Part 12
„Vergeef mij, waarde vriend, dat ik u de smart veroorzaakt heb, de pijnlijke wonden, waarover gij in uw brief schrijft, weder open te scheuren. Ik had altoos gehoord, ofschoon het misschien onwaar is, dat Brown’s oplettendheden uwe dochter gegolden hadden. Doch, hoe dit ook geweest zij, het was niet te veronderstellen, dat zijne stoutheid, in uwe omstandigheden, onopgemerkt en ongestraft zou blijven. Verstandige mannen zeggen, dat wij het ons aangeboren recht van zelfverdediging slechts aan de burgerlijke maatschappij afstaan, op die voorwaarde, dat de bepalingen der wet ons beschermen zullen. Waar dit niet geschieden kan, vindt de afstand geene plaats. Niemand zal, bij voorbeeld, beweren, dat ik niet even goed als een Indiaansche wilde, die wetten noch overheid erkent, gerechtigd ben, mijne beurs en mijn leven tegen eenen struikroover te verdedigen. De vraag, of ik mij onderwerpen moet of wederstand bieden mag, moet door mijn toestand en mijne hulpmiddelen beslist worden. Indien ik echter, gewapend en gelijk in sterkte, onrecht en geweld van iemand, hij zij mijn meerdere of mindere, duld, zonder mij er tegen te verzetten, zal dit bezwaarlijk in mij of iemand anders, ten zij eenen kwaker, aan godsdienstig of zedelijk gevoel toegeschreven worden. Met een aanval op mijne eer, is het naar mijn inzien nagenoeg hetzelfde geval. De beleediging, ofschoon onbeduidend in zich zelve, heeft veel gewichtiger gevolgen voor het volgend leven, dan het kwaad of nadeel, dat een straatroover iemand kan doen; en herstel of vergoeding er van staat veel minder in de macht der openbare gerechtigheid, of liever is volstrekt buiten haar bereik. Indien iemand mij, Arthur Mervyn, van mijne beurs berooven wilde en ik eene middelen tot verdediging, of geen verstand of moed had om ze te gebruiken, zou het gerechtshof te Lancaster of Carlisle mij, door het ophangen van den roover, recht verschaffen. – Maar wie zal zeggen, dat ik verplicht ben op dit recht te wachten en mij eerst te laten uitplunderen, indien ik zelf de middelen en den moed heb, om mijn eigendom te beschermen? Maar indien mij eene beleediging aangedaan wordt, welke ik niet verdragen kan zonder mijn karakter, bij mannen van eer, voor altijd te bezoedelen en waarvoor de twaalf opperrechters van Engeland, benevens den Grootkanselier mij geene vergoeding kunnen geven, hoe kan dan de wet of de rede mij verbieden, datgene te beschermen, dat ieder man van eer veel dierbaarder zijn moet en is, dan zijn geheel vermogen? Over het godsdienstig gezichtspunt van de zaak wil ik niet spreken, voor dat ik een eerwaardig geestelijke vind, die zelfverdediging, zoowel van leven als van eigendom, veroordeelt. Indien men hare geoorloofdheid in dat geval toestemt, kan men, dunkt mij, weinig onderscheid maken tusschen verdediging van leven en vermogen, en verdediging van goeden naam en eer. Dat deze laatsten door lieden van een geheel anderen stand in de maatschappij, misschien van onbesmette zeden en onbesproken karakter, aangerand kunnen worden, kan mijn wettig recht van zelfverdediging niet in den weg staan. Het kan mij smarten, dat de omstandigheden mij in een strijd met zoo iemand gewikkeld hebben; maar dezelfde smart zou ik gevoelen, wanneer een edele vijand, in een burgeroorlog, onder mijn zwaard viel. Ik wil niet verder over deze zaak met de Casuïsten twisten, maar alléen nog aanmerken, dat ik door het geschrevene noch den vechter van beroep, noch den aanvaller, in eene zaak van eer verdedigen wil. Het is alleen mijn doel hem te verontschuldigen, die door eene beleediging, welke niemand, zonder voor altijd zijn aanzien en zijne achting in de maatschappij te verliezen, geduldig verdragen kan, tot den strijd gedwongen wordt.
