Part 4
„Het doet mij waarlijk leed,” hernam de reiziger, „dat zulk een geleerd en ernstig man, als gij zijt, in eene zoo vreemde verblinding en dwaling verkeert. Wilt gij den korten, nieuwen en, als ik het zeggen mag, inlandschen naam van Newton tegen het gezag der geleerde, groote namen van een Bonatus, een Ptolomeus, Haly, Eztler, Diterick, Harfurt, Taustettor, Agrippa, Duretus, Maginis, Origen en Argol overstellen? Erkennen Christenen en Heidenen, Joden en ongeloovigen, dichters en wijsgeeren niet algemeen den invloed der sterren?”
„Communis error, eene algemeene dwaling!” antwoordde de onbuigzame Sampson.
„Niet alzoo,” hernam de jonge Engelschman; „het is een algemeen en gegrond geloof.”
„Het is de toevlucht van schelmen en bedriegers,” zeide Sampson.
„Abusus non tollet usum; om misbruik mag het goede gebruik van eene zaak niet afgeschaft worden.”
Gedurende deze woordenwisseling geleek Ellangowan eenigermate op eene snip, die in een strik gevangen wordt. Hij zag de beide sprekers beurtelings aan, en de ernst, waarmede Mannering zijne tegenpartij aanviel, en de geleerdheid, welke hij hierbij ten toon spreidde, deden hem bijna gelooven, dat het gemeend was. Meg, de heidin, in verwarring gebracht door eene taal, welke nog geheimzinniger luidde dan hare eigene, vestigde hare verbaasde blikken op den Sterrewichelaar.
Mannering maakte gebruik van zijn voordeel, en kraamde alle geleerde kunsttermen uit, welke zijn gelukkig geheugen hem ingaf, en waarmede hij in zijne vroege jeugd, door omstandigheden, die wij in het vervolg wel zullen vernemen, bekend geworden was.
Teekenen en planeten, zeshoekig, vierhoekig of driehoekig in conjunctie of oppositie, hemelhuizen met horens, uren en minuten, Almuten, Almochoden, Anahibazon, Catahibazon en duizend andere uitdrukkingen van gelijken klank en beteekenis, regenden op den onversaagden dominé, wiens hardnekkig ongeloof hem tegen de aanvallen van dezen woedenden storm beveiligde.
Eindelijk werd dit gesprek afgebroken door het heugelijk bericht, dat de dame haren gemaal een welgeschapen zoon geschonken had en dat zij zeer welvarend was. Bertram haastte zich naar zijne vrouw; Meg Merrilies ging naar de keuken, om zich daar te goed te doen aan kraamvrouw-bier, [2] en Mannering verzocht met behoorlijke deftigheid den dominé, om hem op eene plaats te brengen, waar hij de sterren beschouwen kon, nadat hij op zijn horologie gezien en met veel nauwkeurigheid het uur en de minuut van de geboorte opgeteekend had.
Zonder een woord te antwoorden, stond de schoolmeester op en opende eene glazendeur, welke naar een terras leidde, dat gemeenschap had met de hoogte, waarop de bouwvallen van het oude slot lagen. De opkomende wind had de wolken, welke vroeger den hemel bedekt hadden, verdreven. De volle maan stond hoog en alle sterren prijkten in onbewolkten luister. Het tooneel, dat hij bij hun licht zag, was voor hem uiterst onverwacht en verrassend.
Wij hebben vroeger reeds gemeld, dat Mannering bij het einde van zijne reis de zee genaderd was, zonder te weten, hoe nabij. Hij zag nu, dat de bouwvallen van Ellangowan op eene vooruitspringende rots, welke de eene zijde van eene kleine stille baai vormde, lagen. Het nieuwe gebouw lag iets lager, en de grond daarachter was eene groene vlakte, welke met natuurlijke terrassen, waarop eenige oude boomen stonden, naar den zandigen oever afdaalden. De tegenovergestelde oever van de baai was een afhellend voorgebergte, met kreupelboschjes bedekt, dat op dien gelukkigen oever bijna tot den rand van de zee groeide. Eene visschershut was zichtbaar onder de boomen. Zelfs op dit uur van den nacht zag men nog lichten aan den oever, waar waarschijnlijk het schip van een sluikhandelaar, dat in de baai lag, gelost werd. Zoodra het licht door de glazendeur van het huis zichtbaar werd, werd er van het schip naar den oever geroepen: „opgepast, lichten uit!” en oogenblikkelijk verdwenen alle lichten.
