Chapter 16 of 43 · 3944 words · ~20 min read

Part 16

„Ja, moedertje! dat zult ge wel worden vóor dat de duivel blind is geworden – en die is nog zoo ver niet. Maar hoor eens, vrouw, ik heb de graafschappen Galloway en Dumfries bijna geheel doorgereisd; ik ben te Carlisle rondgeweest en kom heden van de jaarmarkt te Staneshiebank, en het zou mij slecht aanstaan, indien ik nu, zoo nabij huis, nog afgezet werd; daarom zal ik maar dadelijk optrekken.”

„Zijt gij in Dumfries en Galloway geweest?” vroeg de oude vrouw, die bij het vuur zat te rooken en nog geen woord gesproken had.

„Ja wel, oudje! Ik heb eene lange reis gehad.”

„Dan zult gij ook het slot Ellangowan wel kennen?”

„Ellangowan, dat aan Mijnheer Bertram behoorde? Ik ken die plaats best. De heer is, naar ik gehoord heb, veertien dagen geleden gestorven.”

„Gestorven?” riep de oude vrouw, liet hare pijp vallen, stond op en trad midden in het vertrek. „Dood? weet gij dat zeker?”

„Ja, zeer zeker,” antwoordde Dinmont; „zijn dood heeft in dien omtrek vrij wat opzien gebaard. Hij stierf juist toen zijn huis en have verkocht zou worden; deze gebeurtenis deed den verkoop uitstellen en velen werden daardoor teleurgesteld. Men zeide, dat hij oók de laatste telg van een oud geslacht was, en hierover waren velen bedroefd; want goed bloed is thans in Schotland veel zeldzamer dan vroeger.”

„Dood?” herhaalde de oude vrouw, die de lezer reeds als eene oude bekende, Meg Merrilies, herkend zal hebben. „Dood? dat vereffent onze rekening. En hij stierf zonder mannelijken erfgenaam, zeidet gij?”

„Ja, moedertje! en om die reden werd het goed verkocht: want men beweerde dat het niet verkocht kon worden, als er een mannelijke erfgenaam geweest was.”

„Verkocht!” herhaalde de Heidin op driftigen toon. „En wie durfde Ellangowan koopen, zonder van Bertrams geslacht te zijn? En wie kan zeggen, dat de eenige zoon niet weder zal komen om zijn eigendom terug te vorderen? Wie durfde het goed en slot Ellangowan koopen?”

„Wel, een van die lieden, die alles koopen, een beunhaas of iets dergelijks – Glossin heet hij, geloof ik.”

„Glossin! Gilbert Glossin! dien ik honderdmaal op den arm gedragen heb! want zijne moeder was geen zier meer dan ik. Hij zich vermeten de heerlijkheid Ellangowan te koopen! God sta ons bij! het is nu eene booze wereld! – Ik heb Bertram wel wat kwaads toegewenscht, maar zooveel ongeluk niet. Wee mij! wee mij, dat ik daaraan denken moet!”

Zij zweeg eenige oogenblikken en hield den pachter, die bij iedere vraag vertrekken wilde, maar geduldig staan bleef, toen hij zag met hoeveel warme belangstelling zij naar zijne antwoorden luisterde, nog steeds met de hand terug.

„Men zal er van hooren en zien,” hernam zij; „land en zee zullen niet langer zwijgen! – Kunt gij mij ook zeggen of dezelfde man, die vóor verscheidene jaren dien post bekleedde, nog sheriff van het graafschap is?”

„Neen! Men zegt dat hij tegenwoordig een ander ambt in Edinburg heeft. – Maar, vaarwel, moeder! ik moet vertrekken.”

Zij volgde hem naar zijn paard, en terwijl hij de singels vasttrok, het valies terecht legde en zijn paard optoomde, hield zij niet op met vragen betreffende Bertram’s overlijden en het lot van zijne dochter, waarvan de brave pachter haar nochtans weinig zeggen kon.

