Chapter 7 of 43 · 3832 words · ~19 min read

Part 7

Met deze woorden brak zij het takje, dat zij in de hand hield, smeet het van zich op den weg, en wendde zich met de trotsche houding van een Margaretha van Anjou, die hare vijanden verwenschte, van Bertram af. Deze wilde spreken en tastte in den zak, om eenig geld te zoeken: maar de Heidin wachtte noch op zijn antwoord, noch op zijne gift, en ging den heuvel af, om hare tochtgenooten in te halen.

Ellangowan reed peinzend naar huis en, hetgeen opmerkelijk was, sprak tegen niemand zijner huisgenooten van deze ontmoeting. De rijknecht was echter niet zoo achterhoudend; hij verhaalde de geheele geschiedenis aan zijne talrijke toehoorders in de keuken en eindigde met de betuiging, dat, als de duivel ooit uit den mond van een wijf gesproken had, hij het op dezen dag door den mond van Meg Merrilies gedaan had.

NEGENDE HOOFDSTUK.

„Men schildre Schotland weenend Over haar onteerde wapenschild. –”

Burns.

Onder het ijverig waarnemen van zijn ambt, behartigde Bertram het voordeel van ’s lands inkomsten. Langs de geheele zuidwestkust van Schotland werd, uithoofde der nabijheid van het eiland Man, dat hiertoe zeer gelegen lag, een drukke sluikhandel gedreven. De geringere volksklasse nam bijna algemeen deel daaraan; de hoogere standen zagen het oogluikend toe, en de tolbedienden werden dikwijls in de uitoefening van hunnen dienst gedwarsboomd door diegenen, die hen eigenlijk hadden moeten ondersteunen.

Op dit tijdstip was Frans Kennedy, die in dit verhaal reeds genoemd is, als bereden tolbediende of opzichter in dit oord aangesteld; hij was een moedig, ondernemend, werkzaam man, die reeds vele sluikgoederen aangehaald had, en door allen, die bij dezen eerlijken handel, zooals zij die er belang bij hadden het heetten, niet weinig gehaat werd. Hij was de onwettige zoon van een aanzienlijk man, en deze omstandigheid, gepaard met eene altijd vroolijke stemming en eene groote bekwaamheid in het zingen, verschafte hem vrijen toegang tot alle fatsoenlijke gezelschappen in den omtrek.

Kennedy kwam dikwijls te Ellangowan en was altijd welkom. Zijne levendigheid bespaarde Bertram de moeite van te denken en zijne gedachten uitvoerig mede te deelen. De stoute en gevaarlijke ondernemingen, die hij in zijn dienst uitgevoerd had, leverden heerlijke stof tot onderhoud op. De heer vond veel smaak in deze verhalen, en het genoegen, dat Kennedy’s gezelschap hem schonk, was voor hem eene reden te meer, om den verhaler in het uitoefenen van zijn hatelijken en gevaarlijken dienst te handhaven en te ondersteunen.

„Frans Kennedy,” zeide hij, „was een fatsoenlijk man, hoewel niet in den echt geboren en door het geslacht van Glengubble met dat van Ellangowan verwant. De laatste spruit uit het huis van Glengubble zou zijn landerijen aan de familie Ellangowan hebben nagelaten; maar bij ongeluk ging hij eens naar Harrowgate, waar hij zekere juffrouw Jane Hadaway ontmoette en, terloops gezegd, de groene Draak te Harrowgate in het beste logement dàar te vinden; – maar wat Frans Kennedy betreft, hij is in zekeren zin een edelman van geboorte en het zou schande zijn, hem niet te helpen tegen dit gemeene smokkelaarsvolk.”

Nadat dit verbond gesloten was, gebeurde het, dat kapitein Dirk Hatteraick eene lading sterke dranken en andere verboden waren niet ver van Ellangowan aan land bracht. Vertrouwende op de onverschilligheid, waarmede de heer voorheen zulke inbreuken op de wetten aanzag, deed hij geene moeite, om zijne zaken te verbergen of te bespoedigen. Het gevolg was, dat Frans Kennedy, voorzien van eene volmacht van Ellangowan en ondersteund door eenige met de omstreken bekende volgelingen van Bertram, benevens eene afdeeling soldaten, de vaten en balen overviel en, na een wanhopig, bloedig gevecht, de in beslag genomen goederen in triumf naar het naaste tolkantoor bracht. Dirk Hatteraick zwoer in het Hollandsch, Duitsch en Engelsch eene verschrikkelijke wraak aan den tolbediende en zijne helpers en bondgenooten, en ieder, die hem kende, twijfelde in het minste niet, of hij zou woord houden.

