Part 39
„Wij moeten beproeven welke bewijzen wij in Holland van de menschen, welke onzen jongen vriend opgevoed hebben, verkrijgen kunnen. Maar de vrees, dat er misschien rekenschap omtrent den moord van Kennedy van hen gevorderd kon worden, zal hen wellicht doen zwijgen, en als zij ook al spreken, dan blijven zij toch vreemdelingen, of buiten de wet gestelde smokkelaars. Met één woord, ik zie overal bezwaren.”
„Onder uw welnemen, zeer geleerde en geëerde heer,” hernam Sampson, „ik vertrouw dat Hij, die den kleinen Hendrik Bertram aan zijne vrienden heeft wedergegeven, zijn werk niet onvoltooid zal laten.”
„Dat vertrouw ik ook Sampson, maar wij moeten de middelen daartoe in het werk stellen, en ik vrees dat het moeielijker zal zijn om ze te vinden, dan ik in het eerst dacht. Maar – „die niet waagt, die niet wint.” – en (ter zijde tot Julia Mannering, terwijl Bertram zich met zijne zuster onderhield) – „laat mij in het voorbijgaan aanmerken – hier ziet gij nu een levendig bewijs, om de eer van Holland tegen u op te houden. Want denk eens welke knappe mannen Leiden en Utrecht moeten opleveren, als er reeds zulk een hupsch en beschaafd jonkman uit de scholen van Middelburg komt!”
„Dat is wel zoo,” hernam Sampson, naijverig op den’ roem der Hollandsche scholen, „dat is wel zoo, Mijnheer Pleydell maar ik moet u zeggen, dat ik zelf den grond tot zijne opvoeding gelegd heb.”
„Juist, mijn waarde Sampson! en dat geeft de beste verklaring van zijne bevallige manieren. – Maar het rijtuig is gereed kolonel! – Tot wederziens dames! Juffrouw Julia, pas goed op uw hart tot ik wederkom, opdat mijne rechten gedurende mijne afwezigheid niet benadeeld worden.”
Ofschoon de baronet den kolonel Mannering over het algemeen veel hoogachting betoonde en de heer Pleydell een oud vriend van hem was, werden zij thans buitengemeen koel en plechtig te Hazlewood-House ontvangen. Sir Robert’s houding was stijf en verlegen. „Ik zou anders gaarne uw borgtocht aannemen,” zeide hij, „niettegenstaande de beleediging den jongen Hazlewood van Hazlewood onmiddellijk betreft en hem aangedaan is; maar de dader heeft zich een verdichten rang aangematigd, en is een mensch, dien men niet zonder gevaar in vrijheid stellen, loslaten of aan de samenleving wedergeven kan; en derhalve –”
„Ik hoop, Sir Robert Hazlewood,” hernam de kolonel, „dat gij niet aan mijn woord zult willen twijfelen, als ik u verzeker dat hij als kadet in Indië onder mij gediend heeft.”
„Geenszins, in het geheel niet. Maar gij spreekt van kadet en hij zegt, verzekert en houdt staande, dat hij ritmeester bij uw regiment is.”
„Hij is zeker bevorderd, sedert ik het bevel nedergelegd heb.”
„Maar dan moest gij er toch van gehoord hebben.”
„O neen. Ik heb Indië om familiezaken verlaten en heb mij, sedert mijne terugkomst in het vaderland, zeer weinig om hetgeen mijn regiment betrof bekommerd. Buitendien is Brown zulk een algemeene naam, dat ik zijne bevordering in de nieuwsbladen heb kunnen lezen, zonder er bijzonder acht op te slaan. Maar na een paar dagen verwacht hij brieven van zijn kolonel.”
„Ik heb gehoord en vernomen, Mijnheer Pleydell!” hernam Sir Robert weder, „dat hij zich niet bij dezen naam van Brown zal houden, maar onder den naam van Bertram aanspraak op de heerlijkheid Ellangowan denkt te maken.”
