Chapter 38 of 43 · 3947 words · ~20 min read

Part 38

Op het bepaalde uur zat de onvermoeide Pleydell reeds in een gestikten zijden slaaprok, met eene fluweelen muts op het hoofd, bij een goed vuur, met een paar waskaarsen vóor zich op de tafel, en was ijverig bezig zijne papieren, betrekkelijk den moord van Frans Kennedy, na te zien. Er was ook reeds een renbode naar Mac-Morlan gezonden, om dezen te verzoeken, zoo spoedig mogelijk te Woodbourne te komen, waar eene gewichtige zaak zijne tegenwoordigheid vorderde. Dinmont, die door de gebeurtenissen van den vorigen avond zeer vermoeid was, en het onthaal te Woodbourne oneindig beter vond dan zijn verblijf bij Mac-Guffog, maakte volstrekt geene haast om op te staan. Bertram zou, bij zijn brandend ongeduld, wel vroeger zijne slaapkamer verlaten hebben; maar de kolonel had hem bij het naar bed gaan beloofd, hem op zijne kamer een bezoek te brengen, dat hij dus moest afwachten. Hij was, op bevel van den kolonel, door Barnes van al het noodige tot eene behoorlijke kleeding voorzien en reeds lang klaar, vóor dat zijn gastheer, wien hij met ongeduld wachtte, zich bij hem liet aanmelden.

Eindelijk verscheen de kolonel en had een langdurig en openhartig gesprek met Bertram. Zij hielden evenwel ieder elk eene zaak geheim. Mannering kon het niet over zich verkrijgen, van zijne sterrewichelarij te spreken, en Bertram zweeg, om gemakkelijk te raden redenen, over zijne liefde tot Julia. In alle andere opzichten was hun onderhoud openhartig en aangenaam voor beiden, en de toon van den kolonel werd op het laatst zelfs hartelijk. Bertram mat zijn gedrag zorgvuldig naar dat van zijn gastheer af, en scheen de aangeboden vriendelijkheid eer met dank en voldoening aan te nemen dan daarom te smeeken.

Lucie Bertram zat reeds in de ontbijtkamer, toen Sampson, met een opgeruimden glimlach op het gelaat, binnentrad. Dit was eene zoo groote zeldzaamheid, dat Lucie in het eerst dacht, dat iemand den goeden man iets op de mouw gespeld en hem daardoor in deze verrukking gebracht had. Nadat hij eenigen tijd met rollende oogen en gapenden mond gezeten had, brak hij eindelijk het stilzwijgen af en zeide: „En wat denkt gij van hem, Juffrouw Lucie?”

„Van wien toch, Mijnheer Sampson?”

„Van Hend – neen – van hem, dien gij reeds kent.”

„Dien ik reeds ken?”

„Ja, gij hebt hem reeds gezien – van den vreemdeling, die gisteren avond met het rijtuig gekomen is, die den jongen Hazlewood gekwetst heeft – ha, ha, ha!” barstte de dominé uit met een schaterlach, die op een paardengehinnik geleek.

„Waarlijk, Mijnheer Sampson, gij hebt een vreemd onderwerp voor uwe scherts gekozen! – Ik denk niets van dezen man; ìk hoop slechts, dat de verwonding toevallig geweest is en dat wij niet voor eene herhaling behoeven te vreezen.”

„Toevallig! ha, ha, ha!” brulde weêr Sampson.

„Wezenlijk, Mijnheer Sampson,” zeide Lucie eenigszins geraakt, „gij zijt heden morgen buitengewoon vroolijk.”

„Ja zeker, dat ben ik, ha, ha, ha! en grappig er bij, ha, ha, ha!”

„Zoo ongemeen grappig, dat ik liever de oorzaak van uwe vroolijkheid kennen, dan enkel getuige van de uitwerkselen van uwe opgeruimdheid wilde zijn.”

„Gij zult alles weten, Lucie! Herinnert gij u uw broeder nog?”

„Goede Hemel! hoe kunt gij mij dit vragen? Niemand weet beter dan gij, dat hij op den dag, waarop ik geboren ben, verdwenen is.”

