Chapter 20 of 43 · 3924 words · ~20 min read

Part 20

Als schoolvriendinnen, in der kindschheid onschuld, Hebben we, Hermia, gelijk aan twee godinnen, Op een stuk doek de bloem geschapen Met onze naalden. Op een kussen zittend Hebben we hetzelfde lied gezamenlijk gezongen, In handenarbeid, stem, gedachte en beweging Steeds eensgezind.

Shakspeare.

Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.

„Hoe is het mogelijk, waarde Mathilda, dat gij mij verdenkt, alsof mijne vriendschap verkoeld en mijne genegenheid onbestendig ware? Zou ik kunnen vergeten, dat gij de vriendin zijt, de uitverkorene van mijn hart, in wier trouwen boezem ik ieder gevoel, dat uwe arme Julia zich bewust is, uitgestort heb? Even zoo onrechtvaardig beschuldigt gij mij, dat ik uwe vriendschap aan mijne genegenheid voor Lucie Bertram opoffer. Ik verzeker u, dat zij de eigenschappen niet bezit, welke ik in eene boezemvriendin verlang. Zij is zeker een beminnelijk meisje; ik houd veel van haar en ik moet bekennen, dat onze morgen- en avondbezigheden mij minder tijd tot schrijven overgelaten hebben, dan tot onze afgesprokene regelmatige briefwisseling vereischt wordt. – Het ontbreekt haar geheel aan de talenten eener hoogere beschaving, behalve eene meer dan gewone kennis der Fransche en Italiaansche talen, welke zij aan het zeldzaamste menschelijk gedrocht, dat gij ooit gezien hebt, te danken heeft. Dezen man heeft mijn vader als eene soort van bibliothecaris aangesteld en beschermt hem, geloof ik, enkel om te toonen, dat hij zich om het oordeel der wereld niet bekommert. Mijn vader schijnt besloten te hebben, dat niets voor belachelijk gehouden zal worden, zoo lang het hem toebehoort of tot hem in betrekking staat. Zoo herinner ik mij, dat hij in Indië eens ergens een hond met kromme beenen, een langen rug en groote, neerhangende ooren gevonden had. Allen smaak en het gevoelen van anderen ten trots, maakte hij dit leelijke dier tot zijn lieveling en voerde het eens als een bewijs van Brown’s moedwil, zoo als hij het noemde, aan, dat deze het gewaagd had, Bingo’s kromme beenen en hangende ooren te berispen. Op mijn woord, Mathilda, ik geloof dat zijne ingenomenheid met dezen wonderlijken schoolgeleerde op een soortgelijken grond rust. Dit schepsel eet met ons aan tafel, waar hij eerst een gebed uitspreekt op een toon, die bijna even hard klinkt als het geschreeuw van den vischverkooper op het plein. Vervolgens werpt hij het eten bij brokken door de keel, alsof hij eene kar moest laden, waarschijnlijk zonder te beseffen wat hij verzwelgt. Na den maaltijd laat hij weder eenige onnatuurlijke geluiden hooren, welke eene dankzegging moeten verbeelden, verlaat dan met groote schreden de kamer, om zich onder een hoop zware, oude folianten te begraven, die er even zoo onhebbelijk uitzien als hij zelf. Ik zou dit schepsel nog wel mogen lijden, als ik maar iemand bij mij had met wien ik lachen kon; maar als ik slechts iets zeg, dat zelfs maar zweemt naar schertsen over Mijnheer Sampson (zoo is de afschuwelijke naam van den afschuwelijken man), trekt Lucie Bertram zulk een jammerlijk gezicht, dat ik allen moed verlies om verder te gaan, en mijn vader fronst het voorhoofd, zijne oogen schieten vlammen, hij bijt zich op de lip en zegt dan iets, dat zeer krenkend en beleedigend voor mijn gevoel is.

