Chapter 36 of 43 · 3996 words · ~20 min read

Part 36

„Nu is het tijd,” zei de waarschuwende stem van hem, die Bertram bij den linkerarm vasthield; „scheur u van dien knaap los en volg mij!”

Plotseling al zijne krachten inspannende, rukte Bertram zich, zonder veel moeite, van den man, die hem aan de rechterzijde bij den kraag hield, los. De kerel wilde een pistool grijpen, maar werd door een vuistslag van den sterken Dinmont, waaronder een os bezweken zou zijn, ter aarde geveld. „Volgt mij snel,” sprak thans de vriendelijke raadgever, en sloeg een nauw morsig steegje in, dat hen uit de straat bracht.

Niemand vervolgde hen, daar de smokkelaars, door de onverwachte verschijning van Mac-Morlan met de dragonders, op eene andere, hoogst onaangename wijze beziggehouden werden. Men hoorde ook de krachtige stem van den magistraat, de menschen, die aldus op onwettige wijze samenschoolden en de rust verstoorden, vermanen op gevaar van hun leven uiteen te gaan. Hij zou ook vroeg genoeg gekomen zijn om den aanslag te verijdelen, indien hij onder weg geen valsch bericht gekregen had, dat hem moest doen denken, dat de smokkelaars in de baai van Ellangowan landen wilden, waardoor een paar uren tijds verloren gingen. Zonder liefdeloos te handelen, mag men gerust veronderstellen, dat dit valsch bericht van Glossin kwam, voor wien de uitslag van dit nachtelijk waagstuk van het uiterste belang was, en die, bij zijne angstvallige waakzaamheid, spoedig vernemen moest, dat de ruiters Hazlewood-house weder verlaten hadden.

Bertram en zijn vriend Dinmont volgden intusschen hun leidsman. Het schieten, het geschreeuw van het gepeupel en het getrappel der paarden klonken hoe langer zoo flauwer in hunne ooren. Eindelijk bereikten zij het einde van het steegje, waar zij een wagen met vier paarden bespannen gereed vonden.

„Zijt gij hier, in Gods naam?” vroeg de leidsman den voorrijder.

„Ja, dat ben ik; maar wenschte wel dat ik ergens anders ware,” hernam Jaap Jabos, want hij was het.

„Doe dan het rijtuig open. – Zet u er in, heeren! gij zult spoedig op eene veilige plaats zijn – en (tegen Bertram alleen) gedenk de belofte, welke gij aan de Heidin gedaan hebt!”

Bertram steeg zonder dralen in het rijtuig, vast besloten, zich lijdelijk aan den man over te geven, die hem zulk een wezenlijken dienst bewezen had. Dinmont volgde zijn voorbeeld. Wesp, die zijn’ meester niet verliet, sprong er te gelijker tijd in, en pijlsnel rolde de wagen voort. „Pas op,” zeide Dinmont, „nu komt, vrees ik het ergste nog! Zoo iets gaat mijn verstand te boven! Men zal ons, hoop ik, niet schaken! En wat zal er van mijn arm paard worden? – Ik wenschte wel dat ik er op zat, liever dan in deze koets, al behoorde ze ook aan den hertog zelven, God zegene hem!”

Bertram antwoordde hierop, dat zij niet lang zoo snel konden voortrijden zonder van paarden te verwisselen; dat zij bij de eerste herberg, waar zij stil zouden houden, verlangen konden tot het aanbreken van den dag te wachten, of ten minste van het doel en oogmerk hunner reis onderricht te worden, en dat Dinmont dan tevens de noodige schikkingen omtrent zijn geliefkoosd paard kon maken. „Ja, ja,” hernam Dandie, „dat komt mij niet onaannemelijk voor. Waren wij maar eerst uit deze vervloekte rolkast, dan zou het hun, dunkt mij, moeite kosten, ons een anderen weg te doen volgen dan wij verkozen.”

