Part 40
Hierop ging zij langs de beek tot aan het verwoeste dorpje, waar zij, met eene uitdrukking van teedere liefde in het oog, vóor den nog overeindstaanden gevel van een vervallen hut bleef staan en op een minder driftigen doch even plechtigen toon zeide: „Ziet gij die zwarte en verwoeste hut? – Dáar heeft mijn ketel veertig jaren lang gekookt – dáar heb ik twaalf zonen en dochters gebaard – waar zijn zij nu? – waar zijn de bladeren, welke op Sint-Maartensdag nog aan dezen boom waren? – de westewind heeft hem er van beroofd – en ik ben ook van alles beroofd. – Ziet gij gindschen wilgenboom? – Het is nu slechts een zwarte, verrotte stomp– Menigen schoonen zomerschen avond heb ik er onder gezeten, toen de groene takken over het murmelende beekje hingen. – Daar heb ik gezeten, en” (hier verhief zij de stem) „hield u op mijne knieën, Hendrik Bertram, en zong u liedjes voor van de oude baronnen en hunne bloedige oorlogen. – Hij zal nooit weder groen worden en Meg Merrilies zal nooit weder vroolijke liederen zingen. Maar gij zult haar niet vergeten en gij zult de oude muren om harentwil weder laten opbouwen! – en laat er dan iemand wonen, die God vreest en te goed is om voor de bewoners van de geesten-wereld beangst te zijn. – Want als de dooden ooit weder onder de levenden verschijnen, dan zal men mij menigen nacht in dit dal zien, nadat deze broze beenderen tot stof geworden zijn.”
Bij deze laatste woorden hield zij den blooten rechterarm uitgestrekt, den linker gebogen en onder de donker roode plooien van haar mantel verborgen. Hare geheele houding en de toon, waarop zij sprak, drukten een mengsel van krankzinnigheid en woeste hartstochtelijkheid uit, het penseel van een schilder overwaardig. „En nu,” vervolgde zij, eensklaps weder op den korten, driftigen toon, waarop zij gewoonlijk sprak, „nu aan ons werk, nu aan ons werk!”
Hierop leidde Meg de beide mannen naar de vooruitspringende rots, waarop de toren van Derncleugh lag. Zij kreeg een’ grooten sleutel uit den zak en ontsloot de deur. Het inwendige was beter in orde, dan te voren.
„Ik heb hier alles in orde gebracht, zoo als het behoort,” zeide zij, „daar ik hier misschien, vóor dat de nacht komt, uitgestrekt zal liggen. Weinigen, zeer weinigen zullen bij Meg’s lijk waken: want velen van mijn volk zullen laken wat ik gedaan heb en nog doen zal.”
Nu wees zij naar eene tafel, waarop koude spijzen gereed stonden, welke er zindelijker uitzagen, dan men van Meg had kunnen verwachten. „Eet,” zeide zij, „gij zult het heden avond wel noodig hebben.”
Bertram at iets, om haar niet te beleedigen; maar Dinmont bewees, dat noch verbazing, noch vrees zijn eetlust bedorven had, en liet het zich goed smaken. Hierop gaf Meg aan ieder een enkel glas sterken drank, hetwelk Bertram met water verdunde, maar dat Dinmont niet te krachtig vond.
„Wilt gij zelve niet iets eten of drinken?” vroeg Dinmont.
„Ik zal het niet noodig hebben,” antwoordde de geheimzinnige gastvrouw. „En nu,” vervolgde zij, „nu moet gij wapens hebben – gij moet niet met ledige handen gaan – maar gebruikt ze niet overijld. – Neemt gevangen, maar spaart het leven. – Laat de gerechtigheid haar deel hebben – hij moet spreken, voor dat hij sterft.”
„Wie moet gevangen genomen worden? wie moet spreken?” riep Bertram, vol verbazing, terwijl hij een paar pistolen, die zij hem aanbood en welke hij bij nader onderzoek geladen vond, uit hare handen nam.
