Chapter 35 of 43 · 3979 words · ~20 min read

Part 35

„Ik ben geene goede vrouw: het geheele land weet, dat ik boos genoeg ben, en menigeen doet het even als mij zelve leed genoeg, dat ik niet beter ben. Maar ik kan doen, wat brave vrouwen niet kunnen en niet durven. Ik kan dingen doen, waarbij andere vrouwen, die binnen hare vier muren opgegroeid zijn en nergens toe deugen dan om hare kinderen te kleeden en in de wieg te schommelen, het bloed in de aderen zou doen stollen. Hoor naar mij! – De wacht heeft, op uws vaders bevel, het tolhuis te Portanferry verlaten en zich naar Hazlewood-house begeven. Hij denkt, dat zijn huis heden nacht door de smokkelaars aangevallen zal worden; maar daaraan denkt niemand: hij heeft goed en edel bloed. Ik wil niet veel van hem zeggen, maar men oordeelt hem niet waard, zich met hem te bemoeien. Zend de ruiters, zonder dralen, gerust naar hun post terug. Geef acht, of zij daar heden nacht iets te doen zullen hebben! Veel hebben zij te doen. De kogels zullen flitteren en de zwaarden zullen schitteren in het maanlicht.”

„Goede Hemel! wat bedoelt gij? Uit uw gedrag en uwe woorden zou ik bijna besluiten, dat gij krankzinnig zijt; en toch is er eene wonderlijke samenhang in alles, wat gij zegt.”

„Ik ben niet krankzinnig! Men heeft mij als eene krankzinnige opgesloten, geslagen en gebannen – maar krankzinnig ben ik niet. Luister, Karel Hazlewood van Hazlewood! draagt gij hem, die u gekwetst heeft, een kwaad hart toe?”

„Neen, vrouw! daarvoor beware mij de hemel! Mijn arm is geheel hersteld en ik heb altijd gezegd, dat het schot toevallig geweest is. Het zou mij genoegen doen, den jongen man dit te kunnen zeggen.”

Doe dan, wat ik u zeg; en gij zult hem meer goed doen, dan hij u ooit kwaad gedaan heeft: want indien hij aan zijne vijanden overgelaten wordt, zal hij, eer de morgen daagt, een bloedig lijk of een gebannen man zijn – maar er is Éen boven ons allen! Doe, wat ik u zeg; zend de soldaten terug. Er is niets voor Hazlewood-house te vreezen.” Na deze woorden verdween zij met haren gewonen spoed.

Het mislukte deze merkwaardige vrouw door haar geheele voorkomen, gepaard met hare woorden, welke half uit krankzinnigheid, half uit eene verhitte verbeelding schenen voort te komen, zeer zelden, den diepsten indruk op hare hoorders te maken. Hare uitdrukkingen, ofschoon woest en onbeschaafd, waren te eenvoudig en te verstaanbaar voor dadelijke krankzinnigheid, maar tevens te hevig en overdreven voor een bedaard verstand. Zij scheen naar de inspraak van eene, eerder sterk verhitte, dan verbijsterde verbeeldingskracht te handelen, en het is wonderbaar, hoe levendig het onderscheid in zulke gevallen door den hoorder gevoeld wordt. Van daar misschien de opmerkzaamheid, waarmede hare vreemde en geheimzinnige wenken aangehoord en gevolgd werden. Ook op den jongen Hazlewood maakten hare plotselinge verschijning en haar gebiedende toon diepen indruk. Hij reed snel naar huis en vond hier, bij zijne aankomst in den laten avond, de bevestiging van de woorden der Heidin.

Dertig dragonderspaarden stonden met aan elkander gebondene teugels onder een afdak bij den stal. Drie of vier ruiters hielden hierbij de wacht, terwijl anderen met hunne lange sabels en zware laarzen voor het huis op en neder gingen. Hazlewood vroeg een alleen staanden onderofficier van waar zij gekomen waren.

„Van Portanferry,” antwoordde hij.

„Hebt gij er eene wacht gelaten?”