„Zeer waar, zeer waar,” antwoordde Sampson en werd treurig bij deze gedachte, „Hoe kon ik dit ook vergeten? ja, ja! maar al te waar! Maar herinnert gij u uwen waardigen vader nog?”

„Zoudt gij daaraan twijfelen, Mijnheer Sampson? Er zijn nog niet zeer vele weken verloopen, sedert –”

„Waar, waar – ja, maar al te waar. Ik zal bij deze herinneringen niet meer schertsen. – Maar zie dezen jongen man aan!” – Bertram trad op dit oogenblik de kamer binnen. – „Ja, zie hem goed aan. Hij is uws vaders levend evenbeeld; en daar de hemel u uwe beste ouders ontnomen heeft – o mijne kinderen, hebt elkander lief.”

„Ja, het zijn mijns vaders trekken; het is zijne gestalte,” riep Lucie, verbleekende. Bertram sprong toe, om haar te ondersteunen. Sampson haalde water, dat hij, in zijne haast, uit de kokende theeketel kreeg, om haar in het gezicht te sprengen. Maar gelukkig kwam Lucie vroeg genoeg weder bij en werd dus voor de aanwending van dit kwalijk gekozen middel bewaard.

„Ik bezweer u, Mijnheer Sampson,” sprak zij met eene bevende, doch plechtige stem, „is dit mijn broeder?”

„Ja, dat is hij, dat is hij. Het is mijn kleine Hendrik Bertram, zoo zeker als Gods zon aan den hemel staat.”

„En dit is mijne zuster?” riep Bertram met verrukking uit, en gaf zich geheel aan het gevoel van broederlijke genegenheid over, dat, bij gebrek van een voorwerp waarop het zich vestigen kon, zoo lang in zijn hart gesluimerd had.

„Ja, zij is uwe zuster, Juffrouw Lucie Bertram, die gij, door mijne geringe pogingen, volkomen bedreven zult vinden in de talen van Frankrijk, van Italië en zelfs van Spanje, als mede in het lezen en schrijven van hare moedertaal, in het rekenen en in het gewone Italiaansche boekhouden. Van hare bekwaamheden in vrouwelijke handwerken en het bestuur der huishouding (die zij nochtans, ik moet dit zeggen, om een’ ieder’ het zijne te geven, niet van mij, maar van de huishoudster geleerd heeft) wil ik niet spreken. Ook beroem ik mij niet op hare vlugheid in het bespelen der muziekinstrumenten, daar zij dit grootendeels aan het onderricht van eene achtenswaardige, deugdzame, zedige, doch met dat al zeer levenslustige jonge dame, Mejuffrouw Julia Mannering, te danken heeft. Suum cuique tribuito.” [31]

„Gij zijt dan de eenige, die mij overblijft,” sprak Bertram ontroerd tot zijne zuster, „De kolonel heeft mij uitvoerig de ongelukken van onze familie verhaald; maar mij niet gezegd, dat ik hier mijne zuster zoude vinden.”

„Dat liet hij aan dezen braven man over; aan dezen goeden en getrouwen vriend, die mijn vader in zijne langdurige ziekte oppaste en vertroostte, die hem zag sterven en mij, arme wees, zelfs onder de hardste slagen van het noodlot niet wilde verlaten.”

„God zegene u daarvoor!” zeide Bertram bewogen en drukte Sampson de hand. „Gij verdient de liefde, waarmede ik altijd zelfs het schaduwbeeld, dat mij uit mijne kindsheid van u bijgebleven is, vereerd heb.”

„En God zegene u beiden, mijne waarde kinderen!” hernam Sampson. „Ware het niet om u geweest, ik zou gaarne (indien het den Hemel behaagd had) mijn hoofd naast mijn weldoener in het stille graf nedergelegd hebben.”

„Maar ik hoop, en heb grond te hopen,” vervolgde Bertram, „dat wij betere dagen beleven zullen. Al ons geleden onrecht zal hersteld worden, nu de Hemel mij vrienden en middelen gegeven heeft, om mijne rechten te doen gelden.”