Het was één uur na middernacht. Een bekoorlijk uitzicht vertoonde zich aan onzen reiziger. De oude grijze torens van het vervallen slot, deels ingestort, deels onbeschadigd, welke hier de kenmerken van den knagenden tand des tijds droegen en dáar gedeeltelijk met klimop bedekt waren, verhieven zich op den rand van de donkere rots, welke Mannering aan zijne rechterhand zag. Vóór hem lag de stille baai, welker kleine kabbelende golfjes in de stralen der heldere maan schitterden, zachtjes voortrolden, en plassende tegen het zilverwitte strand braken. Links spiegelde zich het bosch, dat zich tot ver in zee uitstrekte, bij het maanlicht in hare golvende oppervlakte en vertoonde die afwisselingen van licht en donker, die bekoorlijke verbinding van opene en dichte plaatsen, waarop het oog zoo gaarne rust, verrukt over hetgeen men ziet en begeerig om dieper in het geheim van het boschrijke landschap door te dringen. Boven hem rolden de planeten door haar eigen lichtkring, van de kleinere of meer verwijderde sterren onderscheiden. Zoo ver kan de verbeelding zelfs hen, die haar opzettelijk opgewekt hebben, wegslepen, dat Mannering, terwijl hij deze schitterende hemellichten bewonderde, bijna geneigd was, aan den invloed te gelooven, welken het bijgeloof hun op de menschelijke lotgevallen toeschrijft. Maar Mannering was jong; hij beminde, en misschien was hij met de gevoelens bezield, welke een der nieuwere dichters in de volgende regels uitdrukt:
De Fabel is de wereld, ’t vaderland, De woning en geboorteplaats der Liefde. Met vreugde huist ze in ’t grijze rijk der Feên, Der Talismannen en der hoog’re Geesten, En graag gelooft ze aan Godheên en haar kracht, Omdat ze godlijk is. – De schoone vormen Der oude dichters, in de menschlijkheid Verwezenlijkt der allervroegste goden, Die ’t mosrijk dal bewoonden of den top Eens groenen bergs, of huisden in het lommer Eens heil’gen wouds, bij ’t kabbelend geruisch Van beek en bron, – deze alle zijn verdwenen. Men leeft niet meer in dat getrouw geloof. Nochtans behoeft het hart eene and’re sprake, En ’t oude instinct brengt de oude namen weêr. Thans zijn ze daar, in gindsche sterrenwereld, De Geesten en de Goden, die voorheen Zoo vriendelijk verkeerden met de menschen, En stralen van het hooge sterrendak Hun’ invloed steeds nog op verliefden neder. Ja heden nog is ’t Jupiter, van wien Al ’t groote komt, gelijk van Venus ’t schoone.
Deze mijmeringen maakten spoedig plaats voor andere. „Ach!” dacht hij, „mijn goede oude leermeester, die zich zoo gaarne in twisten over den invloed der sterren verdiepte, zou dit tooneel met andere oogen beschouwd en in allen ernst getracht hebben, uit den stand dezer hemelsche lichten hun waarschijnlijken invloed op het lot van het pasgeboren kind te ontdekken, alsof de loop der sterren de werking der goddelijke Voorzienigheid opschorten, of ten minste even veel macht, als deze, hebben kon! Maar, zacht rustte zijn asch! Hij heeft mij genoeg van zijne kennis medegedeeld, om, des noods, een kunstmatigen horoscoop te trekken. Welaan, laat ik er mede beginnen! Nu schreef Mannering den stand der hoofdplaneten op, en keerde weder in huis. Zijn gastheer ontmoette hem in de huiskamer, verhaalde hem zeer opgeruimd, dat hij vader van een gezonden knaap geworden was, en scheen zeer geneigd, zich bij eene flesch wijn nog eene poos met hem over zijn geluk te onderhouden. Nochtans nam hij Mannering’s verontschuldiging wegens vermoeidheid aan, en geleidde zijn gast naar zijne slaapkamer.