„Hebt gij ooit eene plaats, Derncleugh genaamd, omstreeks eene mijl van het slot Ellangowan, gezien?”

„Wel zeker; het is een wild, woest dal, met verscheidene vervallen hutten. Ik ben er met iemand doorgereden, die daar in de buurt eene hoeve pachten wilde.”

„Het was vroeger een gezegend plekje!” mompelde Meg Merrilies in zich zelve. „Hebt gij gezien, of er een oude, bijna omvergewaaide wilgenboom stond, welks wortelen nog vast in de aarde zijn en die over eene kleine beek hangt? Menigen dag heb ik onder dien boom mijne kousen gebreid en op mijn bankje gezeten.”

„Wat drommel plaagt mij dat wijf met boomen, hare bankjes en Ellangowans! Om godswil, vrouw, laat mij toch gaan! – Daar hebt gij een schelling, drink daar iets voor, in plaats van mij langer met uwe lange verhalen te kwellen.”

„Ik dank u, baas! en omdat gij mij zoo gul op alle mijne vragen geantwoord hebt, zonder te vragen waarom ik ze deed, zal ik u een goeden raad geven; maar gij moet ook niet vragen waarom! De waardin zal u aanstonds een afscheidsdronk brengen en u vragen, of gij over de Willies-hei of door het Conscowtharther-moeras, zult rijden. Zeg haar wat gij wilt, maar,” (voegde zij er zacht en met nadruk bij) „draag zorg, dat gij eenen anderen weg neemt, dan gij haar zegt.”

De pachter beloofde het lachende en de Heidin verwijderde zich.

„Zult gij haren raad opvolgen?” vroeg Brown, die aandachtig naar dit gesprek geluisterd had.

„Daar zal ik wel op passen. Die oude heks! Neen, ik wilde liever dat de waardin wist welken weg ik ingeslagen had, dan zij, ofschoon Tib Mumps ook niet veel te vertrouwen is; en ik raad u ook, om den nacht niet in dit huis door te brengen.”

Hierop kwam de waardin met haar afscheidsglaasje, dat zij den pachter aanbood. Zoo als Meg Merrilies voorspeld had, vroeg zij, of hij den weg over de hei of door het moeras, volgen wilde. „Door het moeras,” antwoordde Dinmont, en reed, na afscheid van Brown genomen en hem nogmaals gezegd te hebben dat hij er op rekende, hem op zijn laatst den volgenden dag te Charlies-hope te zien, op een flinken draf weg.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Slag of stoot moet men op den straatweg afwachten!

Een winter-verhaal.

De raad van den vriendelijken pachter werd door Brown niet in den wind geslagen; maar terwijl hij zijne vertering betaalde, bleven zijne blikken onwillekeurig op Meg Merrilies gevestigd. Zij geleek nog even zeer op eene heks, als toen Mannering haar voor de eerste maal op het slot Ellangowan ontmoette. De tijd had hare zwarte lokken grijs geverwd en rimpels in hare woeste trekken gegroefd; maar hare hooge gestalte was nog niet gebogen en hare vlugheid niet verminderd. Door een werkzaam, ofschoon geen eigenlijk arbeidzaam leven had zij, even als vele vrouwen van haar aard, het volkomen gebruik van al hare ledematen behouden, zoodat hare natuurlijke houding en bewegingen vrij, ongedwongen en schilderachtig waren. Zij stond aan het venster van de herberg in eene houding, die hare krachtige gestalte voordeelig deed uitkomen, met het hoofd eenigszins achterover gebogen, opdat de groote muts, die haar hoofd tot diep in de oogen bedekte, haar niet in hare aandachtige beschouwing van Brown, hinderen zoude. Bij iederen toon, welken hij uitte, scheen zij bijna onmerkbaar te schrikken. Van zijn kant kon Brown, ofschoon hij hiervoor geene reden kon vinden, deze zonderlinge gestalte niet zonder ontroering aanzien. „Heb ik van zulk een gestalte gedroomd?” zeide hij bij zich zelven; „of roept deze vrouw, met haar woest en wonderlijk uitzicht, de vreemde gedaanten, welke ik in onze Indische pagoden gezien heb, in mijn geheugen terug?”