„Neen; op bevel van Sir Robert Hazlewood moesten wij die plaats verlaten en ons hierheen begeven, om zijn huis tegen een gedreigden aanval van de smokkelaars te beschermen.”

Karel Hazlewood zocht dadelijk zijn vader op en verzocht, na hem gegroet te hebben, de reden te mogen weten, waarom hij het noodig geoordeeld had, deze ruiters te laten komen. Sir Robert antwoordde, dat hij ten gevolge der berichten, boodschappen en tijdingen, welke hij gekregen en ontvangen had, zeker moest gelooven, vertrouwen en overtuigd zijn, dat eene bende smokkelaars, Heidenen en andere booswichten dien nacht een aanval op Hazlewood-House beproeven en ondernemen zoude.

„En waarom, beste vader, zouden deze lieden het juist op ons huis, en niet op eenig ander in dezen omtrek, gemunt hebben?”

„Ik zou denken, veronderstellen en van gevoelen zijn,” antwoordde Sir Robert, „en laat dit aan het oordeel van uw verstand en ondervinding over, dat de wraak van zulke menschen, in deze tijden en bij zulke gelegenheden tegen diegenen gericht en opgewekt is, welke door rang, bekwaamheden, geboorte en omstandigheden het meest uitmunten en zich onderscheiden, en hunne onwettige, ongeoorloofde en misdadige handelingen of daden verijdeld, beteugeld en gestraft hebben.”

De jonge Hazlewood, die zijns vaders zwak kende, antwoordde, dat zijne verwondering een anderen grond had, dan Sir Robert scheen te vermoeden; maar dat het hem zeer vreemd voorkwam, dat die lieden het in den zin zouden krijgen een huis aan te vallen, waar zoo vele bedienden waren en waar men, door een teeken aan de naburige pachters, zulk een sterke hulp kon roepen. Ook vreesde hij, merkte hij verder aan, dat het voor het aanzien der familie eenigermate nadeelig zou zijn, de soldaten van hun post aan het tolhuis tot zich te roepen om Hazlewood-House te beschermen, even alsof men hier niet sterk genoeg ware om zich bij gewone gelegenheden zelf te verdedigen. Hij liet zich zelfs ontvallen, dat er, ingeval deze voorzorg noodeloos werd bevonden, aan de bittere spotternijen van de vijanden hunner familie geen einde zou zijn.

Sir Robert Hazlewood werd hierdoor eenigszins onthutst: want even als de meeste onverstandige menschen, haatte en vreesde hij niets zoo zeer, als voor belachelijk gehouden te worden. Hij bedacht zich evenwel en zocht den schijn aan te nemen, alsof hij zich niet om het oordeel van het algemeen, dat hij toch inderdaad vreesde, bekommerde.

„Ik zou waarlijk denken,” zeide hij, „dat de beleediging mijn huis reeds in uw persoon als den naasten erfgenaam en toekomstigen vertegenwoordiger van de familie Hazlewood aangedaan – ik zou denken en van meening zijn, dat dit mij in de oogen van het achtenswaardigste en grootste gedeelte van het volk voldoende zou rechtvaardigen over het nemen van de noodige voorzorgen, om eene herhaling der beleediging te verhinderen en te voorkomen.”

„Ik moet u nog eens herinneren, vader, dat ik, zoo als ik vroeger reeds meermalen gezegd heb, vast overtuigd ben dat het schot enkel toevallig was.”

„Neen, het was niet toevallig; maar gij wilt wijzer zijn dan uwe ouders.”

„Waarlijk, vader, in eene zaak die mij in de eerste plaats aangaat –”

„Zij gaat u geenszins in de eerste plaats aan, – namelijk, zij gaat u als een lichtzinnigen jongeling, die er vermaak in schept zijn vader tegen te spreken, niet aan; maar zij gaat het land, het graafschap, het volk en het koninkrijk Schotland aan, in zoo verre het belang van de familie Hazlewood in, met en door u bedreigd, aangevallen en in gevaar gebracht wordt. Maar de knaap is in verzekerde bewaring en Mijnheer Glossin denkt –”

„Mijnheer Glossin, vader?”