„De vuursteenen zijn goed en het kruid is droog,” zeide zij. „Ik versta mij op dat werk.”
Zonder op zijne vragen te antwoorden, wapende zij Dinmont ook met eene groote pistool, en verzocht beiden, een stok uit een hoop knuppels te kiezen, dien zij uit een hoek haalde en die er zeer verdacht uitzagen. Nu verlieten zij den toren en Bertram maakte van een gunstig oogenblik gebruik, om Dinmont toe te fluisteren: „Er is iets onverklaarbaars in dit alles, maar wij behoeven deze wapenen niet dan in geval van nood te gebruiken, en wanneer wij het met recht mogen doen. Draag zorg te handelen, zoo als gij mij ziet handelen.”
Dinmont knikte hem zijne toestemming toe. En nu volgden zij door poelen en moerassen, over heidevelden en braaklanden, de schreden van hunne geleidster. Deze voerde hen naar het bosch van Warroch op hetzelfde pad, langs hetwelk de ongelukkige Ellangowan op den verschrikkelijken avond, toen Kennedy vermoord werd, naar Derncleugh gereden was, om zijn kind te zoeken.
Toen zij het bosch, waar de winter-zeewind thans ruischte, bereikt hadden, bleef Meg Merrilies een oogenblik staan, naar het scheen, om zich op den weg te bezinnen. „Ja, dezen weg moeten wij inslaan,” zeide zij en ging verder, doch niet meer, zoo als tot hiertoe, recht uit, maar nu rechts, dan links af, in eene slingerende richting. Eindelijk bracht zij hen door het dichte bosch op eene opene plaats, omstreeks een kwart bunder groot, welke woest en onregelmatig door boomen en struiken omringd was. Zelfs in den winter was het een vreedzaam, vriendelijk plaatsje; maar in de lente, als het aardrijk met jeugdig groen en wilde bloemen versierd is, als de heesters hunne veelkleurige en welriekende bloesems ten toon spreiden en de hooge berken, welke zich boven de nederige struiken verheffen, hunne lange, bladerrijke takken, als tot beschutting tegen de zon, uitspreiden, moet het eene heerlijke plek voor een jeugdigen dichter zijn, die zijn eerste lied vervaardigt, of voor een minnend paar, hetwelk elkander de eerste teedere bekentenis van wederzijdsche liefde aflegt. Thans wekte ze geheel andere aandoeningen op. Bertrams oog werd somber en onrustig, toen hij hier rondgezien had. Meg mompelde in zich zelve: „Dit is de plaats!” keek Bertram met een scherpen blik van ter zijde aan en vroeg hem: „herinnert gij u deze plek?”
„Ja,” antwoordde Bertram, „maar zeer onvolkomen.”
„Op deze plaats,” vervolgde Meg, „viel de man van zijn paard. Ik stond op dat oogenblik achter gindsche struiken. Hij verdedigde zich dapper en bad en jammerde om genade; maar hij was in de handen van menschen, die dat woord nooit gekend hebben! Nu zal ik u het spoor verder toonen. Toen gij de laatste maal dezen weg gingt, droeg ik u op mijne armen.”
Hierop leidde zij hen op een lang, kronkelend, bijna geheel met struiken begroeid pad, tot dat zij zich, zonder merkbaar af te dalen, eensklaps aan den oever der zee bevonden. Met snelle schreden ging Meg nu langs de rotsen, welke dikwijls door de golven bespoeld werden, tot zij bij een groot, afgezonderd liggend stuk rots kwam. „Hier,” zeide zij met zachte, nauwelijks hoorbare stem, „hier werd het lijk gevonden.”
„En het hol,” hernam Bertram op dezelfden toon, „is hier dicht bij. Brengt gij ons daarheen?”
