Chapter 9 of 43 · 3866 words · ~19 min read

Part 9

„Dat geloof ik wel,” zei de koster; „maar Glossin wil gaarne van den ouden heer ontslagen zijn en den verkoop bespoedigen, uit vrees dat de naaste erfgenaam weder optreden mocht. Ik heb hooren zeggen, dat het goed niet om de schulden van den ouden Ellangowan verkocht kan worden, als er een mannelijke erfgenaam was.”

„Hij heeft immers verscheidene jaren geleden een zoon gekregen. Is deze dan dood?” hernam de vreemdeling.

„Dat kan niemand beslissen,” antwoordde de koster op geheimzinnigen toon.

„Zonder twijfel dood!” viel Bearcliff hem in de rede, „ik wed, dat hij reeds lang dood is. Sedert twintig jaren, of daaromtrent, heeft men niets van hem gehoord.”

„Het is nog geen twintig jaren,” hervatte de waardin; „het is in het laatst van deze maand niet meer dan zeventien jaren geleden. De zaak maakte hier veel indruk. Het kind verdween op denzelfden dag, toen de opzichter Kennedy om het leven kwam. Indien gij hier in de omstreken reeds lang bekend zijt, Mijnheer, zult gij den opzichter Frans Kennedy ook wel gekend hebben. Dat was een prettig, aardig mensch; hij heeft ons hier menigen vroolijken dag bezorgd. Ik was toen nog jong, Mijnheer, en kortelings met mijn nu overleden man gehuwd,” hier zuchtte zij, „en heb menige grap met den opzichter gehad. Het was een doorslepen vogel; hij had de smokkelaars maar met rust moeten laten. Maar hij waagde zich al te veel. En zie, Mijnheer, er lag een koninklijk wachtschip in de Wigton’s baai: en Frans Kennedy liet het komen om jacht te maken op Dirk Hatteraick – gij herinnert u Dirk Hatteraick toch nog, Bearcliff! gij hebt immers zelf met hem te doen gehad?” – De aangesprokene kuchte en knikte toestemmend. „Het was een stoute kerel en hij verdedigde zijn schip tot het in de lucht vloog. Frans Kennedy, die het eerst op het schip was, werd verscheidene duizend voeten ver geslingerd en viel bij kaap Warroch, aan den voet van de rots, die nog heden ten dage de „opzichterssprong” heet, in het water.”

„En in welke betrekking staat dit alles tot den zoon van Bertram?” vroeg de vreemdeling.

„In eene zeer nauwe betrekking. De knaap was altijd bij den opzichter, en men gelooft algemeen, dat hij met hem op het schip is gegaan, zoo als kinderen er altijd gaarne bij mogen wezen, wanneer er iets kwaads te doen of te zien is.”

„Neen, neen,” hernam Bearcliff, „gij hebt het geheelenal mis. Het kind is door eene Heidin, Meg Merrilies genaamd (ik herinner mij haar nog zeer goed), geroofd, uit wraak tegen Ellangowan, om dat hij haar, om het stelen van eene zilveren lepel, met trommelslag door Kippletringan had doen rondleiden.”

„Neem mij niet kwalijk,” hervatte nu de voorzanger, „gij hebt het evenzeer mis, als onze goede waardin.”

„En wat zegt gij dan van deze geschiedenis?” vroeg de vreemdeling, zich vol belangstelling tot hem wendende.

„Daarover spreek ik niet gaarne,” antwoordde de voorzanger met groote plechtigheid.

Daar hij nochtans van alle kanten gedrongen werd ronduit te spreken, maakte hij zich tot zijn verhaal gereed. Hij zette zich in postuur, blies eenige zware tabakswolken uit, kuchte een paar malen, en liet nu, terwijl hij zoo veel mogelijk de welsprekendheid, welke hij iederen zondag van den kansel boven zijn hoofd hoorde klinken, trachtte na te volgen, uit de rookwolk, die hem omgaf, het volgende sprookje hooren:

„Wat wij nu voor te dragen of te behandelen hebben, mijne broederen – waarde vrienden wil ik zeggen – is niet in het verborgen geschied, en kan tot een antwoord voor heksenverdedigers, godloochenaars en ongeloovigen van allen aard dienen. – Gij moet weten, dat de achtbare heer van Ellangowan niet zóo stipt was, als het behoorde, in het zuiveren van zijn grondgebied van heksen – van welke geschreven staat: „gij zult geene heks laten leven,” – noch van dezulken, die omgang met booze geesten hebben, of zich met waarzeggerij en tooverij bezig houden, gelijk de zoogenaamde Heidenen en andere rampzalige landloopers. En de heer was drie jaren gehuwd geweest zonder een erfgenaam te hebben verwekt, en men dacht algemeen, dat hij Meg Merrilies, de beruchtste tooverheks en waarzegster in de graafschappen Galloway en Dumfries, daarover raadpleegde, en buitendien veel met haar te doen had.”

