Chapter 33 of 43 · 3902 words · ~20 min read

Part 33

Bertram’s nieuwsgierigheid werd eenigszins tot bedaren gebracht door het verschijnen van het avondmaal, dat, ofschoon slechts eenvoudige kost, zich door eene uitstekende zindelijkheid, welke der kookkunst van vrouw Mac-Guffog geheel en al ontbrak, aanbeval. Dinmont, die zeide dat hij den geheelen dag gereden had zonder iets te gebruiken sedert het ontbijt, „waarvan het de moeite waard zou zijn te spreken,” (hieronder verstond hij een paar pond koud vleesch, dat hij op zijne middags pleisterplaats genuttigd had) – Dinmont, zeggen wij, viel moedig op het lekkere maal aan, en sprak, als een Homerische held, weinig, goeds noch kwaads, vóor dat honger en dorst gestild waren. Eindelijk zeide hij, na eene lange teug bier en wijzende op de armzalige overblijfsels van een gebraden kip: „voor een steedsche vogel was het niet slecht, ofschoon het bij onze kippen te Charlies-hope niet vergeleken kan worden, en het verheugt mij, ritmeester, dat deze tegenspoed u den eetlust niet benomen heeft.”

„Mijn middagmaal was ook niet zoo lekker, dat ik mijn avondmaal daardoor bederven zou.”

„Dat geloof ik wel; dat geloof ik wel,” hernam Dinmont en wendde zich nu tot de dienstmaagd: „hoor eens, meisje, nu gij ons brandewijn, heet water, suiker en al het noodige gebracht hebt, kunt gij de deur wel sluiten; wij wilden nu alleen zijn en over onze zaken spreken.”

Het meisje vertrok, sloot de deur en schoof er, tot meerdere zekerheid, nog een zwaren grendel aan den buitenkant voor. Zoodra zij heen gegaan was, ging Dandie de posten verkennen en luisterde door het sleutelgat. Toen hij zich overtuigd had, dat zij niet beluisterd werden, ging hij naar de tafel terug, maakte, zoo als hij het noemde, eene flinke hartsterking gereed, wakkerde het vuur wat op en begon zijn verhaal op een ernstigen, veelbeteekenenden toon, wat bij hem iets zeer ongewoons was.

„Hoor eens, ritmeester, ik was een paar dagen in Edinburg geweest, om de begrafenis van een vriend, dien wij verloren hebben, bij te wonen. Ik dacht ook nog iets voor mijn rid te krijgen; maar dat was mis. Maar, wie kan dat helpen? Ik had buitendien ook eene kleine rechtszaak, maar die was nog niet beslist en daarover behoef ik niet te praten. Om kort te gaan, ik had mijne zaken afgedaan en kwam weder te huis. Den volgenden morgen ging ik uit, om naar het vee te zien, en toen dacht ik, dat ik ook wel eens naar de weide op den top van den Touthoprigg, waarover Jock van Dawstoncleugh en ik dat proces hebben, kon gaan; en zie, juist toen ik daar kwam, zag ik een man voor mij staan, die, zoo als ik best zien kon, niet tot onze herders behoorde, en het is een zeldzaam iets, hier iemand anders te ontmoeten. Toen ik bij hem kwam, ontdekte ik dat het Gabriël de vossenjager was. Dit verwonderde mij zeer en ik vroeg hem: Wat doet gij hier onder de kraaien en zonder uwe honden, man? zoekt gij den vos zonder honden?”

„Neen, neen!” antwoordde hij, „ik zocht juist naar u.”

„Zoo,” zeide ik, „dan hebt gij zeker iets noodig om den winter door te komen?”

„Neen, neen!” zeide hij, „dat zoek ik niet. Maar gij stelt veel belang in dien kapitein Brown, die hier bij u geweest is, niet waar?”

„Dat doe ik wel degelijk, Gabriël!” zeide ik, „en wat is er met hem te doen?”