„En wie zegt dat?” vroeg Pleydell.
„En, wie dit ook zeggen moge,” hervatte Mannering, „geeft dit recht, om hem gevangen te houden?”
„Stil kolonel!” zei Pleydell, „ik ben overtuigd dat gij u even weinig voor hem in de bres zoudt willen stellen als ik, indien hij als een bedrieger ontmaskerd werd. – Maar in vertrouwen, Sir Robert, wie heeft u hiervan onderricht?”
„Een man, Mijnheer Pleydell, wien er bijzonder veel aan gelegen ligt, om deze zaak grondig te onderzoeken, uit te vorschen en op te helderen. Gij zult mij, hoop ik, wel verschoonen als ik mij niet nader verklaar.”
„O, zonder twijfel. En hij zegt?”
„Hij zegt dat er onder de ketellappers, Heidenen en andere landloopers gemompeld wordt dat er zulk een plan bestaat, en dat deze jonge man, een natuurlijke of onechte zoon van den laatsten heer van Ellangowan, deze rol zal spelen, omdat hij zoo sprekend op den overledene gelijkt.”
„En was er dan zulk een onechte zoon, Sir Robert?”
„Zonder twijfel, dat weet ik zeker. Ellangowan heeft hem, door tusschenkomst van een zijner bloedverwanten, wijlen den Rijks-commissaris Bertram, als kajuitsjongen op een gewapend tolschip geplaatst.”
„Wel, gij verhaalt mij daar iets nieuws, Sir Robert!” hernam Pleydell, den ongeduldigen kolonel het woord uit den mond nemende. „Ik zal dit nader onderzoeken, en als ik bevind, dat het waarheid is, dan trekken wij, de kolonel en ik, de handen van dezen jongen man af. Daar wij intusschen bereid zijn, hem te allen tijde voor het gerecht te doen verschijnen om op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen te antwoorden, zoo verzeker ik u, dat gij tegen de wet handelt en u aan eene zware verantwoordelijkheid blootstelt, als gij onzen borgtocht weigert.”
„Wel nu, Mijnheer Pleydell,” hernam de Baronet, die veel ontzag had voor diens rechtsgeleerde kennis, „daar gij dit het best weet en belooft den jongen man uit te leveren –”
„Als het blijkt dat hij een bedrieger is.”
„Wel zeker; en op deze voorwaarde zal ik uw borgtocht aannemen, niettegenstaande ik u kan verzekeren, dat éen mijner buren, een verplichtend, welgezind en vriendelijk man, die ook veel rechtskennis bezit, mij nog heden morgen een wenk gegeven heeft, dat niet te doen. Van hem heb ik ook vernomen, dat het jonge mensch in vrijheid gesteld en uit de gevangenis gekomen, of liever gebroken was. – Maar waar vinden wij iemand om den borgtocht op te stellen?”
„Daarvoor is reeds gezorgd,” hernam Pleydell en trok aan de schel. „Ik heb mijn klerk Driver medegebracht en reken het niet beneden mij, hem het stuk in de pen te geven.”
De borgtocht werd dus geschreven en onderteekend, en Sir Robert teekende een bevel tot loslating van Bertram, anders Brown genaamd.
Hierop namen Mannering en Pleydell afscheid van den baronet. Zij plaatsten zich elk in een hoek van het rijtuig en spraken in het begin geen woord. Eindelijk brak de kolonel het stilzwijgen af en zeide: „Gij wilt dus dezen armen jongen, bij het eerste bezwaar dat gij ontmoet, in den steek laten?”
„Wie? ik? – Daar kan geen sprake van zijn, al moest ik zijne tegenstanders tot voor het hoogste gerechtshof vervolgen. Maar waarom zou ik met dien ouden gek twisten en hem omtrent mijn voornemen inlichten? Het is veel beter, dat hij zijn raadsman, Glossin, meldt, dat wij onverschillig en lauw in de zaak zijn. En buitendien wilde ik den vijand gaarne eens in de kaart kijken.”
