Part 25
„Verschoon mij, Mijnheer, ik heb volstrekt geene plannen, waarbij uwe hulp mij van dienst zou kunnen zijn.”
„O, best – misschien hebt gij gelijk; – ook is er nog tijds genoeg en ik zie gaarne, dat jonge lieden voorzichtig zijn. – Maar om nog eens terug te komen op het ongelukkig geval, waarbij gij uwe wond ontvingt, ik geloof dat ik den dader op het spoor ben, en als ik den kerel zijne verdiende straf niet doe ondergaan” –
„Nog eens, Mijnheer, uw ijver is grooter dan ik wenschelijk acht. Ik heb alle redenen te denken, dat mijne verwonding enkel toeval en geenszins met voorbedachten rade geschied is. Bij ondankbaarheid en opzettelijk verraad zal mijne verontwaardiging over den schuldige steeds even hevig zijn, als de uwe,” luidde het antwoord van Hazlewood.
Weder afgewezen, dacht Glossin; ik moet over een anderen boeg wenden. „Gij hebt gelijk, Mijnheer! Zeer edel gedacht! Ik zou ook met een ondankbaar mensch niet meer medelijden hebben dan met eene houtsnip. – En daar dat aan de jacht herinnert,” (dit was eene manier, om eene andere wending aan het gesprek te geven, die hij van den ouden Bertram geleerd had), „ik zie u anders dikwijls op de jacht gaan en hoop, dat gij dit genoegen spoedig weder zult kunnen genieten. Maar waarom bepaalt gij u altijd tot uw eigen veld? Ik hoop, dat gij in het vervolg niet schromen zult, op het jachtgebied van Ellangowan te komen, waar, naar mijne gedachten, zelfs nog meer houtsnippen zijn dan op het uwe, hoe uitstekend uwe landerijen ook gelegen zijn.”
De buiging, waarmede Hazlewood deze aanbieding beantwoordde, was zoo koel en gedwongen, dat Glossin zweeg, tot hij door de terugkomst van Mannering eenigszins uit dezen pijnlijken toestand verlost werd.
„Ik heb u, vrees ik, wat lang laten wachten,” zeide deze, zich tot Glossin wendende. „Ik wilde Juffrouw Bertram gaarne tot een gesprek met u overhalen, daar hare tegenwerpingen, naar mijn gevoelen, voor de noodzakelijkheid moesten wijken, om in eigen persoon te hooren, wat voor gewichtigs gij haar te zeggen kunt hebben. Maar ik merk, dat zekere herinneringen, welke niet zoo gemakkelijk vergeten worden, haar zulk een hevigen weerzin tegen een persoonlijk onderhoud met u inboezemen, dat het wreed zou zijn, hierop verder bij haar aan te dringen. Juffrouw Bertram heeft mij dus opgedragen, om in hare plaats uw voorstel, of wat gij haar te zeggen moogt hebben, aan te hooren.”
„Hm, hm! Het doet mij leed, Mijnheer! het doet mij zeer leed, kolonel, dat juffrouw Bertram denken kan – dat eenig vooroordeel – of het denk beeld, dat er van mijne zijde” –
„Mijnheer, waar geene beschuldiging plaats heeft, zijn verontschuldigingen of verklaringen noodeloos,” hernam de onbuigzame kolonel. „Maakt gij misschien bezwaar, om mij, als tijdelijken voogd van juffrouw Bertram, datgene mede te deelen, ’t welk gij voor haar zoo belangrijk oordeelt?”
„Geenszins, kolonel! zij kon geen’ achtenswaardiger vriend kiezen, niemand, met wien ik vooral liever openhartig zou wenschen te spreken.”
„Heb dan de goedheid ter zake te komen, Mijnheer!”
„Wel, Mijnheer, dat is zoo gemakkelijk niet. – Maar, Mijnheer Hazlewood behoeft zich volstrekt niet te verwijderen. – Ik meen het zoo goed met Juffrouw Bertram, dat mijnenthalve de geheele wereld hooren mag, wat ik hier te zeggen heb.”