Onder dit gesprek draaide de wagen plotseling zijwaarts af, zoodat de beide vrienden het nog steeds brandende dorp van verre weder konden zien. Het vuur had thans een pakhuis, waarin sterke drank lag, bereikt en golvend steeg de vlam, als eene schitterende lichtzuil, ten hemel. Niet lang hadden zij dit ontzettend schoon gezicht bewonderd, of een andere bocht in den weg bracht hen in een dicht bosch, waarin het rijtuig, niettegenstaande den zeer donkeren nacht, met onverminderden spoed voortrolde.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

De nacht verliep met luide spel en zang, En niemand scheen voor volle bekers bang.

Tam O’ Shanter.

Wij moeten thans naar Woodbourne, hetwelk wij op het oogenblik dat Mannering zijn vertrouwden dienaar eenige geheime bevelen gaf, verlieten, terugkeeren.

Toen de kolonel weder in het woonvertrek trad, scheen hij in het oog loopend afgetrokken en in gepeins verzonken. De beide dames zagen hem met verwondering aan, maar wisten ook, dat hij geen man was, die, zelfs door haar, die hij het meest beminde, naar de oorzaak van deze zichtbare ontroering gevraagd wilde zijn. Men zette zich aan de theetafel en ook hier heerschte een diep stilzwijgen. Onverwachts echter kwam er een wagen vóor de deur rijden en de schel kondigde een bezoek aan. Nu zeide Mannering, als tot zich zelven: „Het kan toch niet zijn! Het is zeker nog eenige uren te vroeg.”

Na eenige oogenblikken opende Barnes de kamerdeur en meldde den heer Pleydell aan. Deze trad binnen en zijn keurige zwarte rok, zijn netjes gepoederde pruik, zijne helder witte kanten jabot, zijden kousen, gladde schoenen en gouden gespen toonden duidelijk aan, hoe zorgvuldig de oude heer zich tot een bezoek bij de dames voorbereid had. Mannering verwelkomde hem met een hartelijken handdruk en zeide: „Gij zijt juist de man, dien ik in dit oogenblik gaarne wenschte te zien.”

„Ik heb u immers gezegd, dat ik de eerste gelegenheid waarnemen zoude. Ik heb het gewaagd, mij, gedurende de zittingen van het gerechtshof, voor eene week uit Edinburg te verwijderen, – zeker geene geringe opoffering – maar ik vermoedde hier nuttig te kunnen zijn, en moest ook hier in de streek een verhoor bijwonen. – Maar wilt gij mij niet aan de dames voorstellen? De éene ken ik reeds op het eerste gezicht aan hare familietrekken! – Mejuffrouw Lucie Bertram, ik ben zeer verheugd u te zien.” Met deze woorden omhelsde hij haar en drukte een hartelijken kus op hare wangen, waaraan Lucie zich blozende onderwierp. „On ne s’ arréte pas dans un si beau chemin,” vervolgde de vroolijke oude heer, toen de kolonel hem aan Julia voorstelde, omarmde ook haar en kuste haar de bloeiende wangen. Julia lachte, bloosde en maakte zich uit zijne armen los. „Ik bid u duizendmaal om verschooning,” hernam Pleydell, met eene bevallige buiging, „ouderdom en oude zeden geven voorrechten; en ik weet waarlijk niet, of ik er mij meer over bedroef dat ik met zoo veel recht aanspraak daarop kan maken, dan mij er over verheug, zulk eene gunstige gelegenheid te hebben, om ze zoo aangenaam te doen gelden.”

„Waarlijk, Mijnheer,” antwoordde Julia lachende, „wanneer gij zulke vleiende verontschuldigingen maakt, moeten wij er wel aan beginnen te twijfelen, of wij u veroorloven kunnen, u op de genoemde eigenschappen te beroepen.”

„Gij hebt volkomen gelijk, Julia,” hernam de kolonel; „mijn vriend Pleydell is een gevaarlijk man. De laatste maal, dat ik het genoegen had hem te bezoeken, vond ik hem, om acht uur des morgens, onder vier oogen met eene schoone dame.”

„Dat wil ik niet ontkennen, kolonel! maar gij hadt er moeten bijvoegen, dat ik deze uitstekende gunst van de zoo verstandige en zedige vrouw Rebekka meer aan mijne chocolade dan aan mijne beminnelijkheid te danken had.”

