hulp noodig had.”

„Maar op zulk eenen tijd,” hernam Mannering, zóu de aankomst van eenen vreemdeling wel lastig kunnen zijn.

„In het minste niet, daarvoor behoeft gij niet bang te zijn; het huis is groot genoeg, en de geboorte van een kind is altijd een gelukkig uur.”

Hans had intusschen zijn gescheurd wambuis en nog oudere broek aangetrokken, en nu kwam een blonde, trage knaap van omstreeks twaalf jaar voor den dag, bij het schijnsel van een lampje, dat zijne halfnaakte moeder zoo hield, dat zij den vreemdeling zien kon, zonder zelve te veel aan zijne blikken blootgesteld te zijn. De jongen ging in westelijke richting om den hoek van het huis, en het paard bij den teugel vattende, geleidde hij den reiziger voorzichtig over een smal pad, langs den rand van eenen diepen mestkuil, welken Mannering eerder ruiken dan zien kon. Daarop sleepte hij het moede dier over eenen hobbeligen steenweg, en toen over een versch geploegd veld. Hierop maakte hij een gat in eenen muur van losse steenen, waarvan een geheele massa naar beneden rolde, en sleepte het geduldige dier door de bres. Eindelijk bracht hij den reiziger door een hek in iets, dat op een laan van boomen geleek, ofschoon vele daarvan reeds geveld waren. Het bruisen der zee werd sterker en kwam naderbij, terwijl de maan, welke nu door de wolken straalde, een met torens voorzien, naar het uiterlijke vervallen gebouw van aanzienlijken omtrek verlichtte. Mannering bekeek het met een mismoedig gevoel, en zeide: „Jongen! dat is immers een puinhoop, en geen huis!”

„Onze heeren hebben daar echter langen tijd gewoond. Het is het oude slot Ellangowan. Nu spookt het hier wel eens; maar daarvoor behoeft gij niet bang te zijn: ik zelf heb nog nooit iets gezien. Maar, nu zijn wij juist bij de deur van het nieuwe huis.”

De reiziger liet de bouwvallen rechts liggen, en was met een paar schreden voor de deur van een nieuw huis van middelmatige grootte, waar de jongen hard aanklopte. Mannering gaf den bediende, die de deur opende, zijne omstandigheden te kennen, terwijl de heer des huizes, die het gesprek in de woonkamer gehoord had, buitenkwam en den vreemdeling gastvrij welkom heette op Ellangowan.

De knaap ontving eene goede fooi voor zijne moeite en ging zeer vergenoegd heen; het afgematte paard werd op stal gebracht, en Mannering zat spoedig bij eenen goeden avondmaaltijd, welken hij zich, na zijnen nachtelijken rid, goed smaken liet.

TWEEDE HOOFDSTUK.

– Hij sluipt binnen En ontrooft me van mijn erfdeelen Een groot gedeelte. –

Shakespeare.

Het gezelschap in de woonkamer te Ellangowan bestond uit den heer zelven en een man, die er als een dorpsschoolmeester of koster uitzag; want zijn uiterlijk was te armoedig, om te doen veronderstellen dat het de predikant van het dorp was, die zich bij een bezoek op het slot zeker beter gekleed zou hebben.

De heer was een landedelman van den tweeden rang, dien men zoo dikwerf op het platte land vindt, doch behoorde niet tot hen, die Fielding als nuttelooze wildverteerders schildert: want de lust tot de jacht geeft toch eene zekere werkzaamheid van hart te kennen, die de goede Bertram verloren had, indien hij ze ooit bezeten had. Goedaardige zorgeloosheid was de eenige sprekende uitdrukking op zijne gelaatstrekken, welke anders eerder fraai, dan onaangenaam waren; met één woord, zijn gelaat verkondigde die ledigheid van gemoed, welke zijn geheele leven kenschetste. De lezer moge ondertusschen een oog op de omstandigheden en het leven van den man slaan, terwijl hij eene lange redevoering houdt over het nut en het gemak van het omwinden der stijgbeugels met stroo, wanneer men in een kouden nacht te paard rijdt.