Toen zeide hij: „Er zijn ook anderen, die belang in hem stellen, en ook iemand, dien ik moet gehoorzamen; en het is mijn eigen wil niet dat ik hier ben, om u iets van hem te zeggen, dat u niet aanstaan zal.”

„Zoo!” zeide ik, „niets staat mij aan, dat hem onaangenaam is.”

„Dan zal het u zeker niet best bevallen,” zeide hij, „te hooren, dat hij waarschijnlijk in de gevangenis te Portanferry komt, als hij zich niet in acht neemt: want er is bevel gegeven, om hem gevangen te nemen, zoodra hij over het water van Allonby komt. Als gij het dus goed met hem meent, moet gij naar Portanferry rijden en geen gras onder de hoeven van uw paard laten groeien, en als gij hem in de gevangenis vindt, moet gij een paar dagen, nacht en dag, bij hem blijven: want hij zal vrienden noodig hebben, die beide hart en hand hebben. En als gij dit verzuimt, zal het u slechts eenmaal berouwen: want uw berouw zal uw geheele leven lang duren.”

„De hemel beware ons, Gabriël!” zeide ik; „hoe hebt gij dit alles vernomen? het is een lange weg van hier naar Portanferry.”

„Bekommer u daar niet over,” zeide hij; „zij, die ons die tijding brachten, hebben nacht en dag gereden en gij moet u oogenblikkelijk op weg begeven, indien u eenig goed wilt doen; en nu heb ik u niets meer te zeggen.” –

En daarop holde hij naar beneden in het dal, waar ik hem met mijn paard bezwaarlijk volgen kon; en ik keerde terug naar Charlies-hope, om het mijne vrouw te vertellen, want ik wist niet, wat te doen. Ik dacht, het zou toch gek zijn, als ik mij door zulk een’ landlooper liet foppen. Maar, lieve hemel! toen moest gij mijn vrouwtje gehoord hebben! Die zette een keel op! Het zou schande zijn, zeide zij, als u een ongeluk overkwam en ik u had kunnen helpen; en toen kwam uw brief, die alles bevestigde. Dus ging ik dadelijk naar de geldkist en nam er een pakje banknoten uit, die misschien noodig zouden zijn, en alle kinderen liepen naar den stal, om mijn paard op te zadelen. Bij geluk had ik een ander paard naar Edinburg medegenomen; dus was dit zoo frisch als eene roos. Zoo begaf ik mij op reis en nam Wesp met mij (men zou bijna denken, dat het arme dier wist, waar ik heen ging), en nu ben ik hier, na een rid van ten naastenbij twintig uren.

Bertram begreep uit dit vreemd verhaal duidelijk (verondersteld, dat de waarschuwing goed gemeend was), dat hem een grooter en vreeselijker gevaar boven het hoofd hing, dan uit eene gevangenhouding van weinige dagen scheen te kunnen ontstaan. Het was tevens even blijkbaar, dat een onbekend vriend ten zijnen behoeve werkzaam was. „Zeidet gij niet,” vroeg hij Dinmont, „dat deze Gabriël van Heidensch bloed was?”

„Zoo zegt men,” antwoordde Dinmont, „en dit maakt het, dunkt mij, zeer waarschijnlijk: want die weten elkander altijd te vinden en kunnen de tijdingen als een bal door het land laten vliegen, zoo als zij willen. En ik heb nog vergeten u te zeggen, dat er veel naar het oude wijf, dat wij te Bewcastle gezien hebben, gezocht en gevraagd is. De sheriff heeft haar zijn volk over de Limestaner berg, naar de Hermitage en langs de Liddel en overal achterna gezonden en eene belooning van vijftig pond voor haar aanhouding uitgeloofd, indien zij terugkwam; de vrederechter Forster heeft ook, zoo als ik gehoord heb, bevel tot hare inhechtenisneming in Cumberland rondgezonden en haar op alle wegen laten zoeken; maar men zal haar daarom toch niet krijgen, als zij niet wil.”