„Ja, ware vrienden,” herhaalde Sampson, „en, zoo als gij wel zegt, gezonden door Hem, tot wien ik u vroegtijdig, als tot de bron van al het goede, leerde opzien. Vooreerst de groote kolonel Mannering uit Oost-Indië, een geleerd man, als men de weinige gelegenheid, welke hij gehad heeft om kunde te verzamelen, in aanmerking neemt; vervolgens de beroemde rechtsgeleerde de heer Pleydell, ook een zeer geleerd man, die zich soms met beuzelingen, hem onwaardig, bezig houdt; en dan de heer Andrew Dinmont, van wiens geleerdheid ik nooit gehoord heb, maar die, even als eertijds de aartsvaders, zeer bedreven is in alles, wat tot de veeteelt behoort. Eindelijk ben ik zelf er ook nog. Ik heb meer gelegenheid gehad om kennis te verzamelen, dan genoemde achtenswaardige mannen, en heb ze, indien het mij past te zeggen, niet verwaarloosd, in zoo verre namelijk mijne geringe vermogens mij in staat gesteld hebben, daarvan partij te trekken. – Zeker, lieve Hendrik! wij moeten onze lessen spoedig ervatten. Ik zal met de beginselen aanvangen – ja, wij zullen met de ware kennis der Engelsche spraakkunde beginnen om zelfs tot de Hebreeuwsche of Chaldeeuwsche taal op te klimmen.”

Sampson was bij deze gelegenheid oneindig woordenrijker, dan ooit te voren, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben. De reden hiervan was, dat hij zich, bij het wedervinden van den geliefden kweekeling, met zijn geest dadelijk weder in de dagen van Bertrams kindschheid verplaatste, en hij gevoelde bij de verwarring, welke er in zijne denkbeelden heerschte, grooten lust, om met den jongen Bertram zijn onderwijs in het lezen en schrijven weder aan te vangen. Dit was nog belachelijker, omdat hij zich dit gezag van voogd en leermeester geenszins jegens Lucie aanmatigde. Maar zij was onder zijn oog opgewassen en had zich langzamerhand, bij het vermeerderen van kennis en jaren, aan zijne heerschappij onttrokken; en bij Bertram wilde hij in zijn geest zijn post als leermeester dáar weder opvatten, waar hij dien bij den kleinen Hendrik nedergelegd had. Dit gevoel van herlevend gezag bracht deze voor hem buitengewone woordenrijkheid bij Sampson te weeg; en het ging hem, zoo als bijna alle menschen, die meer dan gewoonlijk spreken: hij liet ook hierbij zijne zwakke zijde zien. Hij gaf namelijk duidelijk te verstaan, dat hij, ofschoon zich blindelings aan de meeningen en bevelen van bijna allen, met wie hij in aanraking kwam, onderwerpende, nochtans bij zich zelven overtuigd was, dat hij, als het op geleerdheid aankwam, hen allen bij elkander genomen oneindig ver overtrof. Dit werd thans echter niet opgemerkt, daar broeder en zuster veel te diep in een voor hen belangrijk gesprek over hunne vroegere lotgevallen gewikkeld waren, om acht te slaan op zijne woorden.

Toen Mannering Bertram verliet, begaf hij zich naar de kamer van Julia en beval hare kamenier zich te verwijderen, „Lieve vader,” sprak zij, „hebt gij vergeten, dat wij zoo lang gewaakt hebben? Gij gunt mij nauwelijks tijd, om mijn haar in orde te brengen, en moet toch gezien hebben, hoe het mij, bij alle wonderen die wij heden nacht beleefd hebben, te berge was gerezen.”

„Ik heb thans alleen iets met het binnenste van uw hoofd te doen, Julia. Na weinige minuten kan uwe kamenier weder voor het uitwendige zorgen.”

„Maar, lieve vader, bedenk, hoe verward mijne gedachten zijn; en gij wilt ze in weinige minuten in orde brengen! Als mijne kamenier in haar vak ook zoo handelen wilde, zou zij mij de helft mijner haren uit het hoofd scheuren.”