„Ja. Verzamelt beiden al uw moed en volgt mij, als ik er inkruip. – Ik heb het brandhout zoo gelegd, dat gij u verschuilen kunt. Blijft daar achter, tot dat ik zeg: „het uur en de man zijn beiden gekomen” Werpt u dan op hem, ontneemt hem zijne wapens en bindt hem, dat het bloed hem uit de nagelen springt.
„Dat wil ik, als het de man is, dien ik vermoed – Janson!”
„Ja, Janson, Hatteraick, en twintig andere namen draagt hij nog.”
„Dinmont, nu moet gij mij bijstaan,” sprak Bertram tot zijn vriend, „want die kerel is een duivel.”
„Dat beloof ik u,” antwoorde hij. „Maar ik wenschte wel, dat ik nog eerst een gebedje kon doen, vóor dat ik de heks in het hol, dat zij voor ons opent, nakruip. Het zou toch een misselijk ding zijn, de lieve zon en Gods ruime lucht zoo te verlaten en in zulk een gat, als een vertrapte pad, te sterven. Maar het moeten kwade honden zijn, die mij beet nemen. En, zoo als gezegd is, de duivel hale mij, als ik u in den steek laat.”
Deze laatste woorden sprak hij fluisterende, want de ingang van het hok was reeds geopend. Meg kroop er op handen en voeten in, Bertram haar achterna en Dinmont volgde zijn vriend, na nog een treurigen blik op het heldere zonnelicht, dat hij nu vaarwel moest zeggen, geworpen te hebben.
VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
– Sterf profect! – En juist terwijl Uw mond voorspelt. – Ook dit moest ik volbrengen.
Shakspeare.
Terwijl Dinmont met alle inspanning door den lagen en nauwen ingang van het hol kroop, werd hij plotseling bij één zijner beenen vastgehouden. Het stalen hart van den dapperen landman begon te kloppen en met moeite onderdrukte hij een kreet, welke hen allen, in den weerloozen toestand waarin zij zich bevonden, misschien het leven had kunnen kosten. Hij verloor echter zijne tegenwoordigheid van geest niet en vergenoegde zich, met zijn voet uit de hand van zijn onverwachten navolger los te rukken. „Wees gerust,” fluisterde hierop eene stem achter hem; „ik hen een vriend, Karel Hazlewood.”
Hoewel Meg reeds de plaats bereikt had, waar het hol hooger werd, en zich reeds opgericht had, hoorde zij toch iets van deze woorden, hoe zacht ook gesproken, en schrikte hevig. Maar dadelijk herstelde zij zich en begon, alsof zij een luisterend oor verbijsteren wilde, te mompelen, te zingen en in het brandhout, dat in het hol opgestapeld lag, te roeren.
„Hier, oude heks, duivelskind!” brulde Dirk Hatteraick uit zijn schuilhoek; „wat doet gij daar?”
„Ik leg het hout te recht, om u voor den kouden wind te beschutten, gij deugniet! – Gij komt er maar al te wel af en wilt het niet weten; maar het zal weldra anders zijn.”
„Hebt gij mij brandewijn en tijding van mijn volk medegebracht?”
„Hier is de flesch. Uw volk is geslagen – verstrooid, gevlucht of door de roodrokken in de pan gehakt.”
„De duivel! dit is eene noodlottige kust voor mij!”
„Gij kant wel eens meer reden hebben, om zoo te spreken.”