„Mijn vriend, de heer Hazlewood, zal waarschijnlijk niet verlangen een gesprek aan te hooren dat hem niet aangaat. – En nu, dat wij alleen zijn, verzoek ik u, u kort en duidelijk te verklaren. Ik ben soldaat, Mijnheer, en een volslagen vijand van omslachtige inleidingen.” Dit gezegd hebbende zweeg hij, in afwachting van hetgeen Glossin zeggen zou.
„Heb de goedheid, dezen brief te lezen;” hernam deze en gaf Mannering den brief van den heer Protocol in handen.
De kolonel las den brief, gaf hem, nadat hij den naam des schrijvers opgeteekend had, aan Glossin terug en zeide: „Hierover valt, naar mijn gevoelen, niet veel te praten, Mijnheer. Ik zal zorgen, dat het belang van juffrouw Bertram behartigd worde.”
„Maar, kolonel, hierbij komt nog eene omstandigheid in aanmerking, welke niemand dan ik kan ophelderen. Deze dame – deze juffrouw Margaretha Bertram heeft, zoo als ik zeker weet, reeds toen zij bij mijn ouden vriend, den heer Bertram, te Ellangowan woonde, ten voordeele van juffrouw Lucie Bertram over alle hare goederen beschikt. De dominé – met dezen naam bestempelde mijn overleden vriend steeds den achtingswaardigen heer Sampson, en ik waren getuigen bij het opmaken van het testament. Zij bezat destijds reeds het recht, om zulk een uitersten wil te maken, daar zij Singleside in leen bezat, ofschoon het met eene lijfrente ten bate harer oudere zuster bezwaard was. Het was eene grillige beschikking van den ouden Singleside, Mijnheer, in alle opzichten geschikt, om zijne twee heksen van dochters tegen elkaâr in het harnas te jagen, – ha ha ha!”
„Laat ons bij de hoofdzaak blijven, Mijnheer,” hernam Mannering zonder in het minst uit den plooi te komen bij deze aardigheid, „Gij zegt, dat deze dame onbetwistbaar het recht en de macht had, om juffrouw Bertram tot erfgename van hare bezittingen te maken, en dat zij dit gedaan heeft?”
„Zoo is het, kolonel, en ik geloof, dat ik de wet ken. Ik heb er mij vele jaren mede beziggehouden en, ofschoon ik sedert eenigen tijd mijne zaken heb neergelegd, heb ik mijne kennis van de rechten niet vergeten, welke, zoo als het rijmpje zegt, beter is, dan huis en hof:
„Het is de heerelijkste zaak, Dat goed’ren, reeds verloren, Door ’s Pleiters list en wederspraak Ons weder toebehooren.”
„Neen, neen! Een oud voerman hoort nog gaarne het klappen van de zweep. Ik bemoei mij er nog gaarne wat mede, om mijne vrienden te dienen.”
Glossin ging nog eene poos op denzelfden toon voort, in den waan, dat hij een gunstigen indruk op Mannering gemaakt had. Eigenlijk bedacht de kolonel, dat deze zaak een beslissenden invloed op de toekomst van Lucie Bertram kon hebben, en besloot hij zijn afkeer van Glossin en zijn lust, om hem de deur of het venster uit te werpen, te bedwingen, en, ofschoon ongaarne, ten minste met geduld naar hem te luisteren. Hij liet hem dus bedaard zijne eigene lof uitbazuinen en vroeg hem eindelijk, of hij wist waar het handschrift was.”
„Ja, ik weet – ik geloof, dat ik het vinden kan. In zulke gevallen maken de bewaarders van zulk een stuk wel eens eenige aanspraak op –”
„Daarover zullen wij niet twisten, Mijnheer!” hernam de kolonel en nam zijn zakboekje ter hand.