Terwijl hij zich met deze gedachten bezig hield en de waardin zilvergeld zocht, om hem van een halve guinje terug te geven, trad de Heidin eensklaps naar hem toe en greep zijne hand. Hij verwachtte, dat zij hem waarzeggen wilde; maar hij vergiste zich: geheel andere aandoeningen schenen haar te bezielen.

„Jongman,” sprak zij tot hem, „zeg mij, zeg mij, om Godswil, hoe uw naam is en vanwaar gij gekomen zijt?”

„Mijn naam is Brown en ik kom uit Oost-Indië.”

„Uit Oost-Indië!” herhaalde zij, terwijl zij zijne hand zuchtend losliet; „dan kan het niet zijn. Ik, oude zottin, die ik ben, verbeeld mij, dat iedereen dien ik aanzie, diegene zijn moest, welken ik zoo gaarne zien wilde. Maar uit Oost-Indië! dat kan niet zijn. Maar, wie gij ook zijt, uw gelaat en uwe spraak herinneren mij aan oude tijden. Vaarwel! spoed u op uwen weg, en indien gij iemand van ons volk ontmoet, bemoei u nergens mede, en niemand zal u leed doen.”

Brown, die nu zijn geld teruggekregen had, drukte haar een zilverstuk in de hand, groette de waardin en wandelde haastig den weg op, welken de pachter ingeslagen was en waarop het versche spoor van diens paard hem tot gids diende. Meg Merrilies zag hem eenigen tijd achterna en mompelde in zich zelve: „Ik moet dien knaap wederzien – ik moet weder naar Ellangowan. De heer is dood, en de dood vereffent alle rekeningen. Hij was toch eens een goed mensch. De sheriff is weg en ik kan mij in het bosch verschuilen; dus waag ik er niet veel bij. Ik wilde het lieve Ellangowan zoo gaarne nog wederzien voor mijn dood!”

Brown ging intusschen met snelle schreden langs den moerassigen weg door de Cumberlandsche heide. Hij kwam een eenzaam huisje voorbij, waar Dinmont waarschijnlijk stilgehouden had; ten minste leidden de voetstappen van een paard hem daarheen en een weinig verder weder op den weg. „Ik wenschte wel,” dacht Brown, „dat de goede pachter hier op mij gewacht had; ik zou hem gaarne naar den weg gevraagd hebben, die hier al woester en woester wordt.”

En waarlijk, deze landstreek is zoo wild en woest, alsof de natuur zelve ze tot een scheidsmuur tusschen twee vijandige volken bestemd had. Nergens hooge bergen of rotsen, maar overal heide en moeras, waarop slechts enkele ver van elkander verwijderde, kleine en armoedige hutten staan. Bij deze vindt men gewoonlijk een stukje bebouwd land; maar een paar veulens, die met vastgebonden achterpooten loopen te weiden, geven te kennen, dat de landlieden zich hoofdzakelijk op de paardenfokkerij toeleggen. De bewoners zijn ruwer en minder gastvrij dan in eenig ander gedeelte van Cumberland, deels uit hoofde hunner eigene zeden en gewoonten, deels door hunne vermenging met landloopers en booswichten, die in deze woeste landstreek eene schuilplaats tegen den arm der gerechtigheid zoeken. In vroegere tijden stonden de bewoners van deze streken bij hunne meer beschaafde buren in zulk een kwaden reuk, dat er bij de gilden te Newcastle eene afzonderlijke wet bestond, waarbij aan ieder gildebroeder in die stad verboden werd, om een inboorling uit deze oorden als leerling aan te nemen. Een oud spreekwoord zegt: „geef een hond een’ slechten naam en hang hem op;” en men mag er wel bijvoegen: „indien men een’ mensch, of een geheelen stam, voor slecht uitkrijt, zoo zal hij er zeer gemakkelijk toe vervallen, om iets strafwaardigs uit te voeren.” Brown had van het gesprek tusschen de waardin, Dinmont en de Heidin iets gehoord, en vermoedde nog meer; maar hij kende geene vrees, had niets bij zich, dat de roofzucht uitlokken kond, en hoopte nog bij daglicht over de heide te komen. Hierin bedroog hij zich echter; de weg was langer dan hij dacht, en het begon reeds te schemeren, toen hij aan een uitgestrekt moeras kwam.