„Ja, mijn zoon, de heer, die Ellangowan gekocht heeft. Mij dunkt, gij weet wel wien ik bedoel?”

„Ja, vader, maar het verwondert mij, dat gij u op dezen man beroept, op een man, dien de geheele wereld als een lagen, inhaligen bedrieger kent en dien ik voor nog erger houd. En wanneer hebt gij ooit te voren zulk eenen man een’ heer genoemd?”

„Hoor, Karel! ik gebruik dit woord hier niet in den eigenlijken, juisten en bepaalden zin, waarin het van rechtswege alleen gebruik moest worden; maar ik gebruik het hier in een algemeenen en onbepaalden zin en met betrekking tot den stand, waartoe hij zich verheven heeft. Ik bedoel er mede om kort te gaan, enkel een fatsoenlijk, welgesteld en achtenswaardig man.”

„Vergun mij, vader, u te vragen of de wacht op het bevel van dezen man Portanferry verlaten heeft?”

„Ik denk niet, dat de heer Glossin zich aanmatigen zou, ongevraagd bevelen te geven, of ook slechts zijn gevoelen te zeggen in eene zaak, welke Hazlewood-House en het huis van Hazlewood – ik bedoel hiermede dat het éene mijn woonhuis en door het andere zinnebeeldig, oneigenlijk en figuurlijk gesproken, mijne familie zelve – ik zeg dus, welke Hazlewood-House en het huis van Hazlewood zoo onmiddellijk aangaat.”

„Vermoedelijk heeft hij echter den maatregel goedgekeurd?”

„Ik oordeelde het betamelijk, rechtmatig en gepast, hem als den naastbijwonenden overheidspersoon te raadplegen, zoodra het bericht van den gedreigden aanval tot mij kwam: en ofschoon hij uit rechtmatigen eerbied en ontzag voor onze wederzijdsche betrekkingen zich verontschuldigde om tot het geven van bevelen mede te werken, heeft hij den genomen maatregel volkomen goedgekeurd.”

Op dit oogenblik hoorde men paardengetrappel in de laan en na weinige minuten ging de kamerdeur open en trad de heer Mac-Morlan het vertrek binnen. „Verschoon mij, indien ik ongelegen kom, Sir Robert, maar –”

„In geenen deele, Mijnheer Mac-Morlan! Uw post als substituut-sheriff, legt u den plicht op voor den vrede en de rust in het graafschap te waken, (en gij gevoelt u zonder twijfel bijzonder geroepen, om Hazlewood-house te beschermen); dus hebt gij een erkend, onbetwistbaar en onloochenbaar recht om het huis van den eersten en aanzienlijksten heer in Schotland binnen te treden, daar men toch altijd veronderstellen moet, dat gij daar door uw ambtsplicht geroepen wordt.”

„Het is inderdaad uit hoofde van mijn ambtsplicht,” antwoordde Mac-Morlan, die met ongeduld op eene gelegenheid tot spreken wachtte, „dat ik mij hier onaangemeld indring.”

„Gij dringt u niet in!” hernam de baronet, genadig met de hand wuivende.

„Veroorloof mij, Sir Robert, u te zeggen, dat ik niet gekomen ben, om hier te vertoeven, maar om deze ruiters naar Portanferry terug te brengen. Ik blijf u borg voor de veiligheid van uw huis.”

„Om de wacht van Hazlewood-house weg te nemen?” riep de eigenaar evenzeer vertoornd als beleedigd. „En gij wilt er verantwoordelijk voor zijn! Ik bid u, Mijnheer Mac-Morlan! wie zijt gij, dat ik uwe persoonlijke of ambtelijke verzekering, verantwoordelijkheid, of borgtocht, voor de veiligheid van Hazlewood-house zou kunnen aannemen? Ik denk, geloof en ben van gevoelen, dat het moeielijk voor mij zijn zou, de geledene schade op den borgtocht, dien gij mij zoo vriendelijk aanbiedt, te verhalen, wanneer slechts éen van deze familieportretten beschadigd, geschonden of vernield wierd.”