„Maar, kolonel, gij behandelt de zaak ook zoo driftig! – Ik zeide, sommige lieden zouden zulk eene aanspraak maken (ik versta hierdoor de onkosten voor het schrijven van het handschrift, voor genomen moeite bij de zaak enz); maar ik, ik wenschte slechts juffrouw Bertram te overtuigen, dat ik als man van eer jegens haar handel. Hier is het geschrift, Mijnheer! Het zou mij genoegen gedaan hebben, het aan de jonge dame zelve overhandigd en haar met het hierdoor geopende gunstige uitzicht geluk gewenscht te hebben. Daar echter hare vooroordeelen op dit punt onoverwinnelijk zijn, blijft mij niets anders over, dan haar mijne beste wenschen door u te doen toekomen en tevens te verklaren, dat ik steeds bereid ben, wanneer het noodig mocht zijn, in deze zaak de vereischte getuigenis af te leggen. Ik heb de eer u goeden morgen te wenschen, Mijnheer!”
Glossin had op het laatst zoo goed den toon gevat van een rechtschapen man, die ten onrechte verdacht wordt gehouden en van zijne eigene braafheid overtuigd is, dat zelfs Mannering in zijn ongunstig oordeel over hem aan het wankelen gebracht werd. Hij begeleidde hem eenige schreden en bewees hem bij het afscheid, dat nochtans koel en gedwongen was meer beleefdheid, dan hij hem gedurende het geheele bezoek betoond had.
Glossin verliet den kolonel tamelijk tevreden over den indruk, dien hij gemaakt had, maar tevens gevoelig gekrenkt door het koele wantrouwen, den hoogmoedigen afkeer, waarmede hij ontvangen was. „De kolonel had ook wel wat vriendelijker kunnen zijn,” zeide hij bij zich zelven. „Er komt niet alle dagen iemand, die een arm meisje vier honderd pond jaarlijksch inkomen kan brengen. Singleside moet thans meer dan vier honderd pond opbrengen. Ja, Reilageganbed, Gillifidget, Loverless en nog andere hoeven behooren er toe; het brengt zeker meer op. Sommige lieden zouden, indien zij in mijne plaats waren, het zich zelven misschien toegeëigend hebben, – maar, om de waarheid te zeggen, hoe ik er ook over nadenk, zie ik nog niet in, hoe dit mogelijk zoude zijn.”
Zoodra Glossin vertrokken was, zond Mannering een bode naar Mac-Morlan. Toen deze verscheen, overhandigde de kolonel hem het stuk en vroeg of het wettig en in den behoorlijken vorm was en Lucie Bertram baten kon. Mac-Morlan las het met van blijdschap schitterende oogen, knapte met de vingers en riep eindelijk uit: „of het in behoorlijke orde is? Het is zoo goed, als het kan. – Ja, ja, Glossin verstaat zijn werk, trots den beste, indien hij er niet opzettelijk een steek aan loslaat. – Maar,” (hier werd zijn blik somber) „de oude heks, om haar nu eens zoo te noemen, kan alles nog wel veranderd hebben.”
„Hoe kunnen wij dat te weten komen?”
„Er moet een gevolmachtigde van juffrouw Bertram bij het openen van het testament tegenwoordig zijn.”
„Kunt gij er heen gaan?”
„Ik vrees van neen. Ik moet in eene zaak voor ons gerechtshof pleiten.”
„Dan zal ik zelf gaan. Ik ga morgen op reis en Sampson, die het stuk als getuige mede onderteekend heeft, zal mij vergezellen. Maar ik zal wel de hulp van een rechtsgeleerde noodig hebben.”
„Ik zal u een brief van aanbeveling aan een zeer beroemden rechtsgeleerde, den voormaligen sheriff van dit graafschap, medegeven.”
„Mijnheer Mac-Morlan,” hernam de kolonel, „het bevalt mij uitmuntend in u, dat gij altijd dadelijk tot de zaak komt. Bezorg mij den brief zoo spoedig mogelijk. – Maar, zullen wij Lucie Bertram ook iets van haar uitzicht op eene erfenis zeggen?”
„Zonder twijfel; want gij moet eene volmacht van haar hebben, welke ik oogenblikkelijk schrijven zal. Buitendien sta ik er u voor in, dat zij zich hierbij zeer verstandig gedragen en dit uitzicht slechts als eene mogelijkheid beschouwen zal.”
