Chapter 19 of 43 · 3967 words · ~20 min read

Part 19

Meg Merrilies scheen ook zeer waakzaam te zijn. Zij luisterde ingespannen naar ieder geluid, dat zich buiten de oude muren hooren liet. Soms ging zij weder naar het lijk en vond er nog steeds iets aan te schikken en te veranderen. „Het is toch een schoon lijk!” mompelde zij bij zich zelve, „en wel waard, dat men het goed bezorge!” Zij haalde een langen, donkeren schippersmantel uit een hoek en gebruikte dien tot een doodskleed. Zij liet het aangezicht bloot en legde de kraag zoo, dat het bloedige verband daarmede bedekt werd en het lijk, zoo als zij het noemde, „er fatsoenlijk uitzag.”

Plotseling traden eenige mannen, naar hunne kleeding en geheel voorkomen te oordeelen roovers, in het vertrek. „Meg, gij satanskind, hoe durft gij de deur open laten?” was de eerste begroeting, die zij van hen ontving.

„En wie heeft ooit gehoord,” antwoordde zij, „dat men de deur van een vertrek sluit, als er iemand ligt te sterven? Denkt gij, dat de ziel door zulk een slot en grendels weg kan komen?”

„Is hij dan dood?” vroeg éen van hen, en ging naar het strooleger, om naar het lijk te zien.

„Ja, ja! dood genoeg,” hernam een ander; „maar hier is iets, om ons onder het waken bij zijn lijk wakker te houden.”

Met deze woorden haalde hij een vaatje brandewijn uit een hoek, terwijl Meg Merrilies zich haastte, om pijpen en tabak rond te deelen. De haast, waarmede zij dit deed, gaf Brown veel hoop, dat zij haren gast getrouw zou zijn. Het was blijkbaar haar doel, de roovers aan het drinken te zetten, en om op deze wijze eene ontdekking te verhoeden, indien misschien één hunner bij toeval Brown’s schuilplaats te na mocht komen.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Geen huis of haard bezitten wij, Geen vrouw, geen kind, geen goed De donkre nacht is dag voor ons, Wij schuw’n des daglichts gloed.

Joanna Baillie.

Brown kon nu zijne vijanden tellen. Zij waren vijf in getal. Twee van hen, groote, forsche mannen, schenen òf echte zeelieden te zijn, òf waren landloopers, die daarvoor wilden doorgaan. De drie anderen, een oud man en twee jongens, waren veel tengerder en schenen, naar hun zwart haar en de donkere kleur van hun gelaat te oordeelen, tot den stam van Meg te behooren.

De beker, waaruit zij brandewijn dronken, ging vlijtig rond. „Op zijne gelukkige reis!” riep een van de zeelieden, terwijl hij den beker aan de lippen zette; „hij heeft een onstuimigen nacht getroffen om naar den hemel te varen.”

Wij laten de schrikbarende verwenschingen weg, waarmede deze eerlijke lieden hun gesprek kruidden, en geven slechts hetgeen minder aanstootelijk luidt weêr.

„O! die geeft om geen weer of wind. Bij zijn leven heeft hem zoo menige noordoosten-storm om de ooren geblazen.”

„Gisteren voor de laatste maal,” hernam een ander op norschen toon; „en nu mag de oude Meg om een laatsten goeden wind voor hem bidden, even als zij zoo dikwijls gedaan heeft.”

„Voor hem zal ik niet bidden,” zeide Meg, „en ook voor u niet. De tijden zijn, sedert langen tijd, ten kwade veranderd. Voorheen waren de mannen nog mannen en streden in het open veld, maar waren geene sluipmoordenaars. Toen waren de aanzienlijken goedhartig en lieten een armen Heiden met geene ledige handen gaan; maar onder deze was ook niemand, van den grooten Johnnie Faa af tot aan den kleinen Christiaan toe, die nog in de mand gedragen werd, welke hun de geringste kleinigheid ontstolen zou hebben. Maar gij hebt den goeden ouden weg verlaten, en geen wonder, dat gij zoo dikwijls de ketenen moet schuren of aan den galg komt. Ja gij zijt geheel veranderd. Gij eet des landmans brood, gij drinkt zijn drank, gij slaapt op het stroo in zijne schuur, en tot belooning breekt gij zijn huis in en snijdt hem de keel af! Bedenkt, hoe gij eens sterven zult! Hij worstelde lang met den dood en had een zwaren strijd. Hij kon noch leven, noch sterven. Maar gij – het halve land zal nog bijeen komen, om u lieden aan den galg te zien bengelen!”