„Zeg mij maar, waardoor die verwarring in uw hoofd heerscht, en ik zal ze, zoo zacht mogelijk, trachten te ontwarren.”

„O! door alles. Al het gebeurde komt mij als een wilde droom voor,” hernam de jonge dame.

„Welnu, ik zal beproeven of ik dezen droom kan uitleggen,” hernam de kolonel, en verhaalde haar met korte woorden het lot en de uitzichten van Bertram. Julia luisterde met eene deelneming, welke zij te vergeefs poogde te verbergen. „Zijn uwe denkbeelden omtrent dit onderwerp nu helderder geworden?” vroeg hij haar eindelijk.

„Verwarder dan ooit, lieve vader! – Hier komt een jongman, die voor dood gehouden werd, uit Indië terug, even als de groote reiziger Aboulfouaris bij zijne zuster Banzade en zijn broeder Hour. Neen, ik vergis mij, geloof ik, in de geschiedenis – Banzade was zijne vrouw. – Nu, Lucie kan de eerste en Sampson den tweeden voorstellen. Dan verschijnt deze vroolijke, geestige rechtsgeleerde als een pantomime achter een treurspel. – En hoe wonderbaar en gelukkig is het verder dat Lucie haar vermogen wederkrijgt!”

„Mij schijnt het meest onverklaarbare bij de geheele zaak,” hernam de kolonel, „dat Julia Mannering, die toch zeer goed wist hoe ongerust haar vader was over het lot van dezen Brown, of Bertram zoo als wij hem thans moeten noemen, – dat deze hem bij het ongeval met den jongen Hazlewood gezien, en daarvan nooit éen enkel woord gesproken heeft, maar integendeel gerust toezag, dat deze jonge man als een van moord verdachte booswicht vervolgd werd.”

Julia, die al haren moed verzameld had, om dit gesprek met haren vader vol te houden, verloor al hare gevatheid bij deze woorden. Zij liet het hoofd hangen en keek zwijgend voor zich neer, nadat zij te vergeefs gepoogd had te stamelen, dat zij Brown bij die gelegenheid niet herkend had.

„Geen antwoord!” vervolgde Mannering, „vergun mij u dan te vragen, of dit de eenige keer is dat gij Brown sedert zijne terugkomst uit Indië gezien hebt? – Nog geen antwoord? Julia Mannering, wilt gij de goedheid hebben mij te antwoorden? Was het deze man, die gedurende uw verblijf te Mervyn-Hall onder uw venster kwam en met u sprak? Julia, ik beveel – ik bid u, wees oprecht!”

Julia Mannering hief het hoofd weder op. „Vader,” sprak zij, „ik was en ben geloof ik nog eene groote zottin. – Het is zeer hard voor mij, dat ik dezen heer, die wel niet geheelenal de oorzaak maar toch de medeplichtige van mijne dwaasheid geweest is, in uwe tegenwoordigheid moet ontmoeten.”– Hier brak zij af.

„Ik moet hieruit dan besluiten, dat hij u die nachtelijke muziek gebracht heeft?”

In deze woorden lag iets dat Julia’s moed een weinig opwekte. „Ja vader, hij was het,” antwoordde zij; „en indien ik, zoo als ik dikwijls dacht, zeer verkeerd gehandeld heb, zoo kan ik toch iets tot mijne verontschuldiging bijbrengen.”

„En wat is dat?” hernam de kolonel driftig, op een strengen toon.

„Ik durf het u niet zeggen, vader! maar” – (met deze woorden opende zij een klein kistje en overhandigde haren vader eenige brieven) „ik geef u deze opdat gij zien moogt hoe deze vriendschap begon en door wie ze aangemoedigd werd.”