„Zoo? Gij, heeren rechtsgeleerden, gebruikt dus uwe krijgslisten, even als wij dat in den oorlog doen. En wat zegt gij van de vijandelijke stelling?”
„Kunstmatig, maar ook zeer gewaagd, naar mijn gevoelen. Zij willen het (eene gewone fout bij zulke gelegenheden) al te listig aanleggen.”
Onder dit gesprek rolde het rijtuig snel voort. Vóor dat de kolonel en zijn vriend Woodbourne bereikten, ontmoetten zij echter den jongen Hazlewood. Mannering verhaalde hem, op welke wonderbaarlijke wijze de jonge Bertram wedergevonden was. Hazlewood luisterde met levendige deelneming naar dit bericht, gaf hierop zijn paard de sporen en snelde vooruit, om Lucie Bertram met deze blijde gebeurtenis geluk te wenschen.
Wij moeten thans ook naar het te Woodbourne gebleven gezelschap terug keeren. Na het vertrek van Mannering en zijn vriend Pleydell naar Hazlewood-house, bleven de drie jonge lieden met Sampson en Dinmont bij elkander. Hun gesprek liep hoofdzakelijk over de lotgevallen en voormalige grootheid van het geslacht Ellangowan. „Het was dus onder de muren van den burcht mijner vaderen,” zei Bertram, „dat ik vóor eenige dagen als een voortvluchtige geland ben. De vervallen torens en donkere boogen wekten toen reeds belangstelling en herinneringen in mij op, die ik niet ontraadselen kon. Ik zal ze nu met andere aandoeningen en, naar ik vertrouw, met gunstiger vooruitzichten weder bezoeken.”
„Ga daar nu niet heen,” hernam zijne zuster. „Het huis onzer vaderen is thans de woning van een listigen en gevaarlijken ellendige, wiens kunstgrepen en laaghartige handelingen den ondergang van onzen ongelukkigen vader voltooid en hem het hart gebroken hebben.”
„Gij maakt mij slechts te begeeriger om den nietswaardigen, zelfs in den schuilhoek, waarin hij zich verbergt, onder het oog te treden. Ik heb hem reeds gezien, geloof ik.”
„Vergeet niet,” hernam Julia, „dat gij onder opzicht van Lucie en mij staat, en dat wij verantwoordelijk zijn voor al uw doen en laten. Ik ben niet te vergeefsch, twaalf uren lang, de uitverkorene van een rechtsgeleerde geweest; en ik verzeker u, dat het de grootste dwaasheid zou zijn, op dit oogenblik naar Ellangowan te gaan. Op zijn best kan ik toestaan, dat wij te zamen naar het eind van de laan wandelen. Dan zullen wij u misschien nog tot op de nabij gelegen hoogte op de heivlakte vergezellen, opdat gij van daar uw oog met het verwijderde gezicht van die donkere torens, welke een zoo sterken indruk op uwe verbeeldingskracht hebben gemaakt, kunt verkwikken.”
Dit voorstel werd spoedig aangenomen. De dames hulden zich in hare mantels en begaven zich, onder geleide van kapitein Bertram, op weg. Het was een heerlijke wintermorgen. Een zacht windje kleurde de bloeiende wangen der schoone wandelaarsters met een hooger rood. Een geheime band verbond de beide meisjes innig aan elkander, en Bertram vergold het genot, hetwelk hare verhalen over zijne familie hem veroorzaakten, door het vertellen van zijne avonturen in Europa en Indië. Lucie was trotsch op haren broeder, die zulke stoute, manhaftige gevoelens aan den dag legde en zoo vele gevaren met dapperen moed doorstaan had. Julia dacht over haars vaders woorden na en waagde het, zich met de hoop te vleien, dat deze den trotschen geest, welken hij in den onbekenden, onaanzienlijken Brown voor verwaande aanmatiging gehouden had, in den afstammeling en erfgenaam van Ellangowan als gepasten moed en een edel besef van eigenwaarde zou beschouwen.