Mac-Morlan oordeelde juist. Men kon niet bemerken, dat dit zoo onverwacht voor Lucie Bertram geopend uitzicht al te levendige verwachtingen bij haar opwekte. Als bij toeval deed zij Mac-Morlan, in den loop van den avond, wel de vraag, hoeveel de jaarlijksche inkomsten der bezittingen van Hazlewood wel zouden bedragen; maar wie zal daarom als zeker durven beweren, dat zij overwoog, of eene erfgename met vier honderd pond jaarlijksch inkomen eene geschikte partij voor den jongen Hazlewood zou zijn?
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Schenk me een beker vol sek-wijn om mij het bloed voor de oogen te jagen. – Ik moet me driftig houden en zal spreken in den trant van Koning Cambyses.
Hendrik IV. 1ste dl.
Mannering zette met Sampson zijn reis naar Edinburg met allen spoed voort. Zij begaven zich met het rijtuig van den kolonel op weg, daar deze, de onbegrijpelijke afgetrokkenheid van zijn reismakker kennende, hem volstrekt niet te paard vertrouwde. Hij vreesde, dat het den een of anderen schalkschen staljongen maar al te licht gelukken zou, den braven Sampson met het gezicht naar achteren op het paard te doen stijgen. Met behulp van zijn knecht, die hen te paard vergezelde, bracht hij dan Sampson gelukkig in eene herberg te Edinburg, nadat hij tweemaal gevaar geloopen had, den goeden man onderweg te verliezen. De eerste maal vond Barnes, de bediende van den kolonel, die Sampson’s grillen kende, hem weder, terwijl hij met een schoolmeester te Moffat in eene ernstige woordenwisseling gewikkeld was over een vers uit eene ode van Horatius. De tweede maal ontsnapte hij, om het slagveld van Rullion-green, eene voor den ijverigen Presbyteriaan merkwaardige plaats, te bezichtigen. Hij steeg namelijk voor een oogenblik uit het rijtuig, ontdekte op omstreeks een kwartier afstands het gedenkteeken voor de gesneuvelden en sloeg nu, zijn vriend en reisgenoot weder geheelenal vergetende, den weg naar de heuvels van Pentland in, waarop hij door Barnes weder ingehaald werd. Toen deze hem herinnerde dat Mannering op hem wachtte, antwoordde hij als gewoonlijk: „Ver–ba–zend! – Ik was het geheel vergeten!” en keerde ijlings terug. Barnes verwonderde zich over het geduld van zijn meester bij deze beide gelegenheden, daar hij bij ondervinding wist, dat deze volstrekt geene nalatigheid of dralen kon dulden: maar Sampson was bij den kolonel een in alle opzichten boven anderen bevoorrecht wezen. Zij waren elkander nooit in den weg en schenen tot tochtgenooten op den levensweg voor elkander geschapen te zijn. Als Mannering het een of ander boek noodig had, kon Sampson het oogenblikkelijk halen; had hij rekeningen in orde te brengen, de goede man was steeds met zijne hulp gereed; wenschte de kolonel de eene of andere plaats uit een’ der klassieke schrijvers te weten, dan kon hij den dominé als een levend woordenboek gebruiken; en bij dit alles matigde dit wandelende beeld zich niets aan, wanneer men hem noodig had, noch was hij erg verdrietig, als men zich in het geheel niet om hem bekommerde. Voor zulk een trotsch, terughoudend en stil man als Mannering in vele opzichten was, bezat deze levendige boekenlijst al de deugden van een geleerden stommeknecht.
Zoodra zij te Edinburg aangekomen en in de herberg, „de koning George” bij den Bristopoort, gehouden door den ouden Cockburn (ik houd van nauwkeurigheid), afgestapt waren, liet de kolonel zich bij den heer Pleydell, den rechtsgeleerde, aan wien hij door Mac-Morlan aanbevolen was, brengen en beval zijn bediende Barnes intusschen een waakzaam oog op Sampson te houden.
