Part 28
„Wij zullen de betaling van uwe schuldbekentenis u zeer gemakkelijk maken,” hernam de heer Protocol, die op dit oogenblik het hatelijke, aan zijn geluk verbonden, niet wenschte te vermeerderen. – „En nu, Mijne Heeren,” vervolgde hij, „behoeven wij, dunkt mij, niet langer hier te vertoeven. Ik zal het testament van mijne voortreffelijke, geachte vriendin morgen laten registreeren, opdat een ieder het inzien en er, desverkiezende, een afschrift of uittreksel van krijgen kan;” en met deze woorden begon hij de kisten en kasten van de overledene met veel meer spoed te sluiten, dan hij ze geopend had. – „Juffer Rebekka,” vervolgde hij, „wees zoo goed, alles hier in orde te houden, tot wij het huis verhuren kunnen. Ik heb er heden morgen reeds aanvraag naar gehad, indien ik er iets over te zeggen mocht hebben.”
Onze vriend Dinmont, die ook niet zonder hoop geweest was, had tot hiertoe vrij knorrig in den armstoel der overledene gezeten, – die het niet weinig geërgerd zou hebben, zulk een reus op zijn gemak op hare plaats uitgestrekt te zien, – en zich enkel bezig gehouden met zijne lange zweep op te rollen en weder af te laten loopen. De eerste woorden, die hij na het verduwen van dezen schok sprak, waren eene grootmoedig verklaring, die hij, waarschijnlijk zonder het zelf te weten hardop geuit had. „Het is mij wel! Het bloed kruipt, als het niet gaan kan. Ik gun haar toch de kazen en hammen, die zij van mij gekregen heeft.” Zoodra Protocol echter zijne meening omtrent het ontruimen en verhuren van het huis uitgesproken had, stond de brave Dinmont op en verraste het gezelschap niet weinig door zijne ronde vraag: „en wat zal er dan van het arme meisje, Jenny Gibson, worden? Wij allen, die met de familie vermaagschapt wilden zijn, toen wij dachten dat de nalatenschap verdeeld zou worden, wij moeten zeker onder elkaâr iets voor haar doen.”
Deze woorden schenen de meeste aanwezenden aan te sporen, om ijlings het huis te verlaten, ofschoon zij na het voorstel van den heer Protocol nog steeds, als bij het graf van hunne teleurgestelde hoop, gedraald hadden. Drumquag, die oordeelde dat hij uit hoofde van zijn adellijk bloed moest voorgaan, zeide, of liever mompelde iets van zijne eigene familie en vertrok zoo spoedig mogelijk. De tabakshandelaar stond op, zeide op koelen, onvriendelijken toon: „Die kleine meid is reeds genoegzaam verzorgd, en buitendien is Mijnheer Protocol de rechte man om haar onder zijn opzicht te nemen, daar hij toch met de zorg voor haar legaat belast is,” en verliet mede het vertrek. De windbuil begon met een aardigheid over de bepaling van juffrouw Bertram, dat het arme meisje een eerlijk beroep moest leeren, maar bleef in zijne woorden steken, toen hij in een’ donkeren blik van den kolonel, wien hij, bij zijn gebrek aan kennis van den goeden toon, om goedkeuring aankeek, niets dan afkeuring las, en snelde de deur uit.