Eindelijk bereikten onze wandelaars de bedoelde, reeds meermalen genoemde hoogte, Gibbie’s-knowe genaamd, reeds meermalen in dit verhaal vermeld, aan de grenzen van het grondgebied van Ellangowan gelegen. Van hier hadden zij een ruim uitzicht op een uitgestrekt, bekoorlijk met heuvelen en dalen afgewisseld landschap, met wilde bosschen omzoomd, die in dit jaargetijde eene donkerpurpere tint vertoonden; terwijl het uitzicht op sommige plaatsen door plantsoen, waarin de Schotsche dennen hunne menigvuldige schakeeringen van donkergroen ten toon spreidden, nauwer beperkt werd. Op den afstand van omstreeks een half uur vertoonde zich de baai van Ellangowan, welker golven door het koele windje zacht bewogen werden. De oude torens van het vervallen slot staken, helder verlicht door de stralen der onbewolkte winterzon, hoog hoven alle omringende voorwerpen uit.
„Dáar,” zeide Lucie Bertram, op de bouwvallen wijzende, „dáar ligt de zetel onzer voorvaderen. God weet het, waarde broeder, dat ik voor u niet naar de uitgestrekte macht wensch, die de Heeren van dit oude slot, naar men zegt, zoo lang bezeten en soms zoo kwalijk gebruikt hebben. Maar mocht slechts zoo veel van hun vermogen het uwe worden, dat gij onafhankelijk leven en uwe hand hulpvaardig aan de oude, verlatene dienaren van ons geslacht kondt reiken, die door den dood van onzen armen vader –”
„Gij hebt gelijk, lieve Lucie,” hernam de jonge erfgenaam van Ellangowan, „en ik vertrouw dat deze hoop, door den bijstand des Hemels, die ons tot dus ver geleid heeft, en met de hulp van de wakkere vrienden, welke mij zoo edelmoedig hunne deelneming betoonen, eindelijk na zoo vele zware beproevingen vervuld zal worden. – Maar als soldaat moet ik dezen ouden vervallen steenklomp met belangstelling beschouwen; en indien de knaap die dit alles thans bezit, er een enkelen steen van verplaatst –”
Hier werd hij door Dinmont gestoord, die haastig naar hem toe kwam loopen en riep: „Kapitein, kapitein! men vraagt naar u! Zij vraagt naar u! gij weet wel wie ik bedoel.”
En plotseling kwam Meg Merrilies, alsof zij uit de aarde opsteeg, uit den hollen weg te voorschijn en stond vóór hem. „Ik zocht u in huis,” zeide zij, „en vond, (op Dinmont wijzende) niemand dan dezen. Maar gij hebt gelijk en ik heb ongelijk. Hier moest ik u vinden, hier op deze plaats. Gedenk uwe belofte en volg mij!”
DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Gaarn’ wilde toen de dame Begroeten den hoogen vorst, Maar koning Artus weifelend Geen antwoord geven dorst. „Wie zijt gij,” sprak de dame, „Dat gij mij niet wilt zien? „Hoe gering ik moge schijnen, „Ik kom u hulpe biên.”
Het Huwelijk van den Ridder Gawaine.
Waarschijnlijk had de betooverde bruid van den ridder Gawaine, zoo lang zij gebukt ging onder de toovermacht van hare ondeugende stiefmoeder, een nog, ouder en afzichtelijker voorkomen dan Meg Merrilies; maar zij bezat zonder twijfel dat woest verhevene niet, hetwelk eene steeds verhitte en overspannen verbeeldingskracht zoo wel aan de gebaren van deze reusachtige vrouw als aan haar gelaat bijzette, welks trekken op zich zelven reeds scherp geteekend en vol uitdrukking waren. Ook deinsden de ridders van de ronde tafel op de verschijning van die afschuwelijke dame, welke zich tusschen een eik en een’ groenen hulst aan hen vertoonde, niet met meer schrik achteruit, dan Lucie Bertram en Julia Mannering, bij de verschijning van deze Schotsche heks op de heivlakte van Ellangowan.
