Part 23
„Die daar,” antwoordde Mac-Guffog en wees naar de keuken, waar de gevangene bewaakt werd. „Hij had zijn mantel dicht omgeslagen en ik begreep wel, dat hij goed gewapend was. Ik dacht dus, dat het best was, eerst maar heel vriendelijk met hem te praten; en ik zag, dat hij geloofde dat ik een van het handwerk was, en dat ik van het eiland Man kwam, en ik plaatste mij tusschen hem en haar in, uit vrees dat zij hem een wenk mocht geven. Wij begonnen met elkander te drinken en nu wedde ik, dat hij geen mutsje Hollandsche jenever in ééne teug kon uitdrinken. Hij deed het en toen kwamen Jock en Dick Spurem toeschieten. Wij knevelden hem en namen hem gevangen, zoo gemakkelijk als een lam. Hij heeft nu uitgeslapen en is zoo frisch als een bloem, en zeer goed in staat, om de vragen te beantwoorden, welke gij hem zult verkiezen te doen.”
Dit verhaal, dat door vele wonderlijke gebaren vergezeld ging, verschafte den verhaler den lof en dank, welke hij scheen te verwachten.
„Had hij geene wapens?” vroeg de rechter.
„Zeer zeker; zulke lieden zijn nooit zonder pistolen en dolken.”
„Ook papieren?”
„Dit pakje,” antwoordde Mac-Guffog en overhandigde den rechter een morsig zakboek.
„Wacht nu buiten de deur en zend den gevangene hier.”
Mac-Guffog verliet het vertrek. Weldra hoorde men het rammelen van ketenen op den trap, en na eenige oogenblikken werd er een dik, gespierd man geboeid binnen gebracht, die, ofschoon zijn grijs haar een reeds vrij ver gevorderden leeftijd aanduidde en hij niet groot van gestalte was, nochtans zoo sterk scheen, dat slechts weinigen een worstelstrijd met hem zouden hebben durven ondernemen. Zijn ruw en norsch gelaat droeg nog steeds de sporen van den roes, waaraan hij zijne gevangenneming te danken had, maar de korte slaap, welken Mac-Guffog hem vergund had, en meer nog de gedachte aan het gevaarvolle van zijn toestand hadden hem zijne volkomene bezinning weder gegeven. De waardige rechter en de niet minder achtenswaardige gevangene keken elkander eene geruime poos onbewegelijk aan, zonder één woord te spreken. Glossin herkende blijkbaar den gevangene, maar scheen verlegen, hoe hij zijn onderzoek inrichten zou. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en zeide: „Wel, kapitein! zijt gij het? gij hebt deze kust sedert eenige jaren weinig bezocht.”
„Weinig bezocht?” hernam de gevangene. „Dat wil ik wel gelooven. Ik ben hier geheel vreemd. De duivel hale mij, zoo ik ooit te voren hier geweest ben.”
„Dat gaat zoo niet door, kapitein!”
„Wat drommel! Dat moet doorgaan, Mijnheer de vrederechter!”
„En hoe verkiest gij u thans te noemen?” hernam Glossin, „of moet ik eenige lieden laten komen, die u helpen, om u te herinneren wie gij zijt, of, ten minste, wie gij voorheen waart?”
„Wie ik ben? wat bliksem! ik ben Jan Janson van Cuxhaven. Wie zou ik anders zijn?”
Glossin nam uit eene kast een paar kleine zakpistolen, welke hij met eene in het oogvallende zorgvuldigheid laadde, en zei toen tegen zijn klerk: „Scrow, gij kunt met de anderen weggaan, maar blijf in het spreekkamertje, zoo dat ik u beroepen kan.”
Scrow scheen eenige bedenkingen te willen maken over het gevaar van met zulk een verschrikkelijk, ofschoon in ketenen geboeid mensch alleen te blijven; maar Glossin wenkte hem ongeduldig met de hand, dat hij vertrekken zou.