Protocol, die inderdaad een goed soort van mensch was, gaf hierop zijn voornemen te kennen, om zich ten minste een tijdlang met de zorg voor het meisje te belasten, doch verklaarde tevens, dat alles, wat hij voor haar deed, als een werk van liefdadigheid beschouwd behoorde te worden. Maar nu verhief Dinmont zich weder, schudde zijn dikken overrok, gelijk een Newfounlandsche hond zijne ruige huid, wanneer hij uit het water komt, en zeide: „Neen, Mijnheer Protocol! gij zult niets met haar te doen hebben, als zij maar met mij naar huis wil gaan. Ailie en ik hebben het goed in de wereld, en wij wenschen dat onze kinderen wat meer zullen leeren dan wij, en wat meer beschaafd worden. En Jenny moet hare wereld wel verstaan, en goed kunnen lezen en naaien, daar zij zoo lang bij zulk eene voorname dame als de vrouwe van Singleside gewoond heeft, en al kan zij ook niets van dit alles, dan weet ik zeker, dat onze kinderen haar daarom des te liever zullen hebben. Voor hare kleederen, en wat zij meer noodig heeft, zal ik zorgen. Die honderd pond, waarbij ik ook nog iets voegen zal, kunt gij voor haar op interest zetten, Mijnheer Protocol, tot er een wakkere knaap uit ons Liddesdal om haar komt, die iets noodig heeft, waarmede de huishouding op te richten. – Wat zegt gij er van, meisje? Ik zal een plaats op den postwagen naar Jeddart voor u nemen; maar dan moet gij te paard over den kruin van de Limestane rijden: want een rijtuig is er nog nooit in het Liddesdal gekomen [18]. Ook zou ik gaarne zien, dat juffer Rebekka met u kwam, kind, en een paar maanden bij ons bleef, zoo lang gij u nog wat vreemd gevoelt.”
Terwijl juffer Rebekka beleefd neigde en het arme meisje aanspoorde, om in plaats van te schreien mede haren dank op eene beleefde wijze te betuigen, en Dandie met ruwe hartelijkheid bij beiden aandrong, kon de oude Pleydell zijne aandoening nauwelijks verbergen en zeide getroffen tegen den kolonel: „Zulk een tooneel is een waar feest voor mij. Ik moet den braven landman op zijne eigene wijze daarvoor beloonen. Ik moet hem volgens zijn zin in het ongeluk storten: – dat moet wel! – Hoor eens, Dandie – Charlies-hope, of hoe moet ik u noemen?”
De brave pachter, die in zijn hart, naast zijnen landheer, een beroemden rechtsgeleerde het hoogst schatte, gevoelde zich door deze woorden, die toonden dat Pleydell zich om hem bekommerde, innig gestreeld en keek den rechtsgeleerde vragend aan.
„Gij wilt u dus het proces over de grenzen van uwe weiden niet laten afraden?” vervolgde Pleydell.
„Neen, neen, Mijnheer! Niemand wil gaarne zijn recht verliezen en zich door de geheele streek laten uitlachen. Maar daar gij mijne zaak niet behartigen wilt, of mijne tegenpartij misschien genegen zijt, moet ik mij bij een anderen advokaat vervoegen.”
„Hoort gij het nu, kolonel Mannering? heb ik het u niet gezegd? – Nu, Dinmont, als gij dan volstrekt dwaas zijn wilt, dan kan ik niets beters voor u doen, dan u bij uw proces zoo weinige onkosten mogelijk te veroorzaken en u het, als het maar kan, te doen winnen. Laat Mijnheer Protocol mij uwe stukken zenden, dan zal ik wel verder voor u zorgen. Ik zie waarlijk ook niet in, waarom gij u niet even goed met twisten en processen zoudt bezig houden, als uwe voorouders met moord en brandstichting.”
„Natuurlijk, Mijnheer! Wij zouden ook zonder twijfel den ouden gang gaan, als er geene wetten waren. En daar de wet ons bindt, moet de wet ons ook weêr vrijmaken. Bovendien wordt iemand bij ons er te meer om geacht, als hij een „proces gehad heeft.”
„Eene schoone reden, vriend! Vaarwel en zend mij uwe papieren. – Kom kolonel, wij hebben hier niets meer te doen.”
„De drommel!” riep Dinmont, terwijl hij zich van vreugde op de knie sloeg, „nu zal ik Jaap van Dawstoncleugh toch wel de baas worden!”
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
– „Ik ga naar het gerechtshof. Ziet ge dezen bundel stukken? ik heb te doen. Zoo ge iets hebt dat de rechters raakt, spreek op. Maak ’t kort – betaal maar daadlijk mijn advies.”