„Het spijt mij, dat gij voornemens zijt u in Schotland neer te zetten; het verheugt mij echter, dat de afstand niet onmetelijk en de ligging geheel in ons voordeel is. Van Devonshire naar Westmoreland te reizen, kon eenen Oost-Indiër doen huiveren; maar een uitstap van Galloway of Dumfriesshire naar ons, brengt hem eene schrede, ofschoon dan ook maar eene kleine, nader bij de zon. Indien overigens, zoo als ik veronderstel, het oude spookslot, waarin gij vóór vier of vijf en twintig jaren, op uwe reis door het noorden van Schotland, voor sterrewichelaar gespeeld hebt, tot het landgoed behoort, dat gij op het oog hebt, dan kan ik ook niet hopen, dat gij u van den koop zult laten afschrikken, daar ik u dat tooneel te dikwijls met kluchtige zalving heb hooren verhalen. Ik hoop nochtans, dat de gastvrije heer nog in het land der levenden is en dat zijn kapelaan, om wien gij ons zoo dikwijls hebt doen lachen, deze wereld ook nog niet verlaten heeft.
„Kon ik mijn brief hier maar sluiten, waarde Mannering! want het valt mij ten uiterste moeielijk u het verdere te verhalen, ofschoon ik u vooruit verzekeren kan, dat gij voor geen opzettelijk wangedrag van mijne tegenwoordige pupil, Julia Mannering, behoeft te vreezen. Maar ik wil, als altijd, kort wezen. Zie hier de zaak, in weinige woorden.
„Uwe dochter heeft veel van den romantischen aard van haar vader, en tevens iets van de zucht naar bewondering, welke alle schoone vrouwen min of meer eigen is. Bovendien zal zij waarschijnlijk uwe erfgename zijn; eene omstandigheid van weinig gewicht voor hen, die Julia met mijne oogen beschouwen; maar een machtig lokaas voor schijnheiligen, listigen en onwaardigen. Gij weet, hoe ik met haar over hare stille zwaarmoedigheid, over hare eenzame wandelingen, des morgens vóor dat er iemand op is en des avonds bij maanlicht, wanneer alles te bed ligt of, wat hier hetzelfde is, aan de speeltafel zit, geschertst heb. Het voorval, dat ik u hier verhalen zal, zou ook wel als eene scherts beschouwd kunnen worden; maar ik wilde liever, dat de scherts van u dan van mij kwam.
„In de laatste veertien dagen hoorde ik een paar malen laat in den nacht, of zeer vroeg in den morgen, het kleine Hindo-liedje, waarmede uwe dochter zoo ingenomen is, op de fluit blazen. Ik dacht in het eerst dat de eene of andere bediende, die veel van muziek hield en des daags aan zijne neiging voor deze kunst niet voldoen kon, dit stille uur gekozen had, om de tonen, welke hij misschien onder zijn werk gehoord had, na te volgen. Maar gisteren avond zat ik laat op mijn studeervertrek, dat vlak onder Julia’s kamer is, en hoorde, tot mijne verwondering, niet alleen duidelijk de fluit, maar werd ook overtuigd, dat de tonen van het meer, onder het venster, kwamen. Nieuwsgierig, te weten, wie ons op zulk een ongewoon uur eene serenade bracht, sloop ik zachtjes naar mijn venster. Er waren echter andere bespieders dan ik. Gij zult u herinneren, dat Julia dit vertrek verkoos, wegens een balkon vóor het venster, dat op het meer uitzag. Ik hoorde, dat het venster en de blinden opengedaan werden en dat zij met iemand sprak die van beneden antwoordde. Ik kon mij in hare stem niet bedriegen; ik hoorde ze te duidelijk, en de toon was zacht en vleiend. Om der