Voorzichtig volgde hij een pad, dat nu eens tusschen met mos begroeide hoogten door, dan eens over smalle, maar diepe slooten vol slijkerig water, en soms langs hoopen puin en steenen liep, welke door zware stortregens of watervallen van de naburige heuvels op deze lage plaatsen gespoeld waren. Het scheen Brown bijna onmogelijk, dat een ruiter dezen weg volgen kon. De sporen van het paard bleven evenwel nog zichtbaar; ja hij meende soms zelfs, dat hij de hoefslagen in de verte hoorde. Overtuigd, dat Dinmont door dit moeras niet zoo snel voortkomen kon als hij zelf, besloot hij nog wat harder aan te stappen, in de hoop van hem in te halen en van zijne bekendheid met het land partij te trekken.

Eensklaps sprong de kleinen hond van onzen voetganger vooruit en begon woedend te blaffen. Brown verdubbelde zijne schreden. Toen hij den top van eene kleine hoogte bereikt had, zag hij in eenen hollen weg, omstreeks een geweerschot van hem, een man, in wien hij dadelijk den pachter herkende, met twee anderen in een wanhopig gevecht gewikkeld. Dinmont zat niet meer te paard en verdedigde zich, zoo goed hij kon, met zijne zware zweep. Vóór dat Brown hem echter te hulp snellen kon, velde een hevige slag den ongelukkige ter aarde, en een van de roovers, zich de overwinning ten nutte makende, gaf hem nog eenige geweldige slagen op het hoofd. De andere deugniet liep op Brown toe en riep zijn metgezel om hem te volgen, en „dat die eene reeds genoeg had!” Een van de roovers was met eenen houwer, de andere met een’ knuppel gewapend. Daar de weg echter vrij smal was, dacht Brown dat hij het wel met hen zou klaren, indien zij maar geen vuurwapens bij zich hadden. Met verschrikkelijke bedreigingen drongen de roovers op Brown in, maar vonden spoedig, dat hunne tegenpartij even sterk als onverschrokken was, en nadat er van weerskanten eenige slagen gevallen waren, riep een van hen onzen voetganger toe, dat hij, „ìn ’s duivels naam, zijn weg over de heide vervolgen kon, want dat zij niets met hem te doen hadden.”

Brown verwierp dit voorstel, wijl hij daardoor den ongelukkigen pachter aan de genade van de roovers, die hem hadden willen uitplunderen, zoo niet vermoorden, overgegeven zou hebben. Het gevecht was juist weder aangevangen, toen Dinmont onverwachts weder bijkwam, zich op de beenen hielp en naar de kampplaats snelde. De pachter had zich, ofschoon overvallen en alléen, zóo dapper geweerd, dat de roovers het ongeraden vonden, deze versterking van Brown af te wachten, daar deze alleen hun beiden genoeg te doen gaf. Zij ontvluchtten dus dwars door het moeras, zoo hard zij konden, gevolgd door Brown’s hond, die de vijanden gedurende het gevecht wakker in de hielen gebeten en zijn meester trouw bijgestaan had.