„En gij herinnert mij er aan, Mijnheer Pleydell,” hernam Julia, „u een kopje thee aan te bieden, in de veronderstelling, dat gij u middagmaal reeds gebruikt hebt.”

„Uit uwe hand is mij alles aangenaam, Juffrouw Mannering! – Ja, ik heb reeds gegeten, namelijk, zoo als men in eene Schotsche herberg eet.”

„En dat is zeker slecht genoeg,” hernam de kolonel en sloeg de hand aan de schel; „veroorloof mij, u iets anders voor te zetten.”

„Om de waarheid te zeggen, wilde ik hiervoor liefst bedanken. Ik heb reeds naar het een en ander dienaangaande onderzocht. Gij moet weten, dat ik mij eenige oogenblikken beneden opgehouden heb, om mijne reiskousen, die (met een’ welgevalligen blik op zijne schoon gevormde beenen) veel te wijd voor mijne spillebeenen zijn, uit te trekken. Toen heb ik eenige woorden met uwen Barnes en eene zeer verstandige vrouw, die ik voor uwe huishoudster houd, gesproken: en wij hebben met elkander bepaald – tota re perspecta [24], ik vraag Juffrouw Mannering’s verschooning voor mijn Latijn – dat zij een paar wilde eenden bij uw avondmaaltijd zou voegen. Ik heb haar ook (doch laat dit gaarne aan haar over) mijne eenvoudige gedachten omtrent de saus gezegd, en zal, indien gij er niet tegen hebt, met eten wachten tot het avondmaal gereed is.”

„En wij zullen vroeger eten dan gewoonlijk,” hernam de kolonel.

„Van harte gaarne,” antwoordde Pleydell, „mits dat ik het gezelschap der dames er geen oogenblik vroeger om mis. Ik ben van hetzelfde gevoelen, als mijn oude vriend Burnet [25]; ik bemin de coena, den avondmaaltijd der ouden, het vroolijke maal en het gezellige glas, dat de muizennesten uit het hoofd spoelt, waarmede bezigheden of zorgen de hersens dagelijks vervullen.”

De beide dames, en vooral Julia Mannering, schepten vermaak in de levendigheid van Pleydell en de onbeschroomde vrijmoedigheid, waarmede hij zijne kleine epicuristische behoeften openbaarde. Julia bewees den ouden heer eene vleiende oplettendheid en wedijverde, zoo lang het gezelschap aan de theetafel zat, met hem in het zeggen van aardigheden, die wij echter niet behoeven te herhalen.

Na de thee bracht Mannering zijn rechtsgeleerden vriend in een aan het woonvertrek grenzend studeerkamertje, waar des avonds steeds licht en een goed vuur brandden.

„Ik zie,” zeide Pleydell, „dat gij mij iets over de Ellangowansche zaak te zeggen hebt. Is het iets aardsch of bovenaardsch? Wat zegt gij, mijn militaire Albumazar? Hebt gij den loop der toekomst berekend? Uwe Ephemeriden, uwe Almochoden uwe Almuten geraadpleegd?”

„Neen, waarde Pleydell, gij zijt de eenige Ptolomeus, wien ik in dit geval wil raadplegen. Als een tweede Prospero heb ik mijn staf verbroken en mijn boek in de diepte der zee geworpen. Maar ik heb toch groot nieuws. Meg Merrilies, onze oude Heidin, is heden aan Sampson verschenen en heeft hem, naar ik veronderstel, niet weinig verschrikt.”

„Waarlijk?”

„Ja! en zij heeft mij de eer aangedaan, eene briefwisseling met mij te openen, waarbij zij meent dat ik nog even diep in de geheimen der sterrewichelarij ingewijd ben, als toen zij mij voor de eerste maal ontmoette. Hier is haar geschrift, dat Sampson mij gebracht heeft.”

Pleydell zette den bril op. „Welk een gekrabbel!” zeide hij. „De letters zijn zoo groot en staan zoo recht op, als de ribben van een gebraden speenvarken. Ik kan er nauwelijks wijs uit worden.”

