Chapter 30 of 43 · 3926 words · ~20 min read

Part 30

Brown (die in het vervolg, nu hij het vaderlijke erf betreden heeft, den vaderlijken naam van Bertram voeren zal) trad door een, zoo als het scheen, voormaals zorgvuldig gesloten achterpoortje in het slot Ellangowan. Hij wandelde uit het eene vervallen vertrek in het andere, en verwonderde zich niet weinig over de hechtheid en sterkte van eenige gedeelten van het gebouw, over de ruwe en indrukwekkende pracht van andere gedeelten en over de groote uitgestrektheid van het geheel. Twee van deze vertrekken, welke aan elkander grensden, droegen sporen, dat ze onlangs bewoond waren geweest. In het eene lagen ledige flesschen, half afgekloven beenderen en uitgedroogde stukken brood; in het andere, waarvoor eene sterke deur was, die toen openstond, zag hij een grooten hoop stroo, en in beide uitgebrande vuren. Hoe weinig kon Bertram denken, dat deze nietsbeteekenende omstandigheden in verband stonden met gebeurtenissen, waarmede zijn geluk, zijne eer en misschien zelfs zijn leven gemoeid waren.

Nadat Bertram zijne nieuwsgierigheid door eene vluchtige bezichtiging van het inwendige van het slot bevredigd had, ging hij door de groote poort, welke aan de landzijde was, en bleef staan, om het heerlijke landschap, dat nu vóor hem lag, te bewonderen. Hij trachtte de ligging van Woodbourne te ontdekken; maar te vergeefs. Met Kippletringan gelukte hem dit beter. Nu keerde hij zich om, ten einde een’ afscheidsblik op de grootsche bouwvallen te werpen, welke hij zoo even doorkruist had. Hij bewonderde de grootsche en schilderachtige werking van de ontzaggelijke ronde torens, die op beide zijden van de poort staande, den hoogen en nochtans donkeren boog nog meer diepte en verhevenheid bijzetten. Het in steen uitgehouwen wapen van het oude geslacht, bestaande uit drie wolfskoppen, hing schuins onder den helm, die met een, met eene pijl doorboorden, liggenden wolf, in plaats van pluim, versierd was. Als schilddrager stond er aan iedere zijde een met een krans omgorde wilde man in levensgrootte met een ontwortelden eik in de hand.

„En zijn de nakomelingen van de machtige baronnen, welke dit wapen voerden,” zeide Bertram, den gewonen loop der gedachten volgende, die zulke tooneelen dikwijls opwekken, tot zich zelven, „nog steeds in het bezit van het gebied, dat hunne voorouders met zoo veel moeite hebben trachten te bevestigen? of dwalen zij, misschien, onbekend met den roem en de macht van hunne voorvaderen rond, terwijl een vreemd geslacht op hun voorouderlijk erfgoed huist? Hoe komt het,” vervolgde hij, „dat sommige tooneelen gedachten opwekken, die, als het ware, tot de droomen eener vroegere en schaduwachtige herinnering behooren, die mijn oude Bramin aan eenen staat van voorbestaan wilde toeschrijven? Zijn het de droombeelden van onzen slaap, die duister in ons geheugen liggen en door het aanschouwen van zoodanige wezenlijke voorwerpen, die eenigszins met de gestalten onzer verbeelding overeenstemmen, weder te voorschijn geroepen worden? Hoe dikwijls ontwaren wij, zelfs in het gezelschap van menschen, die wij nooit gezien hebben, zeker geheimzinnig en onverklaarbaar gevoel, dat ons schijnt te zeggen, dat noch de schouwplaats, noch de sprekers, noch het gesprokene ons geheel vreemd zijn; ja, het komt ons zelfs voor, dat wij het gesprek, dat nog niet begonnen is, woordelijk kunnen raden! Juist zoo gaat het mij, terwijl ik op deze bouwvallen staar; en ik kan de gedachte niet weren, dat deze hechte torens, deze donkere doorgang onder de hoog gewelfde poort, die door het slotplein slechts flauw verlicht wordt, mij niet geheel vreemd zijn. Zou het mogelijk zijn, dat ik ze reeds dikwerf in mijne jeugd gezien heb, en moet ik in de nabijheid daarvan die vrienden zoeken, van welke mij uit mijne kindschheid nog eene teedere, ofschoon flauwe herinnering is bijgebleven en welke ik zoo vroeg tegen strenge tuchtmeesters verwisselen moest? En toch heeft Brown, die, dunkt me, mij niet bedriegen wilde, mij altijd gezegd, dat ik, na eene schermutseling, waarin mijn vader sneuvelde, van de oostelijke kust medegenomen was; en ik herinner mij iets van zulk een verschrikkelijk tooneel, dat zijn gezegde schijnt te bevestigen.”