„De drommel! uw hond is nu toch goed op het ongedierte los gegaan,” waren de eerste woorden, welke de vroolijke pachter uitte, toen hij, met een bebloed hoofd, Brown naderde en zijn redder herkende.

„Ik hoop, dat gij niet gevaarlijk gewond zijt,” hernam Brown.

„Maar een beetje; mijn hoofd kan een’ flinken klap verdragen. Ik ben er intusschen nog al goed afgekomen, en dat heb ik aan u te danken. Maar, vriend! nu moet gij mij helpen om mijn paard te vangen en achter mij op gaan zitten; want indien wij ons niet spoedig weg maken, krijgen wij de geheele bende op den hals. De anderen zullen wel niet ver af zijn.”

Het paard werd gelukkig spoedig gevangen. Brown was bezorgd, dat de last te zwaar voor het dier zou zijn.

„Vreest gij daarvoor?” antwoordde de pachter. „Het paard kon wel zes menschen dragen, als zijn rug maar lang genoeg was. Maar, om Godswil, haast u! Ik zie ginds eenige lieden, waarop het niet geraden zou zijn te wachten, dwars door het moeras aankomen.”

Brown begreep, dat het nu geen tijd was om plichtplegingen te maken; hij steeg achter den pachter op het paard, en het sterke dier draafde met zijn zwaren last zoo vlug voort, alsof het slechts twee kinderen te dragen had. Dinmont, die alle paden in deze wildernis scheen te kennen, koos den besten weg, waarbij hem echter de schranderheid van zijn paard niet weinig te stade kwam, dat bij gevaarlijke plaatsen steeds het veiligste pad uitzocht. Nochtans was de weg zoo slecht en moesten zij zoo vele omwegen maken, dat zij hunne vervolgers niet veel vooruit kwamen. „Wees niet bang,” zei de onverschrokken Schot tot zijn reisgenoot; „als wij maar eerst de Withershins-pas bereikt hebben, dan is de weg zoo week niet meer en zullen wij hen wel uit de oogen komen.”

Zij bereikten spoedig de genoemde plaats, eene smalle strook lands, met een’ kleinen, zacht vlietenden stroom, vol heldergroene waterplanten doorsneden. Dinmont wendde zijn paard naar eene plaats, waar het water over een harderen grond scheen te vlieten; maar het dier scheen hier den doortocht niet te willen wagen: het stak den kop naar beneden, alsof het den moerassigen grond nader onderzoeken wilde, strekte de voorbeenen vooruit en stond onbewegelijk, alsof het van steen was.

„Zou het niet beter zijn als wij afstegen en het paard aan zich zelf overlieten?” vroeg Brown. „Of kunt gij het niet door den poel krijgen?”

„Neen, neen,” hernam Dinmont; „wij moeten het beestje zijn zin geven. Het heeft meer verstand dan menig christenmensch.” Met deze woorden liet hij den teugel schieten, schudde dien zacht en zeide: „ga nu uw eigen’ gang. Wij zullen zien, hoe gij er ons doorbrengt!”

Het paard, nu aan zijn eigen wil overgelaten, draafde vlug naar eene andere plaats, welke op het oog minder betoofde, maar die het dier waarschijnlijk door ondervinding als een’ veiliger’ doortocht kende. Het paard ging hier in het water en kwam zonder veel moeite aan de overzijde.

„Ik ben blijde dat wij uit dat moeras zijn, waar men meer stallen voor paarden, dan herbergen voor menschen vindt,” zeide Dinmont. „Wij komen nu op den zoogenaamden Meisjesweg en dan hebben wij geen nood meer.”

Zij bereikten nu spoedig een ruwen straatweg, het overblijfsel van eenen ouden Romeinschen weg, welke in eene noordelijke richting door deze woeste streken loopt. Hier ging het vlug voort, beurtelings in draf of galop, zoo als het paard verkoos.