„Hoe komt dat?” hernam Bertram.

„Ja, dat weet ik niet. Ik zeg, dat het ongerijmd is, maar de menschen zeggen, dat zij zaad van varenkruid verzameld heeft en door elke deur kan sluipen en overal heen kan komen, als zij verkiest, even zoo als Jack, de reuzendooder in het oude verhaal, met zijn kleed van onzichtbaarheid en zijne zevenmijls-laarzen. Zij is, zoo als de menschen zeggen, eene soort van koningin onder de Heidenen en meer dan honderd jaren oud; en weet nog als ooggetuige van de partijgangers uit de onrustige tijden, toen de Stuart’s weggejaagd werden, te verhalen. Indien zij zich zelve dan niet verbergen kan, kunnen anderen haar wel verbergen; daar is geen twijfel aan. Ja! had ik geweten dat het Meg Merrilies was, die wij dien avond bij Tibb Mumps aantroffen, dan zou ik haar wel vriendelijker behandeld hebben!”

Bertram luisterde zeer opmerkzaam naar dit verhaal, dat in vele opzichten met alles, wat hij zelf van deze Heidin gezien had, zoo goed overeenkwam. Na eenig overleg begreep hij, dat het niet als trouweloosheid behoefde aangemerkt te worden, indien hij datgene, wat hij te Derncleugh gezien had, aan een man verhaalde, die zoo veel ontzag voor de Heidin had, als Dinmont blijkbaar betoonde. Hij verhaalde hem dus zijn avontuur, waarbij hij dikwijls door zijn vriend gestoord werd, die zijne verwondering door uitroepingen, zoo als: „Wie heeft ooit zoo iets gehoord!” of, „De drommel, wie kon zoo iets denken?” lucht gaf.

Toen Dinmont het geheele verhaal gehoord had, schudde hij de zwarte lokken en zeide; „Ja, ik houd staande, dat er zoo wel goeds als kwaads onder de Heidenen is; en hebben zij gemeenschap met den booze, dat is hunne zaak, en niet de onze. Ik weet best, welke grillen zij met hunne dooden hebben. Wanneer een van die drommelsche smokkelaars in een gevecht sneuvelt, laten zij, hoe ver zij er somtijds ook om moeten loopen, een wijf, zoo als Meg, halen, om het lijk te kleeden. Dat is de geheele plechtigheid, waarom zij zich bij de begrafenis bekommeren: want dan stoppen zij het zonder verdere plechtigheden als een’ hond onder den grond. Maar, zij zijn er op gesteld, dat het lijk naar hunne manier behoorlijk in orde gebracht wordt en dat er bij het sterven zulk een oud wijf tegenwoordig is, om gebeden en oude liedjes en tooverspreuken, zoo als zij ze noemen, op te zeggen; maar een geestelijke, die met en voor hen bidt, verkiezen zij niet. Zij blijven bij hunne oude gewoonte. En ik geloof zeker, dat die stervende één van de mannen geweest is, die gekwetst zijn, toen Woodbourne afgebrand is.”

„Maar, waarde vriend, Woodbourne is niet afgebrand!”

„Des te beter voor hen, die het huis bewonen. Bij ons heeft men verhaald, dat het geheel verwoest en er geen steen op den ander gebleven was. Maar er is toch gevochten en, ik durf wel zeggen, hevig gevochten. En, zoo als ik gezegd heb, gij kunt er gerust op wezen, dat die man daarbij doodelijk gekwetst is en dat het Heidenen zijn, die uw valies gestolen hebben, toen zij het rijtuig in de sneeuw vast vonden zitten. Zoo’n goede gelegenheid laten zij niet licht voorbijgaan; het was juist een kolfje raar hun hand.”

„Maar als die vrouw met zoo veel gezag onder hen bekleed is, waarom kon zij mij dan niet openlijk in bescherming nemen en mij mijn eigendom doen teruggeven?”