Toen hij de kamer verlaten had, wandelde Glossin het vertrek een paar malen op en neder, plaatste daarop zijn stoel vlak tegenover den gevangene, zag hem scherp aan, legde zijne pistolen met gespannen haan voor zich en zeide met vaste stem; „Gij zijt Dirk Hatteraick van Vlissingen; is het niet zoo?”
De gevangene zag als onwillekeurig naar de deur, alsof hij vreesde dat iemand luisterde. Glossin stond op en opende de deur, zoo dat de gevangene zich met eigen oogen overtuigen kon, dat geen menschelijk oor hen hooren kon; sloot ze vervolgens weder, ging weder op zijne plaats zitten en herhaalde zijne vraag: „Gij zijt Dirk Hatteraick, voorheen kapitein van het schip Juffer Haagenslaapen, niet waar?”
„Duizend duivels! als gij dat weet, waarom vraagt gij het dan?”
„Omdat het mij verwondert u op eene plaats te zien, waar gij, indien uwe veiligheid u lief is, het allerminst behoordet te wezen.”
„Wat duivel! hij, die zoo tegen mij spreekt, vergeet zijne eigene veiligheid!”
„Hoe? ongewapend en in boeien! mooi gesproken, kapitein! Maar zwetsen helpt hier niet. Men zal u hier bezwaarlijk laten vertrekken, vóor dat gij rekenschap van zeker voorval geeft, dat voor eenige jaren bij kaap Warroch heeft plaats gehad.”
Hatteraick keek zoo somber als de nacht.
„Ik voor mij,” vervolgde Glossin „wensch geenszins hard jegens een ouden bekende te handelen; maar ik moet mijn plicht doen. Ik zal u dus, heden nog, met een rijtuig naar Edinburg laten brengen.”
„De drommel! dat zult gij niet doen. Hebt gij niet de halve waarde van eene geheele lading in wissels op van Beest van Bruggen ontvangen?”
„Het is reeds zoo lang geleden, kapitein Hatteraick, dat ik waarlijk vergeten heb, wat ik voor mijne moeite ontving.”
„Uwe moeite? uw stilzwijgen, meent gij!”
„Dat was eene zaak, die mijn beroep betrof, en ik heb, sedert eenigen tijd, mijne zaken neergelegd.”
„’t Kan zijn. Ik geloof echter, dat ik u weder aan de oude zaken kan doen denken. Ja, man! de duivel hale mij, als ik u niet een bezoek brengen wilde, alleen om u iets te zeggen, daar gij groot belang bij hebt.”
„Van den knaap?” vroeg Glossin met drift.
„Ja, Mijnheer!”
„Hij leeft toch niet meer? niet waar?”
„Ja, hij leeft even goed als gij of ik.”
„Goede God! – maar toch in Indië?”
„Neen, voor den duivel! hier, op uwe ellendige kust,” hernam de gevangene.
„Maar, Hatteraick, als dit waar is (wat ik toch niet geloof), zal het ons beiden in het verderf storten. Hij zal zich zeker de poets, die gij hem gespoeld hebt, nog wel herinneren en voor mij zal het ook de ergste gevolgen hebben. Ik zeg u nog eens, het zal ons beiden in het verderf storten.”
„En ik u; het zal u alléen in het verderf storten. Met mij is het toch reeds zoo ver, en als ik eenmaal hangen moet, zal ik alles aan het licht brengen.”
„Maar waarom zijt gij toch als een dolleman weder op deze kust gekomen?” riep de rechter driftig.
„Waarom? Het geld was op, het huis wankelde en ik dacht, dat die oude poets reeds lang vergeten zou zijn.”
„Wat kan en moet er nu gedaan worden? Loslaten durf ik u niet. Maar zoudt gij onder weg niet vrij kunnen komen? Ja, dat zal gaan! Slechts een woord aan uw luitenant Brown gezegd – en ik laat uw geleide met u den weg langs het strand nemen.”