„Dat zou mij leed doen, Sir Robert, hernam Mac-Morlan kortaf,” maar ik denk dat ik geen gevaar loop, door mijn gedrag zulk eene onherstelbare schade te veroorzaken, en kan u verzekeren, dat er volstrekt geen aanslag hoegenaamd op Hazlewood-house te vreezen is. Ik heb berichten ontvangen, welke mij doen vermoeden, dat dit gerucht enkel uitgestrooid is, om de wacht van Portanferry te verwijderen. En in deze vaste veronderstelling moet ik mijn gezag als sheriff en hoofd der politie doen gelden, om de dragonders, of ten minste het grootste gedeelte er van, weder naar hun post te zenden. Het spijt mij zeer, dat er door mijne toevallige afwezigheid reeds veel tijd verloopen is, zoo dat wij Portanferry niet dan zeer laat kunnen bereiken.”

Daar Mac-Morlan de opperste overheidspersoon was, en verklaarde dat hij uit kracht van zijn ambt zoo stellig sprak, kon de baronet, ofschoon zeer beleedigd, hier niets tegen inbrengen en zeide: „Zeer wel, Mijnheer Mac-Morlan! zeer wel! Neem ze allen mede: ik verlang geen één hier te houden. Wij kunnen ons zelven wel verdedigen. Ik verzoek u echter er om te denken, dat gij op uw eigen gevaar, op uwe eigene verantwoordelijkheid handelt, in geval mijn huis, zijne bewoners, of het huisraad en de schilderijen iets overkomen of bejegenen mocht.”

„Ik handel naar mijn beste weten en oordeel, Sir Robert,” hernam Mac-Morlan, „en ik verzoek u dit te gelooven en mij dus te verontschuldigen. Maar er is geen tijd om plichtplegingen te maken; het is reeds zeer laat.”

Sir Robert verwaardigde zich niet naar deze verontschuldigingen te luisteren, en nam de noodige maatregelen, om zijne talrijke dienstboden te wapenen. Karel Hazlewood had grooten lust, om de krijgslieden te vergezellen, die te paard stegen om onder de bevelen van Mac-Morlan naar Portanferry terug te keeren; maar vreesde met recht zijn vader te zullen bedroeven en beleedigen, als hij hem op een oogenblik, waarin deze zich door vijanden omringd waande, verliet. De jongeling keek dus met innigen spijt en een onderdrukt misnoegen uit het venster, tot hij het bevel van den officier: „rechts uit de flank, met rotten rechts, in draf, – marsch!” hoorde. De ruiters reden in snellen draf weg, zoo dat zij spoedig tusschen de boomen verdwenen en de hoefslag hunner paarden niet meer gehoord kon worden.

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Wij beukten op de sloten, Wij hamerden aan de deuren, Toen wij de cel bereikten Waar Willem lag te treuren.

Oude Ballade.

Wij snellen de ruiters vooruit naar het vertrek, waar wij Bertram en zijn braven vriend, de onschuldige bewoners van eene voor de misdaad gebouwde plaats verlieten.