waarheid niet te kort te doen, moet ik hier nog bijvoegen, dat de stem van beneden uiterst teêr en hartstochtelijk luidde; maar van den inhoud van het gesprek kan ik niets zeggen. Ik schoof mijn venster open, om iets meer van dit Spaansche rendez-vous te hooren; maar, hoe voorzichtig ik het ook deed, werd het sprekende paar toch door het geraas gestoord, en oogenblikkelijk werd Julia’s venster dichtgemaakt en de blinden gesloten. Het slaan van een paar riemen in het water verried mij, dat de mannelijke deelhebber in het gesprek zich verwijderde. Ik zag ook inderdaad zijn schuitje, dat hij zeer behendig bestuurde, pijlsnel over het meer vliegen. Den volgenden morgen ondervroeg ik, schijnbaar onverschillig, eenigen der dienstboden, en hoorde dat de jachtopziener, bij het doen der gewone ronden, tweemaal die boot, met éen man er in, onder het huis gezien en de fluit gehoord had. Ik durfde geen verder onderzoek doen, uit vrees van Julia onder verdenking te brengen bij hen, die ik daarnaar vragen moest. Bij het ontbijt liet ik mij, als bij toeval, een enkel woord over de muziek van den vorigen nacht ontvallen, en verzeker u, dat uwe dochter beurtelings bloosde en verbleekte. Ik gaf aanstonds eene wending aan de zaak, welke haar kon doen denken, dat mijne aanmerking enkel toevallig was. Sedert dien tijd brandt er een licht op mijne studeerkamer, en laat ik de blinden open, om onzen nachtelijken gast van zijne bezoeken af te schrikken, en heb, wegens het gure weder en de vochtige nevels van den naderenden winter, verzocht hare eenzame wandelingen te staken. Zij onderwierp zich hieraan met eene lijdelijkheid, die volstrekt niet in haar karakter ligt, en welke mij, om de waarheid te zeggen, bij de geheele zaak het minst van alles aanstaat. Julia heeft te veel van den inborst van haar waarden vader, om zich geduldig in hare neigingen te laten dwarsboomen, indien zij niet bij zich zelve eenigszins overtuigd ware, dat het voorzichtig is, allen twist te vermijden.
„Hiermede is mijn verhaal geëindigd, en nu moogt gij beoordeelen, wat u te doen staat. Ik heb mijne goede vrouw niets van de geheele zaak gezegd, daar zij, de zwakheden van haar geslacht gaarne willende bemantelen, er zeker veel tegen in te brengen zou hebben, dat ik u hiervan kennis gaf. Misschien had zij ook wel in het hoofd gekregen, om op Julia hare welsprekendheid te oefenen, welke hier, vrees ik, meer kwaads dan goeds gedaan zou hebben, hoe machtig die ook zijn moge, wanneer zij tegen mij, op wettige wijze, gericht is. Mogelijk zult gij het zelf ook het voorzichtigst oordeelen, u te houden, als of gij van dit voorval niets wist, en uwe dochter daarover niet te onderhouden. Julia gelijkt zeer veel op zekeren vriend van mij: zij heeft eene vlugge en levendige verbeeldingskracht en een fijn gevoel, waardoor dikwijls zoo wel het goede als het kwade, dat men in het leven vindt, overdreven wordt. Het is nochtans een bekoorlijk meisje, even edelmoedig en geestig, als beminnelijk. Ik heb haar den kus, dien gij haar gezonden hebt, van ganscher harte gegeven en, tot belooning, tikte zij mij geducht op de vingers. Voorts bid ik u, kom zoo spoedig terug als gij kunt, en verlaat u intusschen op de zorg van uw getrouwen vriend,
Arthur Mervyn.