Toevallig was het standpunt, dat Bertram gekozen had om het kasteel des te beter te kunnen beschouwen, bijna dezelfde plek, waar zijn vader gestorven was. Een groote oude eik, de eenige op den heuvel en de gerechtsboom genaamd, omdat die onder de vroegere baronnen van Ellangowan als rechtsplaats gebruikt werd, overschaduwde deze plek.

Glossin had ook toevallig (en deze samenloop van omstandigheden was merkwaardig) juist dezen morgen iemand bij zich, dien hij over eene voorgenomene verbetering en aanzienlijke vergrooting van zijn woonhuis wilde raadplegen, en had besloten de steenen van het oude vervallen slot voor zijn nieuw gebouw te gebruiken, daar hij de bouwvallen, die zoo luide aan de grootheid der vroegere bezitters herinnerden, niet dan ongaarne zag. Met dit voornemen kwam hij, vergezeld door den reeds vroeger vermelden landmeter, die bij gelegenheid ook voor bouwmeester speelde, naar den heuvel; (bij het maken der bestekken en teekeningen vertrouwde Glossin op zijne eigene bekwaamheden). Bertram stond met den rug naar hen toegekeerd en zoo geheel achter de takken van den grooten boom verscholen, dat Glossin den vreemdeling niet eens bemerkte, vóor dat hij dicht bij hem was.

„Ja, Mijnheer,” zei de landmeter, „ik herhaal het nog eens; het oude slot zou overvloed van heerlijken gehouwen steen opleveren en het is voor u wezenlijk het beste, het geheel en al af te breken; daar het alleen tot een schuilplaats voor smokkelaars dient.”

Op dit oogenblik keerde Bertram zich om en vroeg Glossin, die geene drie schreden van hem verwijderd stond: „Wilt gij dit fraaie oude slot afbreken, Mijnheer?”

Gelaat, gestalte en stem, alles geleek zoo volkomen op die van zijn vader in diens beste dagen, dat Glossin, die bij het hooren van deze woorden en het zien van deze onverwachte verschijning, in de gedaante van zijn overleden beschermer, bijna op dezelfde plaats, waar deze ongelukkige gestorven was, in het eerst bijna dacht, dat het graf zijn prooi terug gegeven had. Hij waggelde eenige schreden achteruit, alsof hij plotseling door een doodelijken slag getroffen was. Hij herwon echter zijne tegenwoordigheid van geest spoedig weder bij de kwellende gedachte, dat het geen bewoner der andere wereld was, die vóor hem stond, maar een diep beleedigd man, dien hij misschien met zijne aanspraken en de middelen, om ze tot zijn’ eigen volkomen ondergang te doen gelden, bekend kon maken, indien zijne geslepenheid hem slechts een oogenblik verliet. Door den onverwachten schrik waren zijne gedachten echter zoo verward, dat hij, bij zijne eerste vraag, zijne ontroering niet kon verbergen.

„In ’s hemels naam, hoe zijt gij hier gekomen?” riep hij.

„Hier gekomen? ik ben voor een kwartier in de kleine haven hier beneden geland en wilde eenige oogenblikken vertoeven, om deze schoone bouwvallen te bezichtigen. Ik hoop toch niet, dat ik ongelegen kom?”