Bij deze voorzegging van Meg barstten de mannen in een woest gelach uit.

„Waarom zijt gij dan weder hier gekomen, vervloekte oude heks?” zei een van de Heidenen. „Kondt gij niet blijven, waar gij waart, en bij de Cumberlandsche boeren voor waarzegster spelen? Scheer u naar buiten, oude draak, en pas op, of er ook iemand op ons spoor is. Dat is het eenige, waarvoor gij nu goed zijt.”

„Is dat het eenige, waarvoor ik nu goed genoeg ben? In het groote gevecht tusschen ons volk en dat van Patrico Salmon, was ik wel tot iets beters te gebruiken. Indien deze vuisten,” (hier hief zij de handen omhoog), „je toen niet geholpen hadden, zou Jean Baillie je geworgd hebben, bespottelijke zwetser dat gij zijt!”

Hier brak de troep weder in een schaterend gelach uit ten koste van den held, dien deze amazone, volgens haar zeggen, geholpen had.

„Hoor, moeder!” zeide een van de zeelieden, „hier is een volle beker voor u; laat nu dien lummel met rust!”

Meg dronk den beker ledig en ging voor den schuilhoek van Brown zitten, zoodat het moeilijk was dien te naderen, zonder dat zij opstond. Niemand scheen haar echter te willen storen.

De mannen gingen rondom het vuur zitten en schenen met elkander te raadplegen, maar spraken zoo zacht en in zulk eene wonderlijke gauwdieventaal, dat Brown niet veel van hun gesprek verstaan kon. Hij begreep evenwel, dat zij zeer verbitterd waren op iemand. „Hij zal zijn deel wel krijgen,” zeide de eene, en fluisterde zijn kameraad iets in het oor.

„Daar wil ik niets mede te doen hebben,” antwoordde de andere.

„Wordt gij bang, Jaap?”

„Neen, waarachtig, niet banger dan gij! Maar ik wil niet! Voor vijftien of twintig jaren geleden, heeft iets soortgelijks ons geheele handwerk ook bedorven. – Hebt gij wel van den Sprong gehoord?”

„Die dáar ligt” antwoordde hij, op het lijk wijzende, „heeft mij er van verhaald. – Wat lachte hij, toen hij ons toonde, hoe hij hem naar beneden wierp!”

„Dat kan zijn; maar het bedierf ons handwerk voor langen tijd.”

„Hoe kon dat wezen?” vroeg de andere boef.

„Het volk trok zich terug en wilde zich nergens mede inlaten, en het gerecht zat ons zoo na op de hielen, zoo dat –”

„Ik ben toch van gedachte, dat wij den kerel in een donkeren nacht overvallen en hem niet verschoonen moeten.”

„Maar de oude Meg is ingeslapen,” zeide een ander. „Zij begint te suffen en vreest voor hare eigene schaduw. Zij zal nog uit de school klappen, als wij niet goed oppassen.”

„Vrees daar niet voor,” hernam de oude Heiden. „Meg is van de echte soort; zij is de laatste van de bende, die afvallig zou worden. Maar zij heeft hare eigene grillen en zegt soms rare dingen.”

Hun gesprek duurde nog eenigen tijd in hunne dieventaal vol teekenen en wenken voort, zonder dat zij het onderwerp, waarover zij spraken, eene enkele maal met klare en duidelijke woorden noemden, tot dat eindelijk een van hen aanmerkte, dat Meg nu vast sliep, of ten minste scheen te slapen en een’ van de jongens beval den zwarten Peter binnen te brengen om hem te onderzoeken. De kerel ging naar de deur en kwam met een valies terug, dat Brown oogenblikkelijk als zijn eigen herkende. Aanstonds kwam hem de ongelukkige voerman, welken hij bij het rijtuig gelaten had, in de gedachten. Hadden de roovers hem vermoord, of zou hij zich misschien door de vlucht gered hebben? Zulke akelige denkbeelden doorsneden zijne ziel. Vol angst gaf hij op alles, wat er voorviel, nauwkeurig acht en luisterde, terwijl de booswichten den inhoud van het valies uitpakten en bewonderden ingespannen toe, of hij ook iets hoorde, waaruit hij het lot van den voerman zou kunnen opmaken. Maar de roovers waren te verheugd over hun buit en hielden zich te veel met het beschouwen en nazien er van bezig, om zich over de wijze, hoe zij dien gekregen hadden, uit te laten. Het valies bevatte onderscheidene kleedingstukken, een paar pistolen, eene lederen tasch met eenige papieren, eenig geld en enkele kleinigheden. Op een anderen tijd zou Brown niet zoo geduldig aangezien hebben, dat zulke schelmen zijn eigendom zoo, zonder plichtplegingen, verdeelden en zich nog ten koste van den beroofde vroolijk maakten; maar op dit gevaarlijk oogenblik kon hij aan niets dan aan zelfbehoud denken.