„Dat zal zeker wel zoo zijn,” hernam de waardin; „hij heeft haar hier eens in huis twee glazen brandewijn laten geven.”

„Waarlijk, goede vrouw? dit pleit dan ook weder voor mijn verhaal; doch laat ik den draad daarvan weder opvatten. De dame verkeerde eindelijk in gezegende omstandigheden, en in den nacht, toen zij van een zoon verloste, kwam er aan de deur van hun huis, gewoonlijk het slot Ellangowan genaamd, een oud man, in eene vreemde kleeding, en bad om nachtverblijf. Zijn hoofd, zijne beenen waren niettegenstaande het gure jaargetijde, naakt, en hij droeg een grijzen baard, die hem tot de knieën reikte. Hij werd binnengelaten en toen de dame bevallen was, verzocht hij het juiste oogenblik van de geboorte des kinds te mogen weten, en ging toen naar buiten, om de sterren te raadplegen. En toen hij terugkwam, zeide hij aan den heer, dat de booze macht zou hebben over het zoontje, dat dien nacht geboren was, en raadde hem, het knaapje in de vreeze Gods op te voeden en een geestelijke aan zijne zijde te plaatsen, die met en voor hem zoude bidden. En de grijsaard verdween, en niemand hier te lande heeft hem ooit weder gezien.”

„Neen, dat kan ik niet laten voorbijgaan,” zei nu Hans, de voerman, die tot hiertoe op een eerbiedigen afstand naar het verhaal geluisterd had. „Mijnheer Skreigh zal het mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, en met verlof van alle aanwezigen moet ik zeggen, dat die zoogenaamde toovenaar geen langer baard had, dan de koster zelf, en dat hij een paar beste laarzen en ook handschoenen aan had en ik ben oud genoeg om te weten wat goede laarzen zijn.”

„Stil toch, Hans! stil,” riep de waardin, en op trotschen toon voegde de koster er bij: „wat kunt gij daarvan weten, Hans?”

„Zeker niet veel, Mijnheer Skreigh; alleen weet ik, dat ik destijds geene honderd schreden ver van het huis Ellangowan afwoonde, en dat er in den nacht, toen de jonge heer geboren werd, een man aan onze deur klopte, met wien mijne moeder mij, die toen een opkomende jongen was, naar het slot zond. Indien hij een toovenaar geweest was, had hij, dunkt mij, zelf den weg kunnen vinden. Het was een welgekleed, aardig jongmensch; het scheen een Engelschman te zijn. Ik verzeker u, hij droeg een hoed, laarzen en handschoenen, zoo goed, als de grootste heer van het land. Hij zag, wel is waar, met huivering naar het oude slot, en er is, zoo als ik gehoord heb, ook zoo iets van tooverij of waarzeggerij voorgevallen; maar wat het verdwijnen betreft, daar is geen woord van waar. Ik heb hem zelf den stijgbeugel gehouden, toen hij wegreed, en hij gaf mij een flinke fooi. Hij had een paard van George te Dumfries, het was eene spattige, stijve vos; ik heb het dier voor en na dien tijd dikwijls gezien.”

„Nu, nu, Hans!” antwoordde de koster op een vriendelijken, plechtigen toon, „onze verhalen verschillen niet in hoofdzaken; ik wist maar niet, dat gij den man gezien hadt. Nu, vrienden, om voort te gaan: de waarzegger voorspelde, zoo als ik reeds gezegd heb, ongeluk aan het kind, en de vader nam eenen geestelijke bij zich, om dag en nacht bij den knaap te waken.”

„Ja, dat was dominé Sampson,” zei de voerman.

„Dat is een onnoozele bloed,” hernam de kruidenier. „Men zegt, dat hij geen tien woorden van eene preek achter elkander kan opzeggen.”