„Ongelegen, Mijnheer? neen, in het geheel niet,” antwoordde Glossin, eenigszins bedarende, en fluisterde hierop zijn begeleider eenige woorden in het oor, die zich oogenblikkelijk verwijderde en naar het woonhuis ging. „Ongelegen, Mijnheer?” herhaalde Glossin „neen, Mijnheer, gij zijt welkom, zoo als ieder fatsoenlijk man, die hier zijne nieuwsgierigheid bevredigen wil.”

„Zeer verplicht, Mijnheer! – Dit wordt het oude slot genoemd, naar ik gehoord heb?”

„Ja, ter onderscheiding van het nieuwe slot, mijn woonhuis.”

Glossin was, gedurende het volgende gesprek, aan de eene zijde zeer begeerig, om te vernemen welke plaatselijke herinneringen de jonge Bertram nog van de tooneelen zijner kindsheid had; terwijl hij aan den anderen kant zich tot de uiterste omzichtigheid in zijne antwoorden gedwongen zag, uit vrees dat hij door het noemen van een naam, of het verhalen van het een of ander voorval, deze sluimerende herinneringen opwekken of te hulp zou komen. Hij voelde gedurende het gansche tooneel een doodelijken angst, welken hij zoo rijkelijk verdiend had; maar zijn hoogmoed en eigenbelang gaven hem, even als onversaagdheid aan den Noord-Amerikaanschen Indiaan, de kracht, om de folteringen welke hij door den kamp van zijn knagend geweten met haat, vrees en argwaan leed, te verdragen.

„Ik zou gaarne den naam der familie weten, aan welke deze prachtige bouwvallen behooren,” vervolgde Bertram.

„Zij behooren mij, Mijnheer. Mijn naam is Glossin.”

„Glossin, Glossin?” herhaalde Bertram alsof hij een ander antwoord verwacht had. „Vergeef mij, Mijnheer Glossin; ik ben soms zeer afgetrokken. Mag ik vragen, of deze plaats reeds lang het eigendom van uwe familie geweest is?”

„Het is, geloof ik, voor lange jaren door eene familie, Mac-Dingawaie genaamd, gebouwd;” antwoordde Glossin. Hij vermeed dus, om zeer duidelijke redenen, den bekenden naam van Bertram, die wellicht herinneringen kon opwekken, welke hij zoo angstvallig in slaap zocht te wiegen, en poogde door deze uitvlucht het antwoord op de vraag, hoe lang hij het kasteel reeds bezeten had, te ontwijken.

„En hoe luidt die half uitgewischte zinspreuk, dáar boven het wapen?”

„Ik – ik weet het waarlijk niet goed,” antwoordde Glossin.

„Me dunkt,” hernam Bertram, „dat ik er uit lees: Ons recht is onze macht.”

„Ik geloof wel, dat het iets van dien aard is.”

„Mag ik vragen, Mijnheer, of dit de zinspreuk van uw geslacht is?”

„Neen – neen – niet van het onze. Het is, geloof ik, de zinspreuk van vroegere eigenaren. De mijne is – de mijne is – ik heb reeds eenige brieven daarover met het herauten-collegie te Edinburg gewisseld, en de heer Gumming heeft mij geschreven, dat de Glossins oudtijds tot zinspreuk hadden: „Die het neemt, die het heeft.”

„Als dat slechts eenigszins twijfelachtig is en ik in uw geval ware, Mijnheer, dan zou ik de oude zinspreuk aannemen, die mij verre weg verkieselijk voorkomt.”

Glossin, wiens tong van angst aan zijn gehemelte kleefde, antwoordde slechts met eene kleine buiging.

„Het is wonderlijk,” hernam Bertram, met de oogen op het geslachtswapen boven de poort gevestigd, en, als het ware, half overluid denkende, half tot Glossin sprekende – „het is toch wonderlijk, welke streken ons geheugen ons soms speelt. Bij deze zinspreuk schiet mij een brok van een oud lied, eene voorspelling, of iets van dien aard te binnen. Het begint geloof ik:

Wat donker is, zal licht, En ’t onrecht worden recht, Als Bertram’s recht en Bertram’s macht Wordt eind’lijk –

„De laatste regel wil mij niet invallen – – ja, bracht is het rijmwoord, dat weet ik zeker; maar ik kan de voorafgaande woorden niet vinden.”