VIERDE HOOFDSTUK.
„Kom, zie hier! Vertrouw uw eigen oog! Verschrikkelijk dreigt een vijand uw bestaan. Een booze geest loert achter uw planeet Met woest gebaar. Wees op uw hoede!”
Schiller.
In het midden der zeventiende eeuw was het geloof aan sterrewichelarij bijna algemeen; tegen het einde daarvan begon het te wankelen en werd twijfelachtig, en in het begin der achttiende kreeg deze kunst algemeen een’ slechten naam, en begon zelfs belachelijk te worden. Nochtans had ze, zelfs onder de geleerden, nog altijd hare aanhangers. Ernstige, geletterde mannen waren niet zeer geneigd, de berekeningen te laten varen, welke, van hunne jeugd af, het hoofdvoorwerp van hunne studie geweest waren, en nog minder om van de hoogte af te dalen, waarop het vermeende vermogen, om door het raadplegen van hoogere invloeden en de beweging der hemellichamen in de toekomst te zien, hen boven andere menschen verheven had.
Onder diegenen, welke dit ingebeelde voorrecht met onwankelbare trouw vasthielden, was een oud geestelijke, onder wiens toezicht Mannering zijne jeugd doorgebracht had. Hij bedierf zich de oogen door het beschouwen der sterren, en brak zich het hoofd met berekeningen over hunne verschillende verbindingen.
Een gedeelte van de geestdrift des leermeesters werd natuurlijk aan zijnen jongen kweekeling medegedeeld, en deze legde zich er een tijdlang met ijver op toe, om zich de kunstmatige sterrekundige berekeningen eigen te maken, zoodat menig meester hem, voor dat hij van de ijdelheid dezer kunst overtuigd was, den lof van een voortreffelijk, oordeelkundig leerling te zijn geschonken zou hebben.
Den volgenden morgen begon hij, zoodra het daagde, het lot van den jongen erfgenaam van Ellangowan te berekenen. Hij volgde nauwkeurig alle regelen der kunst, zoo wel om den schijn te bewaren, als uit eene soort van nieuwsgierigheid, om te weten, of hij in deze ingebeelde kunst nog ervaren was. Dien ten gevolge verdeelde hij het hemelgewelf in twaalf huizen, plaatste de planeten daarin en rangschikte ze naar het uur en de minuut der geboorte. Zonder onze lezers met de algemeene voorspellingen, welke hieruit stelselmatig berekend hadden kunnen worden, lastig te vallen, merken wij alleen aan, dat één teeken in de gemaakte schets bijzonder de opmerkzaamheid van onzen sterrewichelaar tot zich trok. Mars, welke in den top van het twaalfde huis heerschte, dreigde den jonggeborene met gevangenschap of een spoedigen en geweldigen dood, en toen Mannering zijne berekening vervolgde, om de kracht van dit booze gesternte te bepalen, bleek het, dat drie tijdperken bijzonder gevaarlijk zouden zijn, namelijk: zijn vijfde, tiende en één en twintigste jaar.
Hierbij was nog eene omstandigheid merkwaardig. Mannering had namelijk eens te voren, op verlangen van Sophia Wellwood, zijne geliefde, ene soortgelijke zotternij begaan, en bij het stellen van hare geboorte had hij gevonden, dat de invloed der planeten haar, in haar negen en dertigste jaar, met dood of gevangenis bedreigde. Zij was nu achttien jaar oud, zoodat, naar de uitkomst der beide berekeningen, haar, in hetzelfde jaar, hetzelfde ongeluk dreigde, hetwelk aan het kind, dat in dezen nacht geboren was, voorspeld werd. Verwonderd over deze zeldzame overeenkomst, herhaalde Mannering zijne berekeningen, en vond telkens dezelfde verrassende overeenkomst, ja eindelijk bleek het, dat zelfs de maand en dag van het gevaarlijk tijdstip overeenstemden.