Nadat de roovers den inhoud van het valies nauwkeurig onderzocht en onderling verdeeld hadden, gingen zij weder aan het drinken, waarmede zij het grootste gedeelte van den nacht doorbrachten. Brown vleide zich eene poos, dat zij zich zóó dronken zoude drinken, dat zij alle besef verloren, en dat hij dan gemakkelijk zou kunnen ontvluchten; maar hun gevaarlijk handwerk had hen zoo voorzichtig gemaakt, dat zij het bij eenen duchtigen roes lieten en toen met drinken uitscheidden. Vier van hen gingen eindelijk liggen slapen, terwijl de vijfde de wacht hield. Na eene wacht van twee uren, werd hij door een’ ander’ afgelost. De schildwacht maakte de slapenden, na afloop van de tweede wacht, wakker, en tot Brown’s groote vreugde schenen zij zich allen tot het vertrek gereed te maken, daar ieder de goederen, die hem ten deel gevallen waren, oppakte. Er was echter eerst nog iets te verrichten. Twee van hen haalden, na eenig zoeken, wat Brown niet weinig beangstigde, een houweel en eene spade voor den dag; een derde vond een steekbijl van achter het stroo, waarop het lijk lag. Met deze werktuigen verlieten zij het vertrek, terwijl de beide zeelieden, als wachters, achterbleven. Een half uur later kwam een van de eersten terug en fluisterde de anderen iets in het oor. Hierop wikkelden zij het lijk in den mantel en droegen het weg.

Nu ontwaakte Meg Merrilies uit haren wezenlijken of geveinsden slaap en beval Brown, nadat zij eenige oogenblikken buiten de deur rondgezien had met eene zachte stem, haar oogenblikkelijk te volgen. Hij gehoorzaamde; maar toen hij de hut verliet, wilde hij gaarne zijn geld, of ten minste zijne papieren weder medenemen; zij verbood het echter ten stelligste. Hij bedacht nu ook, dat alle verdenking op de oude vrouw, die naar alle waarschijnlijkheid zijn leven gered had, moest vallen, als er iets vermist werd, en gaf zijn voornemen, om zich van een gedeelte van zijn eigendom weder meester te maken, op, terwijl hij alleen een houwer medenam, welken een van de roovers tusschen het stroo geworpen had. Thans, uit zijne benauwde ligplaats verlost en in het bezit van dit wapen, gevoelde hij zich zoo gerust, alsof hij reeds meer dan ten halve aan het gevaar, waarin hij verkeerd had, ontsnapt was. Hij was nog wel wat stijf door de koude en door de gedwongen houding, waarin hij den geheelen nacht had moeten liggen, maar de frissche morgenlucht en de beweging herstelden spoedig het gebrek aan doostraling in zijne verkleumde en verdoofde ledematen, toen hij de Heidin naar buiten volgde.

Het was een koude wintermorgen. De sneeuw, die alles bedekte, vermeerderde het flauwe licht der morgenschemerìng. Brown keek opmerkzaam rond, ten einde de plek bij gelegenheid te kunnen herkennen. De kleine, bijna geheel vervallen toren, waarin hij dezen merkwaardigen nacht doorgebracht had, stond op de punt van eene vooruitspringende rots, die over de beek hing. Slechts aan de zijde van het dal was de rots beklimbaar; aan de andere drie zijden was die zoo steil, dat Brown den vorigen avond aan meer dan één gevaar ontsnapt was: want had hij, zoo als hij werkelijk eenmaal voornemens was, beproefd om rond het gebouw heen te gaan, dan zou hij onvermijdelijk door een vreeselijken val verpletterd zijn geworden. Het dal was zoo nauw, dat de met sneeuw, in plaats van met bladen, beladen toppen der van weerskanten staande boomen elkander op sommige plaatsen raakten en dus een soort van bevroren gewelf over het beekje vormden, dat langzaam beneden door het dal kronkelde en door de donkere kleur van onder de sneeuw te onderscheiden was. Op éene plaats was het dal iets wijder. Hier lagen op eene kleine vlakte, tusschen de beek en den steilen rand van het dal, de bouwvallen van het gehucht, waardoor Brown den vorigen avond gekomen was. De vervallene, aan de binnenzijde zwart berookte gevels schenen nog zwarter door de sneeuw, welke hier en daar tegen de muren aangewaaid was en alles in den omtrek met een helder wit kleed bedekte.