„Lees hard op, bid ik u!” hernam Mannering.

„Ik zal het beproeven,” hernam de advokaat – „Gij zijt een goede zoeker, maar een slechte vinder. Gij doet uw best om een vallend huis te schragen, maar hadt geen sterk vermoeden, dat het zich weder verheffen zou. Leen uwe hand aan het werk dat nabij is, zoo als gij uw oog aan het noodlot geleend hebt, dat ver af was. Laat heden avond te tien ure een rijtuig aan het eind van den krommen dijk te Portanferry wachten en de menschen, die vragen zullen: „Zijt gij hier, in Gods naam?” naar Woodbourne brengen.” Wacht, nu komen er ook verzen:

„Wat donker is zal licht En ’t onrecht worden recht, Als Bertrams recht en Bertrams macht Wordt eind’lijk aan het licht gebracht.”

Waarlijk een zeer geheimzinnige brief en het slot eene poëzie, de Cumæische Sybille volkomen waardig! – En wat hebt gij gedaan?”

„Wel,” antwoordde Mannering, „ik wilde niet gaarne eene gelegenheid, om licht over deze zaak te verspreiden, laten voorbijgaan. Misschien is de vrouw krankzinnig en alles wat zij zegt de vrucht van hare verbijsterde verbeeldingskracht; – maar gij waart zelf van gevoelen, dat zij meer van deze vreemde zaak wist, dan zij ooit gezegd heeft.”

„Gij hebt dus een’ rijtuig naar de bepaalde plaats gezonden?”

„Gij zult mij uitlachen, als ik beken dat ik dit gedaan heb.”

„Uitlachen? neen zeker niet! Ik denk dat dit het verstandigste was, dat gij doen kondt.”

„Ja,” hernam Mannering, van harte blijde dat hij zich niet belachelijk aangesteld had in het oog van zijn vriend, „en het ergste dat er van komen kan is, dat ik den wagen te vergeefs betalen moet. Ik heb een’ rijtuig met vier paarden van Kippletringan er heen gezonden en den voerman de noodige bevelen gegeven. Het zal een koude en vervelende post zijn, als ons bericht valsch is en hij te vergeefs dáar moet blijven wachten.”

„Ik denk dat het anders uitkomen zal. Deze vrouw heeft hare rol zoo lang gespeeld, dat zij aan hare voorspellingen gelooft; of als zij eene doortrapte bedriegster is, zonder een enkel greintje zelfmisleiding om hare bedriegerij te verontschuldigen, dan denkt zij misschien in den geest van hare rol te moeten blijven handelen. Zoo veel weet ik ten minste, dat ik langs den gewonen weg bij het verhoor niets uit haar kon krijgen: en het verstandigste dat wij doen kunnen is, haar gelegenheid te geven, om de zaak op hare eigene wijze aan het licht te brengen. En hebt gij nu nog meer te zeggen, of zullen wij weder bij de dames gaan?”

„Ik ben zeer ontroerd en – maar ik heb waarlijk niets meer te zeggen. Ik kan mij met niets bezig houden, dan de minuten te tellen, tot het rijtuig komt, maar kan niet verwachten dat gij even ongerust zoudt zijn.”

„Ja – daarin hebt gij gelijk! De gewoonte doet veel af. Ik stel zonder twijfel veel belang in deze zaak, maar zal den afloop best kunnen afwachten, als de dames ons op een weinig muziek willen vergasten.”

„En met behulp van de wilde eenden, niet waar?”

„Ook al, kolonel! Ongerustheid over den uitslag, zelfs van de belangrijkste zaak, heeft een rechtsgeleerde zelden zijn slaap en zijn eetlust bedorven [26]. Met dat al ben ik zeer verlangend, het geraas van den terugkeerenden wagen te hooren.”