„Ik zou hem nog harder kunnen laten loopen,” zei Dinmont, „maar wij zijn toch beiden een paar lange, zware kerels en het zou jammer zijn het beest te plagen. Ik zag zijns gelijke niet op de jaarmarkt heden.”

Brown was het volkomen met hem eens dat men het paard sparen moest, en voegde er bij dat, nu zij buiten bereik der roovers waren, het zaak zou zijn voor Dinmont, een doek om het hoofd te winden, uit vrees dat de koude zijne wonden gevaarlijker zou maken.

„Waarom zou ik dat doen?” antwoordde de dappere pachter. „Het beste is, het bloed op de wond te laten stollen; dat wint pleisters uit.”

Brown, die, als krijgsman, zoo velen gezien had, welke zwaar gewond werden, kon de aanmerking niet terughouden, dat hij nooit iemand ontmoet had, die zoo weinig scheen te geven om zulke ernstige wonden.

„Gekheid, vriend! Dacht gij, dat ik om zoo iets veel leven zoude maken? – Maar binnen vijf minuten zijn wij in Schotland en gij gaat met mij naar Charlies-hope; dat is eene uitgemaakte zaak!”

Brown nam deze gastvrije uitnoodiging gereedelijk aan. De avond viel, toen onze ruiters eene kleine rivier in het gezicht kregen, welke door eene bevallige bebouwde landstreek kronkelde. De heuvels waren groener en lager dan in de streken, waardoor zij tot hiertoe gekomen waren, en de grasrijke steilten helden zachtjes naar den stroom af. Het geheele oord had een eenzaam, woest en toch landelijk voorkomen. Men zag geene omheinde velden, geene wegen, ja, bijna geene sporen van bebouwing. Het was een land, dat een patriarch tot eene weide voor zijne kudde kiezen zou. De overblijfsels van eenige verspreid staande, vervallen torens gaven echter te kennen, dat hier eens geheel andere, minvreedzame menschen gewoond hadden, die vrijbuiters namelijk, van wier daden de oorlogen tusschen Engeland en Schotland gewagen.

Het vlugge paard draafde voort langs het bekende pad, en nadat het op eene waadbare plaats door het riviertje gegaan was, ging het snel langs den oever, tot onze reiziger twee of drie lage, bij elkander staande huizen bereikten. Dit was Charlies-hope, de woonplaats van den pachter, in de landtaal „de stad” genaamd. Met een woedend geblaf werden de aankomenden door het geheele geslacht van Mosterd en Peper, benevens een groot aantal onbekende bondgenooten, begroet. De pachter liet zijne welbekende stem hooren, om de rust en orde te herstellen. De meid, die de deur opende, smeet ze oogenblikkelijk weder toe, vloog in huis en riep luidkeels: „Vrouw, vrouw, de meester is er en nog een ander man bij hem!” Het paard liep van zelf naar de staldeur, waar zijn hinneken om binnen gelaten te worden, door zijne kennissen van binnen beantwoord werd. Brown had intusschen moeite genoeg, om zijnen Wesp tegen de andere honden te beschermen, welke, minder gastvrij dan hun meester, grooten lust hadden, om den indringenden vreemdeling te mishandelen.

Een knecht bracht het paard spoedig in den stal. Intusschen verscheen de huisvrouw, een aardig, mooi wijfje, en verwelkomde haren man met ongeveinsde vreugde. „Ei, ei, vader,” riep zij, „gij zijt dezen keer wel lang uitgebleven!” [10]

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Liddelstroom, – tot nu toe onbekend, Tenzij in liedren door het minnend hart gedicht – Voert helder stroomend naar het westen heen De kristalle, heldre golfjes. –

De kunst om gezond te blijven.