P. S. Gij zult natuurlijk wenschen te weten, of ik ook in de verte kan gissen wie de nachtelijke fluitspeler is. Dat kan ik waarlijk niet. Hier in den omtrek is geen jongeling, door rang en vermogen gerechtigd naar de hand van uwe dochter te dingen, van wien ik denken kan, dat hij zulk eene rol zou spelen. Maar aan de andere zijde van het meer, bijna recht tegenover Mervyn-Hall, is eene verwenschte kroeg, de verblijfplaats van allerhande voetgangers, dichters, tooneelspelers, schilders en muziekanten, die daar komen en over ons schilderachtig land raaskallen, verzen maken en allerhande zotheden begaan. Onze landstreek moet wezenlijk eenigszins voor ware schoonheden boeten, omdat daardoor deze zwerm van gekken hier heen gelokt wordt. Ware Julia mijne dochter, dan zou ik ten haren opzichte het meest voor een’ van deze kwasten bevreesd zijn. Zij is grootmoedig en romanesk en schrijft iedere week zes vellen vol aan eene vriendin, en in zulk een geval is het eene erge zaak, gebrek aan een onderwerp te hebben, hetzij dat men het gevoel of ook slechts de pen wil oefenen. Nog eens, vaarwel! Wilde ik deze zaak ernstiger behandelen dan ik gedaan heb, dan zou ik uw gevoel kwetsen; ging ik ze met stilzwijgen voorbij, dan zou ik mij zelven in een dubbelzinnig daglicht plaatsen.”
Het gevolg van dezen brief was, dat Mannering, nadat hij den trouweloozen bode met de noodige volmacht voor Mac-Morlan, tot het koopen van de heerlijkheid Ellangowan, afgezonden had, zijn paard weêr naar het zuiden wendde en zich nergens ophield, tot dat hij de woning van zijn vriend Mervyn, aan den oever van een der meren van Westmoreland bereikt had.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
De genadige Hemel gaf den menschen het geschrift Ten baat van minnaars en rampzaalge minnaressen, Of ook ten dienst van schrijvers, die verkiezen. Den held zijn eigen weervaren te laten schrijven.
Naar Pope.
Toen Mannering uit Indië naar Engeland teruggekeerd was, had hij zijne dochter dadelijk in een gunstig bekend opvoedingsgesticht voor meisjes geplaatst. Maar reeds na verloop van drie maanden nam hij haar weder van daar weg, daar hare vorderingen in de kundigheden, welke zij, zooals hij wenschte, nog verwerven moest, niet zoo groot waren, als zijn ongeduld verwachtte. Maar Julia had toch tijd genoeg gehad, om eene eeuwige vriendschap met juffrouw Mathilda Marchmont, een meisje van omstreeks negentien jaren, dus ten naastenbij van haren leeftijd, te sluiten. Aan deze getrouwe vriendin werden de dikke brieven gezonden, welke, zoo lang Julia als gast op Mervyn-Hall was, op de vleugels van de post van daar vertrokken. Tot opheldering van onze geschiedenis zal het noodig zijn, eenige uittreksels van deze brieven mede te deelen.
EERSTE UITTREKSEL.