Weinige dagen na het vertrek der Heidenen vroeg Bertram zijne echtgenoote onder het ontbijt, of het niet juist de geboortedag van den kleinen Hendrik was.

„Hij is heden juist vijf jaar oud,” antwoordde zij. „Nu mogen wij immers ook het papier van den Engelschen heer inzien?”

„Neen, mijn lieve!” hernam Bertram, die gaarne zijn gezag in kleinigheden toonde, „niet vóor morgen. Onlangs, in onze laatste vergadering, verklaarde de sheriff, dat dies, dat dies inceptus – maar gij verstaat geen Latijn; ik wil zeggen, dat een termijndag niet begint voor dat die ten einde is.”

„Dat klinkt immers als wartaal, mijn waarde!”

„Dat kan wel zijn, mijn schat! maar het is toch zoo in rechten,” antwoordde Bertram, „en van vervaldagen gesproken, ik zou wel willen, dat die elkaâr doodsloegen, zoo als Frans Kennedy zegt, want dan zou er een einde aan zijn, want ik heb een brief gekregen om de vervallen interesten van Jaantje Cairn, en geen een der pachters heeft zijn huur betaald, en zal dat ook in de eerste drie maanden niet doen, – maar, wat Frans Kennedy betreft, die zal denkelijk heden wel komen, want hij is naar Wigton gegaan om den kruiser te waarschuwen die daar voor anker ligt, dat de logger van Dirk Hatteraick wèèr aan de kust is, en als hij terugkomt, zullen we een flesch wijn op de gezondheid van den kleinen Hendrik leegen.”

„Ik wenschte wel,” hernam de dame, „dat Frans Kennedy zich niet met Dirk Hatteraick bemoeide. Waarom doet hij meer moeite dan anderen? Kan hij zijn liedje niet zingen, zijn glaasje drinken en zijne bezoldiging ontvangen even als andere eerlijke lieden, die niemand hinderen? En het verwondert mij, Bertram, dat gij u ook in deze zaken mengt. Behoefden wij ooit om thee of brandewijn naar het naburig vlek te zenden, toen Dirk Hatteraick hier gerust landen kon?”

„Gij begrijpt dit niet,” antwoordde haar echtgenoot. „Meent gij dan, dat het een ambtenaar past, zijn eigen huis tot eene bergplaats van sluikgoederen te maken? Laat Frans Kennedy u de strafwetten dienaangaande eens toonen! Gij weet immers zelve, dat zij hunne verboden waren in het oude slot Ellangowan pleegden te bergen.”

„Maar, waarde Bertram, wat kwaad stak er dan ook in, dat er nu en dan eenige vaatjes brandewijn in de gewelven van het oude slot lagen? Gij behoefdet er immers niets van te weten. En wat schaadt het den Koning, dat de heeren hier een goed glaasje en hunne vrouwen een kopje thee tegen eenen matigen prijs bekomen? Het is zonde en schande, dat er zulken hooge rechten op gelegd zijn. En voer ik er niet veel beter bij, toen Dirk Hatteraick mij een kapsel en eene muts met Brabantsche kanten van Antwerpen zond? Ik kan lang wachten voor dat de Koning, of Frans Kennedy mij iets zendt. En dan ook nog uw twist met de Heidenen! Ik verwacht elken dag, dat onze schuren in brand gestoken zullen worden.”

„Ik zeg u nog eens, liefste, dat gij dit niet begrijpt. Maar zie, daar komt Kennedy de laan al oprijden.”

„Goed, goed,” riep zijne echtgenoote, de stem verheffende, terwijl hij naar buiten liep; „ik wenschte wel, dat gij het zelf begreept.”

Bertram snelde zijn vriend te gemoet, die hem vroolijk ontving. „Kom, kom toch,” riep Kennedy, „naar het oude slot! Die oude vos, Dirk Hatteraick, wordt door des Konings honden nagejaagd, dat het een lust is om te zien.” Met deze woorden gaf hij zijn paard aan een knaap over, en liep naar de hoogte, waarop het oude slot lag. De heer volgde hem met verscheiden der huisgenooten, verschrikt door het donderen van het geschut, dat zij nu duidelijk uit zee hoorden.