De tegenwoordige pachters in het zuiden van Schotland zijn veel beschaafder dan hunne voorvaders, en de zeden en gewoonten, welke hier geschilderd worden, zijn óf geheel verdwenen óf ten minste zeer veranderd. Zonder hunne landelijke eenvoudigheid van zeden verloren te hebben, kennen zij thans veel, dat aan vroegere geslachten onbekend was, en dat niet alleen tot verbetering van hunne bezittingen, maar ook tot veraangenaming van het leven dient. Hunne huizen zijn gemakkelijker, hunne leefwijze is meer overeenkomstig met die der beschaafde wereld, en eene edele zucht naar kennis, de schoonste weelde, is in de laatste dertig jaren in hunne bergstreken opgewekt. Het onmatig drinken, voorheen hunne hoofdondeugd, neemt van dag tot dag sterk af; en hunne gastvrijheid, die steeds nog groot blijft, heeft, zoo te zeggen, een beschaafder karakter aangenomen en is binnen behoorlijke grenzen bepaald.

„Plaagt u de drommel?” sprak de pachter tot zijne vrouw, terwijl hij zich zachtjes en met een liefdevollen blik uit hare armen losmaakte; „plaagt u de drommel, Ailie? Ziet gij dien vreemden heer niet?”

Ailie keerde zich om, ten einde zich te verontschuldigen. „Waarlijk, Mijnheer, ik was zoo verheugd mijn man te zien, dat – Maar, goede Hemel! wat is er met u beiden voorgevallen?” riep zij uit, toen zij met beide de mannen in de kamer gekomen was en bij het kaarslicht zag, dat haar man gewond en de kleederen van zijn reisgenoot even als de zijne met bloed bevlekt waren. „Gij zijt zeker weder met de paardenkoopers van Newcastle aan het vechten geweest, Dandie! Foei! een gehuwd man, die zoo vele lieve kinderen heeft, als gij, moest beter bedenken, hoeveel het leven van een vader waard is.” – Bij deze woorden stonden de goede vrouw de tranen in de oogen.

„Stil, stil, moedertje!” antwoordde haar man met een hartelijken kus. „Verontrust u maar niet, het heeft niets te beduiden. Deze heer kan u zeggen, hoe het gekomen is. Ik had mij even bij Lourie Lowthers opgehouden, om een glaasje te drinken, en toen ik nu welgemoed mijn weg door het moeras vervolgde, sprongen twee landloopers uit een kuil op mij los, scheurden mij van het paard en takelden mij, ofschoon ik mij met mijne zweep woedend verdedigde, erg genoeg toe: en bij den hemel, vrouw, ware deze eerlijke jongen niet toegeloopen, zij zouden mij meer slagen gegeven hebben dan mij lief was, en meer geld afgenomen dan ik missen kon. Naast God, zijt gij hem dus dank verschuldigd.”

Bij deze woorden haalde hij eene groote lederen brieventasch uit den zak, die hij zijne vrouw ter bewaring gaf.

„God zegene dezen heer! dat wensch ik van ganscher harte. Maar hoe kunnen wij het anders vergelden, dan door hem voedsel en huisvesting te geven, welke wij ook den armsten niet weigeren, tenzij, – eene blik op de brieventasch werpende, welke haar bedoeling met de meest mogelijke kieschheid uitdrukte – tenzij zulks op eene andere wijze gebeuren kon?”

Brown wist de edelmoedige dankbaarheid, welke de pachtersvrouw in hare eenvoudigheid op eene zoo ongekunstelde en tevens kiesche wijze aan den dag legde, naar waarde te schatten. Daar hij echter bemerkte, dat zijne eenvoudige, nu gescheurde en met bloed bedekte kleeding hem tot een voorwerp van medelijden maakte, haastte hij zich te verklaren dat hij Brown heette, ritmeester bij het ** regiment dragonders was en, zoowel uit verkiezing als zuinigheid, te voet reisde. Daarop herinnerde hij de vriendelijke gastvrouw, dat het noodig zoude zijn, dat zij naar de wonden van haren man keek, welke deze niet door hem had willen laten onderzoeken.