„Maar het was mijn voornemen niet, u over dezen geleerden, zoo wel in de nieuwe als oude talen bedreven man te onderhouden: ik wilde u alleen zeggen, dat hij Lucie Bertram heel grondig in de eerste onderwezen heeft, en ik geloof dat zij het enkel aan haar eigen gezond verstand, of stijfhoofdigheid, te danken heeft, dat zij ook niet Grieksch en Latijn – misschien zelfs Hebreeuwsch, wat weet ik het! – heeft moeten leeren. Zij bezit inderdaad veel kennis en ik verzeker u, dat ik mij dagelijks verwonder over de gave, welke zij schijnt te bezitten, om zich zelve bezig te houden door het vroeger gelezene in hare gedachten terug te roepen en te regelen. Wij lezen elken morgen te zamen en ik begin veel meer van het Italiaansch te houden, dan toen wij – gij en ik namelijk – door dien ingebeelden zot Cicipici (zóó moet zijn naam gespeld worden en niet Chichipichi; gij ziet hieruit, dat ik reeds vrij wat geleerd heb) gekweld werden.

„Maar misschien bemin ik Lucie Bertram minder om de bekwaamheid, welke zij bezit, dan om haar gebrek aan andere talenten. Zij weet niets van de muziek, en van het dansen niet meer dan de geringste boer hier uit den omtrek, waar de landlieden echter, over het algemeen hartstochtelijke dansers zijn. Ik ben dus op mijne beurt ook hare leermeesteres. Zij neemt zeer dankbaar mijn onderricht op het klavier aan en ik heb haar ook reeds eenige passen van onzen dansmeester La Pique geleerd, die mij, zoo als gij weet, voor eene veelbelovende leerling hield.

Des avonds leest mijn vader ons dikwijls iets vóor, en ik verzeker u, dat hij beter poëzie voordraagt, dan iemand anders dien ik ooit gehoord heb, – niet zoo als zekere toneelspeler, die bij het lezen staroogde, het voorhoofd fronste, zijn gezicht verdraaide, met handen en voeten werkte, en zulke hevige gebaren maakte, alsof hij, geheel gekleed, zijne rol op het tooneel speelde. Mijn vader heeft eene geheel andere manier. Hij leest als een beschaafd man, die door gevoel, door smaak, door stembuiging, en niet door gebaren of geschreeuw indruk maakt. Lucie Bertram rijdt bijzonder goed en, door haar voorbeeld aangemoedigd, kan ik haar thans op hare tochtjes te paard vergezellen. Ook gaan wij, in weêrwil van de koude, dikwijls wandelen. Ik heb dus, over het geheel, niet zoo veel tijd meer om te schrijven, als vroeger.

Buitendien, lieve Mathilda, moet ik de gewone verontschuldiging van alle geestelooze briefschrijvers inbrengen, namelijk, dat ik niets te zeggen heb! Mijne hoop, mijne vrees, mijne bezorgdheid aangaande Brown hebben veel van haar gewicht verloren, sedert ik weet, dat hij in vrijheid en gezond is. En mij dunkt ook, dat hij mij nu ook wel eens bericht van zijn doen en laten had mogen geven. Onze betrekking tot elkaâr moge onvoorzichtig zijn; het zou echter in het geheel niet vleiend voor mij zijn, als de heer Van Beest Brown dit het eerst inzag en zich dien ten gevolge terugtrok. Indien hij zoo denkt, kan ik hem verzekeren, dat wij niet veel in gevoelen verschillen: want het komt mij soms voor, dat ik mij in deze zaak zeer onverstandig gedragen heb. Ik heb evenwel zulk eene gunstige gedachte van den armen Brown, dat ik niets anders denken kan, dan dat zijn stilzwijgen door iets bijzonders veroorzaakt wordt.