„Ja, wie weet dàt? zij heeft veel over hen te zeggen, maar zij gaan toch hun eigen gang, als zij in verzoeking komen. En dan waren er ook smokkelaars bij; misschien had zij over hen zoo veel niet te zeggen. Dat is alles ééne bende, en men zegt, dat de Heidenen beter weten wanneer en waar de smokkelaars zullen landen, dan de kooplieden zelve, met wie zij handel drijven. Dan komt hier nog bij, dat die oude Meg soms wonderlijk en niet goed bij haar verstand is. Men zegt, dat zij zelve, hare waarzeggerijen mogen dan waar of valsch zijn, vast en zeker daaraan gelooft en zich steeds naar de eene of andere wonderlijke voorspelling regelt. Dus gaat zij nooit langs den rechten weg tot haar doel. – Maar de drommel hale mij, als ik zulk eene geschiedenis, als de uwe, met dat getier, dat lijk en dat verdwalen, ooit in een boek gelezen heb! Doch stil, ik hoor den cipier komen!”

Mac-Guffog kwam hen inderdaad door het geraas van slot en grendel in hun gesprek storen, stak zijn hoofd binnen de deur en zeide: „Kom, Mijnheer Dinmont! wij hebben, om u genoegen te doen, het sluiten reeds een uur uitgesteld; gij moet nu naar uwe herberg gaan.”

„Naar mijne herberg, man? Ik denk van nacht hier te slapen. Er is nog een bed over in deze kamer.”

„Dat is onmogelijk,” hernam de cipier.

„Maar ik zeg, dat het wel mogelijk is en dat ik hier niet van daan ga. Daar, drink eens!”

Mac-Guffog dronk en opperde op nieuw zijne bezwaren. „Het is tegen den regel, Mijnheer Dinmont! gij hebt u aan geene misdaad schuldig gemaakt.”

„Ik sla je de hersens in, als gij nog langer tegenspreekt, en die misdaad zal wel groot genoeg wezen, om mij recht op een nachtverblijf hier te verschaffen.”

„Maar ik zeg u,” herhaalde de cipier, „dat het tegen den regel is en ik er mijn post door zou kunnen verliezen.”

„Hoor, Mac-Guffog; ik heb u slechts twee woorden te zeggen. Gij weet wel, wie ik ben, en dat ik geen gevangene zal helpen ontsnappen.”

„En hoe zou ik dat weten?”

„Goed; als gij dat niet weet, dan weet gij toch wel wat anders. Gij weet, dat gij soms om uwe zaken in ons dal komt; indien gij mij nu gerust hier bij den kapitein laat, zal ik u mijne huisvesting dubbel betalen; als gij „neen” zegt, dan krijgt gij de eerste maal, dat gij weder een voet in het Liddesdal zet, het heerlijkste pak slagen, dat gij ooit van uw leven gehad hebt.”

„Bedaard, bedaard, Mijnheer Dinmont!” hernam, Mac-Guffog. „Een’ stijfkop moet men zijn zin wel geven. Maar als ik daarvoor bestraft word, dan weet ik wel, wie daarvoor boeten zal.” Hij bevestigde deze betuiging met een paar krachtige vloeken en begaf zich te bed, nadat hij alle deuren zorgvuldig gesloten had. De klok van den kerktoren sloeg juist negen uur.

Na het vertrek van den cipier zeide Dinmont, die opgemerkt had, dat zijn vriend er eenigszins bleek en vermoeid uitzag: „Ofschoon het nog vroeg is, moesten wij ons, dunkt me, maar nederleggen, kapitein, als gij geen tweede flesch verkiest te ledigen. Maar gij zijt geen sterke drinker en ik ook niet, tenzij ik vroolijk onder mijne buren, of op een pretje uit ben.”