Toen zij dat gedeelte der bouwvallen, vanwaar zij het ruimste uitzicht hadden, bereikten, zagen zij een logger met volle zeilen in de baai, die van nabij door eene oorlogssloep vervolgd werd. Beide schepen vuurden reeds op elkander.

„Zij kunnen elkaâr nog maar eventjes raken” riep Kennedy vol vuur; „maar zij zullen aanstonds wel nader komen. Vervloekt! hij werpt zijne lading over boord, – vat op vat in zee. Dat is eene leelijke poets van Hatteraick! maar ik zal het hem straks laten gevoelen. Ha! nu hebben zij hem de loef afgewonnen. Zoo moet het zijn! Nu opgepast! nu frisch op hem los!”

„Ik houd het er voor,” zei de oude tuinman, tot een der dienstmeiden, „dat die Kennedy geestdronken is,” hetgeen zooveel wil zeggen bij het volk als dat iemand spoedig sterven zal.

De jacht duurde intusschen voort. Kapitein Hatteraick, die zijn schip meesterlijk bestuurde en alle mogelijke middelen aanwendde om te ontsnappen, had reeds de kaap aan de linkerzijde van de baai bereikt en zou juist omzeilen, toen een kogel de touwen van de ra trof en het groote zeil op het dek neerbracht. Dit ongeval scheen den strijd te zullen beslissen; maar de aanschouwers konden den uitslag niet zien: want het schip, dat de kaap juist voorbij gezeild was, kon niet meer bestuurd worden en verdween nu achter het voorgebergte uit hun gezicht. De oorlogssloep zette alle zeilen bij, om het schip te bereiken; doch was te dicht aan de kust gekomen, zoo dat zij, uit vrees van te stranden, wenden en eenen langen gang in de baai terug maken moest, vóor dat zij de kaap omzeilen kon.

„Vervloekt!” riep Kennedy. „Zij verliezen lading of schip, of misschien beiden. Ik moet naar de kaap van Warroch rijden, om hun een teeken te geven, waar het schip aan de andere zijde heengedreven is. Vaarwel voor een uurtje Ellangowan! Zet de groote punchkom gereed, met eene menigte citroenen. Voor den cognac zal ik zorgen als ik terugkom, en dan drinken wij op de gezondheid van den jongenheer uit eene kom, waarin eene boot zeilen kan.”

Dit zeggende steeg hij te paard en snelde heen. Omstreeks een mijl van het slot, bij den ingang van het bosch, dat het voorgebergte, waarvan de kaap van Warroch de uiterste spits uitmaakte, bedekte, ontmoette Kennedy den kleinen Hendrik Bertram, door zijn leermeester Sampson vergezeld. Hij had den knaap, die den vroolijken huisvriend, welke dikwijls met hem speelde, zeer genegen was, reeds dikwijls een ridje op zijn paard beloofd. Hendrik zag hem nauwelijks aankomen of hij drong luidkeels op het vervullen van zijne belofte aan. Kennedy, die er geen gevaar in zag, om den knaap dit vermaak te gunnen, en ook den ernstigen leermeester, op wiens gelaat hij eene weigering las, een weinig plagen wilde, hief den kleinen op zijn paard, zette hem voor zich en reed verder. Sampson’s roepen: „Mijnheer Kennedy! wat ik u bidden mag” – was te vergeefs, en werd onhoorbaar onder de hoefslagen van het paard. De leermeester overlegde eene poos of hij hen volgen zou; maar daar Kennedy een vertrouwde vriend des huizes was, en hij zich niet gaarne met iemand inliet, die zich te buiten ging aan „lichtzinnige en profane aardigheden,” vervolgde hij eindelijk bedaard zijn weg en keerde naar Ellangowan terug.

De toeschouwers op het oude slot zagen nog steeds naar de oorlogssloep, welke eindelijk, na veel tijdverlies, de kaap van Warroch omzeilde en spoedig achter het boschrijke voorgebergte uit hun gezicht verdween. Kort daarop werden er weder verscheiden kanonschoten in de verte gehoord, en eenige oogenblikken later een verschrikkelijke slag, alsof er een schip in de lucht vloog, terwijl eene dikke rookwolk achter de boomen naar boven steeg in de blauwe lucht. Nu verlieten allen het oude slot en keerden naar huis. Hun oordeel over het lot van den smokkelaar was verschillend; de meesten dachten echter, dat het schip zonder twijfel genomen moest worden, als het niet reeds gezonken was.