Men zal gereedelijk gelooven, dat wij aan deze omstandigheden geen gewicht hechten. Maar het gebeurt dikwijls dat wij, door onze ingeschapene zucht naar het wonderbare verleid, ons er opzettelijk op toeleggen, om onze betere inzichten te misleiden. Of nu de gemelde overeenkomst waarlijk één van die zeldzame toevallen was, welke tegen alle gewone berekening wel eens plaats hebben, dan of Mannering, verbijsterd door de ingewikkelde berekeningen, ongevoelig tweemaal denzelfden draad gevolgd was om uit dezen doolhof te geraken, dan of zijne verbeelding, door eene schijnbare overeenkomst misleid, hem de gelijkheid der beide gevallen volkomener deed vinden dan ze inderdaad was, – dat is onmogelijk te bepalen; maar zooveel is zeker, dat deze omstandigheid een levendigen en onuitwischbaren indruk op zijn gemoed naliet.
„Heeft de booze zijne hand in het spel?” sprak hij tot zich zelven, „om zich er over te wreken, dat wij met eene kunst schertsen, welke van hem haren oorsprong heet te ontleenen? Of hebben Bacon en Sir Thomas Browne gelijk, als zij met anderen beweren, dat er in eene kunst- en regelmatige sterrewichelarij iets waars is, en dat de invloed der sterren niet geloochend mag worden, ofschoon de aanwending der kunst door de bedriegers, welke daarmede hun spel spelen, zeer verdacht geworden is?” – Een oogenblik van nadenken deed hem nochtans dit gevoelen verwerpen, als eene dwaze gril, welke die geleerden alleen bevestigd hadden, omdat zij niet op eens het algemeen vooroordeel van hun tijd durfden aantasten, of, omdat zij zelven nog niet geheel vrij waren van den aanstekelijken invloed van het heerschend bijgeloof. De uitkomst van zijne berekeningen in deze beide gevallen maakte intusschen zulk een onaangenamen indruk op zijn gemoed, dat hij, even als Prospero [3], besloot, om zich nooit, in scherts, noch in ernst, weder met de sterrewichelarij te bemoeien.
Hij overlegde langen tijd, wat hij den heer van Ellangowan van het horosocop zijns eerstgeborenen zeggen zou; ten laatste besloot hij echter hem alles openhartig mede te deelen, doch hem tevens de ijdelheid en dwaasheid van de regels, welke hij bij zijne berekening gevolgd had, aan te toonen. Met dit voornemen begaf hij zich op het terras voor het oude slot.
Niet minder schoon dan bij het heldere maanlicht van den vorigen nacht, waren de omstreken van Ellangowan in den glans van de morgenzon. Zelfs in de maand November was het land nog bekoorlijk onder haren milden invloed. Een steil, maar effen pad, voerde van het terras naar de nabij gelegen hoogte, waarop de oude burcht lag. Deze bestond uit twee dikke ronde torens, welke zich somber boven een lagen muur, die ze met elkander verbond, verhieven, en den ruimen ingang beschermden, die door een trotschen boog naar het binnenste slotplein leidde. Het familiewapen was in hardsteen boven de poort uitgehouwen, waarin men nog het noodige zag, om de valdeur neer te laten en de brug op te halen. Een ruw hek, van dennenstammen aaneengespijkerd, was het eenige, dat dezen eens zoo geduchten ingang verdedigde. Het plein voor het slot leverde een heerlijk gezicht op.