Maar om weder op Lucie Bertram terug te komen, – Neen, zij kan nooit uwe mededingster in mijne genegenheid worden, liefste Mathilda! en uwe teedere ijverzucht is dus geheel ongegrond. Zij is, ik beken het, een zeer aardig, gevoelig en teêrhartig meisje, en er zijn weinig menschen in wier vriendschap ik, bij wezenlijke rampen, liever troost zoude zoeken. Maar deze overkomen ons zoo zelden, dat men eene vriendin noodig heeft, die zoo wel voor onze ingebeelde ongelukken als voor wezenlijke rampen deelneming betoont. De hemel weet het en gij weet het, lieve Mathilda, dat deze kwalen van het hart even zeer den balsem der deelneming en vriendschap behoeven, als meer zichtbare en ernstige rampen. Lucie Bertram heeft niets van deze vriendelijke deelneming, in het minste niet, lieve Mathilda! Als ik aan de koorts ziek lag, zou zij nacht op nacht bij mij waken, om mij met onvermoeid geduld op te passen; maar voor de koorts van het hart, die mijne Mathilda zoo dikwijls verzacht heeft, heeft zij niet meer gevoel, dan haar oude leermeester. En dit ergert mij nog te meer, daar deze deftige juffer zelve ook een’ minnaar heeft, en dat hunne wederzijdsche genegenheid (want voor wederkeerig houd ik ze) zeer vele bezwaren oplevert, romanesk en daardoor belangwekkend is. Zij was eens, zoo als gij zonder twijfel weet, de erfgename van een groot vermogen, dat, deels door de verkwisting haars vaders, deels door de laagheid van een nietswaardigen, in wien hij blind vertrouwen stelde, verloren gegaan is. Een der schoonste jongelingen, hier in den omtrek, bemint haar; maar, daar hij de erfgenaam van groote goederen is, wil zij, uit hoofde van de ongelijkheid van hun vermogen, zijne liefde niet begunstigen.

Bij al deze bescheidenheid, zelfbeheersching, zedigheid en zoo voort, is Lucie echter een slim meisje. Ik houd mij verzekerd, dat zij den jongen Hazlewood bemint, en even zeker weet ik dat hij het gist, of liever er van overtuigd is, en haar naar alle waarschijnlijkheid tot de bekentenis van hare liefde brengen zou, indien mijn vader, of zij zelve hem hiertoe gelegenheid wilde geven. Maar gij moet weten, dat mijn vader er altijd op uit is, om Lucie Bertram die oplettendheden te bewijzen, welke een jongeling, in de omstandigheden van Hazlewood, anders de beste gelegenheden tot eene verklaring zouden aanbieden. Ik wenschte wel, dat mijn lieve vader er voor zorgde, zich zelven de straf niet op den hals te halen, welke er gewoonlijk op volgt, wanneer men zich, zonder noodzaak, in eens anders zaken mengt. Ik verzeker u, ware ik in Hazlewood’s plaats, ik zou zijne komplimenten, zijne buigingen, dat mantel omhangen, dat shawl omdoen en bij de hand opleiden, niet zonder argwaan aanzien, en waarlijk, ik geloof, dat Hazlewood er soms even zoo over denkt. Verbeeld u nu eens, welk eene zotte figuur uwe arme Julia bij zulke gelegenheden maakt! Hier bewijst mijn vader mijne vriendin alle mogelijke oplettendheden; dáar bewaakt Hazlewood iederen blik uit haar oog, ieder woord, dat van hare lippen vloeit; en ik heb niet eens de ellendige voldoening, de aandacht van éen menschelijk wezen tot mij te trekken, zelfs niet die van onzen wonderlijken geestelijke: want ook deze zit met open mond en vestigt zijne groote, uitpuilende oogen, onbewegelijk als een standbeeld, bewonderend op Lucie Bertram.