De kleine Fransche advocaat.
„Denkt ge dat gij het proces van dezen braven man winnen kunt?” vroeg Mannering.
„Ik weet het niet. De sterke overwint niet altijd: maar het zal aan geene moeite van mijne zijde ontbreken. Ik ben hem dank schuldig. Het is de pest van ons beroep, dat wij zoo zelden de beste zijde der menschelijke natuur zien. De menschen komen gewoonlijk met een beleedigd gevoel van eigenbelang en eene versch opgewekte en geprikkelde verbittering en vooringenomenheid tegen hunne medemenschen, of met baatzuchtige oogmerken bij ons. Hoe dikwijls is er iemand bij mij gekomen, dien ik in het eerst gaarne uit het venster zou geworpen hebben, tot ik eindelijk begreep, dat hij niet anders handelde dan ik, wanneer ik in zijn geval, namelijk zeer toornig en bij gevolg onbillijk geweest ware, waarschijnlijk zelf gehandeld hebben. Ik ben nu overtuigd, dat wij in ons beroep meer van de menschelijke zwakheden en ondeugden zien dan anderen, daar het de eenige uitweg is langs welken zij zich lucht verschaffen kunnen. In eene beschaafde maatschappij is het recht de schoorsteen, waardoor al die rook zich ontlast, welke anders door het geheele huis heentrekken en aller oogen verblinden zou: geen wonder dus, dat er soms in het luchtgat zelf een weinig roet komt! – Maar ik zal zorgen dat de zaak van onzen vriend uit het Liddesdal goed behandeld wordt en tevens alle noodelooze onkosten vermeden worden. Hij zal zijn lekker hapje tegen inkoopsprijs hebben.”
„Wilt gij mij het genoegen doen, heden middag bij mij te komen eten?” vroeg Mannering, toen zij van elkander scheidden, „de waard heeft mij gezegd, dat hij een stuk wildbraad en heerlijken wijn heeft.”
„Wildbraad?” hernam de andere driftig, – „maar neen, het is onmogelijk: en ik kan u ook niet bij mij vragen. Maandag, Dinsdag en Woensdag ben ik bezet; – ik moet pleiten in de groote tienden-quaestie, – wacht eens! het is koel weder; als gij niet dadelijk vertrekt en het wild tot Donderdag kan bewaard worden. –”
„Dan zult gij Donderdag het middagmaal bij mij willen gebruiken?”
„Zeer gaarne.”
„O, het wild kan wel zoo lang bewaard worden,” zei Pleydell, „en nu, goeden morgen! Hier hebt gij eenige kaartjes, waarvan gij gebruik kunt maken, als de namen u bevallen. Ik heb ze heden morgen voor u geschreven. Vaarwel! mijn klerk heeft reeds een uur op mij gewacht, om eene verwenschte informatie te beginnen.” En snel verwijderde zich mijnheer Pleydell langs steegjes en trappen, om de Hoogstraat langs een pad te bereiken, dat, vergeleken bij den gewonen weg, hetzelfde was, als de straat van Magellaan is, in vergelijking met den meer openen, maar langeren weg om kaap Horn.
Mannering zag met genoegen, dat de aanbevelingen, welke Pleydell hem gegeven had, de namen van eenige der beroemdste geleerden van Schotland bevatteden, als: David Hume, John Home, Dr. Ferguson, Dr. Black, Lord Kaimes, de heer Hattin, John Clarke van Eldin, de heer Adam Smith en Dr. Robertson.
„Mijn rechtsgeleerde vriend,” dacht hij, „heeft uitgezochte kennissen, allen zeer beroemde namen. Een Oost-Indiër moet zijne kennis eerst wat opschommelen en in zijn hoofd regelen en rangschikken, voor dat hij in zulk gezelschap durft optreden.”