Destijds, tegen het einde van den Amerikaanschen oorlog, had men zich in de hoofdstad van Schotland bij het bouwen der huizen nog maar zeer weinig om gemak, fraaiheid en behoorlijke ruimte bekommerd. Aan de zuidzijde van de stad waren er slechts weinige huizen verbeterd, en van de nieuwe stad, aan den noordkant, die naderhand zoo uitgestrekt geworden is, waren de eerste beginselen juist aanwezig. Maar de meeste aanzienlijke lieden en voornamelijk de rechtsgeleerden, woonden nog in de donkere holen der oude stad. Ook de levenswijze en manieren van sommige oude rechtsgeleerden hadden nok geene verandering ondergaan. Eenige der beroemdste advokaten ontvingen hunne cliënten nog steeds in wijnhuizen, zoo als vijftig jaren vroeger algemeen in gebruik was; en ofschoon dit gebruik door de jongere rechtsgeleerden als ouderwetsch uitgekreten werd, bleef de gewoonte, om wijn en vroolijkheid met ernstige zaken te verbinden, nog bij die meer bejaarden, die gaarne den ouden weg bewandelden, hetzij omdat het de oude weg was, hetzij omdat zij er te veel aan gewoon waren, om een ander pad in te slaan. Tot deze vereerders van den ouden tijd, die halstarrig bij de vroegere gewoonten bleven, behoorde ook de heer Paulus Pleydell, overigens een geleerd man, een uitmuntend rechtsgeleerde en een rechtschapen mensch.
Nadat Mannering met zijn geleider een paar donkere steegjes doorgegaan was, bereikten zij de Hoogstraat, welke, daar het zoo even acht uren geslagen had, van het geschreeuw van oestersverkoopsters en het schellen van pasteiverkoopers weergalmde.
Het was lang geleden, sedert Mannering de hoofdstraat van eene volkrijke hoofdstad bezocht had, welke, met het geschreeuw, geraas en gewoel van handel, van vroolijkheid en ongebondenheid, de vele lichten en de onophoudelijke afwisseling van honderden van menschen, vooral bij avond een tooneel oplevert, dat ofschoon uit weinig merkwaardige bijzonderheden samengesteld, wanneer deze op zich zelve beschouwd worden, nochtans door hare vereeniging een treffenden en diepen indruk op de verbeelding maakt. De buitengewone hoogte der huizen ontdekte men door de lichten, die onregelmatig langs de gevels schemerden en zoo hoog zichtbaar waren, dat ze bijna in de wolken schenen te flikkeren. Dit gezicht, dat nog gedeeltelijk bestaat, was destijds veel treffender, door de onafgebroken rij van gebouwen aan iedere zijde, welke enkel door de Noorderbrug, die aan deze straat ligt, afgebroken, een heerlijk en regelmatig plein vormden, dat zich van de Luckenbooths tot aan de Canongate uitgestrekte en in lengte en breedte met de buitengewone hoogte der omringende gebouwen overeenstemde.
Mannering had niet veel tijd, om te zien en te bewonderen. Zijn geleider dreef hem onophoudelijk voort en sloeg plotseling een zeer steil oploopend straatje in, waar zij weldra aan het door den heer Pleydell bewoonde huis kwamen. Toen zij hier reeds een vrij hoogen trap, welke zich in geen’ besten toestand bevond, opgeklommen waren, vernamen zij, nog twee verdiepingen hooger, het woedend geblaf van een hond, het schreeuwen van eene vrouw, het angstige gemauw van eene kat, die door den hond aangevallen werd, en daartusschen een ruwe mannenstem, die op gebiedenden toon riep: „Hier Mosterd! hier, hond! stil toch!”
„De hemel beware ons!” riep de vrouwenstem; „als hij onze kat mishandeld had, zou Mijnheer Pleydell mij het nooit vergeven hebben.”
„Stil maar, kind! hij heeft de kat immers geen kwaad gedaan, – Hij is dus niet te huis, zegt gij?”
„Neen, Mijnheer Pleydell is Zaterdagsavonds nooit te huis.”
„En morgen is het Zondag,” hernam de vrager; „dan weet ik niet, wat ik doen moet.”