Onder dit gesprek hadden Bertram en Dinmont ook het eigenlijke hol bereikt en waren overeind gaan staan. Het ruwe gewelf werd enkel door het schijnsel van gloeiende houtskolen verlicht, welke op een ijzeren rooster of bekken, zoo als de visschers des nachts bij de zalmvangst gebruiken, brandden. Hatteraick wierp van tijd tot tijd eene handvol takjes of andere stukjes hout er bij; maar zelfs de vlam, die dan helder ofschoon slechts voor een oogenblik fikkerde, verspreidde geen licht genoeg, om het geheele uitgestrekte hol te verlichten. Daar bovendien de smokkelaar, van den ingang af gezien, achter het vuur lag, zoo kon hij niet licht de voorwerpen onderscheiden, welke zich aan deze zijde bevonden. De in het hol gedrongen mannen, wier getal zoo onverwacht tot drie geklommen was, liepen dus achter het los opgestapelde brandhout weinig gevaar van ontdekt te worden, en Dinmont had de voorzichtigheid, Hazlewood met de eene hand zoo lang terug te houden, tot hij Bertram kon toefluisteren: „Een vriend – de jonge Hazlewood.”
Het was niet raadzaam, op dit oogenblik het gesprek verder voort te zetten en allen stonden stil, als de rotsen rondom hen, verscholen achter het hout, hetwelk daar waarschijnlijk nedergelegd was, om den kouden zeewind te breken, zonder den toevloed van versche lucht geheel te verhinderen. De takjes waren zoo los op elkander gestapeld, dat zij daartusschen gemakkelijk zien konden wat er bij het vuur gebeurde, ofschoon de personen, die achter in het hol waren, hen zelfs bij een veel sterker licht niet in hunne schuilplaats konden ontdekken.
Het geheele tooneel leverde, zonder het belang en het persoonlijk gevaar waarmede het gepaard ging in aanmerking te nemen, door de werking van licht en schaduw op de vreemdsoortige voorwerpen, die zich aan het oog vertoonden, een indrukwekkend gezicht op. De gloeiende houtskolen verspreidden een donkerrooden gloed, die van tijd tot tijd door eene vluchtige, meer of minder helder flikkerende vlam versterkt werd, al naar de brandstof, waarmede Dirk Hatteraick zijn vuur voedde, hiertoe beter of minder geschikt was. Nu steeg eene donkere rookwolk tot aan de zoldering van het hol omhoog; dan flikkerde door de rookzuil heen een flauwe, matte gloed, die dan plotseling weder tot eene heldere, levendige vlam werd, als er droge takjes of dunne stukjes dennenhout op het vuur geworpen werden. Bij deze afwisselende verlichting konden Bertram en zijne vrienden de gestalte van Hatteraick meer of minder onderscheiden, wiens woeste en barsche trekken, welke in zijn tegenwoordigen toestand en bij zijne sombere stemming nog scherper uitkwamen, zeer goed bij de ruwe rotsen pasten, die een onregelmatig gewelf over en rondom hem heen vormden. De gestalte van Meg Merrilies, die langzaam bij hem heen en weder wandelde, nu eens zichtbaar bij den gloed van het vuur, dan weder verborgen door den rook of de duisternis, stak sterk tegen de zittende, bijna onbewegelijk naar het vuur gebogene houding van Hatteraick af, die voor het oog der aanschouwers steeds zichtbaar bleef, terwijl de op en nedergaande Heidin, als eene spookgestalte, soms verscheen en dan plotseling weder verdween.