De woeste streek, waardoor Mannering den vorigen dag gereisd was, werd door eenige hoogten voor het oog verborgen, en eene rivier, die nu eens zichtbaar was en dan weder tusschen hooge, boschrijke oevers verdween, doorsneed het bevallig door heuvelen en dalen afgewisseld landschap. Een dorpje, waarvan slechts de kerktoren en enkele huizen zichtbaar waren, lag aan den oever der zee, bij de monding van den stroom. De dalen schenen goed bebouwd te zijn, en de omheiningen, waardoor de grond verdeeld was, liepen nu eens langs den voet der heuvelen en slingerden dan tegen de hoogte op. Hoogerop lagen welige weiden, waarop groote kudden horenvee, toen ter tijd de grootste rijkdom van deze gewesten, graasden en met hun geloei het landschap verlevendigden. De verder afgelegen hoogten hadden een ernstiger aanzien, en de gezichteinder was begrensd door hooge, donkere bergen, die de natuurlijke grenzen van het bebouwde land schenen te zijn en er een eenzaam en afgelegen voorkomen aan gaven. De zeekust, welke Mannering nu in hare geheele uitgestrektheid zag, was even schoon en afwisselend, als het landgezicht. Hier en daar verhieven zich steile rotsen, veelal met de overblijfsels van oude sloten, torens of bakens bedekt, welke, volgens de overlevering, in elkanders gezicht gebouwd waren, om, bij vijandelijke invallen of burgeroorlogen, tot wederzijdsche bescherming of verdediging, door seinen gemeenschap met elkander te kunnen onderhouden. Het slot Ellangowan was verreweg het aanzienlijkste en uitgestrektste van deze oude burchten, en bevestigde, door grootte en ligging, het hooge aanzien, dat de stichters, naar het volksverhaal, eenmaal onder de hoofden en edelen van het land bezeten hadden. Op andere plaatsen had de kust een bevalliger aanzien. Hier en daar staken boschrijke landtongen in zee uit, of was de zacht hellende oever met kleine baaien doorsneden.
Dit gezicht overtrof zoo zeer de verwachting, welke Mannering zich op zijne reis den vorigen avond gemaakt had, dat het een diepen indruk op hem maakte. Beneden hem lag het nieuwe huis, wel geen meesterstuk van bouwkunst, maar de ligging er van was bekoorlijk. Hoe gelukkig, dacht hij, zou het leven in zulk eene eenzaamheid voortsnellen! Hier de treffende overblijfselen van oude grootheid en het geheime bewustzijn van familie-trots, dat ze inboezemen, en daar zooveel hedendaagsche netheid en gemak, dat iedere bescheiden wensch bevrediging kan vinden. Hier, en hier met u, Sophia!
Wij zullen deze droomerijen van een verliefde niet verder voortzetten. Mannering stond een oogenblik met over elkander geslagen armen, en keerde toen naar het vervallen kasteel terug.
De ruwe pracht van het binnenplein beantwoordde volkomen aan het grootsche uiterlijk. Aan de eene zijde was eene rij hooge en ruime vensters, welke eens de groote zaal van het slot verlicht hadden; daar tusschen stonden zware, gebeeldhouwde pilaren; aan de andere zijde waren gebouwen van onderscheidene hoogte en ouderdom, doch zoo te zamen gevoegd, dat zij een eenigszins harmonisch geheel uitmaakten. Deuren en vensters waren met ruw verheven beeldwerk versierd, dat deels onbeschadigd, deels gebroken, of met klimop en andere onder de puinhoopen welig groeiende slingerplanten bedekt was. De tegenover den ingang liggende zijde van het plein was voorheen ook door eene rij gebouwen ingesloten geweest; doch dit gedeelte van het slot had, naar men verhaalde, gedurende den burgerkrijg, onder Cromwell, zoo zeer door het geschut geleden, dat er in de bouwvallen eene groote opening was, waardoor Mannering de zee en een klein gewapend vaartuig, dat midden in de baai lag, kon zien. Terwijl Mannering in de bouwvallen rondkeek, [4] hoorde hij, in een vertrek aan de linkerzijde, de stem van de Heidin, die hij den vorigen avond gezien had. Hij vond weldra eene opening, waardoor hij haar ongezien waarnemen kon, en hare gestalte, hare bezigheid en haar geheele toestand deden hem onwillekeurig aan eene oude Sybille denken.