„Neen, neen, dat gaat niet. Brown is dood – dood – en begraven. De duivel heeft hem reeds.”
„Dood? – doodgeschoten? Bij Woodbourne, veronderstel ik.”
„Ja, Mijnheer!”
Glossin zweeg eenige oogenblikken. Het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, terwijl de booswicht, die tegenover hem zat, zonder eenige aandoening te laten blijken, koelbloedig zijn pruimpje tabak kauwde en in den haard spoog.
„Het zou mijn ondergang zijn,” sprak Glossin in zich zelven, „mijn ondergang, als de erfgenaam weder optrad – en aan den anderen kant, wat zouden de gevolgen zijn, als ik met zulke lieden als deze heulde? – Bovendien is er weinig tijd om maatregelen te nemen! – Hoor eens,” zeide hij eindelijk tegen Hatteraick, „hoor eens, ik kan u niet op vrije voeten stellen, maar u wel op eene plaats in verzekering laten brengen, waar gij u zelf op vrije voeten stellen kunt; ik wil gaarne een ouden vriend de behulpzame hand bieden. Ik zal u heden avond in het oude slot laten opsluiten en uwe wacht eene dubbele portie sterken drank geven. Mac-Guffog zal zeker in denzelfden strik vallen, waarin hij u gevangen heeft. De ijzeren staven van de gevangenkamer zijn bijna doorgeroest; het venster is niet veel meer dan twaalf voet boven den grond, en de sneeuw ligt hoog.”
„Maar mijn boeien,” zei Hatteraick, naar zijne ketenen ziende.
„Hier,” hernam Glossin, terwijl hij eene kleine vijl uit een kistje kreeg. „Hier is een vriend, die u wel helpen zal, en den weg langs den trap naar de zee kent gij immers wel?”
Hatteraick schudde vroolijk zijne ketenen, alsof hij reeds in vrijheid ware, en poogde zijn geboeide handen tot zijnen beschermer uit te strekken. Glossin legde, met eenen waarschuwenden blik op de deur, den vinger op den mond en vervolgde: „als gij ontsnapt zijt, moet gij u naar Derncleugh begeven.”
„Dat nest is uitgeroeid.”
„Vervloekt! nu, dan kunt gij mijne boot, die ginds aan het strand ligt, wegnemen en u daarmede voortmaken. Bij kaap Warroch moet gij u vervolgens verschuilen en wachten tot ik bij u kom.”
„Bij kaap Warroch?” zeide Hatteraick bedremmeld. „Waarschijnlijk in het hol? Ik had liever, dat het ergens anders ware. Daar spookt het. – De menschen beweren, dat hij daar spookt. – Maar, voor den duivel! ik heb hem bij zijn leven nooit gevreesd en, nu hij dood is, zal ik ten minste niet bang voor hem wezen. Neen, geen mensch zal kunnen zeggen, dat Dirk Hatteraick ooit dood of duivel gevreesd heeft! – Ik moet daar dan wachten, tot gij bij mij komt?”
„Ja, ja,” antwoordde Glossin, „en nu moet ik mijne lieden roepen,” en hij deed het.
Zoodra zij binnen traden, zeide hij tot Mac-Guffog: „Ik kan niets met kapitein Janson, zoo als hij zich noemt, beginnen en het is te laat om hem naar de gevangenis te brengen. Is er geene gevangenkamer in het oude slot?”
„O ja, Mijnheer, „antwoordde Mac-Guffog. „Mijn oom, de onderschout, heeft ten tijde van den ouden Ellangowan eens een man drie dagen lang daarin bewaard. Daar heeft men een lawaai over gemaakt! Men heeft de zaak voor de rechters gebracht.”
„Ja, ja, dat weet ik, maar de gevangene zal er nu niet lang blijven; het is slechts voor éen nacht. In het kleine voorvertrek kunt gij voor u en uwe lieden een vuur aanleggen, en ik zal u genoeg zenden om u vroolijk te maken. Maar vergeet vooral niet de deur van den gevangene goed te sluiten en geef hem ook wat vuur in zijn kamer; het is anders te koud. Misschien zal hij morgen beter te spreken zijn.”