Mannering trad met de brieven aan het venster, te trotsch om zich verder te verwijderen. Met een onrustig oog en steeds vermeerderende ontroering doorliep hij eenige daarvan; maar zijn stoïcismus, die op trotschheid gegronde gemoedsstandvastigheid, welke dikwijls deugdzame vruchten voortbrengt, kwam hem nog te rechter tijd te hulp. Zoo bedaard als het hem wegens zijne aandoeningen mogelijk was, wendde hij zich weder tot zijne dochter en zeide: „Voor zoo ver als ik uit een vluchtigen blik in deze brieven kan oordeelen, bevatten zij eene groote verontschuldiging voor u, Julia! Gij hebt ten minste aan één uwer ouders gehoorzaamd. Laat ons een Schotsch spreekwoord, dat Sampson onlangs aanhaalde, als het onze aannemen: „Wat voorbij is, zij voorbij.” – Ik zal u uw gebrek aan vertrouwen nooit verwijten, en beoordeel gij mijne bedoelingen naar mijne daden, waarover gij u tot hiertoe zeker niet met reden hebt kunnen beklagen. Behoud deze brieven – zij waren nooit voor mijn oog bestemd en ik wilde er niet gaarne meer van lezen, dan ik nu op uw verlangen en tot uwe rechtvaardiging gedaan heb. – En nu, zijn wij vrienden? of liever verstaat gij mij?”

„O mijn beste, edele vader!” riep Julia bewogen uit en wierp zich in zijne armen, „waarom heb ik u ooit een oogenblik miskend?”

„Niets meer daarvan, Julia! Wie te trotsch is om de liefde en het vertrouwen te winnen, waarop hij buitendien aanspraak meent te hebben, moet zich dikwijls teleurgesteld vinden en verdient dat misschien ook. Het is reeds genoeg dat mijne geliefde en innig betreurde vrouw in het graf gedaald is zonder mij te kennen. Laat mij ten minste het vertrouwen van mijne dochter niet verliezen, die mij beminnen moet, indien zij zich zelve waarlijk bemint.”

„O, vrees daarvoor niet! Geen uwer bevelen zal mij ooit te zwaar schijnen, als slechts uwe goedkeuring en mijne eigene het loon mijner gehoorzaamheid zijn.”

„Lieve Julia,” hernam Mannering en kuste haar op het voorhoofd, „ik vertrouw, dat ik niet te veel van uw heldenmoed zat vergen. – Ik verwacht in de eerste plaats, dat gij alle geheime verstandhouding, welke geen meisje zich slechts éen oogenblik kan veroorloven zonder zich in hare eigene oogen en in die van haren minnaar te vernederen – ik verzoek, zeg ik, dat gij alle geheime verstandhouding met dezen jongen man afbreekt en dat gij hem, als hij naar de reden mocht vragen, aan mij verwijst. Gij zult ook natuurlijk gaarne willen weten wat ik van plan ben. Vooreerst wensch ik het karakter van dezen jongen man nauwkeuriger gade te slaan, dan de omstandigheden, en misschien mijne eigene vooringenomenheid, mij vroeger veroorloofd hebben. Ook wensch ik, dat zijne geboorte bewezen en hij in zijn rang hersteld moge worden. Ik bekommer er mij juist niet zoo zeer om, of hij weder in het bezit van de heerlijkheid Ellangowan gesteld wordt of niet, ofschoon dit eene omstandigheid is, die nergens dan in een roman voor onbelangrijk gehouden wordt; maar Hendrik Bertram, de erfgenaam van Ellangowan, is, hetzij hij de goederen zijner voorouders bezit of niet, een geheel ander man dan Van Beest Brown, de zoon van niemand. Zijne voorouders zijn, zoo als de heer Pleydell mij zegt, met roem in de geschiedenis van dit land bekend en volgden de banieren hunner vorsten, terwijl onze eigene voorouders bij Cressy en Poitiers vochten. In het kort, ik geef noch weiger mijne toestemming; maar ik verwacht dat gij voormalige dwalingen weder goed zult willen maken, en mij uw vader, tot wien gij thans, helaas, alléen uwe toevlucht kunt nemen, dat vertrouwen schenken zult, hetwelk mijn wensch om u gelukkig te maken, reeds als heiligen kinderplicht van u mag eischen.