„Nu ja!” hervatte de koster, en wenkte met de hand, als of hij het woord gaarne weder alleen wilde voeren; „hij bewaakte den jongen heer dag en nacht. Toen nu de knaap bijna vijf jaren oud was, begon de oude heer zijne dwalingen in te zien en besloot zich te bekeeren en de Heidenen van zijn grondgebied te verdrijven; en de straksgenoemde Frans Kennedy, een ruwe knaap die veel vloekte, werd afgezonden, om hen te verjagen. En hij vervloekte en verwenschte hen en zij vervloekten hem, en Meg Merrilies, die door hare verbintenis met den booze de machtigste was, zwoer hem, dat zij hem met lichaam en ziel in hare macht zoude hebben, voor dat de zon driemaal ondergegaan was. Meg Merrilies verscheen ook aan den heer, toen hij van Singleside naar huis reed, en bedreigde hem met hetgene zij den zijnen aandoen zoude. – Ik heb dit van goederhand, van den rijknecht van den heer zelven; hij heeft haar zelf gezien, maar kon niet zeggen of het Meg zelve of een booze geest in hare gestalte was; want zij scheen hem veel grooter toe dan een gewone sterveling.”

„Dat kan wel zoo zijn,” zei de voerman, „ik kan daar niets tegen zeggen, ik was destijds niet hier; maar die rijknecht was een bange ziel, zonder hart in het lijf.”

„En wat was het einde van dit alles?” hernam de vreemdeling met ongeduld.

„Nu,” vervolgde de koster, „het verdere of het einde was, dat deze Kennedy, terwijl zij allen naar een koninklijk schip keken, dat een smokkelaar vervolgde, eensklaps wegliep, zonder dat iemand wist waarom – koorden noch banden hadden hem ook kunnen houden – en zoo hard zijn paard loopen kon, naar het bosch van Warroch snelde. Onderweg ontmoette hij den knaap met zijn leermeester, nam den knaap bij zich op het paard en zwoer, dat, als hij behekst was, het kind hetzelfde lot zou deelen, als hij. En de geestelijke volgde zoo snel hij kon, ja bijna zoo snel als zij: want hij was verwonderlijk vlug ter been; en hij zag dat Meg, de tooverheks, of haar meester in hare gestalte, plotseling uit den grond opsteeg en het kind uit de armen van den opzichter scheurde. Deze wilde zich verdedigen en trok zijn hartsvanger: want, zoo als gij weet, iemand, die den dood vinden zal, vreest zelfs den duivel niet.” „Dat is volkomen waar,” viel de voerman in.

„Maar zij greep hem aan en slingerde hem als een steen over de rotsen bij kaap Warroch, waar hij des avonds gevonden werd. Wat er echter van den knaap is geworden, kan ik wezenlijk niet met zekerheid zeggen. Maar de predikant, die destijds hier was en thans in betere gewesten leeft, was van gevoelen, dat het kind slechts voor eenigen tijd naar het tooverland overgebracht was.”

Onder dit verhaal kon de vreemdeling zich niet langer weerhouden, van nu en dan te glimlachen. Voor dat hij echter antwoorden kon, hoorde men paardenhoeven en trad een net gekleed bediende met een kokarde op den hoed in het vertrek met een eenigszins luidruchtig: „Plaats, vrienden, as je blieft! Plaats!” Zoodra hij den vreemdeling echter bemerkte, trad hij eerbiedig tot hem met den hoed in de hand, overhandigde hem een brief, en zeide zeer onderdanig: „de heer van Ellangowan is zeer gevaarlijk ziek en de familie buiten staat om bezoeken af te wachten.”

„Dat weet ik,” antwoordde de vreemdeling, en zich tot de waardin wendende, zeide hij: „nu uwe gasten uitblijven, juffrouw, zou ik me verplicht achten, als ik de kamer mocht betrekken voor hen bestemd.”

„Van harte gaarne,” zei deze, en lichtte haren gast met vele komplimenten voor.

De kruidenier vulde een glas en bood het den jongen bediende aan, met de woorden: „Dat zal u goed smaken na uwen rid.”

„Dat geloof ik, Mijnheer,” antwoordde deze; „ik dank u. Op uwe gezondheid.”

„En wie is uw heer, vriend?” vroeg de eerste weder.

„Hoe? Mijnheer, die pas hier was? Dat is de beroemde kolonel Mannering, uit Oost-Indië.”

„Van wien wij in de nieuwsbladen lezen?”

„Ja, dezelfde. Hij heeft Cuddiborn ontzet, Chingalore verdedigd en het groote opperhoofd der Maratten, Ram Jolli Bundleman, verslagen. Ik was, gedurende de meeste zijner veldtochten, bij hem.”