In de vaste hoop en vol vertrouwen, dat Mac-Guffog en zijne helpers den nacht met waken noch bidden zouden doorbrengen, zond de vrederechter hen hierop naar het oude slot, om er den gevangene gedurende den nacht te bewaken.
Men denke echter niet, dat Glossin zelf dien nacht zeer gerust sliep. Zijn toestand was hoogst gevaarlijk. De gevolgen van zijn geheel misdadig leven schenen hem nu op eenmaal te zullen verpletteren.
Hij begaf zich te bed; maar lang wierp hij zich te vergeefs op de kussens heen en weder en, toen eindelijk de slaap zijne oogen sloot, werd hij door beanstigende droomen verontrust. Nu verscheen hem zijn weldoener, zoo als hij hem de laatste maal gezien had, met de kleur des doods op het gelaat; dan zag hij hem in de volle kracht en bloei der jeugd naderen, om hem zelven uit het huis zijner vaderen te verdrijven. Nu weder droomde hij, dat hij, over eene woeste heide wandelende, eindelijk bij eene herberg kwam, waaruit hem de stemmen van een vroolijk en luidruchtig gezelschap te gemoet klonken, en dat de eerste persoon, dien hij bij zijn binnentreden ontmoette, Frans Kennedy was, bebloed en gekneusd, zoo als hij bij kaap Warroch aan het strand gelegen had, – maar met eene dampende punchkom in de hand. Dan veranderde het tooneel weder voor zijne ontstelde verbeelding in een kerker, waar Dirk Hatteraick ter dood veroordeeld zat en zijne misdaden aan een geestelijke biechtte. „Nadat de bloedige daad volbracht was,” zei de boeteling, „verborgen wij ons in een nabijgelegen hol, dat aan één man in dien omtrek bekend was: wij overlegden, wat wij met het kind doen zouden, en hadden besloten, het aan de Heidenen over te geven, toen wij het luide geroep van onze vervolgers hoorden. Eén enkel man, dezelfde, die onzen geheimen schuilhoek kende, kwam rechtstreeks in ons hol; maar wij maakten hem ons ten vriend ten koste van de halve waarde der geredde goederen. Op zijn raad namen wij het kind met ons op het schip, dat ons den volgenden nacht van de kust afhaalde, mede naar Holland. Deze man was –”
„Neen, dan ontken ik, ik was het niet!” riep Glossin uit en ontwaakte onder zijn angstig pogen, om zijne onschuld nog krachtiger te betuigen.
Zijn knagend geweten had hem in deze verschrikkelijke tooneelen getrouwe beelden uit het verledene voor de ziel getooverd. Het ware van de zaak was, dat hij beter dan iemand anders de sluiphoeken der smokkelaars kende en, terwijl de anderen in onderscheidene richtingen zochten, was hij, zelfs vóor dat hij den moord van Kennedy vernomen had, rechtstreeks naar het hol gegaan, in het denkbeeld, dat hij dezen als gevangene der sluikhandelaars daar vinden zou. Hij kwam, om als middelaar onder hen op te treden, maar vond hen door bangen schrik bevangen, terwijl de woede, die hen tot den moord vervoerd had, bij allen, behalve bij Hatteraick, voor wroeging en vrees begon te wijken. Glossin was destijds arm en stak diep in schulden, maar bezat reeds Bertram’s gunst en vertrouwen, en begreep, daar hij de zwakheid van den goeden man kende, dat het hem niet moeielijk zou zijn, zich ten zijnen koste te verrijken, als maar de mannelijke erfgenaam van het geslacht uit den weg geruimd kon worden, in welk gevat het goed het volle en onbepaalde eigendom van den zwakken en verkwistenden vader zou worden. Door het oogenblikkelijke gewin en het uitzicht op later voordeel geprikkeld, liet hij zich door het lokaas, dat de smokkelaars hem in hun angst aanboden, omkoopen en verzette er zich niet tegen, of liever, moedigde hen nog aan in hun voornemen, om het kind van zijn weldoener, dat oud genoeg was om het bloedige tooneel waarvan het getuige geweest was te beschrijven, te ontvoeren.