„Het is bijna tijd voor het middagmaal,” zeide mevrouw Bertram tegen haren gemaal; „zou de heer Kennedy spoedig terug komen?”

„Ik verwacht hem ieder oogenblik,” antwoordde Bertram; „misschien brengt hij wel een paar officieren van de sloep mede.”

„Maar, lieve hemel! waarom hebt gij dat niet eerder gezegd? dan had ik de groote ronde tafel laten dekken. Buitendien eten die menschen elken dag pekelvleesch, en, om de waarheid te zeggen, is een stuk gezouten vleesch heden onze voornaamste schotel. En dan had ik ook een andere japon aangetrokken, en gij hadt ook wel een’ schoonen das mogen omdoen. Maar gij schept er behagen in, mij in verlegenheid te brengen. Neen, dat houd ik niet uit! Maar eerst als iemand dood en begraven is, leert men hem waardeeren.”

„Kom, kom! de drommel hale uw rundvleesch, uw kleed, uwe tafel en uwen halsdoek! Het zal zoo ook wel gaan! Maar,” (zich tot eenen bediende, die bij de tafel bezig was, wendende) „waar is mijnheer Sampson, Johan? waar ìs mijnheer Sampson met den kleinen Hendrik?”

„Mijnheer Sampson is reeds meer dan twee uren te huis geweest,” antwoordde de bediende; „maar ik geloof niet, dat de jongeheer met hem meê gekomen is.”

„Hendrik niet met hem?” vroeg mevrouw Bertram. „Zeg aan mijnheer Sampson, dat hij oogenblikkelijk bij mij komen moet.”

„Sampson,” zeide zij, toen hij binnentrad, „is het niet vreemd, dat gij, die hier vrije huisvesting, vrije tafel, vrij bed en vrije wasch en bovendien jaarlijksch twaalf pond sterling hebt, alleen om op Hendrik te passen, – dat gij den knaap twee of drie uren achtereen uit uwe oogen laat gaan?”

Sampson maakte bij het noemen van ieder der onderscheidene voordeelen, aan zijnen post verbonden, welke de vergramde dame één voor één optelde om hare berisping meer gewicht bij te zetten, eene dankbare, nederige buiging, en verhaalde toen, dat Kennedy eigenmachtig, in spijt van zijne tegenvoorstellingen, den kleinen Hendrik onder zijn opzicht genomen had.

„Ik dank den Heer Kennedy in het geheel niet voor zijne genomen moeite,” hernam zij gemelijk. „Indien hij Hendrik nu eens van het paard liet vallen en de knaap kreupel werd, of als een kogel van het schip hem trof, of –”

Hier viel Ellangowan haar in de rede: „of, mijne waarde, en dit is toch waarschijnlijker dan al het andere, voorondersteld, dat zij aan boord van de sloep of van het prijsgemaakte schip gegaan zijn en met den vloed om de kaap komen –”

„En dan kunnen zij verdrinken,” hernam de dame.

„Waarlijk,” bracht Samson in het midden, „ik dacht, dat Kennedy reeds een uur geleden terug gekomen was. Mij dunkt, ik heb zijn paard het plein hooren opdraven.”

„O neen,” zei de huisknecht grijnzende; „het was de veemaagd, die de koe naar buiten dreef”

Sampson werd rood tot over de ooren, niet over den spottenden toon van den knecht, welken hij nooit had opgemerkt, of al had hij dat, nooit kwalijk genomen zou hebben, maar over eene gedachte, die bij hem opkwam.

„Hoe dit zij, ik heb niet wèl gedaan,” zeide hij; „ik had op het kind moeten wachten.”

Met deze woorden nam hij hoed en stok, en snelde met ongewonen spoed naar het bosch van Warroch.

Bertram twistte nog eene poos met zijne vrouw over deze zaak. Eindelijk liet de sloep zich weder zien, maar hield, zonder de kust te naderen, met volle zeilen westwaarts af, zoo dat zij spoedig weder uit het gezicht verdween. Bertram was reeds zoo gewoon aan de angstige bezorgheid van zijne echtgenoote, dat ze geen indruk meer op hem maakte. Nu echter maakten de verlegenheid en angst, welke hij op het gelaat zijner dienstboden las, zijne bezorgdheid gaande, en deze steeg ten top, toen men hem buiten het vertrek riep en hem verhaalde, dat het paard van Kennedy met gebroken teugels en met den zadel onder het lijf, bij den stal aangekomen was. Bovendien had een boer hun in het voorbijgaan gezegd, dat er aan de andere zijde van de kaap van Warroch een schip brandde als een oven, en dat hij, ofschoon hij door het bosch gekomen was, niets van Kennedy en den jongen heer gehoord of gezien had; maar dat dominé Sampson als een dolleman in het rond liep, om hen op te zoeken.