„Verwenscht zij uw geheugen!” dacht Glossin, „gij herinnert u er reeds veel te veel van.”

„Mij komen hierbij nog andere rijmen voor den geest. Mag ik u vragen, Mijnheer, is hier ook een oud lied van eene koningsdochter van het eiland Man, die met een Schotschen ridder heimelijk wegliep, algemeen bekend?”

„Gij ziet in mij den meest ongeschikten man van de wereld om u daarop te antwoorden; ik ben geheel onbekend met oude volksfabelen.”

„In mijne kindschheid kon ik zulk een lied van het begin tot aan het einde zingen,” hernam Bertram. „Ik ben in Schotland geboren, maar heb dit land zeer jong verlaten, en mijne opvoeders trachtten alle herinneringen aan mijn vaderland zoo veel mogelijk in mij te verstikken, waarschijnlijk omdat ik, als knaap, hun opzicht wenschte te ontvluchten.”

„Zeer natuurlijk,” antwoordde Glossin, maar sprak zoo zacht, als of hij den mond met de grootste moeite maar even openen kon, zoo dat deze half gemompelde woorden zeer veel verschilden van den luiden, vrijpostigen toon, waarop hij gewoonlijk sprak. Gedurende dit geheele gesprek schenen zijne krachten hem bijna te begeven. Hij was geheel verlegen en wist niet welke houding hij zou aannemen; nu zette hij den éenen, dan den anderen voet vooruit, dan bukte hij zich, of trok met de schouders, of speelde met de knoopen van zijn vest, of wreef zich in de handen – met één woord, hij was het levendig beeld van een kleinmoedigen schurk, die sidderend voor ontdekking vreest. Bertram bemerkte van dit alles niets, daar hij zich te zeer door den stroom van zijn eigen gevoel liet wegslepen; en ofschoon hij tegen Glossin scheen te spreken, dacht hij veel minder aan dezen dan aan zijne eigene aandoeningen en verwarde herinneringen. „Ja,” zeide hij, „ik behield mijne moedertaal onder deze lieden, van wie de meesten Engelsch spraken, en als ik alleen in een hoek kon sluipen, zong ik dat lied van het begin tot het einde. Ik heb de woorden nu geheel vergeten; de wijze ken ik echter nog wel, maar begrijp niet, waarom mij dit alles thans zoo levendig voor den geest komt.”

Hij haalde zijne fluit uit den zak en speelde eene eenvoudige zangwijze. Waarschijnlijk wekten de tonen den zanglust op van een meisje, dat niet ver van daar bij eene heldere bron, die eens het kasteel van water voorzien had, bezig was linnen te bleeken. Zij begon dadelijk te zingen:

„Zijn dit de stranden niet van Forth? Of is ’t de bocht van Dee? Of ’t schoone bosch van Warroch’s kaap, Dat ik zoo gaarne zie?”

„Bij den hemel!” riep Bertram uit, „dat is het lied. Dat meisje moet mij de woorden zeggen.”

„Vervloekt!” dacht Glossin, „als ik dit niet verhinder, dan is alles verloren. De duivel hale alle liedjes, liedjesmakers, liedjeszingers en die verwenschte deern met haar gekraai er bij! – Daartoe zult gij naderhand wel tijd hebben,” zeide hij overluid, toen hij zijn afgezant met een paar mannen den heuvel zag opkomen, „thans moeten wij over ernstiger dingen met elkander spreken.”

„Wat moet dit beteekenen, Mijnheer?” vroeg Bertram, terwijl hij zich tot hem wendde, beleedigd door den toon, dien Glossin zich aanmatigde.

„Wat dit beteekent? ... Uw naam is, geloof ik, Brown?”

„En waartoe die vraag, Mijnheer?”