De eerlijke pachter sliep nog zeer vast, maar Bertram was reeds voor middernacht uit zijnen eersten, diepen slaap ontwaakt en kon niet weder insluimeren. Zijne ziel bevond zich in een onaangenamen, onrustigen toestand, en eene koortsachtige hitte, het gevolg van de benauwde lucht in het kleine slaapvertrek, joeg hem het bloed met versnelden en ongeregelden loop door de aderen. Na een tijd lang dezen hoogst onaangenamen toestand verduurd te hebben, stond hij op en wilde het venster openen, om versche lucht in het vertrek te verkrijgen; maar ach! zijne eerste poging herinnerde hem, dat hij in eene gevangenis was en dat in dit gebouw, hetwelk tot veiligheid, en geenszins tot gemak ingericht was, de middelen, om zich versche lucht te verschaffen, niet ter beschikking van de ongelukkige bewoners stonden. In zijne pogingen te leur gesteld, bleef hij eenigen tijd voor het vastgesloten venster staan. Zijn kleine hond, hoe vermoeid ook nog door de verre reis van den vorigen dag, volgde hem uit het bed, wreef zich tegen zijne beenen en scheen zijne vreugde over het wederzien van zijn meester door een zacht gejank te willen uitdrukken. Bertram vertoefde hier eene geruime poos, om te zien of de koortshitte hem zoude verlaten, en vestigde intusschen zijn oog op de zee. De vloed was bijna op het hoogst en de golven rolden met een dof geraas over den zandigen oever tot dicht aan den voet van het gebouw. Nu en dan bereikte zelfs eene groote golf de steenen borstwering achter het huis en brak met hevig geweld tegen den muur. Bij het onzekere licht der dikwijls achter de wolken verborgen maan, wentelde de oceaan zijne ontelbare golven tot in de onafzienbare verte wild en woest schuimend door elkander.

„Een woest en treurig schouwspel,” sprak Bertram bij zich zelven; „het evenbeeld van het onstuimige noodlot, dat mij, van mijne kindsheid af, door de wereld gejaagd heeft! Wanneer zal deze onzekerheid ophouden? Wanneer zal het mij vergund zijn, naar eene geruste en stille woning uit te zien, waar ìk mij ongestoord en ongehinderd aan die vreedzame kunsten kan toewijden, welker beoefening mij tot hiertoe door zorgen en beslommeringen onmogelijk gemaakt is? Mocht het waar zijn dat, zoo als men zegt, het oor der verbeelding de stem van zeenimfen en Tritons onder het geklots der golven kan onderscheiden! o, mocht ik daartoe in staat zijn en eene Sirene of een Proteus uit de diepte opstijgen, om het raadsel van het zeldzame lot, waarin ik verward ben, voor mij te ontknoopen!.... Gelukkige vriend!” vervolgde hij, zijn oog op den gerust slapenden Dinmont vestigende, „uwe zorgen zijn tot den nauwen kring van eene gezonde en zich zelve loonende werkzaamheid bepaald! Gij kunt ze gemakkelijk afschudden en de diepe rust van lichaam en ziel genieten, welke een gezonde arbeid voor u bereid heeft!”

Hier werd hij in zijne overdenkingen door den kleinen Wesp gestoord, die woedend begon te blaffen en tegen het venster poogde op te springen. Dit geluid drong in Dinmont’s oor door, maar zonder de begoocheling te doen ophouden, welke hem uit dit ellendig vertrek op zijne groene bergen verplaatste, en eenige woorden, die hij tusschen de tanden mompelde: „hier, Mosterd, hier!” verrieden, dat hij zich verbeeldde zijn hond toe te roepen. Het onophoudelijk geblaf van Wesp werd door den hofhond op de plaats beantwoord, die langen tijd stil gezwegen en zich slechts nu en dan, wanneer de maan plotseling van achter de wolken te voorschijn kwam, een oogenblik had laten hooren, maar nu aanhoudend en woedend blafte, alsof hij door iets anders dan het blaffen van Wesp, dat in een zacht en toornig geknor was overgegaan, verontrust werd.

Bertram, wiens opmerkzaamheid geheel gespannen was, meende nu eindelijk eene boot op de zee te zien en menschenstemmen en den slag van riemen tusschen het geklots der golven te onderscheiden. „Misschien zijn het visschers, die de nacht overvallen heeft; of sluikhandelaars van het eiland Man,” dacht hij. „Het is echter zeer vermetel zoo nabij het tolhuis te komen, waar toch zeker schildwachten moeten zijn. De boot is zeer groot en vol menschen; misschien zijn het wel tolbedienden.” Bertram werd in dit denkbeeld bevestigd, toen hij zag dat de boot op eene kleine kaai, welke achter het tolhuis tot in zee liep, aanhield. Hier sprong de manschap, twintig in getal, aan wal en verdween in een klein straatje, dat het tolhuis van de gevangenis scheidde, terwijl er slechts twee mannen als wachters bij de boot teruggebleven.