Bertram stemde gaarne hierin toe, maar gevoelde, toen hij het bed beschouwde, zeer weinig lust om zich ontkleed op het schoone linnen van vrouw Mac-Guffog neder te leggen.

„Ik ben van hetzelfde gevoelen, kapitein,” zeide Dinmont, „dit bed ziet er uit, alsof er een dozijn mijngravers te gelijk in gelegen hadden. Maar door mijn dikken jas zal het niet heen dringen.”

Met deze woorden wierp hij zich zoo zwaar op het zwakke bed neder, dat al het houtwerk kraakte, en hij gaf weinige minuten daarna hoorbare bewijzen dat hij in een diepen slaap gedompeld was. Bertram trok rok en laarzen uit en legde zich op het andere bed neder. Het vreemde van zijn lot, en de geheimzinnige duisternis, waaronder het gesluierd was, daar hij te gelijker tijd door onbekende vijanden vervolgd en door onbekende vrienden, beiden uit eene volksklasse, waarmede hij vroeger in geenerhande betrekking had gestaan, beschermd scheen te worden, hielden zijn geest geruimen tijd bezig. Vermoeidheid bracht hem echter langzamerhand tot bedaren en hij viel weldra in een even diepen slaap, als zijn getrouwe vriend.

In dezen gerusten staat van vergetelheid moeten wij hem thans verlaten, om ons met andere omstandigheden, welke omstreeks denzelfden tijd plaats hadden, bezig te houden.

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

– Zegt van waar Gij deze vreemd’ berichten hebt ontleend? Waarom houdt ge ons staande op deze dorre hei? Waarom begroet gij ons met voorspellingen? Spreekt, ik beveel het u!

Shakspeare.

Op den avond van denzelfden dag, waarop Bertram’s verhoor plaats had gehad, kwam Mannering van Edinburg te Woodbourne terug. Hij vond zijne huisgenooten in hun gewonen toestand, wat ten minste ten opzichte van Julia waarschijnlijk het geval niet zou zijn geweest, als zij iets van Bertram’s gevangenneming geweten had. Maar daar de beide jonge dames gedurende de afwezigheid van den kolonel zeer stil en eenzaam geleefd hadden, was dit bericht gelukkig nog niet tot Woodbourne doorgedrongen. Lucie Bertram was reeds vroeger door een brief van de verijdeling harer hoop op de nalatenschap van hare nicht onderricht. Deze teleurstelling, welke verwachtingen hierdoor ook vernietigd mochten zijn, belette haar evenwel niet, den kolonel met dezelfde opgeruimdheid en blijmoedigheid te ontvangen, als hare vriendin. Zij wilde hem hier bewijzen, hoe diep zij zijne vaderlijke genegenheid gevoelde, en betuigde hem haar oprecht leedwezen, dat hij in dit jaargetijde om harentwil eene zoo vergeefsche reis ondernomen had.

„Dat ze voor u vruchteloos geweest is, mijne waarde, spijt mij zeer,” antwoordde de kolonel: „maar ik heb zulke uitnemende kennissen gemaakt en mijn tijd in Edinburg zoo aangenaam doorgebracht, dat er in dit opzicht niets te betreuren valt. Zelfs onze vriend Sampson is een geheel ander man geworden, sedert hij zijn geest door het strijden tegen de grootste vernuften van de noordsche hoofdstad geslepen heeft.”

„Zeker,” zei de dominé met een innig zelfbehagen, „ik heb gestreden en ben niet overwonnen, hoe listig mijne tegenpartij ook was.”

„De strijd zal misschien wel wat hachelijk geweest zijn, Mijnheer Sampson!” merkte Julia Mannering op.

„Zeer hachelijk, jonge dame! – hoewel ik mijne lendenen omgordde en alle mijne krachten inspande.”