„God zegene ons!” hernam de waardin; „ik moet hem oogenblikkelijk gaan vragen, wat hij tot zijn avondmaal wil hebben. Hoe kon ik hem ook hier laten zitten!”

„Dat is niets, daar houdt hij veel van, moedertje! gij hebt nooit een eenvoudiger en beter mensch gezien, dan den kolonel, en toch heeft hij somtijds iets van den duivel in het lijf.”

Het overige van het gesprek in de keuken was te onbeduidend, om er langer bij stil te staan. Wij zullen ons dus naar het eenzame vertrek van den kolonel begeven.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

– De Roem – – die is des menschen afgod, Tegenover God gesteld, der wetten oorsprong, Die ons bevolen heeft: „Gij zult geen bloed vergieten.” En toch, we doen het steeds; uit zucht naar roem! Welk eerlijk man behoeft den zijnen op te houden, Of buurmans roem te kort te doen? De vrees om kwaad te doen, is ware dapperheid, Het kwaad ons aangedaan niet mede te dragen, Is ook der dapperen taak. – –

Ben Jonson.

De kolonel wandelde in gepeins verzonken, toen de gedienstige waardin binnentrad om naar zijne bevelen te vragen. Na haar die gegeven te hebben, verzocht hij haar een oogenblik te toeven en zeide: „indien ik goed verstaan heb, moet de heer Bertram zijnen zoon op den ouderdom van vijf jaren verloren hebben.”

„O ja, dit is zeker, Mijnheer!” antwoordde zij, „maar over de wijze hoe, is veel getwist. Er zijn dienaangaande vele zotte praatjes in de wereld gekomen. Het is nu reeds eene oude geschiedenis, en ieder verhaalt ze op zijne wijze bij het hoekje van den haard, zoo als gij straks hoordet. Maar zoo veel is zeker, kolonel, het kind is in zijn vijfde jaar verdwenen en deze tijding, die voorzichtig aan Mevrouw Bertram, welke toen hoog zwanger was, werd overgebracht, kostte haar in denzelfden nacht het leven. Sedert dien tijd had de heer nergens lust in, maar was voor alles onverschillig. Zijne dochter, juffrouw Lucie, wilde wel weder orde in de huishouding brengen, toen zij ouder werd; maar wat kon zij er ook aan doen? dat arme kind! en nu moeten zij huis en erf verlaten.”

„Omstreeks welken lijd is het kind verdwenen?” vroeg de kolonel. „Kunt ge u dat juist herinneren?”

„Juist in het begin van November 17..,” antwoordde de waardin, na zich eenige oogenblikken bedacht te hebben en eenige lokale gebeurtenissen aangehaald te hebben, om haar gezegde te staven.

De vreemdeling wandelde een paar malen zwijgend heen en weder, maar gaf aan juffrouw Mac-Candlish een wenk nog niet heen te gaan. „Heb ik het goed verstaan,” hernam hij eindelijk, „dat het goed Ellangowan verkocht zal worden?”

„Of het te koop is? Ja zeker Mijnheer! morgen zal het aan den hoogstbiedende toegewezen en het huisraad en de geheele inboedel ook verkocht worden. Dat wil zeggen niet morgen, want dat is Zondag, maar overmorgen, Maandag, – de Heere helpe ons! Alle menschen spreken er schande van, dat de verkoop thans, nu er, door den ongelukkigen Amerikaanschen oorlog, zoo weinig geld in Schotland in omloop is, doorgedreven wordt. Maar er is zeker iemand, die het goed gaarne voor een spotprijs wil hebben. De duivel hale hem, die –” voegde de waardin, in drift over de oude veronderstelde onrechtvaardigheid, er bij.

„En waar zal de verkoop plaatshebben?”

„Volgens de gedane aankondigingen op het goed Ellangowan zelf, zoo als ik gehoord heb.”

„En bij wien zijn aangaande een en ander nadere inlichtingen te verkrijgen?”

„Bij den ondersheriff van het graafschap, een heel braaf mensch, Mijnheer, die door het gerechtshof gevolmachtigd is. Hij is tegenwoordig juist hier in het vlek, als gij hem gaarne spreken wilt; en hij kan u ook meer van het verdwijnen van het kind zeggen, dan iemand anders: want de sheriff zelf heeft zich in der tijd veel moeite gegeven, om achter de zaak te komen.”

„En hoe heet deze heer?”