Mannering maakte volgaarne van deze aanbevelingen gebruik en smaakte in den hem hierdoor geopenden gezelligen kring veelvuldige en wezenlijke genoegens, welke het ons spijt den lezer niet nader te kunnen beschrijven, door zich opgenomen te zien in een kring, die steeds open bleef voor beschaafde en geleerde vreemdelingen, – een kring die wellicht, wat veelzijdige en degelijke kennis betreft, niet geëvenaard is geweest.
Op den bepaalden Donderdag verscheen de heer Pleydell in de herberg, waar Mannering behalve hem nog een paar kennissen ter maaltijd genoodigd had. Als een warm vriend van gezellige tafelvreugde deed hij het heerlijke wildbraad en den voortreffelijken wijn niet weinig eer aan. De tegenwoordigheid van dominé Sampson echter verschafte hem evenwel misschien nog meer genoegen dan het goede onthaal, dat hij hier genoot. De ernstige, korte antwoorden, die de goede man op de strikvragen van den rechtsgeleerde gaf, stelden de goedaardige eenvoudigheid van zijn karakter in een nog helderder daglicht, dan Mannering tot hiertoe gezien had. Sampson kraamde hierbij wel een grooten schat van diepe boekengeleerdheid uit, welke over het algemeen van zeer geringe practische waarde was, maar Pleydell vergeleek naderhand zijn geest bij het magazijn van eenen lombardhouder, waar allerlei goederen voorhanden, doch zoodanig in wanorde door elkander opgestapeld zijn, dat de eigenaar bijna nooit datgene kan vinden, waarnaar gevraagd wordt.
Pleydell zelf gaf Sampson ten minste even zoo veel bezigheid, als deze goede man hem genoegen verschafte. Toen de rechtsgeleerde namelijk wat opgewonden geraakte, en zijn natuurlijk droog en scherp vernuft hoe langer zoo levendiger en bijtender werd, keek de dominé hem met die soort van verbazing aan, waarmede een tamme beer zijn toekomstigen metgezel, den afgerichten aap, moet beschouwen, als hij dezen voor het eerst ziet. Pleydell vond er zijn grootste genoegen in, om met schijnbaren ernst stellingen te handhaven, welke hij wist, dat Sampson niet onbetwist zou voorbij laten gaan, en vermaakte zich dan niet weinig met de inspanning, waarmede de goede man zijne gedachten tot een antwoord poogde te regelen en al het zware geschut van zijne geleerdheid tegen de voorgedragene kettersche stelling zocht te richten. Maar voor dat hij zijn kanon kon losbranden, had de vijand zijn standpunt weer verlaten en verscheen in eene nieuwe, zijne flanken en zijn rug bedreigende stelling. „Ver–ba–zend!” riep hij dan dikwijls uit, als hij, vol vertrouwen op de overwinning tegen den vijand optrekkende, het veld ontruimd vond, en het kostte hem zeker niet weinig moeite, eene nieuwe stelling te kiezen. „Hij was,” zei de kolonel, „als een leger, enkel uit geborene Indianen bestaande, geducht door aantal en de zwaarte hunner wapenen, maar door eene beweging tegen de flanken gemakkelijk in onherstelbare wanorde te brengen.” Niettegenstaande Sampson door deze inspanning van zijn geest en den ongewonen spoed, waarmede hij in den drang des oogenbliks zijne gedachten moest verzamelen, eenigszins vermoeid was, rekende hij dezen dag onder de gelukkigste zijns levens en noemde den heer Pleydell steeds een zeer geleerden en tevens aardigen man.
Toen de gasten, behalve Pleydell, zich verwijderd hadden, liep het gesprek weder over het testament van juffrouw Margaretha Bertram.
„Wat mag toch die oude heks bewogen hebben,” zeide Pleydell, „om de arme Lucie Bertram te onterven, onder voorwendsel van een knaap, die reeds zoo lang dood en begraven is geweest, tot erfgenaam te benoemen? – Vergeef mij, Mijnheer Sampson, ik vergat dat dit geval zoo bijzonder treffend voor u was! Ik herinner mij nog, hoe hevig gij ontroerd waart, toen ik u er over ondervroeg; en het heeft mij nooit zooveel moeite gekost, om iemand drie woorden achter elkaâr te doen spreken. – Wat gij ook van uwe Pythagoristen of uwe stomme Braminen moogt zeggen, kolonel, ik verzeker u dat deze geleerde heer hen allen in het zwijgen overtreft; maar – de woorden eens wijzen zijn kostbaar en behooren niet lichtvaardig weggeworpen te worden.”