„Helaas, liefste Mathilda, hoe treurig is het verhaal mijner lotgevallen! Sedert de wieg hebben rampen uwe ongelukkige vriendin vervolgd. Om eene beuzeling moesten wij gescheiden worden: om eene onnauwkeurige uitdrukking in mijn Italiaansch opstel en om drie valsche noten in eene sonate van Paesiello! Maar dat ligt in het karakter van mijnen vader, van wien ik onmogelijk zeggen kan, of ik hem meer bemin, bewonder of vrees. Zijn voorspoed in de wereld en in den oorlog, zijne gewoonte om elke hinderpaal, zelfs wanneer ze onoverwinnelijk scheen, door inspanning van eigen kracht uit den weg te ruimen, – dit alles heeft hem zoo opvliegend en onverzettelijk gemaakt, dat hij geene tegenspraak dulden, noch inschikkelijk zijn kan ten opzichte van de gebreken van anderen. Hierbij komt nog, dat hij zelf uitstekend bekwaam is. Weet gij, dat er een gerucht geloopen heeft, dat ook door eenige geheimzinnige woorden, welke mijne arme moeder zich liet ontvallen, ten halve bevestigd werd, dat hij nog andere, thans voor de wereld verlorene kundigheden bezit, die hem in staat stellen de donkere schaduwbeelden van toekomstige gebeurtenissen op te roepen? Moet niet de gedachte aan zulk eene macht, of zelfs aan de buitengewone geestkracht en het verhevene verstand, welke de wereld daarvoor houden mag, – moet niet reede dit den bezitter van zulke kennis met eene geheimzinnige grootheid bekleeden? Gij zult dit dweeperij noemen, lieve Mathilda, maar bedenk, dat ik in het land ben opgevoed, waar bijgeloof en tooverij eene groote rol spelen, en dat ik in mijne kindsheid met sprookjes, welke gij slechts uit eene ellendige Fransche vertaling kent, in slaap gewiegd ben. O Mathilda, ik wenschte wel, dat gij de donkere gezichten van mijne Indiaansche oppassters gezien hadt, terwijl zij in stille aandacht naar het tooversprookje luisterden, dat, half poëzie half proza, van de lippen des verhalers vloeide. Geen wonder dat de Europeesche verdichtselen mij koud en droog voorkomen, na dat ik gezien heb, welken verbazenden indruk de Oostersche verdichtselen op de toehoorders maken.”
TWEEDE UITTREKSEL.
„Gij kent mijn hartsgeheim, lieve Mathilda! Gij weet, welke gevoelens ik voor Brown koester; ik zeg niet, hoe dierbaar mij zijn aandenken is; want ik ben overtuigd, dat hij nog leeft en mij getrouw is. Hij werd in zijne liefde jegens mij door mijne overledene moeder aangemoedigd. Misschien was dit zeer onvoorzichtig, wanneer men de vooroordeelen van mijn vader ten opzichte van rang en geboorte in aanmerking neemt. Maar was het wel van mij, die toen bijna nog een kind was, te verwachten, dat ik wijzer zou zijn dan moeder, onder wier opzicht ik natuurlijk geplaatst was? Mijn vader, die altijd door zijn dienst als krijgsman bezig gehouden werd, zag ik slechts zelden, en men leerde mij meer met eerbiedige vrees, dan met liefdevol vertrouwen tot hem op te zien. Gave God, dat het anders geweest ware! Het zou thans misschien beter voor ons allen zijn!”
DERDE UITTREKSEL.
„Gij vraagt mij, waarom ik niet aan mijn vader zeg dat Brown nog leeft, of ten minste, dat hij de wonde, die hij in hun ongelukkig tweegevecht ontving, overleefd, en aan mijne moeder geschreven heeft, dat hij geheel hersteld was en veel hoop had, spoedig uit zijne gevangenschap te ontvluchten. Ik heb gewichtige redenen daartoe. Een krijgsman, die in den oorlog, zijn dagelijksch werk, zoo dikwijls zijn natuurgenoot verslagen heeft, gevoelt waarschijnlijk geene onrust bij de herinnering aan het vermeende ongeluk, dat mij bijna van schrik deed versteenen. Indien ik hem den brief aan mijne moeder toonde, moest er dan niet uit volgen, dat de levendige Brown, die zijne aanspraken, waarom mijn vader voorheen naar zijn leven gestaan heeft, hardnekkig volhoudt, veel gevaarlijker voor de rust van zijn gemoed zou zijn, dan nu bij zijn vermeenden dood. Indien hij uit de handen dier roovers ontsnapt, dan zal hij, hiervan ben ik overtuigd, spoedig in Engeland komen, en dan is het ook nog steeds vroeg genoeg, om te overleggen, hoe ik mijn’ vader zijn bestaan ontdekken zal. Maar indien, helaas! mijne vaste en onwankelbare hoop mij bedroog, waartoe zou ik dan een geheim ontsluieren, waaraan zoo vele smartelijke herinneringen verbonden zijn? Mijne waarde moeder vreesde de ontdekking er van zoo zeer, dat ik geloof, dat zij mijn vader liever in den waan wilde laten, dat Brown’s oplettendheden haar golden, dan hem te openbaren dat Brown eigenlijk mij op het oog had. Mathilda! hoeveel eerbied ik ook aan de nagedachtenis van mijne moeder verschuldigd ben, ik mag toch niet onrechtvaardig jegens mijn vader zijn. Het dubbelzinnig gedrag van mijne moeder kan ik, als onrechtvaardig jegens mijn vader en hoogst gevaarlijk voor haar en mij, nooit goedkeuren. Doch, vrede zij hare asch! Hare daden werden meer door haar hart, dan door haar hoofd geregeld; en zou hare dochter, die al hare zwakheden geërfd heeft, de eerste wezen, die den sluier voor hare gebreken wegtrekt?”