Intusschen kwam Mannering boven en vond een forschen landman, gekleed in een grijzen rok met groote metalen knoopen, met glimmenden hoed en laarzen, en eene groote zweep onder den arm, in gesprek met een dienstmeisje, dat in de eene hand het slot van de deur hield en in de andere een emmertje met witkalk, dat in Edinburg den Zaterdag avond aanduidt.
„Mijnheer Pleydell is dus niet te huis, meisje?” zeide Mannering.
„Neen, Mijnheer! hij is niet te huis: des Zaterdags is hij aftijd uit.”
„Maar ik ben een vreemdeling, kindlief, en heb dringende zaken. Kunt gij mij niet zeggen, waar ik uw meester vinden kan?”
„Mijnheer Pleydell zal thans zeker bij Clerihugh zijn,” hernam zijn geleider. „Dat had ik u wel dadelijk kunnen zeggen; maar ik dacht, dat gij zijn huis wildet zien.”
„Breng mij dan naar die herberg. Ik denk toch wel, dat hij mij zal willen spreken, daar ik gewichtige zaken met hem te doen heb.”
„Daar wil ik niet voor instaan,” hervatte het dienstmeisje; „des Zaterdags bemoeit hij zich niet gaarne met zaken: – maar hij is ook altijd beleefd jegens vreemdelingen.”
„Ik ga mede naar de herberg,” zeide Dinmont. „Ik ben ook een vreemdeling en heb ook zaken van gewicht.”
„Wel nu,” hernam het meisje, „als hij dien heer spreken wil, zal hij u, burgerman, misschien ook wel te woord staan. Maar zeg in ’s hemels naam niet, dat ik u bij hem gezonden heb.”
„Ja, een eenvoudig en gering man ben ik, dat is waar; maar ik verlang van niemand iets zonder betaling,” hernam de pachter, in het gevoel van zijne eigene waarde, en ging den trap af. Mannering, die hem met zijnen geleider volgde, moest den vasten tred bewonderen, waarmede de vreemdeling, die vóor hen uit ging, door de menigte drong, terwijl hij, enkel door zijne buitengemeene kracht en zwaarte, nuchteren en dronkenen op zijde schoof.
„Dat is een rechte stormlooper,” zei de leidsman van den kolonel; „hij wil steeds midden door de straat: maar hij zal niet ver loopen, zonder iemand te vinden, die hem de tanden laat zien.”
Deze voorspelling werd evenwel niet vervuld. Zij, die door Dinmont uit den weg gedrongen werden, hielden hem, na een blik op den grooten en gespierden man, waarschijnlijk voor eene te geduchte tegenpartij, om hem onbezonnen aan te pakken, en lieten hem ongemoeid verder gaan. Mannering volgde zonder moeite het door den pachter gebaande spoor. Eindelijk bleef deze staan en vroeg hun leidsman: „dit is zeker de naaste weg, niet waar, vriend?”
„Ja, ja,” antwoordde Donald „dat is de naaste weg.”
Dinmont vervolgde nu weder zijn weg, sloeg een nauw, donker straatje in, klom een duisteren trap op en trad de opene huisdeur binnen. Terwijl hij om den oppasser floot, even als of hij een’ van zijne honden riep, keek Mannering in het rond en kon nauwelijks begrijpen, dat een geleerd en beschaafd man het gezellige genoegen in zulk een ellendig, half vervallen huis zou zoeken. In den gang, waarin zij stonden, was een venster, dat in het straatje uitzag en slechts weinig licht gaf, maar allerlei akelige geuren, – vooral tegen den avond, – doorliet. Hier tegenover was een tweede venster, waardoor de keuken, welke geene onmiddellijke gemeenschap met de buitenlucht had, al het licht, voorzeker niet meer dan eene donkere schemering, ontving. Thans was, door de ontzaggelijke vuren, het inwendige van de keuken zichtbaar – eene soort van pandaemonium, waar half gekleede mannen en vrouwen met bakken en braden van oesters bezig waren, terwijl de vrouw des huizes, als heerscheres in dit rijk der duisternis en des vuurs, met neergetrapte schoenen en vliegende haren, die haar als eene Maegera onder eene ronde muts uit hingen, zich aftobde, keef, bevelen ontving, gaf en volvoerde.