Glossin nam zijne geheele scherpzinnigheid te baat, om zijn geweten te doen zwijgen en de slechte zijde van de zaak voor zich zelven te bewimpelen. Hij stelde zich voor, dat de verzoeking hem zoo plotseling verrast had en zoo groot geweest was, omdat hem als het ware alle voordeelen werden aangeboden, waarnaar hij reeds zoo lang gehaakt had, en hij zich daardoor voor goed uit den drukkenden nood kon redden, waaronder hij anders weldra moest bezwijken. Bovendien trachtte hij zich te overreden, dat zelfbehoud zijne handelwijze noodzakelijk maakte. Immers hij was eenigermate in de macht van de booswichten en, ingeval hij hun aanbod van de hand wees, kon de hulp, waarom hij had kunnen roepen, ofschoon niet ver verwijderd, bezwaarlijk spoedig genoeg aankomen, om hem uit de handen van menschen te redden, die, om eene veel geringere oorzaak, juist een moord begaan hadden. Deze en andere soortgelijke uitvluchten voerde hij tot zijne verontschuldiging tegen de beschuldigingen van zijn geweten aan.
Door de knagingen van zijn boos geweten gefolterd, stond Glossin midden in den nacht op en keek naar buiten. Het reeds in het begin van dit verhaal beschrevene tooneel was thans met sneeuw bedekt, en bij het schitterende wit van het land vertoonde zich de kleur der zee nog donkerder. Een met sneeuw bedekt landschap, ofschoon op zich zelf schoon, heeft nochtans, door de oogenschijnlijke koude en onvruchtbaarheid en door betrekkelijke vreemdheid een eenigszins treffend, woest en bar voorkomen. Voorwerpen, ons in hun gewonen toestand goed bekend, zijn òf verdwenen, òf vertoonen zich zoo geheel anders, dat wij op eene onbekende wereld schijnen te staren. De geest van dezen boosdoener werd echter niet met zulke bespiegelingen bezig gehouden. Zijn oog was onbewegelijk op het sombere oude slot gevestigd, waar hij in een der reusachtige torens twee lichten zag schemeren, het eene door het venster van de gevangenkamer, waar Hatteraick geboeid zat, het andere in het vertrek van zijne wachters. „Is hij ontvlucht, of zal hij het kunnen doen?” sprak Glossin in zich zelven. „Hebben de mannen, die anders nooit waken, nu gewaakt om mijn ondergang te voltooien? Indien de morgen hem dáar vindt, ben ik genoodzaakt, hem naar de gevangenis te doen vervoeren. Mac-Morlan, of een ander, zal dan de zaak verder vervolgen. Men zal ontdekken wie hij is; zijne misdaden zullen bewezen worden – en hij zal uit wraak alles aan het licht brengen!”
Terwijl deze folterende gedachten door zijne ziel vlogen, zag hij een van de lichten, als door eenig ondoorschijnend, aan het venster geplaatst voorwerp verduisterd. Welk een angstig oogenblik! „Hij heeft zich van zijne boeien bevrijd! Nu werkt hij aan de ijzeren staven in het venster – ze zijn zeker doorgeroest en moeten wel bezwijken. O God! ze vallen naar buiten; ik hoor ze op de steenen klinken! – Het geraas moet zijne wachters wekken. Vervloekt zij zijne lompe onvoorzichtigheid! – Het licht schijnt weder helder. – Zij hebben hem van het venster gesleurd en binden hem! – Neen! hij heeft zich slechts voor een oogenblik, om het geraas der vallende staven, verwijderd. Hij staat weder aan het venster – nu is het licht geheel verduisterd – hij springt er uit!”