„Ik kan getuigen,” hernam de kolonel, „dat ik nooit een gevecht gezien heb, waarin van weerskanten beter gevochten werd. De vijand was als de ruiterij der Mahratten; hij viel aan alle zijden aan en gaf geen enkel zwak punt aan het geschut bloot; maar Mijnheer Sampson hield toch stand bij zijn geschut en vuurde er frisch op los, nu op den vijand en dan op de stofwolken, welke hij verwekt had. Voor heden avond zullen wij onze gevechten echter staken; morgen, bij het ontbijt, zullen wij u alles uitvoerig verhalen.”

Den volgenden morgen verscheen echter Sampson niet bij het ontbijt. Een bediende zeide, dat hij des morgens zeer vroeg uitgegaan was. Men was er reeds zoozeer aan gewoon dat hij eten en drinken vergat, dat zijne afwezigheid geene stoornis in de huishouding te weeg bracht. De oude, deftige, presbteriaanschgezinde huishoudster, die den diepsten eerbied voor den geleerden geestelijke koesterde, moest er bij zulke gelegenheden voor zorgen, dat hij door zijne afgetrokkenheid niet te kort kwam, en paste er bij zijne terugkomst gewoonlijk op, hem aan zijne aardsche behoeften te herinneren en daarin te voorzien. Het gebeurde echter zelden, dat hij, zoo als heden het geval was, twee maaltijden achtereen verzuimde. Wij moeten dit vreemde geval nader verklaren.

Het gesprek van Pleydell met Mannering over het verdwijnen van Hendrik Bertram, had bij Sampson de diepen smart, welke dit ongeluk hem veroorzaakt had, weder levendig opgewekt. Zijn eigen liefderijk hart beschuldigde hem nog altijd, dat zijne onachtzaamheid, toen hij den knaap aan de zorg van Frans Kennedy overgaf, de naaste oorzaak was van het vermoorden van den éen, van het verdwijnen van den ander, van den dood van Mevrouw Bertram en van het verval van de familie van zijn beschermer. Nooit sprak hij over deze zaak (indien men de wijze, waarop hij zich gewoonlijk uitdrukte, spreken noemen kan), maar hield zich in zijn gemoed dikwijls daarmede bezig. De hoop, welke de oude Juffrouw Bertram in haar uitersten wil zoo bepaald en stellig uitgedrukt had, wekte een soortgelijk gevoel bij Sampson op, dat door de minachting waarmede Pleydell er over sprak, en het ongeloof, hetwelk hij dienaangaande aan den dag legde, in angstige beklemdheid overging. „Hij is zeker een geleerd en in de gewichtige kennis van het recht zeer ervaren man,” dacht Sampson, „maar tevens een luimige zonderling en zeer lichtvaardig in het spreken. En hoe kan hij zoo beslissend en uit de hoogte over de door de waardige Margaretha Bertram van Singleside uitgedrukte hoop oordeelen?”

Dit alles, herhaal ik, dacht de Dominé in zijn hart, want had hij slechts de helft der opgeschreven woorden uitgesproken, zouden hem de kaken wekenlang zeer gedaan hebben na de vermoeienis van zulk een ongewone inspanning.

De uitkomst van zijne overpeinzingen echter was het besluit, om de schouwplaats van het treurspel bij kaap Warroch, waar hij in vele jaren, en wel in het geheel niet sedert die ongelukkige gebeurtenis, geweest was, te bezoeken. De weg was vrij ver, daar kaap Warroch aan het uiterste einde van het grondgebied van Ellangowan, dat aan Woodbourne grensde, gelegen was. Bovendien verdwaalde de goede Sampson meer dan eenmaal, en kwam hij beken, die door het smelten der sneeuw woedende stroomen geworden waren, waar de goede man, daar hij deze plaats nooit in den zomer bezocht had, slechts zachtvlietende beekjes dacht te vinden.