Zij zat op een gebroken hoeksteen in den hoek van een met steen bevloerd vertrek, waar zij een plaatsje voor haar snorrend spinnewiel schoon geveegd had. Een heldere zonnestraal viel door een hoog smal venster op hare woeste gelaatstrekken en vreemde kleeding, en verschafte haar licht bij haren arbeid. Diepe schemering heerschte in het overige van het vertrek. Hare kleeding was de volkskleeding van de geringe klasse in Schotland, eenigszins op Oostersche manier gewijzigd. Zij spon een draad uit wol van driederlei kleur, zwart, wit en grauw, en zong daarbij eenige woorden, welke als eene tooverspreuk luidden. Te vergeefs trachtte Mannering alle woorden van haar gezang te verstaan, en stelde toen naar eenige plaatsen, die hij duidelijk verstond, de volgende navolging op, welke hij voor vrij getrouw hield:
Spint en draait! In ’s levens draad Mengt zich dus ook goed en kwaad, Hoop en vrees, in vrede en strijd, Luide vreugde en treurigheid.
Wie den tooverdraad ook spint Bij het worden van een kind, Zie, hoe menig wiss’lend beeld Flauw in ’t scheemrend schijnsel speelt!
Dwaasheên, woeste drift en wraak, Lijden, volgende op vermaak, Argwaan, wanhoop, vrees en kans Zien wij in den tooverdans.
Zoo als ’t spinrad keert en wendt, Wiss’len blijdschap en ellend’. Spint en draait! in ’s levens draad Mengt zich dus ook goed en kwaad.
Voor dat Mannering hiermede gereed was, had de Heidin haar werk gedaan of was hare wol versponnen. Hierop wond zij het garen van de spil af en mat de lengte er van, terwijl zij den draad over haren elleboog en tusschen haren duim en voorsten vinger doorsloeg. Toen zij dit gedaan had, mompelde zij in zich zelve: – „een streng, maar geen volle streng – driemaal twintig jaren en tien, maar driemaal gebroken en driemaal weder aangeknoopt; het zal een gelukkige knaap zijn, indien hij er doorkomt!”
Juist wilde Mannering de waarzegster aanspreken, toen hij eene stem, ruw als het geklots der golven, waartusschen zij klonk, tweemaal met klimmend ongeduld hoorde roepen: „Meg, Meg Merrilies! Heidin, tooverheks, duizend duivels!”
„Ik kom, ik kom, kapitein!” antwoordde zij, en na eenige oogenblikken trad de ongeduldige bevelhebber, dien zij zoo antwoordde, door de opening in de bouwvallen.
Hij was, naar het uiterlijk te oordeelen, een zeevaarder, niet meer dan middelmatig groot, en zijn gelaat door wind en zeelucht gebronsd. Hij was zeer gespierd en gedrongen van gestalte, zoodat hij buitengemeen sterk scheen te zijn en in een gevecht volkomen bestand tegen iemand, die veel grooter was dan hij. In zijne harde trekken zag men niets van den zorgeloozen, vroolijken moed en ijdele nieuwsgierigheid, waardoor de zeeman zich gewoonlijk aan wal onderscheidt. Dit zijn hoedanigheden, welke zeker er toe bijdragen om den zeeman populair en in het maatschappelijke leven een gewenschten gast te maken. Zijn moed en onversaagdheid eischen eerbied, en de vreedzame landman gevoelt zich soms daartegenover wellicht wat vernederd, – terwijl eerbied en vernedering niet geschikt zijn om ingenomenheid aan te kweeken met diegenen die ze inboezemen. Het zijn echter de jongensachtige grappen, de opgewondene vroolijkheid en de zorgeloosheid van den zeeman, die zijne meer afschrikkende karaktertrekken verzachten. Op het gelaat van den man die zich nu vertoonde, was echter niets van dien aard te lezen. Integendeel, een woeste en sombere blik verduisterde trekken, die ook zonder dien alles behalve innemend en aangenaam zouden geweest zijn. „Waar zijt gij toch, oude tooverkol!” riep hij met eene eenigszins vreemde uitspraak, ofschoon volkomen goed Engelsch sprekende. „Donder en bliksem! wij hebben reeds een goed half uur gewacht. Kom en zegen het schip en onze reis, en wees zelve vervloekt, gij satansche heks!”