Bij het gezicht van Hatteraick voelde Bertram zijn bloed koken. Hij herkende hem oogenblikkelijk als den scheepskapitein Janson, zooals Hatteraick zich na den dood van Kennedy genoemd had, en herinnerde zich nog even goed, dat deze Janson en zijn stuurman Brown, die te Woodbourne doodgeschoten werd, de tirannen zijner jeugd geweest waren. Bertram wist ook, deels uit zijne eigene donkere herinneringen, deels uit de verhalen van Mannering en Pleydell, dat deze man op den verschrikkelijken dag, waarop hij aan zijn ouders en zijn vaderland ontrukt en daardoor aan zoo vele ongemakken en gevaren bloodgesteld was, de hoofdrol gespeeld had. Duizenderlei verbitterende gedachten ontwaakten in zijn boezem en nauwelijks kon hij zich weerhouden van Dirk Hatteraick dadelijk aan te vallen en hem een kogel door het hoofd te jagen. Dit zou echter in de tegenwoordige omstandigheden een zeer gevaarlijk waagstuk geweest zijn. Bij het schijnsel der flikkerende vlam, hetwelk de sterke, gespierde en forsche gestalte van den booswicht deed uitkomen, ontdekte Bertram ook twee paar pistolen benevens een houwer in zijn gordel; en het was te verwachten, dat zijne woede en wanhoop even geducht zouden zijn, als zijne lichaamskracht en verdedigingsmiddelen. De booswicht kon, wel is waar, onmogelijk de vereenigde krachten van twee mannen, als Bertram en zijn vriend Dinmont, weerstaan, zonder hun onverwachten bondgenoot, Hazlewood, die ongewapend en minder gespierd was, te rekenen, maar Bertram gevoelde, dat het verstandig noch roemrijk zijn zou, den scherprechter vooruit te loopen, en dat het tevens van het uiterste belang was, Hatteraick levend gevangen te nemen. Hij bedwong dus zijne verontwaardiging en wachtte geduldig af, wat er verder tusschen den booswicht en de Heidin gebeuren zou.
„En wat is er nu van u geworden?” vroeg Meg met hare schorre onaangename stem. „Heb ik u niet gezegd, dat het u overkomen zoude? – ja en juist in dit zelfde hol, waar gij u, na het plegen van de daad verscholen hebt.”
„Storm en onweer! houd uwe zedepreken voor je, oude heks, tot men er u om vraagt! Hebt gij Glossin gesproken?”
„Neen. Gij hebt uw slag gemist, gij bloedvergieter! en hebt niets van den verleider te wachten.”
„Wat drommel! had ik hem maar bij de keel! – En wat moet ik nu doen?”
„Doen?” hernam de Heidin; „sterven als een man, of gehangen worden als een hond!”
„Gehangen, gij satansche oude heks? – De hennip, waaraan ik zal hangen, is nog niet gezaaid.”
„Ze is reeds gezaaid, gegroeid, gehekeld en gesponnen. Heb ik u niet gezegd, toen gij den kleinen Hendrik Bertram, in weerwil van mijne beden, wegvoeren wildet – heb ik u toen niet gezegd, dat hij terugkeeren zou, als hij zijn noodlot, tot zijn éen en twintigste jaar, in vreemde landen vervuld had? Heb ik u niet gezegd, dat het oude vuur tot op een vonkje na uitbranden, maar toch weder opleven zoude?”
„Ja, moedertje! dat hebt gij gezegd; en, voor den duivel, ik geloof, dat gij waarheid gesproken hebt! Die jonker van Ellangowan is mijn geheele leven een steen des aanstoots voor mij geweest! – En nu heb ik, door Glossin’s vervloekte kunstjes, mijn volk en alles verloren. Mijne booten zijn vernield en ik denk wel het schip zelf ook genomen. Er was geen volk genoeg op om het te besturen, nog veel minder om het te verdedigen, – eene ellendige sloep kon het wel overmeesteren. En wat zullen de eigenaars zeggen? – Hagel en storm! ik durf nooit weder in Vlissingen komen.”
„Dat zal ook niet noodig zijn.”
„Wat doet gij daar en waarom zegt gij dat?”
Onder dit gesprek had Meg wat vlas los op een hoop gelegd. Vóor dat zij deze vraag beantwoordde, wierp zij een brandend stuk hout op het vlas, hetwelk zij eerst in eenig geestrijk vocht gedoopt had. Dadelijk vatte het vuur, en eene helder schitterende vlam verhief zich tot aan den top van het gewelf. Op dit oogenblik beantwoordde Meg de haar gedane vraag en sprak met eene sterke, vaste stem: „Omdat het uur en de man beiden gekomen zijn.”