VIERDE UITTREKSEL.
Mervyn-Hall
„Is Indië het land der wonderen, waarde Mathilda, dan is hier het land der poëzie. De natuurtooneelen zijn prachtig en verheven: donderende watervallen, hooge bergen, die hunne kruinen tot aan den hemel verheffen, meren, die door schaduwrijke valeien kronkelen en met iedere bocht naar nog meer romaneske plekken voeren, en rotsen, die tot aan de wolken reiken. Hier het wilde en woeste van Salvator Rosa, dáár de betooverende tooneelen van Claude Lorrain. Het verheugt mij ook ten minste één voorwerp te vinden, waarvoor mijn vader met geene mindere geestdrift is bezield, dan ik. Als schilder en dichter beide, is hij een bewonderaar der natuur, en dikwijls heb ik met het grootste genoegen hem den aard en de oorzaak van deze heerlijke bewijzen harer scheppende kracht hooren ontleden. Ik wenschte maar dat hij zich hier, in deze betooverende landstreek wilde nederzetten! Maar hij wil verder naar het noorden en is thans juist op reis, om, naar ik me verbeeld, in Schotland een landgoed te koopen, waar hij zich voor goed vestigen wil. Herinneringen uit zijne jeugd boezemen hem eene bijzondere liefde voor dat land in. Ik moet mij dus nog verder van u verwijderen, lieve Mathilda, voor dat ik eene vaste woonplaats heb. En welk eene vreugde zal het voor mij zijn, als ik eens zeggen kan: „kom Mathilda, en wees de gast van uwe getrouwe Julia!”
„Ik bevind mij thans ten huize van den heer en Mevrouw Mervyn, oude vrienden van mijn vader. De dame is eene goede, zorgvuldige, eerbare huisvrouw; maar fijne beschaving en verbeelding moet gij bij haar evenmin zoeken als bij Juffer Julia. Lees maar: – gij ziet, dat ik de bijnamen, die wij op school uitvonden, niet vergeten heb! De heer Mervyn verschilt véel van mijn vader, ja is een geheel ander mensch; maar hij vermaakt mij en heeft van zijn kant geduld met mij. Hij is een gezet man, zeer goedaardig, heeft veel gezond verstand en scherp oordeel, schertst gaarne. Daar hij denkelijk in zijne jeugd een beau garçon was, is hij niet geheel zonder verbeelding op dat punt en is bovendien met hart en ziel landbouwer. Ik vind er vermaak in, met hem op de toppen der bergen en tot aan den voet der watervallen te klimmen; maar daarentegen moet ik dan zijne rapen, zijn klaver en zijne vreemde grassoorten bewonderen. Me dunkt, hij beschouwt mij als een eenvoudig, romanesk, goedaardig meisje, dat (het woord wil er uit) niet van schoonheid ontbloot is, en ik houd het er voor, dat Mijnheer goeden smaak betoont wat vrouwelijke bevalligheid betreft, maar verwacht geenszins, dat hij verder in mijn binnenste zou weten door te dringen. Hij schertst met mij, laat zich door mij bij de hand leiden en klautert naast mij voort (want de lieve man is thans door de jicht gekweld), terwijl hij oude geschiedenissen uit de groote wereld, waarvan hij veel gezien heeft, vertelt, waarbij ik toeluister, grimlach en zulk een vriendelijk en mooi gezichtje zet, als ik maar kan, en mij zoo eenvoudig mogelijk voordoe. Op deze wijze leven wij zeer tevreden met elkander voort.