Dit alles maakt mij soms boos en soms doet het mijne zenuwen aan. Vóor eenige dagen was ik zoo verstoord op mijn vader en de beide minnenden, omdat zij in het geheel niet aan mij dachten of mijne tegenwoordigheid schenen te bemerken, dat ik een aanval op Hazlewood deed, welken hij, zonder onbeleefd te zijn, niet ontwijken kon. Bij zijne verdediging werd hij ongevoelig warm. Ik verzeker u, Mathilda, dat hij een even geestig, als schoon mensch is, en dat ik mij niet kan herinneren, hem ooit in zulk een voordeelig daglicht gezien te hebben. Maar midden onder ons levendig en aangenaam gesprek trof een zachte zucht van juffer Lucie mijn oor. Ik was veel te edelmoedig, om verder gebruik van mijne overwinning te maken, al ware ik ook niet bang geweest voor mijn vader. Tot mijn geluk was hij juist verdiept in eene uitvoerige beschrijving der bijzondere zeden en gewoonten van zekeren Indiaanschen volkstam, in de binnenlanden, en juist bezig om ze door teekeningen op Lucie Bertram’s borduurpatronen op te helderen, waarvan hij drie geheel en al bedierf, door zijne schetsen der Oostersche kleeding over de teekening van hare patronen heen te maken. Maar ik denk, dat zij op dat oogenblik even weinig aan haar eigen kleed, als aan de Indiaansche tulbanden dacht. Het was echter gelukkig voor mij, dat mijn vader niet alles bemerkte: want hij ziet anders zoo scherp als een valk, en is een gezworen vijand van alles, wat maar eenigszins naar koketterie zweemt.

Hazlewood hoorde dezen nauwelijks hoorbaren zucht ook, Mathilda! Hij kreeg dadelijk berouw over de vluchtige oplettendheden, welke hij op zulk een onwaardig voorwerp als uwe Julia verspild had, en trad met eene waarlijk kluchtige uitdrukking van schuldbewustheid naar de werktafel van Lucie. Hij maakte eene onbeduidende aanmerking en haar antwoord was van dien aard, dat slechts het scherpe oor van een minnenden of nieuwsgierigen opmerker het iets koeler en droger dan gewoonlijk kon vinden. De held, die zich zelven beschuldigde, gevoelde het verwijt en stond beschaamd. Gij zult mij toestemmen, dat de edelmoedigheid van mij vorderde dat ik als bemiddelaarster optrad. Ik mengde mij dus op den kalmen toon van een onoplettenden, onverschilligen derden persoon in het gesprek, bracht het langzamerhand op den gewonen toon en plaatste hen eindelijk, nadat ik eene poos tot middel van gemeenschap, waardoor zij met elkander verkozen te spreken, gediend had, aan het ernstig en diepzinnig schaakspel. Ik ging toen zelve naar mijn vader, die nog steeds met zijne teekeningen bezig was, om hem, volgens mijn plicht, een weinig te plagen. De schaakspelers zaten in onze ruime, ouderwetsche woonkamer, niet ver van den haard, bij eene kleine werktafel; mijn vader op eenigen afstand aan eene groote tafel, waarop het licht stond en eenige boeken lagen. De kamer zelve is rijk aan allerlei donkere hoeken en met sombere, geborduurde tapijten behangen, die dingen voorstellen, welke de kunstenaar, die ze maakte, niet zonder moeite zou kunnen verklaren.

„Vader,” vroeg ik, „is het schaken een zeer onderhoudend spel?”

„Dat zegt men,” antwoordde hij, zonder mij met zijne oplettendheid te verwaardigen.

„Ik maak het op uit de aandacht, die Hazlewood en Lucie er aan wijden.”

Mijn vader keek haastig op en hield het penseel een oogenblik werkeloos in de hand. Waarschijnlijk ontdekte hij niets, dat zijn argwaan opwekte; want hij begon gerust weder voort te teekenen aan de plooien van een Mahrattentulband, toen ik hem weder stoorde met te vragen –

„Hoe oud is Lucie Bertram, vader?”

„Hoe zou ik dat weten? Naar ik veronderstel omstreeks zoo oud, als gij.”

„Ik zou denken, dat zij ouder moet zijn, vader! Gij houdt mij altijd voor, hoeveel beter zij de honneurs bij de theetafel weet waar te nemen, dan ik. Wel, vader! indien gij haar het recht eens gaaft, om altijd de eerste plaats te bekleeden?”