Op dit teeken sprongen Bertram en Dinmont uit hunne schuilplaats te voorschijn en wierpen zich plotseling op Hatteraick. Hazlewood, die niets van deze afspraak wist, volgde een oogenblik later. De booswicht, die oogenblikkelijk begreep dat hij verraden was, richtte zijn eerste wraak tegen Meg Merrilies en schoot een pistool op haar af. Zij zeeg met een doordringenden, vreeselijken gil neder en zeide: „Ik wist, dat het zoo eindigen zou!”
Bertram struikelde in zijne drift op den oneffen, rotsachtigen grond van het hol; een groot geluk voor hem, want op hetzelfde oogenblik floot Hatteraicks tweede kogel zoo dicht over zijn hoofd heen, dat die hem zeker getroffen moest hebben, als hij rechtop gestaan had. Vóor dat Hatteraick eene derde pistool uit zijn gordel kon trekken, greep Dinmont hem en poogde hem de armen vast te houden. Maar de kracht van den wanhopigen booswicht was zoo groot, dat hij den reusachtigen landman, die met hem worstelde, door het brandende vlas heensleepte en het hem bijna gelukt was – wat den eerlijken Dinmont zeker duur te staan gekomen zou zijn – eene derde pistool te trekken, toen Bertram en Hazlewood aansnelden. Met vereenigde krachten wierpen zij den booswicht op den grond, ontnamen hem zijne wapens en bonden hem. Dit alles was het werk van eene enkele minuut. Toen Hatteraick nu volkomen overmeesterd was en zich te vergeefs een paar malen met inspanning van alle krachten wanhopig had pogen los te maken, lag hij stil en sprak geen woord. „Hij jankt niet tegen den dood,” sprak Dinmont „en dat is het beste wat ik van hem weet.”
Met deze aanmerking schudde de eerlijke Dandie het smeulende vlas van zijn rok en uit zijne gedeeltelijk verzengde zwarte haren.
„Hij is nu stil,” zeide Bertram hierop; „blijf gij bij hem staan en pas op, dat hij zich niet verroert. Ik moet zien, of de arme vrouw nog leeft of reeds dood is.” Met behulp van Hazlewood hief hij Meg Merrilies nu op.
„Ik wist, dat het zoo eindigen zou,” mompelde zij, „en zoo moest het ook komen.”
De kogel was onder de keel in de borst gedrongen. Uitwendig bloedde de wond niet sterk; maar Bertram begreep dadelijk, dat ze zeer gevaarlijk was. „Groote hemel! wat zullen wij voor deze arme vrouw doen?” riep hij treurig uit.
„Mijn paard staat boven in het bosch aan een boom gebonden,” hernam Hazlewood. „Ik heb u reeds sedert een paar uren gadegeslagen. Ik zal mij te paard werpen en eenige vertrouwde lieden te hulp roepen. Bewaak gij intusschen den ingang van het hol, tot ik terug kom.” Met deze woorden snelde hij heen. Bertram verbond, zoo goed mogelijk, de wond van Meg Merrilies en vatte, met een pistool met overgehaalden haan in de hand, post bij den ingang van het hol. Dinmont bewaakte Hatteraick. Eene doodsche stilte, slechts nu en dan afgebroken door het zachte en gesmoorde kermen van de gekwetste Heidin en de zware ademhaling van den gevangene, heerschte in het hol.
VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Hoewel verleid en lang verdwaald, Gij wijd en zijd hebt rondgezworven Heeft Godes oog u steeds bewaakt En is Zijn genade u verworven.
De Rechtszaal.
Na verloop van een klein uur, hetwelk den wachtenden in hun onzekeren en gevaarlijken toestand wel driemalen zoo lang voorgekomen was, hoorden zij de stem van den jongen Hazlewood, die hun reeds uit de verte toeriep: „Hier ben ik met genoegzame hulp.”