Met deze woorden stond hij op en ging in de woonkamer, waar Julia Mannering zich op zijn verzoek aan het klavier zette. Lucie Bertram zong zeer aardig hare Schotsche volksliederen en begeleidde met hare stem het spel van Julia, die naderhand eenige sonates van Scarlatti zeer schitterend uitvoerde. De oude heer, die een weinig op de bas kraste en een groot beminnaar van de toonkunst was, bracht den avond zoo aangenaam door, dat hij misschien niet eenmaal aan de wilde eenden dacht, vóor dat Barnes het gezelschap aankondigde dat het avondmaal gereed was.

„Zeg aan Juffrouw Allan dat zij iets gereed houdt,” sprak de kolonel; „ik verwacht – ik hoop – misschien krijgen wij heden avond nog bezoek. De bedienden moeten opblijven en het hek niet sluiten, vóor dat ik het beveel.”

„Mijn hemel! wie kunt gij zoo laat nog verwachten, vader?” vroeg Julia.

„Eenige vreemdelingen, die mij misschien heden nog over zaken moeten spreken: het is echter zeer onzeker;” hernam haar vader niet zonder verlegenheid, want eene teleurstelling, die zijn scherpzinnigheid in een belachelijk licht gesteld zou hebben, zou ook voor hem zeer pijnlijk geweest zijn.

„Nu, wij zullen het hun niet vergeven, indien zij ons storen, tenzij zij eene even vroolijke luim en een even gevoelig hart medebrengen als Mijnheer Pleydell, mijn vriend en aanbidder, zoo als hij zich zelf gelieft te noemen.”

„O, Juffrouw Julia,” hernam Pleydell en bood haar op hoffelijke wijze den arm, om haar naar de eetzaal te geleiden, „er is een tijd geweest – toen ik in het jaar 1738 van Utrecht terugkwam –”

„Ik bid u, spreek daar niet van! Wij hebben u liever, zoo als gij zijt. – Utrecht, om ’s Hemels wil! – Ik denk wel, dat gij al de sedert dien tijd verloopen jaren besteed hebt, om u zoo geheel en al van de gevolgen uwer Hollandsche opvoeding te ontdoen.”

„Vergeef mij, Juffrouw Mannering! De Hollanders hebben het in het punt van galanterie veel verder gebracht, dan hunne wufte naburen toestemmen. Zij zijn stipt en bestendig in hunne hulde, als een uurwerk.”

„Dat zou mij vervelen.”

„Zij hebben een onverstoorbaren goeden luim.”

„Nog al erger en erger!”

„En dan,” ging de oude vrijer voort, „kunt gij, ofschoon uw aanbidder u gedurende zesmaal drie honderd vijfen zestig dagen den mantel omgehangen, de stoof onder de voeten gezet en u, niettegenstaande de strengste koude in den winter, of de drukkendste hitte in den zomer, altijd en overal op uwe wenken vergezeld heeft, – dan kunt gij hem, zeg ik, eensklaps, op den twee duizend een honderd en negentiende dag (zoo veel zal, naar mijne vluchtige berekening, de schrikkeljaren niet mede gerekend, het tijdvak der veronderstelde aanbidding bedragen), zonder reden of verontschuldiging zijn ontslag geven, zonder dat uw teeder hart de minste zorg over de gevolgen, welke dit voor Mijnheer zal hebben, behoeft te gevoelen.”

„Dit laatste is inderdaad een echt Hollandsche aanbeveling, Mijnheer Pleydell! Glazen en harten zouden hunne grootste waarde verliezen, indien zij niet breekbaar waren.”

„Het is misschien even moeielijk, Juffrouw Mannering, een hart te vinden dat breekt, als een glas dat onbreekbaar is; en uit dien hoofde zou ik de waarde van mijn eigen hart nog meer aanprijzen, – als ik niet zag, dat Mijnheer Sampson de handen gevouwen en de oogen gesloten heeft, en op het einde van ons gesprek wacht, om het gebed te beginnen; en, om de waarheid te zeggen, die eenden doen mij watertanden.”

Met deze woorden zette Pleydell zich aan tafel en vergat eene poos zijne hoffelijkheid om den goeden dingen, die vóor hem stonden, de behoorlijke eer te bewijzen. Hij liet eerst niets van zich hooren, dan alleen de aanmerking, dat de eenden voortreffelijk gebraden waren en de saus boven allen lof verheven was.