„Mac-Morlan, Mijnheer. Het is een best mensch, van wien veel goeds gezegd wordt.”

„Verzoek hem dan beleefdelijk uit mijn naam (uit naam van den kolonel Mannering), heden avond bij mij te komen eten en de noodige papieren mede te brengen; en spreek gij er met niemand over juffrouw, als ik u bidden mag.”

„Geen woord, Mijnheer;” antwoordde zij met een buiging. „Ik wenschte wel dat gij of een ander achtenswaardig heer, die voor het vaderland gevochten heeft,” (met een derde buiging) „het goed mocht krijgen, nu de oude familie het toch verlaten moet, en niet die listige schelm Glossin, die zijn opkomst aan den ondergang van zijn besten vriend te danken heeft. En nu zal ik zelve maar mantel en overschoenen nemen en naar Mac-Morlan gaan, om uwe bevelen te volbrengen. Het is hier vlak bij.”

„Ik zal u zeer dankbaar wezen. Wil ook mijn knecht zeggen mijn brieventasch naar boven te brengen.” Na deze woorden ging de waardin heen en, na eenige oogenblikken, zat de kolonel Mannering met de pen in de hand vóor zijne tafel. Wij nemen de vrijheid over zijnen schouder te zien en deelen onzen lezers gaarne den inhoud van zijn schrijven mede. Het was een brief aan den heer Arthur Mervyn, van Mervyn-Hall, in Westmoreland. Na een kort bericht van des schrijvers wedervaren, sedert hij van hem vertrokken was, schreef hij verder:

„En kunt gij mij nu nog mijne zwaarmoedigheid kwalijk nemen, waarde Mervyn? Denkt gij, dat ik na vijf en twintig jaren, waarin ik veldslagen geleverd, wonden ontvangen, gevangenschap en allerhande soort van ongelukken ondergaan heb, nog dezelfde levendige, moedige Guy Mannering kan zijn, die de Skiddaw met u beklom, of korhoenders op Grosfel schoot? Dat gij, die altijd in den schoot van het stille, huislijk geluk gebleven zijt, weinig veranderd zijt, dat uw gang nog zoo licht, dat uwe verbeelding nog zoo vol helderen zonneschijn blijft, is het gezegende uitwerksel van gezondheid en gemoedsgesteldheid, verbonden met tevredenheid en eene zachte vaart op den stroom des levens. Maar mijne loopbaan was vol bezwaren, vol twijfelingen en dwalingen. Sedert mijne kindsheid was ik een speelbal van het toeval, en ofschoon de wind mij dikwijls in eene veilige haven bracht, was het toch zelden in die, waarheen de stuurman zijnen koers gericht had. Laat ik u, maar slechts met korte woorden, de zeldzame en bonte lotgevallen van mijne jeugd en de ongelukken van mijn mannelijken leeftijd herinneren.

„Mijne jeugd, zult gij zeggen, is toch niet zeer rampspoedig geweest. Alles ging wel niet naar wensch; maar toch redelijk goed. Mijn vader, de oudste zoon van een aanzienlijk, maar verarmd geslacht, liet mij bij zijnen dood met weinig vermogen, maar met den naam van hoofd van het geslacht, aan de bescherming van zijne meer bemiddelde broeders over, die mij zoo hartelijk beminden, dat zij bijna om mij twistten. Mijn oom, de bisschop, wilde een geestelijke van mij maken en mij een goede standplaats verschaffen; mijn oom, de koopman, wilde mij op een kantoor plaatsen en bood mij een aandeel in de uitgebreide zaak van: Mannering en Marshal, in Lombardstreet, aan. Zoo, tusschen deze twee zachte, gemakkelijke, wel gevulde stoelen van de godgeleerdheid en van den koophandel geplaatst, gleed ik, ongelukskind, tusschen beiden door en kwam op een’ dragonderszadel terecht. Vervolgens wilde de bisschop mij met de nicht en erfgename van den domdeken van Lincoln verbinden, en mijn oom, de koopman, sloeg mij een huwelijk met de eenige dochter van den grooten wijnhandelaar, den ouden Sloethorn, voor, die rijk genoeg was om goudstukken in het water te werpen en banknoten tot garenklosjes te gebruiken; en nochtans trok ik mijn hals uit beide strikken en huwde – de arme, de doodarme Sophia Wellwood.