Glossin wierp een blik over den schouder, om te zien hoe ver deze met smart gewachte mannen nog af waren. „Van Beest Brown, indien ik mij niet vergis?”

„En waartoe die vraag, Mijnheer?” herhaalde Bertram met toenemende verbazing en klimmend misnoegen.

„In dat geval,” antwoordde Glossin, daar hij zag dat zijne vrienden dicht achter hem waren, „in dat geval zijt gij mijn gevangene in naam des Konings!”

Op hetzelfde oogenblik wilde hij Bertram bij den kraag grijpen, terwijl twee der mannen zijne beide armen vatten. Bertram scheurde zich echter weder los, wierp den éenen aanvaller van den heuvel af en trok zijn houwer, om zich te verdedigen, terwijl zijne aanvallers, die zijne kracht gevoeld hadden, terugweken en hem uit een veiligen afstand aanstaarden. „Weet,” riep Bertram uit, „dat het mijn voornemen niet is, mij tegen de wettig ingestelde macht te verzetten. Bewijs mij, dat gij wettig gemachtigd zijt, om mij in hechtenis te nemen, en ik zal zonder tegenstand gehoorzamen; maar dat niemand, die zijn leven lief heeft, het wage mij te naderen, vóor dat ik weet, om welke misdaad en op welk gezag gij mij aanhouden wilt.”

Op Glossin’s bevel toonde een der gerechtsdienaren een wettig bevelschrift, om van Beest Brown, beschuldigd van opzettelijk en boosaardig op den jongen Karel Hazlewood van Hazlewood geschoten te hebben, met het voornemen om hem te dooden, en van meer andere misdaden en wanbedrijven, te vatten en tot nader onderzoek aan de naaste overheid op te zenden. Daar dit bevel in den behoorlijken, wettelijken vorm was, en de daad zelve niet geloochend kon worden, wierp Bertram zijn wapen weg en gaf zich vrijwillig aan de gerechtsdienaren over, die thans met even veel drift, als zij voor eenige oogenblikken kleinmoedigheid getoond hadden, op hem aanvielen en hem wilden boeien, onder voorwendsel, dat zijne betoonde sterkte dezen maatregel noodzakelijk maakte. Glossin schaamde zich echter deze noodelooze beschimping te dulden, en beval hun den gevangene met verschooning en eerbied te behandelen, zooveel dat met zijne veilige bewaking bestaanbaar was. Daar hij er voor vreesde, den gevangene in zijn eigen huis, waar zoo vele voorwerpen nieuwe herinneringen konden opwekken, te doen brengen en hij er tevens op bedacht was, zijne handelwijze door het gezag van iemand anders te rechtvaardigen, liet hij zijn rijtuig (hij had zich onlangs paarden en rijtuig aangeschaft) gereed maken en den gevangene benevens den gerechtsdienaren, die intusschen een vertrek in het oude kasteel betrokken hadden, eenige ververschingen aanbieden!

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Brengt den getuige hier – Gij rechter, in uw zwarten tabbard, neem plaats, En gij, zijn ambtgenoot, – zijt ook lid van het hof, – Neem ook hier zitting.

Koning Lear.

Terwijl het rijtuig ingespannen werd om den gevangene te vervoeren, schreef Glossin een brief, die hem niet weinig tijd en moeite kostte, aan zijn buurman (zoo als hij hem gaarne noemde), Sir Robert Hazlewood van Hazlewood, het hoofd van een oud, aanzienlijk geslacht dat, door het verval van de familie Ellangowan, langzamerhand veel gezag en invloed verkregen had. Sir Robert, een bejaard man, was verzot op zijne kinderen, een zoon en eene dochter, maar koel en onverschillig omtrent het lot van alle andere menschen. Voor het overige was zijn gedrag lofwaardig, omdat hij het oordeel der wereld vreesde, en rechtvaardig uit een betere beweegreden. Hij was bovenmate trotsch op het aanzien en gewicht van zijn geslacht, en dit gevoel was niet weinig verhoogd, sedert hij den titel van Baronet verkregen had. Hierbij haatte hij de nagedachtenis van de familie Ellangowan, dewijl, volgens eene oude overlevering, een baron van dat geslacht den stichter van het geslacht Hazlewood gedwongen had, hem den stijgbeugel te houden terwijl hij te paard steeg. In zijn gedrag legde hij over het algemeen veel praalzucht en een hoog denkbeeld van zich zelven aan den dag, en zocht door eene weidsche woordenkeuze te schitteren, die echter dikwijls in het belachelijke ontaardde door een vervelende opeenstapeling van woorden van dezelfde beteekenis, waarmede hij zijne volzinnen trachtte af te ronden.