Eindelijk bereikte hij het bosch, het doel zijner wandeling, en dwaalde er in rond, terwijl hij zich iedere omstandigheid van het ongelukkige voorval, met inspanning van zijn geheel denkvermogen, trachtte te herinneren. Men zal gereedelijk gelooven, dat de beschouwing van het treurtooneel en de herinneringen, welke zich hier aan hem opdrongen, geene andere aandoeningen in hem opwekten, dan hem bij het ongeval zelf overstelpten. Onder zware en diepe zuchten keerde hij eindelijk, vermoeid van zijne vergeefsche bedevaart, naar Woodbourne terug. Door een scherpen honger gekweld, kwam ook soms de vraag bij hem op, of hij dien morgen ontbeten had, of niet? Onder zulke afwisselende aandoeningen, nu aan het verlies van het kind en dan weder onwillekeurig aan koud vleesch en warme, dikgesmeerde broodjes denkende, kwam hij langs een anderen weg, dan hij des morgens gevolgd had, voorbij den kleinen vervallen toren, door de landlieden gewoonlijk de Kaim van Derncleugh genoemd. De lezer zal zich wellicht uit het zeven en twintigste hoofdstuk van dit werk de beschrijving van het gewelf in deze ruïne herinneren, waarin de jonge Bertram onder de bescherming van Meg Merrilies, getuige was geweest van den dood van Hatteraick’s luitenant.

Het huiveringwekkende gevoel, dat deze plaats reeds op zich zelve inboezemde, werd nog zeer vermeerderd door allerhande geest- en spookvertellingen, die onder de landlieden in omloop waren en door de Heidenen, die zoo lang hier in de streek gewoond hadden, tot hun eigen voordeel verzonnen, of ten minste verspreid waren. In de oude duistere tijden der Schotsche onafhankelijkheid, dus luidde het volksverhaal, had zekere Hanlon Mac-Dingawaie zijn broeder Knarth Mac-Dingawaie, regeerend opperhoofd, vermoord ten einde de opperheerschappij, welke hierdoor in handen van zijn onmondigen neef kwam, te overweldigen. Daar echter de getrouwe aanhangers en bondgenooten van het geslacht zich de zaak van den rechtmatigen erfgenaam aantrokken en den moordenaar, om diens euveldaad te wreken, hevig vervolgden, zag hij zich gedwongen, met eenige weinige medeplichtigen in dezen onneembaren toren te vluchten. Hier verdedigden zij zich hardnekkig, tot zij eindelijk door hongersnood tot het uiterste gebracht, het gebouw in brand staken en zich allen wanhopig met hunne eigene zwaarden van het leven beroofden, ten einde niet in handen van hunne verbitterde vijanden te vallen. Dit verhaal, dat misschien eene geschiedkundige waarheid uit die woeste tijden ten grondslag had, was met zoo vele verschrikkelijke spookvertellingen versierd, dat de meeste landlieden uit de nabuurschap liever een grooten omweg maakten, dan dezen beruchten spooktoren voorbij te gaan, als zij in dit oord door den nacht overvallen werden. De lichten, welke dikwijls bij den toren gezien werden, wanneer landloopers eene schuilplaats daar zochten, werden, ten gevolge van deze spookvertellingen, gewoonlijk op eene voor de belanghebbenden zeer gunstige en tevens voor het algemeen voldoende wijze verklaard.

De eerlijke Sampson was, bij al zijne geleerdheid en diepe kennis der wiskunst, evenwel geen zoo groot wijsgeer, dat hij aan de waarheid van spookerij en geestverschijningen twijfelde. In een tijd geboren, waarin het twijfelen aan het bestaan van heksen als een bewijs voor hare helsche practijken aangemerkt werd, was hem het geloof aan zulke sprookjes, onafscheidbaar verbonden met zijn godsdienstig geloof ingeprent; en het zou misschien even moeielijk geweest zijn, hem aan het een als aan het ander te doen twijfelen. Met deze gevoelens kon de goede Sampson den ouden toren van Derncleugh bij het vallen van den avond van een donkeren neveligen dag niet zonder huivering voorbijgaan.