„Hoor, lieve Julia, gij zijt of eene volslagene zottin, of gij hebt meer lust om kwaad te stichten, dan ik tot nog toe van u gedacht heb.”

„O lieve vader! leg, wat ik zeg, op het gunstigst uit. Om alles in de wereld zou ik voor geene zottin gehouden willen worden.”

„Maar waarom spreekt gij dan als eene zottin?”

„Wel vader, ik vind waarlijk niet dat, hetgeen ik zoo even gezegd heb, zoo dwaas is. Een ieder weet, dat gij een zeer schoon man zijt” (een glimlach werd even zichtbaar), „namelijk voor uw leeftijd,” (hier betrok zijn gelaat weder), „welke nog geenszins ver gevorderd kan genoemd worden, en ik weet wezenlijk niet, waarom gij uwe neiging, indien gij er lust toe hebt, niet zoudt volgen. Ik gevoel, dat ik maar een onbezonnen meisje ben, en indien eene meer ernstige gezellin u gelukkiger kon maken –”

Mijn vader vatte mijne hand met een mengsel van misnoegen en liefderijken ernst, waarin eene scherpe berisping over mijn schertsen met zijn gevoel voor mij opgesloten lag. „Julia!” zeide hij, „ik zie veel van uwen moedwil door de vingers, daar ik me verbeeld dat ik het eenigermate verdiend heb, door niet nauwkeurig genoeg op uwe opvoeding te hebben gelet. Ik wil echter niet dat gij uw overmoed bij zulk een teeder onderwerp den teugel viert. Indien gij het gevoel van uwen vader jegens uwe gestorvene moeder niet eerbiedigt, vergeet dan ten minste de geheiligde rechten van het ongeluk niet, en bedenk dat Lucie Bertram, indien slechts éen woord van zulk eene scherts haar ter ooren kwam, zich gedwongen zou zien, hare tegenwoordige schuilplaats te verlaten en zich, zonder beschermer, in eene wereld te begeven, welke zij reeds als zoo onvriendelijk heeft leeren kennen.”

Wat kon ik hierop antwoordden, Mathilda? Ik weende oprechte tranen, bad om vergiffenis en beloofde in het vervolg een zoet kind te zijn. En zoo sta ik hier weder geheel alleen: want mijne eer en mijne goedaardigheid veroorloven mij nu niet de arme Lucie weder door schertsende aanvallen op Hazlewood te kwellen, ofschoon zij het, door haar gebrek aan vertrouwen jegens mij, wel verdiende, en even weinig kan ik het, na dit ernstig tooneel, wagen, met mijn vader over dit teedere punt te spreken. Tot tijdverdrijf steek ik nu kleine rolletjes papier in den brand, doof ze weder uit en teeken met het zwartgebrande eind Turken-koppen op visite kaartjes (ik verzeker u, dat mij gisteren avond de trotsche kop van Hyder Aly boven verwachting gelukt is): ik rammel op mijn ongelukkig klavier en neem tusschenbeide een ernstig boek in de hand, dat ik van achteren af begin te lezen.

Intusschen begint Brown’s stilzwijgen mij zeer te verontrusten. Ware hij gedwongen, dit oord te verlaten, dan zoude hij mij zeker geschreven hebben. Zou mijn vader misschien zijne brieven onderschept hebben? Doch neen, dat strijdt volstrekt tegen zijne grondbeginsels. Ik geloof niet, dat hij een brief, die heden avond aan mij gezonden werd zou openen, zelfs indien hij daardoor verhoeden kon, dat ik morgen uit het venster sprong. – Welk eene uitdrukking is daar aan mijne pen ontsnapt! Ik moest mij schamen, dat ik mij die zelfs jegens u Mathilda, en ook slechts in scherts, heb laten ontvallen. Maar ik kan het niet zeer verdienstelijk vinden, dat ik handel zoo als het behoort. Deze Mijnheer Van Beest Brown is immers geenszins zulk een vurig minnaar, dat hij het voorwerp zijner genegenheid door overijling tot zulke onberadene stappen zou verleiden. Men moet bekennen, dat hij overvloedig tijd gebruikt, om alles goed te overleggen. Ik wil hem evenwel niet ongehoord veroordeelen, noch twijfelen aan de mannelijke vastheid van een karakter, dat ik zoo dikwijls bij u geprezen heb. Ware hij in staat te twijfelen of te vreezen, of kon ik hem slechts van de schaduw van onbestendigheid beschuldigen, dan zou ik zijn verlies weinig beklagen.