Het eerste gedeelte van dit gesprek ontroerde Julia niet weinig; de vergelijking tusschen den roem van de Bertrams en de Mannerings dwong haar een heimelijken glimlach af, maar het slot trof haar hart, dat zoo bijzonder vatbaar was voor edelmoedige aandoeningen. „Neen, lieve vader!” riep zij uit en reikte hem de hand, „geloof maar dat gij van dit oogenblik af de eerste zult zijn, dien ik in alles, wat in het vervolg tusschen Brown – ik bedoel Bertram – en mij mag voorvallen, zal raadplegen, en dat ik zonder uwe voorkennis en goedkeuring volstrekt geene verbintenis zal aangaan. Maar – mag ik vragen of Mijnheer Bertram nog langer als gast te Woodbourne blijft?”

„Zonder twijfel,” hernam de kolonel, „zoo lang zijne omstandigheden dit vereischen.”

„Dan moet gij, als gij alles, wat er reeds voorgevallen is, in aanmerking neemt, ook zelf gevoelen, vader, dat hij de reden zal willen weten, waarom ik hem de – ik geloof dat ik moet zeggen – de aanmoediging niet meer geef, welke hij misschien denkt tot hiertoe van mij gekregen te hebben.”

„Ik verwacht, Julia, dat hij de rechten der gastvrijheid zal eerbiedigen en bedenken welke gewichtige diensten ik hem kan en wil bewijzen. Hij zal zich dus zeker gedragen op eene wijze, dat ik geene redenen heb om mij over hem te beklagen; en ik verwacht van u, dat gij hem zult toonen, wat uw beider plicht is.”

„Ik versta u, vader, en beloof u in alles te gehoorzamen!”

„Ik dank u, lieve Julia!” hernam Mannering en drukte een vaderlijken kus op hare wangen. „Ik bedoel niets, dan uw geluk. – Wisch nu deze verraderlijke tranen uit uwe oogen en kom aan het ontbijt.”

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

En, Sheriff, mijn woord van eer verpand ik u, Dat ik hem morgen, vóor het middaguur, Zal zenden om u – of wien ge wilt – Op alles wat men vraagt te antwoorden.

Hendrik IV. 1ste deel.

Toen de in het vorige hoofdstuk verhaalde tusschenspelen, zoo als men ze noemen kan, onder de verscheidene te Woodbourne aanwezige personen afgeloopen waren, werd eindelijk het gezelschap aan de ontbijttafel voltallig, met uitzondering van Dinmont, die zijn smaak, zoowel wat voedsel als gezelschap betreft, gehuldigd had door zijn kopje thee met een paar lepels cognac er in te gebruiken bij de huishoudster, terwijl hij zijn maag versterkte met eenige flinke sneden koud rundvleesch. Hij was ook van gevoelen, dat hij tweemaal zoo veel eten en praten kon met Barnes en de huishoudster, als met de „groote lui” in de zaal. En inderdaad heerschte er een veel opgeruimder toon onder dit minder aanzienlijk gezelschap dan onder hunne meerderen, daar er blijkbaar iets gedwongens was in de houding van alle aanwezigen. Julia’s stem was nauwelijks hoorbaar, als zij Bertram vroeg, of hij nog een kopje thee verlangde. Bertram was even verlegen, terwijl hij zijn broodje onder Mannering’s oog at. Lucie begon, terwijl zij zich geheel aan hare teedere genegenheid voor den wedergevonden broeder overgaf, aan zijn twist met Hazlewood te denken. De kolonel gevoelde de pijnlijke ongerustheid, welke een trotschen geest eigen is, wanneer hij meent, dat anderen een waakzaam oog zelfs op zijne geringste handelingen vestigen. De rechtsgeleerde zag er, onder het smeeren van zijn brood, ongemeen ernstig uit. Slechts Sampson scheen in verrukking. Dan eens keek hij Bertram, dan weder Lucie aan. Hij grijnsde, hij lachte en beging allerhande misslagen tegen de welvoegelijkheid. Hij goot al den room (geene ongelukkige vergissing) in den schotel brei, welke, als zijn gewoon ontbijt, voor hem bestemd was; goot het onderste uit het kopje thee, waarmede hij steeds zijn ontbijt besloot, in den suikerpot, in plaats van in de daartoe bestemde kom, en stortte eindelijk het heete vocht op den ouden Plato, des kolonels lievelingshond, die dit drankoffer met een gehuil ontving, dat zijner wijsbegeerte weinig eer aandeed.