„Ja waarlijk,” zeide Sampson, de oogen afdrogende met een blauw geruiten zakdoek, „dat was inderdaad een bittere dag voor mij; ja een zware dag vol rampspoed: maar Hij, die den last oplegt, geeft ook kracht, om hem te dragen.”
Mannering verzocht zijn rechtsgeleerden vriend bij deze gelegenheid, hem met de bijzonderheden betreffende het verdwijnen van den knaap bekend te maken, en de rechtsgeleerde, die er van hield zaken uit de crimineele rechtspleging, vooral indien hij er meê gemoeid was geweest, te verhalen, vertelde uitvoerig alles wat hem bekend was geworden van dit geval.
„En wat denkt gij van de zaak?” vroeg de kolonel weder, zoodra Pleydell geëindigd had.
„Ik houd het voor zeker, dat Kennedy vermoord is. Dergelijke gevallen hebben wel eerder op die kust tusschen smokkelaars en tolbedienden plaats gehad.”
„En wat is uw gevoelen omtrent het lot van het kind?”
„Die knaap is zonder twijfel ook vermoord. Hij was oud genoeg, om alles over te vertellen wat hij gezien had, en deze schelmen zouden zonder schroom een tweeden Bethlehemitischen kindermoord begaan, als zij dachten, dat hun belang en hunne veiligheid zulks vorderden.”
„Verschrikkelijk!” riep Sampson diep zuchtende uit.
„In deze zaak waren echter ook Heidenen betrokken,” hernam Mannering, „en uit hetgeen een der bloedverwanten er na de begrafenis van zeide –”
„Mejuffrouw Margaretha Bertram’s geloof, dat de knaap nog in leven was, berustte op het zeggen van eene Heidin. – Ik benijd u dit denkbeeld, kolonel! en moet mij schamen, dat ik zelf deze gevolgtrekking niet gemaakt heb. Wij zullen het spoor zonder dralen zoeken. Hoor eens,” zeide Pleydell tegen den oppasser, „ga oogenblikkelijk naar Luckie Wood, waar gij mijn klerk Driver thans zeker aan het spelen van High-Jinks zult vinden (want wij en onze dienaren zijn bijzonder geregeld in onze ongeregeldheden, kolonel!), en zeg hem, dat hij dadelijk hier moet komen en dat ik de boete voor hem zal betalen.”
„Zal hij misschien ook in zijne rol verschijnen?” vroeg Mannering.
„O! niets meer daarvan, bid ik u. – Maar wij moeten, zoo mogelijk, berichten van de Heidenen hebben. Kon ik slechts het kleinste draadje van dit verwarde kluwen vatten, gij zoudt zien, hoe ik het ontwarren zou. Ik zou de waarheid wel uit uwe Heidin krijgen; ik weet, hoe men weerbarstige getuigen behandelen moet.”
Intusschen verscheen Driver, die met zoo veel haast aan het bevel van zijn heer gehoorzaamd had, dat de sporen van het vroolijke gelag, hetwelk hij zoo ijlings verlaten had, nog op zijne lippen zichtbaar waren.
„Driver,” zei Pleydell, „gij moet de meid, welke bij wijlen juffrouw Margaretha Bertram gewoond heeft, oogenblikkelijk opzoeken. Zoek haar overal; maar indien gij uwe toevlucht tot Protocol, Quid den tabakshandelaar, of een’ van deze lieden moet nemen, dan moet gij niet zelf daarheen gaan, maar er eene vrouw of een meisje van uwe kennis naar toe zenden: gij hebt zeker kennissen genoeg, die u dezen kleinen dienst wel willen bewijzen. Wanneer gij haar opgespoord hebt, moet gij haar doen beloven, morgen vroeg om acht uur bij mij te komen.”