Brown kon dit winterachtig, treurig tooneel slechts vluchtig beschouwen, daar zijne leidsvrouw, na een oogenblik stil gestaan te hebben als het ware om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, nu weder met snelle schreden haren weg vervolgde. Hij bemerkte, niet zonder argwaan, dat zij een pad koos, waarop reeds onderscheidene voetstappen gedrukt stonden, welke, naar zijne gedachten, van niemand anders dan van de booswichten, die den nacht in den toren doorgebracht hadden, konden zijn. Zijn argwaan verdween na eenig nadenken. Het was niet te vermoeden, dat de vrouw, die hem in eenen volkomen weerloozen toestand aan hare bende kon overgeleverd hebben, hem nu, terwijl hij gewapend en in het vrije veld was, en veel meer kans had, om zich met goed gevolg te verdedigen of te ontvluchten, verraden zou. Hij volgde haar dus met vertrouwen, zonder een woord te zeggen. Zij gingen over de beek op dezelfde plaats, waar hunne voorgangers waarschijnlijk ook gegaan waren. De voetstappen liepen vervolgens door het verwoeste dorp en vandaar dieper in het dal, dat hier weder zeer nauw werd. De Heidin volgde echter dit spoor niet verder, maar sloeg een zeer ruw en oneffen zijpad in, dat tegen de hoogte, welke over het gehucht hing, opliep. Dit voetpad was op vele plaatsen geheel door sneeuw bedekt en verborgen, waardoor het gaan onzeker en onveilig werd. Dit verhinderde evenwel Meg Merrilies niet, haren weg met vaste en zekere schreden te vervolgen; een bewijs, dat zij met de streek volkomen bekend was. Toen zij eindelijk den top der hoogte langs een steil en gevaarlijk pad, hetzelfde waar langs Brown den vorigen avond in het dal gekomen was, bereikt hadden, kon hij zich niet genoeg verwonderen, hoe hij hier zonder halsbreken afgekomen was. Hier breidde zich eene uitgestrekte opene vlakte uit, welke aan de eene zijde door dichte, uitgestrekte plantsoenen omringd was.

Meg ging nog steeds langs den rand, tot dat zij stemmen van beneden hoorde. Toen wees zij op een naburig, vrij groot bosch en zeide: „de weg naar Kippletringan is aan de andere zijde van dit bosch. Haast u, zoo veel gij kunt! Er ligt meer aan uw leven gelegen, dan aan dat van andere lieden. Maar – gij hebt alles verloren – wacht een oogenblik!” Zij zocht in een grooten zak en haalde eene morsige beurs voor den dag. „Menige aalmoes hebben Meg en de haren van uw geslacht ontvangen. Gelukkig heeft zij lang genoeg geleefd, om dit, ofschoon in geringe mate, te vergelden!” Met deze woorden stopte zij hem de beurs in de hand.

„De vrouw is krankzinnig,” dacht Brown; maar het was thans de tijd niet om dit nader te onderzoeken, daar de stemmen, welke hij beneden in het dal hoorde, zeer waarschijnlijk die van de roovers waren. „Hoe zal ik u dit geld teruggeven?” zeide hij, „op welke wijze den dienst vergelden, dien gij mij bewezen hebt?”

„Ik verlang slechts twee dingen,” antwoordde de Heidin snel en zacht. „Het eerste is, dat gij nooit éen woord spreken zult van alles, wat gij dezen nacht gezien hebt; het andere, dat gij dit oord niet verlaten zult, voor dat gij mij weerziet en dat gij in de herberg, the Gordon Arms, bericht laat, waar gij te vinden zijt; en dat gij, als ik u roep, hetzij in de kerk of op de markt, op eene bruiloft of bij eene begrafenis, op Zondag of op Zaterdag, hetzij gij gegeten hebt of honger lijdt, – dat gij dan alles laat staan en tot mij komt.”

„Dat zal u echter weinig nut en voordeel aanbrengen, moeder!”