En waarom, zult gij zeggen, waarom bekommer ik mij om hetgeen Hazlewood doet, of aan wie hij zijne oplettendheden bewijst, indien ik zulk eene vaste en onwankelbare liefde van mijn eigen minnaar verwacht? Ik vraag het mij zelve elken dag honderdmalen, en krijg steeds het zeer onnoozele antwoord, dat men niet gaarne verwaarloosd wil worden, ofschoon men geenszins de oorzaak van eene wezenlijke ongetrouwheid zou willen zijn.

Ik schrijf u alle deze kleinigheden, omdat gij zegt dat ze u vermaken: maar het verwondert mij hoe ze u dit kunnen doen. Ik herinner mij, hoe gij bij onze geheimzinnige reizen naar de wereld der verdichting, altijd het groote en romaneske bewonderdet, geschiedenissen van ridders, dwergen, reuzen, gevangene jonkvrouwen, waarzeggers, verschijningen, waarschuwende geesten en bloedige handen – terwijl ìk steeds met de ingewikkelde intrigues van het gewone leven en slechts met zooveel van het bovennatuurlijke ingenomen was, als aan een Oosterschen genius of eene weldadige toovergodin toegeschreven wordt. Gij wenschtet, dat uw levensloop u op den grooten oceaan, waar doodelijke stilte met huilenden storm, wervelwinden en hemelhooge golven afwisselen, mocht voeren, terwijl ik liever bij eene frissche koelte met mijn scheepje op een binnenlandsch meer of stille baai wilde zeilen, waar de vaart bezwaarlijk genoeg was, om belangwekkend te wezen en eenige bekwaamheid te vereischen, zonder juist zeer gevaarlijk te zijn. Me dunkt, Mathilda, dat mijn vader met zijne trotschheid op zijne voorouders en zijn krijgsroem, met zijn ridderlijk gevoel van eer, zijne groote talenten, zijne afgetrokkene en geheimzinnige studiën, uw vader moest zijn! Ook moest Lucie Bertram, wier voorouders met namen, die even moeielijk te onthouden als te spellen zijn, over dit romantisch land geheerscht hebben, en wier geboorte, zooals ik bij gerucht gehoord heb, onder zeer bijzondere en merkwaardige omstandigheden plaats had, – ook deze moest uwe vriendin zijn. Ja, zelfs onze woonplaats, omringd door bergen en met hare eenzame wandelingen naar spookachtige bouwvallen, moest uwe woonplaats zijn. Daarentegen moesten het schoone Dennen-park met zijne grasperken, heesters en oranjeriën, uwe goede, stille, zachtaardige tante met haar biduur des morgens, haar middagslaapje na den maaltijd, haar whistpartij des avonds, mij te beurt gevallen zijn, hare vette koetspaarden en nog vetter koetsier hierbij vooral niet te vergeten. In dezen ruil is Brown toch niet begrepen. Zijne vriendelijke geaardheid, zijne levendigheid en zijn rondborstig karakter passen even goed bij mijn levensplan, als zijne krachtige gestalte, zijn schoon gelaat en zijn verheven moed bij uw ridderlijken aard. Daar wij dus niet alles, zonder uitzondering, kunnen verruilen, is het dunkt mij het best, te blijven zoo als wij zijn.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Ik geef niet om uwe uittarting. Als gij zulke ruwe taal voert, zal ik de poorten tegen u sluiten – Ziet gij het groote venster dáar? – Beproef het daar binnen te stormen! Ik geef er niet om en sta in dienst van den dapperen hertog van Norfolk.