„Om Gods wil!” riep Julia en trok hare beurs, „geef deze verschrikkelijke vrouw iets en zeg haar dat zij heen gaat.”
„Ik kan niet,” hernam Bertram; „ik moet haar niet beleedigen.”
„Waarom talmt gij hier?” sprak Meg Merrilies, de ruwe, holle stem verheffende, „waarom volgt gij mij niet? Moet uw uur u tweemaal roepen? Denkt gij niet meer aan uw eed? „het zij in de kerk, of op de markt, op eene bruiloft of bij eene begrafenis.” – En dreigend hief zij den dorren wijsvinger op.
Bertram wendde zich tot zijne verschrikte gezellinnen en zeide: „Verschoon mij, ik moet mij voor een oogenblik verwijderen; ik ben door eene belofte gebonden, deze vrouw te volgen.”
„Mijn hemel!” riep Julia uit, „gij moet deze krankzinnige vrouw volgen?”
„Eene Heidin, die misschien hare bende in het bosch heeft om u te vermoorden!” voegde Lucie er bij.
„Dát zijn geene woorden voor eene dochter van Ellangowan,” hernam Meg, een toornigen blik op Lucie Bertram werpende. „Wie anderen verdenkt, voedt kwaad in het hart.”
„Met één woord, ik moet gaan,” hernam Bertram; „het is volstrekt noodzakelijk! Wacht mij hier slechts vijf minuten.”
„Vijf minuten?” hervatte de Heidin. „In geen vijf uren zijt gij misschien terug.”
„Hoort gij dit?” zeide Julia; „ga om ’s Hemels wil niet mede!”
„Ik moet, ik moet. – De heer Dinmont zal u wel naar huis geleiden.”
„Neen,” hernam Meg, „hij moet met u gaan; daarom is hij hier. Hij moet met hart en hand helpen; en dit is hij wel verplicht: want zijne redding had u duur te staan kunnen komen!”
„Dat is waar!” zei Dinmont, „en ik zal u toonen, kapitein, dat ik het nog niet vergeten heb.”
„O ja,” riepen de beide dames te gelijk uit, „laat hem met u gaan, als gij deze vreemde roepstem moet volgen.”
„Ja, ik moet; maar gij ziet, dat ik een goed geleide bij mij heb. – Keer, zoo ras gij kunt, naar huis en vaarwel tot wederziens!”
Bij deze woorden drukte Bertram zijne zuster de hand en nam met een teederen blik afscheid van Julia. Stom van schrik en verbazing zagen deze Bertram, Dinmont en hunne geleidster achterna. Deze buitengewone vrouw ijlde met zulke snelle, groote en vaste schreden over de winterachtige heide, dat zij eerder scheen te zweven dan te gaan. Door hare lange kleeding en hoog hoofddeksel scheen zij Bertram en Dinmont, beide forsche mannen, nog in grootte te overtreffen. Zij ging steeds rechtuit, zonder zich om de paden te bekommeren, welke de voetgangers gemeenlijk volgden, om de oneffenheid van het veld en de kleine beekjes, welke het in allerlei richtingen doorsneden, te vermijden. Soms verdwenen dus de steeds kleiner schijnende gestalten uit het gezicht, als zij in eene laagte afdaalden, en kwamen dan, wanneer zij de volgende hoogte bereikten, weder te voorschijn. Er was iets verschrikkelijks en, als het ware bovenaardsch, in de wijze waarop deze wonderlijke vrouw de beide mannen, bijna met de snelheid van een vogel die de lucht doorklieft, zonder zich door de hinderpalen, welke gewone voetgangers tegen houden, te laten afschrikken, dwars over het veld leidde, tot zij met hen in het dichte bosch, hetwelk zich van de heivlakte naar het vervallen dorpje Derncleugh uitstrekte, verdween.