Na rijpe overweging, hoe hij den gunstigsten indruk op de ijdelheid en den familiehoogmoed van dezen man zou kunnen maken, schreef Glossin hem den volgenden brief:

„Aan Sir Robert Hazlewood van Hazlewood, Baronet, Huize-Hazlewood, enz. enz.

„De heer Gilbert Glossin,” (hij zou er gaarne van Ellangowan bijgevoegd hebben, maar zijne voorzichtigheid was grooter dan zijne ijdelheid, en hij liet dit bijvoegsel weg) – „de heer Gilbert Glossin heeft de eer Sir Robert Hazlewood zijne eerbiedigste groeten te zenden en hem te berichten, dat hij heden morgen zoo gelukkig is geweest, den persoon te vatten, die den heer K. Hazlewood gekwetst heeft. Daar sìr Robert Hazlewood waarschijnlijk verkiezen zal zelf het verhoor van dezen misdadiger af te nemen, zal de heer G. Glossin den gevangene naar de herberg te Kippletringan, of naar Hazlewood-house doen brengen, zoo als Sir Robert Hazlewood zal verkiezen te bevelen. En indien Sir Robert Hazlewood zulks veroorlooft, zal de heer G. Glossin hem op eene van deze beide plaatsen, met de bewijzen en stukken, welke hij het geluk gehad heeft omtrent deze schandelijke zaak te verzamelen, opwachten.

Elln. Gn. Donderdag.”

Dezen brief zond hij met een knecht te paard af, met bevel om zich zoo veel mogelijk te spoeden. Nadat hij dezen behoorlijk tijd gegeven had, om een goed eind wegs vooruit te komen, beval hij twee gerechtsdienaren, met Bertram in het rijtuig te stappen. Hij steeg zelf te paard en vergezelde hen langzaam rijdende naar de plaats, waar de wegen naar Kippletringan en Hazlewood-house van elkander scheidden. Hier liet hij stilhouden, om de terugkomst van den bode af te wachten, daar de verdere weg door het antwoord van den baronet bepaald moest worden. Na verloop van een half uur kwam zijn knecht terug en bracht hem het volgende antwoord, sierlijk toegevouwen en met het geslachtswapen van den Baronet dichtgelakt.

„Aan Den Heer Gilbert Glossin, enz.

Sir Robert Hazlewood van Hazlewood verzekert den heer G. Glossin wederkeerig van zijne hoogachting en betuigt hem zijn dank voor de moeite, welke hij zich in zijne zaak, de veiligheid van sir Robert’s familie betreffende, getroost heeft. Sir R. H. verzoekt den heer G. G. de goedheid te hebben, den gevangene, benevens de bewijzen en stukken waarvan hij in zijn brief melding maakt, naar Hazlewood-house te brengen. En in geval de heer G. G. niet anders bezet is, verzoeken Sir R. en Lady Hazlewood hem aan tafel te mogen zien, als het verhoor afgeloopen is.

Huize-Hazlewood, Donderdag.”

„Aha!” dacht Glossin, „éen vinger heb ik er reeds in en zal nu wel maken, dat ik de geheele hand er in krijg. Maar eerst moet ik mij van dezen onheilspellenden jongen ontslaan. Sir Robert zal ik, dunkt mij, wel naar mijn zin kunnen leiden. Hij is dom en deftig; hij zal mijn raad bij de gerechtelijke behandeling van deze zaak gaarne willen volgen en zich den schijn geven alsof hij naar eigen inzicht handelde. Dus zal ik het voordeel hebben de eigenlijke rechter te zijn, zonder het hatelijke der verantwoordelijkheid op mij te laden.”