Een luid en herhaald gelach, dat van alle kanten door het huis klonk, bewees, dat haar arbeid door een grootmoedig publiek met goedkeuring beloond werd. Niet zonder moeite liet zich eindelijk een knecht overhalen, om den kolonel en Dinmont het vertrek aan te wijzen, waar hun rechtsgeleerde vriend zijn wekelijksch feest vierde. Het tooneel, dat de beide vreemdelingen hier zagen, en wel voornamelijk de toestand van den rechtsgeleerde, de hoofdpersonaadje daarvan, was uiterst verrassend.
De heer Pleydell was een levendig mensch met een schrander gelaat, met eene rechtsgeleerde scherpzinnigheid in het oog en dezelfde soort van deftigheid in zijne manieren. Dit alles legde hij echter, even als zijne staartpruik en zwarten rok, des Zaterdags avonds af, als hij zich in het gezelschap van vroolijke vrienden vermaakte en, zoo als hij het noemde „zich een pretje gunde.” Het dolle gezelschap was reeds sedert vier uur bij elkander en vermaakte zich nu, onder de leiding van een eerwaardig medelid, dat sedert drie geslachten aan deze feesten deel genomen had, met het oude, thans vergetene gezelschapsspel „High Jinks” [15], genoemd. Dit spel werd op verscheidene wijzen gespeeld. Gewoonlijk wierp het gezelschap met dobbelsteenen, en dan waren zij, die het lot trof, verplicht, zekere hun toegedeelde rol te spelen en een tijd lang vol te houden, of een aantal verzen, in eene bepaalde orde, op te zeggen. Wie zijn aangenomen karakter niet getrouw, of in het opzeggen der verzen steken bleef, moest straf ondergaan, welke gewoonlijk bestond in het ledigen van een vollen beker, of het betalen van eene kleinigheid voor de rekening.
Toen Mannering binnentrad, was het vroolijke gezelschap geheel in dit spel verdiept. De heer Pleydell, wien de rol van koning opgelegd was, zat, in plaats van op een troon, in een leuningstoel boven op de tafel. Zijne pruik zat hem scheef op het hoofd, dat met een flesschenblaadje, in plaats van een kroon prijkte, en zijne oogen schitterden van opgewondenheid en wijn, terwijl het hem omringende hof zich met het maken en opzeggen van kreupele verzen, als het volgende, bezig hield: –
„Waar is Gerunto nu? waar is hij toch gebleven? Gerunto zwom niet goed, hij moest in ’t water sneven.”
Dit, o Themis! waren oudtijds de vermaken van uwe Schotsche volgelingen!
Dinmont trad het eerste in het vertrek. Hij stond eenige oogenblikken verstomd en riep vervolgens uit: „Hij is het, ja zeker, hij is het! Zoo iets heb ik mijn leven niet gezien!”
Op de woorden: „De heer Dinmont en de kolonel Mannering wenschen u te spreken, Mijnheer Pleydell!” keek deze om en bloosde eventjes, toen hij de edele gestalte van den Engelschen vreemdeling ontwaarde. Hij dacht evenwel met Falstaff: „Voortgegaan, gij deugnieten! het spel uitgespeeld!” en hield het met recht voor het best, volstrekt geene verlegenheid te laten blijken. „Waar is onze lijfwacht?” riep deze tweede Justinianus uit; „ziet gij dezen vreemden ridder niet, die uit verre landen komt, om ons hof te Holyrood te bezoeken, benevens onze wakkeren Andreas Dinmont, opzichter over onze koninklijke kudden in het bosch van Jedwood, waar ze, dank zij onze koninklijke zorg voor de handhaving der gerechtigheid, gerust en veilig weiden. Waar zijn onze herauten, onze statenboden, onze Lyon, onze Marchmount, onze Carrick en onze Snowdon? Dat de vreemdelingen zich aan onze tafel nederzetten en onthaald worden, zoo als hun rang en dezen hoogen feestdag betaamt. Morgen zullen wij hun gehoor verleenen.”