„Dit is toch zeer zonderling,” zeide Lucie eindelijk tegen hare vriendin. „Wat kan hij toch met die oude heks te doen hebben?”
„Het is verschrikkelijk,” antwoordde Julia; „het doet mij bijna aan de sprookjes van heksen, toovergodinnen en kwade geesten denken, welke ik in Indië gehoord heb. Dáar gelooft men aan eene betoovering van het oog, waardoor zij, die zulk eene macht bezitten, den wil en de bewegingen van hunne slachtoffers naar willekeur kunnen leiden. – Maar wat kan uw broeder toch met deze verschrikkelijke vrouw te doen hebben, dat hij ons, zoo oogenschijnlijk tegen zijn wil, verlaat om hare bevelen te volgen?”
„Wij kunnen ten minste gerust zijn, dat hem geen leed zal geschieden,” hernam Lucie: „anders zou zij den getrouwen Dinmont, wiens moed en standvastigheid mijn broeder zoo hoog roemt, niet gelast hebben, hem op dezen tocht te vergezellen. – Laat ons nu naar huis gaan en de terugkomst van den kolonel afwachten. Misschien komt Hendrik nog vroeger te huis, en anders zal uw vader weten, wat er gedaan moet worden.”
Arm in arm begaven zij zich op weg. Toen zij, angstig naar het minste gerucht luisterende, den ingang der laan bereikten, hoorden zij een ruiter achter zich. Verschrikt zagen zij om en herkenden tot hunne groote blijdschap den jongen Hazlewood.
„De kolonel zal oogenblikkelijk hier zijn,” zeide hij. „Ik ben vooruit gereden, om juffrouw Bertram een bezoek te brengen en haar geluk te wenschen met de blijde gebeurtenis, welke in hare familie plaats gehad heeft. Ik brand van verlangen, om aan den kapitein Bertram voorgesteld te worden en hem voor de wel verdiende les, welke hij mij voor mijne overijling en onbezonnenheid gegeven heeft, te danken.”
„Hij heeft ons zoo even verlaten,” antwoordde Lucie „en op eene wijze, die ons niet weinig angst veroorzaakt heeft.”
Op dit oogenblik naderde het rijtuig. Toen Mannering en zijn geleerde vriend de beide dames zagen, lieten zij stil houden, stegen uit het rijtuig en voegden zich bij haar. Dadelijk verhaalde Julia hun het voorgevallene.
„Al weder Meg Merrilies!” zeide de kolonel. „Zij is inderdaad een zeer geheimzinnig en onbegrijpelijk wezen; maar ik denk, dat zij Bertram iets mede te deelen heeft, dat zij voor ons geheim wil houden.”
„De drommel hale die oude zottin!” riep Pleydell uit. „Nooit laat zij eene zaak haren behoorlijken gang gaan. Altijd wil zij haar eigen zin volgen! – Naar den weg, dien zij ingeslagen hebben te oordeelen, vrees ik, dat zij naar Ellangowan gegaan zijn, en die schurk, Glossin, heeft reeds getoond, welke schelmen hij in dienst heeft. Ik hoop maar, dat de eerlijke Dinmont hem zal kunnen beschermen.”
„Indien het u genoegen doet, zal ik hen gaarne narijden,” hernam Hazlewood. „Ik ben in dezen omtrek zoo goed bekend, dat ik nauwelijks geloof, dat men hem in mijne tegenwoordigheid eenig leed zou doen, en ik zal mij, voorzichtigheidshalve, zoo ver verwijderd houden, dat het niet kan schijnen, alsof ik de Heidin in het oog houden, of haar, in hetgeen zij met Bertram voor heeft, verhinderen wil.”