„Ik zie, Mijnheer Pleydell,” zei Julia, „dat ik reeds op den eersten avond, dat gij u voor mijn aanbidder verklaart, een gevaarlijken mededinger in uwe gunst heb.”

„Vergeef mij, schoone dame! uwe wreedheid draagt alleen de schuld, dat ik de onwelvoegelijkheid bega, mij in uwe tegenwoordigheid een goeden maaltijd te laten smaken. Hoe zou ik uwe strengheid kunnen verdragen, zonder mijne krachten te versterken? Op denzelfden grond, en om geene andere reden, verzoek ik verlof, een glas wijn met u te drinken.”

„Dit is misschien ook het gebruik te Utrecht, Mijnheer Pleydell?”

„Met uw verlof! De Franschen zelven, die voorbeelden van galanterie, noemen hunne gaarkoks restaurateurs; hierdoor zonder twijfel op de ondersteuning en verlichting zinspelende, welke de wanhopige minnaar bij hen vindt, als de wreedheid zijner uitverkorene hem diep ter neder slaat. Mijn eigen toestand vordert zoo veel versterking, dat ik u om dien anderen vleugel moet verzoeken, Mijnheer Sampson, zonder dat mij dit beletten zal, Juffrouw Mannering straks om een stukje taart lastig te vallen. – Ik dank u, Mijnheer Sampson! – Wees zoo goed mij een glas bier te geven, Barnes!”

Terwijl de oude heer, ingenomen door de levendigheid en oplettendheden van Julia Mannering, op dezen schertsenden, opgeruimden toon voortpraatte, kon Mannering zijn ongeduld niet langer beteugelen. Hij stond van de tafel op, onder voorwendsel dat hij des avonds nooit iets at, ging met rassche schreden in het vertrek op en neder en schoof meermalen het venster op, om te zien of hij niettegenstaande de duisternis ook iets ontdekken of van verre het geratel van een rijtuig hooren kon. Eindelijk steeg zijn ongeduld ten top. Hij verliet het vertrek, nam hoed en mantel en wandelde de laan op, alsof hij hierdoor de aankomst van het met smart verwachte rijtuig kon bespoedigen.

„Ik wenschte wel,” zei Lucie Bertram hierop, „dat de kolonel zich niet zoo laat naar buiten waagde. Gij hebt zeker reeds gehoord, Mijnheer Pleydell, welk eén schrik wij hier uitgestaan hebben?”

„Met de smokkelaars? Dat zijn mijne oude vrienden. Ik heb langen tijd geleden eenigen van hen aan hunne rechtmatige straf overgeleverd.”

„En welk een verschrikkelijken angst één dezer ellendelingen, die zich wilde wreken, ons kort daarna veroorzaakt heeft?”

„Toen de jonge Hazlewood gekwetst werd? Ja, daarvan heb ik ook gehoord.”

„Verbeeld u, waarde Mijnheer Pleydell hoe verschrikt Julia Mannering en ik zijn moesten, toen een woestaard, even vreeslijk door zijne buitengewone sterkte als door zijne barsche gelaatstrekken, plotseling op ons aanviel!”

„Gij moet weten, Mijnheer Pleydell,”, hernam Julia, niet in staat hare gevoeligheid over deze onschuldige lastering van haren minnaar te onderdrukken, „dat de jonge Hazlewood in de oogen der hier wonende jonge dames zoo schoon is, dat zij iedereen, bij hem vergeleken, afschuwelijk vinden.”

„Aha!” dacht Pleydell, een geoefend waarnemer van toon en gebaren, „er moet zeker iets tusschen de beide vriendinnen schuilen.” – „Wel, Juffrouw Mannering,” vervolgde hij, „ik heb den jongen Hazlewood sedert zijne kindsche jaren niet gezien; dus moet ik de dames wel gelijk geven; maar ik kan u, in weerwil van uwe spotternij, verzekeren, dat gij, als gij schoone mannen wilt zien, naar Holland moet gaan. De schoonste man, dien ik ooit gezien heb, was een Hollander, die Van Beest, Van Buster of zoo iets, heette. Hij zal nu misschien zoo schoon niet meer zijn.”