Alles op het slot geraakte nu in beweging. De meester snelde met alle zijne dienstboden, zoo mannelijke als vrouwelijke, naar het bosch van Warroch. De landlieden uit den omtrek boden, deels uit deelneming, deels uit nieuwsgierigheid hun bijstand aan. Er werden booten bemand, om langs het strand, dat aan de ándere zijde van de kaap van Warroch uit hooge steile rotsen bestond, te zoeken. Men vreesde, dat de knaap van een van deze klippen afgestort mocht zijn; maar niemand waagde het, deze verschrikkelijke gedachte uit te spreken.

De avond was reeds gevallen, toen allen in het bosch kwamen en zich naar alle kanten verspreidden, om de vermisten te zoeken. De donkere lucht, het huilen van den herfstwind door de bladerlooze boomen, het ritselen der afgevallen bladeren, en het herhaald geroep van de zoekenden, die zich nu en dan weder naderden, in de hoop de verlorenen te vinden – dit alles maakte het tooneel akelig en indrukwekkend.

Eindelijk kwamen allen, nadat zij het bosch nauwkeurig, hoewel vruchteloos, doorzocht hadden, langzamerhand weder bijeen, om verder te overleggen. De vader kon zijn verschrikkelijken angst niet langer verbergen; maar de smart van den leermeester was bijna nog grooter. „Gave God, dat ik voor hem gestorven ware!” riep de goede man herhaalde malen op den toon der bitterste smart uit. De overigen, wier deelneming minder levendig was, begonnen luidruchtig te twisten over de waarschijnlijke, of mogelijke oorzaken van het gevreesde ongeluk. Eenigen dachten, dat de vermisten aan boord van de sloep gegaan waren. Anderen wilden hen in een naburig dorp zoeken; en nog anderen meenden, dat zij misschien wel aan boord van het schip van den smokkelaar, waarvan de vloed nu eenige planken en ander houtwerk aan land spoelde, geweest waren.

Op dit oogenblik hoorde men van den oever een geschreeuw, zoo luid, zóo schel, zóo doordringend, zóo verschillend van alle geluiden, welke dien nacht door het bosch geklonken hadden, dat niemand er aan twijfelde, of hier zoude opheldering – en verschrikkelijke opheldering gevonden worden. Allen spoedden zich naar de plaats, vanwaar het geluid kwam. Langs paden, waarvoor zij op een anderen tijd teruggebeefd zouden hebben, kwamen zij bij eene kloof in de rots, waarbij eene der booten reeds geland was.

„Hier mannen, hier!” werd er bij herhaling geroepen; „om Gods wil hierheen, hierheen!”

Ellangowan drong door de menigte, die reeds om de ongelukkige plaats geschaard stond, starende op het voorwerp van hun schrik. Het was het lijk van Kennedy. Op het eerste gezicht scheen het, dat hij door een val van de rots, die zich hier honderd voeten boven het strand verhief, omgekomen was. Het lijk lag half in, half buiten het water. De eersten, die het ontdekten, meenden, dat er nog leven in was, daar de opkomende vloed den arm ophief en de kleederen bewoog. Maar spoedig zag men, dat de laatste levensvonk uitgedoofd was.

„Ach! mijn zoon, mijn zoon!” riep de ongelukkige vader; „waar mag mijn zoon zijn?”

Allen openden de lippen, om hoop op te wekken, welke zij zelve niet voedden. Vliegend beklom Ellangowan de rotsen weder, wierp zich op het eerste paard, dat hij vond, en reed woedend naar de hutten van Derncleugh. Hier was alles duister en ledig. Toen hij afsteeg, om nauwkeurig na te zoeken, struikelde hij over het gebroken huisraad, dat uit de hutten geworpen, en over het dakwerk, dat op zijn bevel afgerukt was. Nu viel hem de voorspelling, of liever de verwensching van Meg Merrilies: „Van zeven hutten hebt gij het dak afgescheurd, zie, of uw eigen dak des te vaster staat,” zwaar op het hart.