„Maar ach, liefste Mathilda! hoe zou ik mijn tijd, zelfs in dit betoverend paradijs, aan de zijde van een paar menschen, die zoo weinig passen bij de natuurtooneelen rondom hen, kunnen doorbrengen, indien gij mij niet zoo getrouw op mijne weinig belangrijke brieven wildet antwoorden! Ik bid u, schrijf mij toch ten minste iedere week drie malen. Aan stof kan het u zeker niet ontbreken.”
VIJFDE UITTREKSEL.
„Hoe zal ik u mededeelen, wat ik u nu te zeggen heb? Mijne hand en mijn hart sidderen nog zoo hevig, dat het schrijven mij bijna onmogelijk is. Zeide ik u niet, dat hij nog leefde? Zeide ik u niet, dat ik niet wanhopen wilde? Hoe kondet gij denken, waarde Mathilda, dat mijn voorgevoel, omdat ik zoo jong van hem gescheiden ben, eer uit eene vurige verbeelding dan uit mijn hart ontsproten was? Neen, hoe dikwijls wij ons ook in de gevoelens van ons hart mogen bedriegen, ik was zeker, dat dit gevoel echt was. Maar laat ik u alles verhalen, lieve vriendin, en deze bekentenis, het sterkste bewijs van mijne openhartigheid jegens u, zij het heiligste pand van onze vriendschap.
Men gaat hier vroeg te bed, vroeger, dan mijn met zorg belast hart rust kan vinden. Ik breng daarom gewoonlijk nog een paar uren op mijne eigene kamer met lezen door, waar, zoo als ik u reeds meen gezegd te hebben, een klein balkon op het schoone meer uitziet, waarvan ik u eene kleine schets heb pogen te geven. Mervyn-Hall, gedeeltelijk een oud en oorspronkelijk tot verdediging ingericht gebouw, ligt op den steilen oever van het meer, zoo dat een steen, van dit balkon afgeworpen, in het water, dat hier aan den oever zelfs bevaarbaar is, nedervalt. Ik had mijn venster gedeeltelijk opengelaten om, vóor dat ik naar bed ging, als naar gewoonte, nog eens het heldere maanlicht op het meer te zien. Geheel verdiept in het schoone tooneel in den koopman van Venetië, waar twee minnenden, als om strijd, het bekoorlijke van een stillen zomerschen nacht schilderen, gaf ik mij langzamerhand over aan soortgelijke herinneringen en gevoelens, welke het tooneel bij mij opwekte, toen ik eensklaps den toon eener fluit op het meer hoorde. Ik heb u reeds gezegd, dat de fluit Brown’s lievelings-instrument was. Wie kon het toch zijn, die deze tonen voortbracht, daar de nacht wel stil en helder, maar veel te koud en het jaargetijde te ver gevorderd was, om iemand tot een tochtje op het meer, alleen tot zijn genoegen, uit te lokken? Ik ging naar het venster en luisterde met ingespannen aandacht. De tonen zwegen eenige oogenblikken, lieten zich toen weder hooren, verstomden nogmaals en verhieven zich, al nader en nader komende, weder. Eindelijk onderscheidde ik duidelijk het kleine Hindo-liedje, dat gij altijd mijn lievelingsstukje noemdet – gij weet, van wien ik het geleerd heb. Het was zijne fluit, het ware zijne tonen. Was het aardsche muziek of zweefden deze tonen op de vleugelen van den wind tot mij, om mij zijn dood aan te kondigen?