Een dof geluid, als of er een lichaam van eene aanzienlijke hoogte op de sneeuw gevallen was, verkondigde hem dat Hatteraick gelukkig ontsnapt was. Spoedig hierop zag Glossin eene donkere gestalte als een schim langs het witte strand naar de plaats sluipen, waar de boot lag. Nieuwe redenen tot bezorgdheid! „Hij zal zeker niet sterk genoeg zijn, om de boot alleen in het water te brengen,” sprak Glossin in zich zelven; „ik zal den schelm nog moeten helpen. – God dank, neen! het is hem gelukt. Ik zie bij het licht der maan, dat een gunstige wind het zeil reeds vult. Gave de hemel, dat die in een woedenden storm veranderde en hij een prooi der golven werd!”
Na dezen hartelijken wensch keek hij Hatteraick, die koers zette naar kaap Warroch, zoo lang na, tot hij zeil noch schip meer van de golven, waarover het voortgleed, kon onderscheiden. Tevreden over het afwenden van het oogenblikkelijke gevaar, legde hij zijn schuldig hoofd eenigszins geruster weder op het kussen neder.
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Waarom troost ge me niet? Waarom mij niet uit dit sombere, met bloed bevlekte hol geholpen?
Titus Andronicus.
Groot was den volgenden morgen de verslagenheid der gerechtsdienaren, toen zij ontdekten dat hun gevangene ontsnapt was. Met een gelaat, waarop nog de sporen van den roes van den vorigen nacht te zien waren, verscheen Mac-Guffog, bevende van angst, voor Glossin en ontving eene scherpe berisping over zijn plichtverzuim. De toorn des vrederechters scheen alleen onder te doen voor zijn verlangen, om den vluchteling weder in zijne macht te krijgen. Hij zond dus oogenblikkelijk zijne ondergeschikten, die zeer verheugd waren zich uit zijne gevreesde tegenwoordigheid te kunnen verwijderen, in alle richtingen (behalve in de rechte) uit, om, zoo mogelijk, den vluchteling weder te vatten. Glossin beval hun, het verwoeste Derncleugh, dat des nachts de gewone schuilplaats van allerlei landloopers was, toch vooral nauwkeurig te doorzoeken. Nadat hij dus de gerechtsdienaren uit den weg gezonden had, sloop hij zelf langs omwegen door het bosch van Warroch naar het hol, waar hij van Hatteraick uitvoeriger berichten aangaande de terugkomst van den erfgenaam van Ellangowan in zijn vaderland hoopte te vernemen, dan de kortheid van hun gesprek van den vorigen avond mogelijk had gemaakt.
Gelijk een vos, die de hem vervolgende honden van het spoor zoekt af te brengen, trachtte Glossin de bewuste plaats te naderen, zonder zijn genomen weg door eenige aanduiding te verraden. „Gave God!” zeide hij, de oogen ten hemel slaande, „dat het begon te sneeuwen, om mijne voetstappen te verbergen. Indien een der gerechtsdienaren ze ontdekte, zoude hij ze, als een speurhond, vervolgen en ons overvallen. Ik moet naar het strand afklimmen en trachten beneden langs de rotsen te sluipen.”