„Op mijn woord,” sprak Pleydell tot den kolonel, „de jonge Hazlewood, wien ik nog voor weinige jaren als schoolknaap gekend heb, is een flinke jongen geworden. Ik vrees evenwel meer voor eene nieuwe poging, om onzen vriend in rechten te vervolgen, dan voor openbaar geweld, en van dit laatste zou Hazlewood’s tegenwoordigheid Glossin en zijne helpers wel terug houden – Spoedig hen na, mijn zoon! Gij zult hen waarschijnlijk te Derncleugh of in het bosch van Warroch vinden.”
Hazlewood wendde zijn paard. „kom bij ons eten heden namiddag!” riep de kolonel hem achterna. – Hij boog, gaf zijn paard de sporen en rende weg.
Keeren wij thans tot Bertram en Dinmont terug, die hunne geheimzinnige geleidster door bosch en dal, tusschen de heivlakte en het vervallen dorpje Derncleugh, volgden. Zij ging steeds vooruit en keek nooit naar hare geleiders om, dan om hen over hun dralen te beknorren, niettegenstaande beiden, in weerwil van het jaargetijde, het zweet van het voorhoofd droppelde. Enkel sprak zij in afgebroken woorden bij zich zelve: „Het oude huis al weder opgebouwd worden – de hoeksteen zal gelegd worden – en heb ik hem niet gewaarschuwd? – Ik zeide hem, dat ik geboren was om het te doen, al moest de weg over mijns vaders schedel heen gaan, en het is slechts de zijne. – Ik werd daartoe bestemd – en in banden en boeien bleef ik bij mijn voornemen; – ik werd gegeeseld – ik werd gebrandmerkt – maar het lag dieper dan geeselslagen en een gloeiend ijzer konden reiken – en nu is het uur gekomen!”
„Kapitein,” sprak Dinmont half fluisterende, „ik hoop, dat zij niet waanzinnig is! Zij spreekt niet als andere menschen, en hare woorden schijnen niet van God te komen. Bij ons houdt men staande, dat het met haar niet is, zoo als het behoort.”
„Wees niet bang, vriend!”
„Bang! zij moge eene heks of zelfs de duivel in persoon zijn; daar bekommer ik mij in het geheel niet om.”
„Zwijg!” sprak Meg, een donkeren blik op Dinmont werpende, „denkt gij dat het thans tijd en plaats voor u is, om te spreken?”
„Beste vrouw!” hernam Bertram, „ik twijfel geenszins aan uwe goede trouw en eerlijke bedoelingen, waarvan gij mij reeds bewijzen genoeg gegeven hebt; maar gij moest ook eenig vertrouwen in mij stellen. – Ik wilde gaarne weten waarheen gij mij brengt.”
„Hierop heb ik slechts één antwoord, Hendrik Bertram! – Ik heb gezworen, dat mijne tong het nooit zeggen zou, maar ìk heb niet beloofd, dat mijne vinger het nooit wijzen zou. Vervolg uw weg en ga uw geluk te gemoet, of keer terug en geef het op – dit is alles, wat ik te zeggen heb.”
„Vooruit dan,” hernam Bertram; „ik zal u niets meer vragen.”
Zij stegen omstreeks dezelfde plaats, waar Meg voorheen van Bertram gescheiden was, in het dal af. Zij vertoefde een oogenblik aan den voet van de hooge rots, vanwaar hij destijds de begrafenis van den, in den vervallen toren van Derncleugh gestorven man aanschouwd had. Hier stampte zij op den grond, welke, niettegenstaande alle aangewende moeite, nog zichtbare sporen droeg, dat die kortelings omgewoeld was, en zeide: „hier rust er één; hij zal misschien spoedig „makkers hebben.”