Nu was het Julia’s beurt, een weinig verlegen te worden; maar juist op dit oogenblik trad de kolonel weder in de kamer en zeide: „Ik hoor nog niets van hen; maar wij zullen nog eene poos hier bij elkander blijven. Waar is dominé Sampson?”

„Hier ben ik, Mijnheer!”

„Welk boek hebt gij daar vóor u, Mijnheer Sampson?”

„Het is de geleerde De Lyra, kolonel. Ik wilde den heer Pleydell, indien het hem gelegen kwam, naar zijn gevoelen over eene duistere plaats daarin vragen.”

„Daartoe heb ik thans in het geheel geen lust, Mijnheer Sampson!” antwoordde Pleydell; „hier is aantrekkelijkers. Ik hoop deze beide jonge dames te bewegen, een liedje met mij aan te heffen, waarbij ik de basstem zal zingen. Berg De Lyra maar weer weg, man! die moet een gelegener tijdstip afwachten.”

De teleurgestelde Sampson sloeg het zware boekdeel toe en kon volstrekt niet begrijpen, hoe zulk een geleerd man, als de heer Pleydell, zich met zulke zotternijen kon bezig houden. De oude heer echter, onbekommerd dat hij zijn goeden naam bij Sampson op het spel zette, schonk zich weder een glas Bourgogner in, hief met eene niet meer zeer schoone stem een bekend lied aan, verzocht de dames het met hem te zingen, en kweet zich uitmuntend van de op zich genomen baspartij.

„Maar zullen uwe rozen door het laat opblijven niet verwelken, meisjes?” vroeg de kolonel eindelijk.

„Geenszins, waarde vader!” antwoordde Julia; „uw vriend, de heer Pleydell, dreigt morgen een scholier van Mijnheer Sampson te worden; dus moeten wij heden avond zoo veel mogelijk partij van onze verovering zoeken te trekken.”

Men zong dus nog een stukje en hierop volgde weder een gesprek, dat hoe langer zoo levendiger werd. Eindelijk, nadat de klok reeds lang geleden één uur geslagen had en op het punt stond om den snellen voortgang des tijds weer aan te kondigen, zag Mannering, wiens ongeduld reeds lang in teleurstelling overgegaan was, op zijn horologie en zeide: „Er is geen denken meer aan; wij moeten hen opgeven,” toen plotseling – maar wat toen plaats had, vordert een afzonderlijk hoofdstuk.

VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Rechter Dit bevestigt waarlijk alles, Wat de Heidin vertelde! Ge zijt geen wees, noch zonder vrienden; Ik ben uw vader; – hier staat uwe moeder; Daar uw oom. – Deez’ is uw neef – En allen hier zijn uwe bloedverwanten.

De Recensent.

Toen Mannering zijn horologie weder in den zak stak, hoorde hij een ver verwijderd en hol geraas. „Dat is zeker een rijtuig!” zeide hij: – „of is het niets dan het ruischen van den wind door de bladerlooze boomen? Kom eens dadelijk aan het venster, Mijnheer Pleydell!”

Pleydell, die in een levendig gesprek met Julia gewikkeld was, voldeed evenwel oogenblikkelijk aan dit verzoek, nadat hij, om geen koude te vatten, den grooten zijden zakdoek, welken hij in de hand hield, om den hals geslagen had. Het geraas van een rijtuig werd intusschen zeer duidelijk hoorbaar en Pleydell snelde, alsof hij al zijne nieuwsgierigheid tot op dit oogenblik bewaard had, naar de deur. De kolonel schelde en beval Barnes de vreemdelingen, die met den wagen kwamen, in een ander vertrek te brengen, daar men niet wist wie zij waren Maar vóor dat dit bevel nog uitgesproken was, hield het rijtuig reeds voor de deur stil, en oogenblikkelijk riep Pleydell: „dat is immers onze vriend uit het Liddesdal met een tweeden jong mensch van dezelfde grootte.”