Bij dezen laatsten misslag verloor de kolonel eenigszins zijne bedaardheid. „Waarlijk, mijn beste Sampson,” zeide hij, „gij schijnt het onderscheid tusschen Plato en Zenocrates te vergeten.”

„De eerste was het hoofd der Platonisten, de laatste dat van de Stoïcijnen,” antwoordde Sampson, eenigszins gebelgd over deze veronderstelling.

„O ja, mijn vriend; maar het was Zenocrates, en niet Plato, die beweerde, dat men gevoelloos voor pijn moest zijn.”

„Ik zou denken,” hernam Pleydell, „dat deze eerbiedwaardige viervoeter, die nu op drie beenen uit de kamer hinkt, eerder als een aanhanger der Cynikers moest beschouwd worden”

„Goed gevonden,” hernam de kolonel. – „Maar hier komt reeds antwoord van Mac-Morlan.”

Dit antwoord was niet naar wensch. Mevrouw Mac-Morlan berichtte dat haar echtgenoot zich te Portanferry bevond, om de gevaarlijke ongeregeldheden, welke daar plaats gehad hadden, te onderzoeken.

„Wat moet er nu gedaan worden, Mijnheer Pleydell?” vroeg de kolonel.

„Het spijt mij, den bijstand van den heer Mac-Morlan, zonder twijfel een zeer verstandig man, vooreerst te moeten missen. Maar dat is van geen overwegend belang. Onze jonge vriend moet in de eerste plaats sui juris [32] verklaard worden. Hij is thans een ontvluchte gevangene, op wien de wet nog eenige aanspraak heeft. Hij moet rectus in curia [33] kunnen verschijnen; dat is het voornaamste. Om dit te bewerken, zal ik met u naar Hazlewood-house rijden, kolonel. De afstand is niet groot. Wij bieden onzen borgtocht aan en ik vertrouw, dat ik Mijnheer – ik vergis mij, – sir Robert Hazlewood gemakkelijk bewijzen zal, dat hij dien aannemen moet.”

„Zeer gaarne,” antwoordde de kolonel en schelde, om de noodige bevelen te geven. „En wat moet er dan gedaan worden?”

„Dan moeten wij de komst van Mac-Morlan afwachten en meer bewijzen verzamelen.”

„Bewijzen! de zaak is immers zoo klaar als de dag. De heer Sampson, Lucie Bertram en gij zelf, gij allen erkent onzen gast als het sprekend evenbeeld van zijn vader, en hij zelf herinnert zich zoo vele bijzonderheden, welke vóor en bij zijne verwijdering uit Schotland plaats gehad hebben. Wat kan er meer tot overtuiging noodig zijn?”

„Tot eene zedelijke overtuiging misschien niets; maar tot een bewijs in rechten ontbreekt er nog veel. Bertram’s herinneringen zijn zijne eigene herinneringen en kunnen dus niet als bewijzen te zijnen voordeele gelden. Juffrouw Bertram, de heer Sampson en ik kunnen enkel zeggen, wat een ieder, die wijlen den heer van Ellangowan gekend heeft, toestemmen zal, dat deze jonge man zijn levend evenbeeld is; – maar dit maakt hem niet tot den zoon van Ellangowan en geeft hem diens bezittingen niet terug.”

„En wat wordt daartoe gevorderd?”

„Klare en zekere bewijzen. Hiertoe waren misschien de Heidenen te gebruiken; maar deze zijn, helaas, in het oog der wet bijna eerloos, zoodat hunne getuigenis bezwaarlijk wordt aangenomen. En dit is bovenal het geval met Meg Merrilies, omdat zij voorheen zulke verschillende verklaringen omtrent dit geval heeft afgelegd en zij, toen ik haar dienaangaande verhoorde, onbeschaamd loochende, dat zij eenige kennis van de zaak droeg.”

„Maar wat moet er dan gedaan worden?”