„Kom maar naar binnen,” antwoordde Bertram, zeer verheugd dat hij van zijn post afgelost werd. Hazlewood verscheen hierop met eenige mannen, onder welke zich een beambte bij het vredegerecht bevond, in het hol. Zij tilden Hatteraick op en droegen hem zoo ver, als de ruimte zulks veroorloofde, in den ingang, waar zij hem vervolgens op den rug nederlegden en, zoo goed zij konden, naar buiten sleepten, daar hij zich volstrekt niet liet bewegen, om van zijne zijde eenigszins mede te werken om door den engen ingang te geraken. Stil en werkeloos, als een lijk, lag hij op den grond en liet zich, zonder eenigen wederstand te bieden, voortslepen. Toen hij in het daglicht kwam en tusschen drie of vier mannen, die buiten het hol gebleven waren, overeind geplaatst was, scheen hij door den plotselijken overgang uit de duisternis en het licht verblind en als buiten zich zelven. Terwijl de anderen bezig waren met Meg Merrilies uit het hol te brengen, wilden Hatteraicks wachters hem op een stuk rots, hetwelk gedurende den vloed nog juist op het droge lag, doen nederzitten. Stuiptrekkend, sidderende, verzette hij zich hiertegen en riep: „Daar niet! wat drommel! daar wilt gij mij toch niet doen zitten?”
Dit waren de éénige woorden, die hij sprak; maar de zin en de toon, waarop hij ze uitsprak, toonden genoegzaam wat er in zijn binnenste omging.
Nadat Meg Merrilies ook met alle mogelijke voorzichtigheid uit het hol gedragen was, beraadslaagde men waarheen zij gebracht zou worden. Hazlewood, die reeds om een heelmeester gezonden had, stelde voor haar intusschen naar de naaste hut te brengen. Maar zij verzette zich hiertegen en sprak met diepen ernst: „Neen, neen, neen! Naar den toren van Derncleugh – naar den toren van Derncleugh! Daar alleen kan de ziel los worden van het lichaam.”
„Wij moeten, dunkt mij, aan haren wensch voldoen,” zeide Bertram; „hare onrust zal anders de wondkoorts verergeren.”
Men droeg haar dus naar den toren. Onderweg scheen zij zich meer met het voorgevallene, dan met de gedachte aan haren naderenden dood bezig te houden. „Er waren er drie, die op hem aanvielen,” mompelde zij; „ik heb er maar twee medegebracht. – Maar wie was de derde? – Hij zal zelf wedergekomen zijn, om zich te wreken.”
Het was blijkbaar, dat de onverwachte verschijning van Hazlewood, dien zij, daar zij bijna op hetzelfde oogenblik doodelijk getroffen werd, niet had kunnen herkennen, een’ diepen indruk op hare verbeelding gemaakt had. Zij kwam er dikwijls weder op terug. Voor Bertram was deze verschijning evenzeer een raadsel, tot dat Hazlewood hem verhaalde, dat hij hem en zijne beide tochtgenooten, op verzoek van Mannering, gevolgd was en hen een geruimen tijd in het oog gehouden had; dat hij hen, toen zij in het hol verdwenen, was nagekropen, om zich zelven en zijn oogmerk bekend te maken en toen in den donkeren en nauwen ingang het been van Dinmont gevat had, wat licht de noodlottigste gevolgen had kunnen hebben, als de tegenwoordigheid van geest en de kloekmoedigheid van den onverschrokken landman dat niet verhoed hadden.
Toen Meg Merrilies bij den toren kwam, haalde zij den sleutel van het gewelf voor den dag en werd binnengebracht. Zoodra men haar nu op het bed wilde nederleggen, zeide zij op angstigen toon: „Neen, neen! zóó niet zóó niet: het hoofd naar het oosten,” en scheen tevreden, toen men haren wensch vervulde.
„Is hier in de nabijheid geen geestelijke, om deze ongelukkige vrouw in hare laatste oogenblikken bij te staan?” vroeg Bertram.