Terwijl hij deze blijde verwachtingen koesterde, naderde het rijtuig, door eene schoone laan van oude, eerbiedwaardige eiken, het slot Hazlewood-house, dat geheel en al verscholen lag achter deze boomen. Dit kasteel bestond uit een groot, op verschillende tijden opgericht gebouw en had vroeger gedeeltelijk tot een klooster gediend. Ten tijde van koningin Maria werd dit klooster opgeheven en, benevens de omliggende landen, aan den stamvader van deze familie door de kroon geschonken. Het lag bekoorlijk in een groot park aan den oever eener rivier. Het omliggende landschap was somber en ernstig, en paste zeer goed bij de bouworde van het huis. Alles scheen in de schoonst mogelijke orde gehouden te worden en verkondigde den rijkdom en het aanzien van den eigenaar.

Toen Glossin bij den ingang van het slot stil deed houden, zag sir Robert het nieuwe rijtuig uit het venster. Naar zijn gevoelen was het reeds aanmatigend van dezen opkomeling, dezen Mijnheer G. Glossin, voormalig notarisklerk, dat hij de vrijheid genomen had, rijtuig en paarden aan te schaffen; maar zijn misnoegen verminderde, toen hij zag dat er op de paneelen niets dan de eenvoudige naamletters G. G. geschilderd was. Deze schijnbare nederigheid, welke der trotschen baronet gunstig voor Glossin innam, was eigenlijk enkel te danken aan het dralen van den heer Gumming, voorzitter van het Herauten-college dat, op dit tijdstip met bezigheden overkropt, tot nog toe geen geslachtswapen voor den nieuwen heer van Ellangowan gevonden had, daar men vooreerst zorgen moest voor de wapenschilden van twee Noord-Amerikaansche commissarissen, drie nieuwe Engelsch-Iersche pairs en twee groothandelaren uit Jamaika.

Terwijl de gerechtsdienaren met hun gevangene in een net vertrek van den hofmeester bleven, werd Glossin in de zoogenaamde eiken zaal, eene groote kamer met eene fraai verniste lambrizeering en versierd met de sombere portretten der voorouders van Sir Robert Hazlewood, geleid. Glossin, bij wien geen gevoel van eigen waarde tegen zijne lage geboorte opwoog, gevoelde zijne minderheid en toonde door zijne diepe buigingen en nederige houding, dat de heer van Ellangowan op dit oogenblik onder de vroegere onderdanige manieren van den voormaligen notarisklerk verloren ging. Hij zocht zich te overreden, dat hij de trotschheid van den ouden baronet slechts vleide, om zijn eigen voordeel te behartigen; maar zijne aandoeningen waren van gemengden aard, en hij gevoelde zelf den invloed juist dier zelfde vooroordeelen, welke hij waande te vleien. De baronet ontving hem met die hoogmoedige nederbuigendheid, welke in de eerste plaats zijne eigene groote meerderheid bewijzen, maar tevens toonen zou, dat hij grootmoedig en beleefd genoeg was, om ze ter zijde te stellen en tot den toon van een gewoon onderhoud met gewone menschen af te dalen. Hij bedankte Glossin voor zijne oplettendheid in eene zaak, die den jongen Hazlewood zoo nauw betrof, en voegde er een genadigen glimlach, terwijl hij op de familie portretten wees, bij: „Waarlijk, Mijnheer Glossin, deze eerbiedwaardige heeren zijn u even zeer verplicht als ik, voor den arbeid, de zorg en moeite, welke gij om hunnentwil aangewend hebt; en ik twijfel geenszins, of zij zouden indien zij spreken konden, hun dank bij den mijnen voegen voor den dienst, welken gij de familie Hazlewood bewezen hebt door uwe betoonde belangstelling in en uwe genomene moeite ten behoeve van den jongeling, die hunnen naam en hun geslacht moet ophouden.”