„Geeft mij mijn kind weder!” riep hij uit. „Brengt mij mijn zoon terug, en alles zal vergeten en vergeven zijn.”

Toen hij deze woorden, krankzinnig van smart, uitriep, ontdekte hij een flauw licht in eene der verwoeste woningen. Het was de hut, waarin Meg Merrilies gewoond had. Het licht, dat van een vuur scheen te komen, straalde niet alleen door het venster, maar ook door het afgebroken dak.

Hij snelde er heen. De deur was gesloten. Wanhoop gaf den ongelukkigen vader reuzenkracht. Hij stiet met zoo veel geweld tegen de deur, dat ze opensprong. De hut was ledig, maar droeg sporen dat er kort te voren iemand geweest was; er was vuur op den haard, er stond een ketel gereed en men zag al de toebereidselen, om iets te koken. Terwijl Bertram scherp in het rond zag, of hij ook iets kon vinden om zijn hoop voedsel te geven, dat het kind nog in leven ofschoon ook in de macht der Heidenen was, trad iemand in de hut. Het was zijn oude tuinier.

„Ach, Mijnheer,” zei de oude man, „ik had nooit gedacht, zulk een nacht te beleven als deze! Gij moet oogenblikkelijk naar huis komen.”

„Is het kind gevonden? leeft het? hebt gij mijn zoon gevonden, Andries? hebt gij Hendrik gevonden?”

„Neen, Mijnheer! maar –”

„Dan heeft men hem geroofd, Andries! zoo zeker als ik op Gods aardbodem sta. Zij heeft hem gestolen; en ik ga niet van deze plaats, voor dat ik tijding van mijn kind heb.”

„Gij moet toch naar huis komen, Mijnheer! gij moet. Wij hebben naar de justitie gezonden, en zullen hier eene wacht plaatsen in geval de Heidenen weerkomen mochten; – maar gij moet naar huis, Mijnheer! Mevrouw ligt op sterven!”

Bertram vestigde een strakken, uitdrukkingloozen blik op den ongeluksbode, herhaalde de woorden: „ligt op sterven!” alsof hij den zin er van niet kon vatten, en liet zich door den ouden man naar zijn paard slepen. Onder het naar huis rijden bleef hij sprakeloos; alleen riep hij nu en dan op den toon der diepste smart uit: „Vrouw en kind beiden – moeder en zoon beiden! Dat is zwaar – heel zwaar te dragen!”

Wie kan het nieuwe jammertooneel schilderen, dat hem wachtte? De tijding van Kennedy’s dood werd voorzichtig op het slot verspreid, met bijvoeging, dat de ongelukkige zonder twijfel den knaap in zijn val medegesleept had, ofschoon het lijk niet te vinden, maar zeker door den vloed weggespoeld was.

Mevrouw Bertram, die hoogzwanger was, werd te vroeg moeder; en vóor dat haar gemaal tot zich zelven kon komen, om het verschrikkelijke van zijn toestand geheel te beseffen, was hij vader van eene dochter en weduwnaar geworden.

TIENDE HOOFDSTUK.

– Men ziet, – ’t gezicht is zwart en bloedbevlekt; De oogen puilen uit, zoo als in ’t leven nooit, En staren als die van iemand, die geworgd werd! Te berge rijst het haar, neusgaten wijd geopend, De handen uitgespreid als zochten ze te grijpen, Te kampen om het leven – tot hij bezweek.

Hendrik IV. 1ste Ged.

Den volgenden morgen met het aanbreken van den dag kwam de sheriff van het graafschap te Ellangowan, om behoorlijk onderzoek te doen; want aan dezen ambtenaar wordt door de wet in Schotland uitgebreide rechtsmacht verleend, zooals onder anderen, het onderzoek van alle misdaden binnen zijn gebied gepleegd en het verhooren en aanhouden van alle verdachte menschen.

De man, de dit ambt bekleedde te Ellangowan tijdens deze gebeurtenis, was van goede afkomst en goed opgevoed en werd algemeen geacht en geëerbiedigd als een knap en flink ambtenaar.

Zijn eerste werk was, alle getuigen te hooren, wier verklaringen eenig licht over deze geheimzinnige gebeurtenis verspreiden konden. Zijn nauwkeurig en zorgvuldig onderzoek bracht verscheidene omstandigheden aan het licht, welke het eerste vermoeden, dat Kennedy door een ongelukkig toeval van de rots gevallen zou zijn, volkomen wederlegden.