„Gij zult zeggen, dat ik over mijne militaire loopbaan in Indië, waarheen ik mijn regiment gevolgd ben, toch eenigermate voldaan moest zijn; en dat is ook zoo. Gij zult mij herinneren dat, ofschoon ik de hoop van mijne beide voogden verijdelde, ik mij nochtans hun ongenoegen niet op den hals gehaald heb, – dat de bisschop mij, bij zijn dood, behalve zijn zegen, zijne geschrevene leerredenen en eene merkwaardige portefeuille, met de portretten van beroemde geestelijken van de Engelsche kerk, vermaakte; en dat mijn oom, sir Paul Mannering, mij tot eenigen erfgenaam van zijne rijkdommen maakte. Dit hielp mij echter niets. Ik heb u reeds vroeger gezegd, dat er iets op mijn gemoed drukte, dat ik wel met mij in het graf zal nemen, eene eeuwigdurende bitterheid in den kelk des levens. Ik zal u nu alles uitvoeriger verhalen, dan ik doen durfde, toen ik onder uw gastvrij dak leefde. Gij zult er mogelijk dikwijls over hooren spreken en misschien zal men er vele verschillende en verdichte omstandigheden bij verhalen. Ik zal u daarom alles openhartig mededeelen, en laat ons dan nooit weder over die gebeurtenis en over de droefheid, waarmede ze mijne ziel vervuld heeft, spreken.

Sophia volgde mij, zoo als gij weet, naar Indië. Zij was even onschuldig, als vroolijk; maar, tot ons beider ongeluk, ook even vroolijk als onschuldig. Door mijne studiën, welke ik opgegeven had, en door mijne afgezonderde levenswijze, had ik gewoonten aangenomen, die bestaanbaar waren met mijnen stand als bevelhebber van een regiment in een land, waar ieder, die aanspraak maakt op den rang van een fatsoenlijk man, gastvrijheid beoefent en verwacht. Gij weet, hoeveel moeite wij somtijds hadden, om blanke gezichten te vinden om onze kaders voltallig te houden. In zulk een oogenblik van verlegenheid kwam een jongeling, Brown genaamd, als vrijwilliger bij ons regiment, en bleef als kadet bij ons, daar hij meer smaak in den krijgsdienst vond dan in den koophandel, waaraan hij zich tot dus ver toegewijd had. – Ik wil mijn ongelukkig slachtoffer recht laten wedervaren. Hij gedroeg zich bij elke gelegenheid zoo dapper, dat men hem de eerste opengevallen officiersplaats ten volle waardig keurde. Ik moest gedurende eenige weken wegens een tocht in de verte, afwezig zijn. Toen ik terug kwam, vond ik dezen jongen man als huisvriend, als bezoeker van mijne vrouw en dochter, in mijn huis. Dit mishaagde mij in vele opzichten, ofschoon er op de zeden of het karakter van den jongen niets te zeggen viel.

„Ik zou mij wellicht nog wel met zijne gemeenzaamheid in huis verzoend hebben; maar ik werd door anderen opgehitst. Indien gij den Othello naleest (ik durf het boek nooit openslaan), zult gij u eenigszins kunnen verbeelden, wat het gevolg was; – ik bedoel hiermede mijne vermoedens; mijne daden waren. Goddank! niet zoo misdadig. Wij hadden eenen anderen kadet, die vurig naar de opengevallen officiersplaats haakte. Deze maakte mij opmerkzaam op de coquetterie, zoo als ik het noemde, door zijne inblazingen verleid, tusschen mijne vrouw en den jongen Brown. Sophia was deugdzaam, maar trotsch op hare deugd; en, door mijne ijverzucht verbitterd, was zij onvoorzichtig genoeg, eene gemeenzaamheid voort te zetten en aan te moedigen, welke ik, zoo als zij zag, afkeurde en met wantrouwen beschouwde. Tusschen Brown en mij bestond eene soort van inwendigen tegenzin. Hij deed eenige pogingen, om mijne vooroordeelen te overwinnen; maar door mijne vooringenomenheid beschouwde ik ze uit een verkeerd oogpunt. Toen hij zich dus met minachting afgewezen zag, liet hij af; en daar hij zonder naastbestaanden, zonder vriend was, bespiedde hij natuurlijk des te zorgvuldiger het gedrag van iemand, die beiden bezat.

„Het is vreemd, hoe smartelijk het mij valt, dezen brief te schrijven. En toch voel ik mij geneigd, deze foltering te rekken, als of ik daardoor de gebeurtenis, welke mijn leven zoolang verbitterd heeft, verwijderen kon. Maar– ik moet alles verhalen, en zal kort wezen.