Dien ten gevolge klom hij, niet zonder groote moeite, naar beneden en sloop tusschen de rotsen en den opkomenden vloed voort, nu eens naar boven starende of zijne gangen van de hoogte ook nagegaan werden, dan weder angstig in zee uitziende, of hij ook eene boot ontdekte, waaruit men hem op zijn weg kon bespieden. Maar zelfs de vrees voor eigene veiligheid zweeg eenige oogenblikken, toen hij de plaats voorbijging, waar men Kennedy’s lijk gevonden had. Het stuk rots, dat met of na den ongelukkige van boven van de rots gestort was, lag nog op dezelfde plaats. Het was nu met kleine schelpen bedekt en met onkruid en zeegras bewassen, maar steeds nog door vorm en hoedanigheid onderscheiden van de overige rotsblokken, die hier lagen. Hij had, zoo als men gereedelijk gelooven zal, deze plek tot hiertoe zorgvuldig vermeden, zoo dat hem, toen hij nu voor de eerste maal na dien ongelukkigen dag hier kwam, het geheele tooneel met al de ijselijke bijzonderheden plotseling weder voor den geest kwam. Hij herinnerde zich, hoe hij als een misdadiger uit den nabij gelegen schuilhoek geslopen was en zich ijlings, maar voorzichtig, onder de verschrikte menigte, die het lijk omringde, gemengd had, steeds vreezende dat iemand hem vragen zou van waar hij toch gekomen was. Ook herinnerde hij zich, hoe hij, bij het bewustzijn zijner schuld, zijne blikken zorgvuldig van het verschrikkelijk schouwspel afgewend had. Het angstgeschrei van zijn weldoener: „Ach mijn kind, mijn kind!” klonk hem weder in de ooren. „Goede hemel!” riep hij uit, „hoe weinig kan alles, wat ik gewonnen heb, tegen den doodsangst van dat oogenblik en tegen de onophoudelijke vrees en schrik, die mijn leven sedert dien tijd verbitterd hebben, opwegen! O, mocht ik liggen, waar die ongelukkige ligt, en hij levend en gezond hier staan! – Maar al deze klachten komen te laat!”
Hij streefde dus deze opwellingen van zijn gevoel te onderdrukken en sloop naar het hol, hetwelk zoo nabij de plaats was, waar het lijk gevonden werd, dat de smokkelaars in hun schuilhoek de verschillende gissingen der omstanders aangaande het lot van hun slachtoffer konden hooren. Maar niets kon beter verborgen wezen, dan de ingang van hun schuilplaats. De kleine opening, nauwelijks grooter dan een vossenhol, was in de vóorzijde van de klip, achter een groote zwarte rots, of liever een rechtop staande steen, die den ingang voor vreemdelingen verborg en tevens voor hen, die hier hunne bekende schuilplaats zochten, tot een baken diende. De ruimte tusschen den steen en de klip was zeer klein en zoodanig met zand en puin opgevuld, dat men, zelfs bij het nauwkeurigst onderzoek, den ingang van het hol niet kon ontdekken, zonder alles, wat hier door den vloed opgehoopt was, weg te ruimen. Om den ingang steeds verborgen te houden, hadden de sluikhandelaars, die het hol bezochten, de gewoonte, zoodra zij in hun sluiphoek waren, om de opening met verdord zeegras losjes aan te vullen, even als of het door de golven aangespoeld was. Dirk Hatteraick had deze voorzorg ook niet vergeten.
Glossin, ofschoon overigens een stoutmoedig en onversaagd man, voelde toch zijn hart kloppen en zijne knieën beven, toen hij zich gereed maakte in deze schuilplaats der verborgene boosheid te sluipen, om met een booswicht, dien hij terecht voor een’ der vermetelste en verdorvenste menschen hield, te onderhandelen. „Maar het is immers zijn belang niet, om mij leed te doen,” dacht hij tot zijne geruststelling. Hij liet echter niet na zijne zakpistolen te onderzoeken, voor dat hij het gras wegruimde en op handen en voeten in het hol kroop. De ingang, die in het begin zoo laag en nauw was, dat een man er maar juist door kon kruipen, werd na eenige weinige ellen ruimer en eindigde in een hoog en zeer ruim gewelf, welks zacht opklimmende bodem met het zuiverste zand bedekt was. Vóor dat Glossin weder op de beenen was, riep Hatteraick hem reeds met eene schorre, ofschoon gesmoorde stem, die door het hol klonk, toe: „Wat hagel! zijt gij het?”
„Zijt gij in het donker?”
„In het donker? de duivel! ja; hoe zou ik licht krijgen?”