De slag der riemen en de gesmoorde stemmen van deze lieden hadden de woede van den waakzamen hofhond opgewekt, die thans zulk een verschrikkelijk geblaf en gehuil aanhief, dat zijn meester hierdoor, bijna even woest als de hond zelf, ontwaakte. Mac-Guffog riep uit het venster: „Hoe nu, rakkert, wat is er? stil toch, stil, verwenschte keffer!” Maar de hond zweeg niet en verhinderde daardoor dat zijn meester het verontrustende geraas hoorde, dat zijne waakzaamheid opgewekt had. De wederhelft van den tweebeenigen Cerberus, die nu ook aan het venster kwam, had echter scherpere ooren dan haar man: „Scheer-je naar beneden en laat den hond los,” riep zij; „de deur van het tolhuis wordt opengebroken en de oude gek van Hazlewood-house heeft de wacht laten weghalen. Maar het hart zit je in de schoenen!” Zonder dralen snelde zij nu zelve heen om dit te bewerkstelligen, terwijl haar man, die meer voor een opstand in huis dan voor een aanval van buiten vreesde, van deur tot deur ging, om te onderzoeken of alle gevangenen behoorlijk opgesloten waren.

Bertram, wiens kamer aan de achterzijde van het gebouw was en op zee uitzag, kon van het geraas aan de voorzijde van het huis weinig hooren. Hij vernam evenwel eene beweging en een gewoel in het huis zelf, die met de ernstige stilte van eene gevangenis in het middernachtsuur weinig schenen te strooken, en moest natuurlijk veronderstellen, dat er iets zeer buitengewoons gaande was. Met deze gedachte naderde hij Dinmont, om hem wakker te schudden. – „Stil, Ailie! wat wilt gij vrouw? – het is nog geen tijd, om op te staan,” sprak de slaapdronken landman. Heviger geschud, ontwaakte hij echter geheel, luisterde en vroeg: „Om ’s Hemels wil, wat is er te doen?”

„Dat kan ik u niet zeggen,” hernam Bertram; „maar er moet brand zijn, of iets anders zeer ongewoons plaats hebben. Hoort gij, hoe men de deuren hier in huis open- en toewerpt en welk een gewoel en geschreeuw er daar buiten is? Waarlijk, er moet iets zeer buitengewoons plaats hebben! Sta op, bid ik u, en laten wij op onze hoede zijn.”

Dinmont stond, bij het denkbeeld van gevaar, even onverschrokken en onversaagd op, als een van zijne voorouders, toen de seinvuren ontstoken werden. „Dat is hier eene verwenschte plaats, kapitein!” zeide hij; „des daags wil men iemand er niet uitlaten en des nachts gunt men hem geenen gerusten slaap. God beware mij! ìk zou het er geen veertien dagen uithouden. Maar wat een verschrikkelijk gewoel en geraas is dat toch? Hadden wij maar licht. – Stil, Wesp! stil toch! men kan anders niet hooren, wat er gebeurt. Wat drommel, houd je toch stil!” – Te vergeefs zochten zij onder de asch naar een kooltje, om hunne kaars aan te steken. Het geraas verminderde niet. Dinmont trad op zijne beurt aan het venster, en nauwelijks stond hij er voor, of hij riep Bertram toe: „In ’s Hemels naam, kapitein! kom hier! Men heeft het tolhuis opengebroken!”

Bertram vloog naar het venster en zag duidelijk een hoop smokkelaars en andere deugnieten, van wie eenigen brandende toortsen droegen en anderen bezig waren met balen en vaten in de groote boot, die aan de kaai lag, te laden. Er lagen nog eenige visschersbooten bij, welke ook achtereenvolgens geladen werden. Een paar van deze waren reeds in zee gestoken. „De zaak is duidelijk genoeg” zeide Bertram; „maar ik vrees, dat er nog iets ergers gebeurd is. Merkt gij ook rook, of is het verbeelding van mij?”