Op dit oogenblik werd hij Mannering gewaar, die nog op dezelfde plaats stond, waar hij den tooverzang van de heidin beluisterd had, en zich scheen te willen verschuilen, daar de hoek van den muur, waarachter hij stond, hem bijna geheel verborg. De kapitein, zoo noemde hij zich zelven, was een oogenblik bedremmeld en zweeg, tastte in den boezem, alsof hij eenig wapen zocht, en riep toen: „Wat wilt gij, vriendje? gij ligt misschien op de loer, niet waar?”
Vóór dat Mannering, verbaasd door de dreigende gebaren en onbeschaamde toespraak, antwoorden kon, trad de heidin uit haar gewelf en naderde den vreemdeling. De zeeman vroeg haar, op Mannering wijzende, zachtjes: „Een loerende tolbediende, he?”
Zij antwoordde op denzelfden fluisterenden toon: „Schei uit met je schelden! Ge hebt het geheel mis; hij is op het slot, een vreemd heer.”
Het donkere gezicht van den kapitein helderde nu op. „Goeden morgen, Mijnheer!” zeide hij, „Ik hoor, dat gij een gast van mijn waarden vriend Bertram zijt. Vergeef mij, ik hield u voor geheel iets anders.”
„En gij zijt waarschijnlijk de kapitein van dat schip in de baai?” antwoordde Mannering.
„Zoo is het, Mijnheer! Ik ben Dirk Hatteraick, kapitein van het schip de Juffer Hagenslapen, en zeer bekend op deze kust. Ik schaam mij noch voor mijn naam, noch voor mijn schip, noch voor mijne lading.”
„Gij hebt zeker ook geene reden daartoe.”
„Neen, waarachtig niet! ik drijf een eerlijken handel. Ik had nu te Douglas op het eiland Ean geladen, – heerlijke conjac – echte heisan en souchong – Brabantsche kanten; indien gij iets daarvan noodig mocht hebben, wij hebben heden nacht een honderd vaatjes aan wal gebracht.”
„Zeer vriendelijk, Mijnheer!” antwoordde Mannering; „maar ik ben op reis, en kan dus voor het oogenblik niets van dat alles gebruiken.”
„Nu, dan groet ik u, want mijne bezigheden roepen mij; of wilt gij met mij aan boord gaan en een slokje met mij drinken? Gij zult ook een zak vol thee mede naar wal krijgen. Dirk Hatteraick verstaat zijn wereld ook.”
Er was in dezen man eene mengeling van onbeschaamdheid, stoutmoedigheid en argwanende vrees, welke zijn voorkomen onbeschrijfelijk terugstootend maakte. Hij had de manieren van eenen boef, die weet dat hij verdacht gehouden wordt, maar door eene gemaakte zorgeloosheid en vrijmoedige vertrouwelijkheid dezen argwaan zoekt weg te nemen. Mannering bedankte hem met een enkel woord voor zijne aangeboden beleefdheden, en Hatteraick ging, na een drogen „goeden morgen,” met de heidin naar het gedeelte van het oude slot, vanwaar hij eerst gekomen was. Het waardige paar, even beminnelijk in voorkomen als achtenswaardig door hun bedrijf, ging hier een smallen trap af, welke naar het strand leidde en waarschijnlijk eens gediend had, om bij eene belegering de bezetting van het kasteel te verzorgen. De zoogenaamde kapitein ging hierop met twee mannen, die hem schenen te wachten, in eene kleine boot; de heidin bleef aan den oever staan en sprak of zong eenige woorden, die zij met hevige gebaren vergezelde.
VIJFDE HOOFDSTUK.
„– Ge hebt me van mijn land beroofd, Mijn hout gekapt, boomen geveld, Mijn wapenschild van boven deur en poort neergehaald. Ge hebt me niets gelaten Dan het geloof des volks in mijn eigen bloed, Om te bewijzen dat ik nog van adel ben!”
Shakspeare.
Zoodra de kapitein met de boot aan boord gekomen was, werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht. Drie saluutschoten voor het kasteel van Ellangowan werden gelost, en een gunstige landwind verwijderde het schip snel van de kust.