„Maar u des te meer; en daarop komt het aan. Ik ben niet krankzinnig, ofschoon ik genoeg ondervonden heb, om mij het verstand te doen verliezen. Ik ben niet krankzinnig, ik raaskal niet en ben niet dronken; ik weet, wat ik verlang! Ik weet ook, dat het Gods wil geweest is, u in groote gevaren te beschermen, en dat ik het werktuig zijn zal, om u weder in uws vaders plaats te herstellen. Geef mij dus uw woord en bedenk, dat gij mij dezen gezegenden nacht uw leven te danken hebt!”

„Er is zeker wel wat woeste hevigheid in haar gedrag,” dacht Brown, „maar die schijnt eerder uit bewustzijn van kracht, dan uit krankzinnigheid voort te spruiten.”

„Welaan dan, moeder!” zeide hij, „de gunst, welke gij verlangt, is zoo klein en onbeduidend, dat ik geene reden vind, om die niet toe te staan. Ik zal daardoor ten minste gelegenheid hebben, om u uw geld met interest terug te geven. Gij zijt wel eene wonderlijke schuldeischer, maar –”

„Maak maar, dat gij voortkomt,” riep zij, met de hand wenkende. „Bekommer u niet om het geld; het is uw eigen: maar denk aan uwe belofte en waag het niet, mij te volgen of mij achterna te zien.” Dit zeggende daalde zij zoo snel weder in het dal af, dat de ijskegels en sneeuwklompen haar achterna rolden.

Ondanks haar verbod, zocht Brown eene plaats, vanwaar hij ongezien in het dal kon kijken, en niet zonder moeite (daar hij zeer voorzichtig te werk moest gaan) slaagde hij eindelijk. Hij vond eene geschikte plaats op de punt van eene vooruitspringende rots, die zich steil tusschen de boomen verhief. Hier knielde hij in de sneeuw neder, stak het hoofd voorzichtig vooruit en kon op deze wijze alles waarnemen, wat beneden in het dal voorviel. Hij ontdekte, zoo als hij wel verwacht had, het gezelschap van den vorigen nacht, waarbij zich een paar andere mannen gevoegd hadden. Zij hadden de sneeuw aan den voet van de rots weggeruimd en een diep gat gegraven, dat tot een graf dienen moest. Zij stonden nu daaromheen en lieten er iets, in een’ schippersmantel gewikkeld, in neder, dat Brown dadelijk begreep het lijk van den man te zijn, dien hij had zien sterven. Nu bleven zij eenige oogenblikken in die diepte stilstaan, alsof zij door het verlies van hun makker eenigszins getroffen waren. Maar indien zulk een gevoel bij hen ontwaakt was, gaven zij zich niet lang daaraan over: want spoedig kwamen aller handen in beweging, om het graf te vullen. Toen Brown bemerkte, dat zij hiermede bijna gereed waren, vond hij het geraden, den wenk van de Heidin te volgen en zoo spoedig mogelijk het bosch in te snellen.

Zoodra hij zich onder de boomen in veiligheid achtte, was zijne eerste gedachte, de beurs van de Heidin te onderzoeken. Hij had ze zonder bezwaar aangenomen, ofschoon er, bij de gedachte aan den stand en het karakter van de geefster, een gevoel bij hem ontwaakte, als of zijn eer daardoor gekrenkt werd. Maar hij vond zich uit eene ernstige, ofschoon slechts oogenblikkelijke verlegenheid gered. Zijn geld was, op eenige weinige zilverstukken na, in zijn valies, en dus in de handen der vrienden van Meg. Het moest eenigen tijd duren, vóor dat hij antwoord kreeg, wanneer hij aan zijn zaakwaarnemer schreef, en ook, indien hij zich aan zijn vriendelijken gastheer te Charlies-hope wenden wilde, die hem zeer gaarne met eenig geld helpen zou. Hij besloot zich intusschen van Meg’s beurs te bedienen, vertrouwende, dat hij haar die spoedig, met ruime winst, weder ter hand zou kunnen stellen. „Er zal zeker niet veel in zijn,” zeide hij bij zich zelven, „en ik durf wel wedden, dat de goede vrouw ook haar aandeel van mijne banknoten heeft, om zich voor dit offer schadeloos te stellen.”