„Verbeelding?” hernam Dinmont; „het rookt als een kalkoven. Vervloekt! Als het tolhuis verbrandt, vat dit huis zeker ook vuur en wij moeten allen als teertonnen verbranden. Het zou toch verschrikkelijk zijn, zoo maar levend verbrand te worden, als of wij toovenaars waren! – Mac-Guffog! hoort gij niet,” riep hij, zoo hard hij kon. „Laat ons er uit, indien gij uwe armen en beenen lief hebt, laat ons er uit, man! laat ons er uit!”

De vlam begon zich te verheffen en dikke rookwolken dreven voorbij het venster, waaraan Bertram en Dinmont stonden. Soms verborg de dikke rook alles voor hun oog; dan weder, als een windvlaag zich verhief, verlichtte een roode gloed land en zee, en maakte de sombere, woeste gestalten zichtbaar, welke met driftige gebaren hunne booten laadden. De brand werd van oogenblik tot oogenblik heviger. De vlam sloeg uit alle vensters van het brandende gebouw, terwijl brandende stoffen door den wind naar de belendende gevangenis gedreven werden en dikke rookwolken den geheelen omtrek bedekten. Heinde en ver klonk het vereenigde geschreeuw van een woedende volkshoop, daar al het gepeupel uit het dorp en de buurt, niettegenstaande het nachtelijke uur, op de been gekomen was en zich bij de zegepralende smokkelaars gevoegd had.

Bertram begon ernstig bezorgd te worden over het lot dat hem en Dinmont beidde. Er was geene beweging meer in huis. Het scheen, alsof de cipier van zijn post gevlucht was en de gevangenis met alle hare ongelukkige bewoners aan de genade van de vlammen, welke ze dreigden te verteren, overgelaten had. Intusschen werd er een nieuwe, heviger aanval op de buitendeur van het gebouw gedaan, die spoedig voor het geweld van hamers en breekijzers moest bezwijken. De cipier, zelf even lafhartig als brutaal, en zijne meer dappere vrouw waren ontvlucht en de ondergeschikten leverden gewillig de sleutels over. De losgelatene gevangen vierden hunne bevrijding met een woest vreugdegeschreeuw en mengden zich onder het gepeupel, dat hunne boeien verbroken had.

Onder de verwarring, welke hierdoor ontstond, snelden drie of vier van de voornaamste smokkelaars, met sabels en pistolen gewapend, met brandende toortsen in het vertrek van Bertram. „De duivel!” riep de aanvoerder, „hier moeten wij zijn!” Twee van hen grepen Bertram, doch éen van deze fluisterde hem in het oor: „Bied geen wederstand, voor dat gij op straat zijt.” Dezelfde man zocht en vond gelegenheid om Dinmont te zeggen: „Volg uw vriend en help, als gij ziet dat het tijd is.”

Dinmont gehoorzaamde en volgde hen op de hielen. De beide smokkelaars sleurden Bertram den trap af, over de plaats, die thans door den gloed van het vuur helder verlicht was, tot in de nauwe straat, waarop de deur uitkwam. Hier geraakte de troep door de heerschende verwarring zeer natuurlijk eenigszins uiteen. Een plotseling gedruisch, als van een snel naderenden troep ruiters, vermeerderde de verwarring. „Alle duivels!” riep de aanvoerder, „wat is dat? houdt u bij elkander, kinderen! past op den gevangene.” In weerwil van dit bevel, waren echter de beiden, die Bertram vasthielden, de achtersten van den troep.

Op dit oogenblik vielen de toegesnelde ruiters de voorste van de menigte aan. Het gedrang werd hoe langer zoo grooter, daar sommigen zich zochten te verdedigen en anderen poogden te vluchten. Schoten vielen en de schitterende zwaarden bliksemden boven de hoofden der oproerlingen.