De vroolijke duivel van Edmonton.

Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.

„Zoo even verlaat ik het ziekbed, lieve Mathilda, om u de verschrikkelijke tooneelen te beschrijven welke hier plaats gehad hebben. O, hoe weinig past het ons met de toekomst te schertsen! Met een opgeruimd gemoed sloot ik mijn laatsten brief aan u met eenige schertsende aanmerkingen over uw smaak voor het romantische en het buitengewone in verdichte verhalen, en dacht nergens minder aan, dan dat ik u binnen weinige dagen dergelijke voorvallen mede te deelen zou hebben. Het is geheel iets anders, getuige van verschrikkelijke tooneelen te zijn en ze door beschrijving te leeren kennen, even verschillend als boven een afgrond te zweven en zich enkel aan een’ half ontwortelden struik vast te houden, of denzelfden afgrond in een landschap van Salvator Rosa te bewonderen. Maar laat ik mijn verhaal niet voortuitloopen.

Het eerste gedeelte is verschrikkelijk genoeg, maar bevat niets waaraan mijn hart bijzonder deel neemt. Gij moet weten dat deze landstreek voor het handwerk van een hoop vermetele lieden van het naburige eiland Man bijzonder goed gelegen is. Deze talrijke, onverschrokkene en gevaarlijke smokkelaars zijn dikwijls de schrik van het geheele omliggende land geweest, als iemand het waagde hen in hun sluikhandel te bemoeilijken. Uit vrees, of uit nog erger beweegredenen, zijn de plaatselijken overheden schuw geworden, om iets tegen deze lieden te ondernemen, die door deze straffeloosheid nog driester en vermeteler geworden zijn. Men zou denken dat mijn vader, een vreemdeling, zonder rechterlijk gezag, met dit alles niets te doen had. Maar hij is, zoo als hij zich zelf uitdrukt, onder den invloed van Mars geboren, en men moet bekennen, dat strijd en bloedvergieten hem zelfs in de stilste afzondering en in den vreedzaamsten toestand vervolgen.

„Verleden Dinsdagmorgen om elf uur werden wij – terwijl mijn vader en Hazlewood zich gereed maakten om naar een meertje, omstreeks drie mijlen van hier, te gaan, en Lucie en ik bezig waren, om het plan voor ons werk en onze oefeningen voor dien dag te regelen – door het getrappel van paarden, welke de laan snel kwamen opdraven en dat door den hard gevroren grond nog sterker klonk, gestoord. Na eenige oogenblikken zagen wij drie gewapende ruiters, welke ieder een handpaard met pakgoederen bij den teugel hielden, op de open plaats voor ons huis. Zij reden, zonder den gewonen weg te houden, welke hier een kleinen bocht maakt, dwars over het grasperk tot vóor de huisdeur. Zij schenen zich, zoo veel mogelijk, gehaast te hebben en zeer ontsteld te zijn, en keken dikwijls om, alsof zij eene spoedige en gevaarlijke vervolging vreesden. Mijn vader en Hazlewood snelden naar de voordeur, om te vragen wie zij waren en wat zij wilden. Zij verklaarden dat zij tolbedienden waren, deze met sluikgoederen beladen paarden op eene, omstreeks drie mijlen van hier gelegen plek in beslag genomen hadden en nu door de versterkte bende smokkelaars vervolgd werden, die gezworen hadden, zich weder meester van de goederen te zullen maken en de tolbedienden, die zich verstout hadden hun plicht te doen, van het leven te berooven. Daar nu hunne paarden beladen waren en hunne vervolgers hen inhaalden, waren zij naar Woodbourne gevlucht, in de hoop dat mijn vader, die den koning gediend had, niet zou weigeren, hen, als ambtenaren der regeering, die bij de vervulling van hun plicht in levensgevaar gekomen waren, te beschermen.