Met deze gedachten opende hij de lederen beurs, en verwachtte er op het meest drie of vier guinjes in te vinden. Maar hoe groot was zijne verbazing toen hij, behalve een aantal goudstukken uit onderscheidene landen, die te zamen omstreeks honderd pond sterling uitmaakten, ook nog verscheidene kostbare ringen en andere met juweelen bezette kleinooden daarin vond, die hem bij de vluchtige beschouwing, welke de tijd hem veroorloofde, zeer kostbaar voorkwamen.

Hij was even verlegen als verwonderd, toen hij zich dus in het bezit van een vermogen zag, dat het zijne, naar het hem voorkwam, verre overtrof, maar dat, naar alle waarschijnlijkheid, door dezelfde verfoeielijke middelen verworven was, waardoor hij zijn eigendom verloren had. Zijne eerste gedachte was, zich bij den naasten vrederechter te vervoegen, den schat, welken hij zoo onverwacht in zijne bewaring gekregen had, in diens handen te stellen en tevens eene verklaring af te leggen aangaande de merkwaardige omstandigheden, die hierbij plaats gevonden hadden. Een kort nadenken deed hem echter van besluit veranderen. Vooreerst zou hij daardoor zijne belofte van stilzwijgen verbreken en de veiligheid, ja misschien het leven van deze vrouw in gevaar brengen, die haar eigen leven gewaagd had om het zijne te redden, en hem vrijwillig met dezen schat begiftigd had. Hare edelmoedigheid zou dan de oorzaak van haar verderf zijn; en daaraan viel niet te denken. Daarbij was hij een vreemdeling en, ten minste vooreerst, buiten staat om zijn stand en zijne geloofwaardigheid met voldoende bewijzen tot genoegen van een dommen of eigenzinnigen dorpsrechter te staven.

„Ik zal de zaak rijpelijk overwegen,” zeide hij; „misschien ligt er hier in de omstreken, in het een of ander dorp, een regiment, in welk geval mijne kennis van den dienst en mijne vriendschap met zoo vele officieren van het leger ongetwijfeld voldoende zullen zijn, om mijn stand en rang door middelen, welke een burgerlijk ambtenaar misschien niet zou weten te waardeeren, te bewijzen. En dan zal ik ook, met behulp van den bevelhebber, de zaak wel zoo kunnen plooien, dat de arme krankzinnige Heidin, wier dwaling, of vooringenomenheid, zoo gelukkig voor mij geweest is, gespaard blijft. Een burgerlijke rechter kon zich verplicht rekenen, haar dadelijk te laten vatten; en welke gevolgen dat voor haar hebben zou, is vrij zeker. Neen! zij heeft mij eerlijk behandeld; zij verlaat zich op mijne eer, en al ware zij de duivel zelf, zij zal zich hierin niet bedrogen vinden. Zij zal het voorrecht van een krijgsgerecht genieten, waar het punt van de eer de gestrengheid der wet kan matigen. Buitendien zie ik haar misschien te Kipple – Couple – of hoe zij de plaats noemde – weder; dan kan ik haar alles weder ter hand stellen, en laat de wet het dan naderhand terug eischen, als zij eens opgepakt wordt. Intusschen maak ik eene slechte figuur voor iemand, die de eer heeft in dienst van zijne Majesteit te zijn, daar ik inderdaad thans niet veel beter dan een heeler van gestolen goederen ben.”

Na deze overwegingen nam Brown drie of vier guinjes uit den schat van de Heidin, om daarmede vooreerst in zijne behoeften te voorzien, maakte de beurs weder dicht en besloot ze niet weder te openen, vóor dat hij het hem toevertrouwde goed weder aan haar, van wie hij het ontvangen had, teruggeven, of in landen van een openbaren ambtenaar overgeven kon. Toen dacht hij aan den medegenomen houwer en wilde dien eerst in het bosch laten liggen; maar, bij nadere overweging, kon hij niet besluiten, zich van dit wapen te ontdoen, zoo lang hij niet buiten gevaar was de roovers weder te ontmoeten. In zijne, hoewel eenvoudige, reiskleeding blonk de krijgsman ook wel zoo veel door, dat zulk een wapen hem niet vreemd stond. Buitendien was het dragen van wapens bij eene burgerlijke kleeding, ofschoon eene verouderde gewoonte, toch nog niet zóo geheelenal in onbruik geraakt, dat iemand, die dat verkoos te doen, bijzonder in het oog liep. Hij besloot dus zijn zwaard te behouden, stak de beurs van de Heidin in een verborgen zak, en ging opgeruimd door het bosch, om den weg naar Kippletringan te zoeken.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.