„Wat zal ik haar zeggen, om haar daartoe over te halen?” vroeg hij.
„Wat gij maar wilt. Denkt gij, dat ik niets anders te doen heb dan leugens voor u te bedenken? Maar zorg dat zij, zoo als ik gezegd heb, om acht uur tegenwoordig is.” – Driver grijnsde, maakte eene diepe buiging en ging heen.
„Gij weet niet, welk een bruikbare knaap dit is,” vervolgde Pleydell. „Mij dunkt, zijn weerga is niet te vinden. Zonder te slapen, schrijft hij drie nachten in de week, al wat ik hem voorzeg, of liever, en dit komt op hetzelfde uit, hij schrijft even goed en nauwkeurig wanneer hij slaapt, als wanneer hij waakt. Daarbij munt hij uit door eene buitengemeene ordelijkheid. Velen van zijns gelijken veranderen gedurig van bierhuizen, zoo dat er een twintig lieden achter hen aan moeten loopen, als men hem noodig heeft, even als de officieren, die blootshoofds de kroegen van East-Cheap doorkruisten, om sir John Falstaff te zoeken. Maar deze jongen is steeds te vinden. Hij heeft bij Luckie Wood des winters zijn stoel bij den haard en des zomers bij het venster; al zijne gangen bepalen zich tot deze twee stoelen: dáar is hij altijd te vinden, als hij ledigen tijd heeft. Ik geloof, dat hij zich nooit uitkleedt en te bed gaat: zuiver bier is altijd en in alle opzichten zijn toevlucht. Dat is eten, drinken, kleeding, bed, bewassching en huisvesting voor hem.”
„En is hij altijd in staat om zijn werk te doen, als gij hem onverwacht laat roepen? Ik zou er, zijne verblijfplaats in aanmerking genomen, wel degelijk aan twijfelen,” hernam de kolonel.
„O, een roes hindert hem nooit; hij kan nog uren schrijven, nadat hij niet meer spreken kan. Ik herinner mij, dat ik hem eens op een Zaterdagavond, voor eene dringende zaak, waartoe ik mij, daar ik reeds geruimen tijd in mijn gewoon gezelschap bij Clerihugh vroolijk doorgebracht had, en de „leggende hen” [19] geleegd had, met moeite liet overhalen, moest spreken. Ik liet hem dus uit de kroeg halen. Twee mannen hadden moeite om hem bij mij te brengen: want zij vonden hem in een toestand, dat hij niet spreken en zich ter nauwernood bewegen kon. Ik dacht, dat hij tot niets te gebruiken zou zijn; maar zoodra men hem de pen in de hand gaf, het papier voor hem legde en hij mijne stem hoorde, begon hij te schrijven als een meester, en, behalve dat een ander de pen voor hem in den inkt moest doopen, omdat hij den inktkoker niet zien kon, ging alles voortreffelijk.”
„Maar hoe zag uw beider werk er den volgenden morgen uit?” vroeg Mannering.
„Hoe? uitmuntend! er behoefden geene drie woorden in veranderd te worden; het werd denzelfden dag met den post verzonden. – Maar wilt gij morgen bij mij komen ontbijten en het ondervragen van die vrouw bijwonen?” [20]
„Gij ontbijt mij eigenlijk te vroeg.”
„Ik kan volstrekt niet later Als ik niet met klokslag van negen aan de gerechtstafel zat, zou men zeggen, dat ik door een beroerte getroffen was, en ik er het heele jaar de nadeelen van gevoelen.”
„Nu, ik zal mijn best doen om op het bepaalde uur te verschijnen.”
Hierop nam Pleydell afscheid, nogmaals op de vervulling dezer belofte aandringende.
Toen Mannering den volgenden morgen hij hem kwam, zat juffer Rebekka onder een kop chocolade reeds diep in gesprek bij hem, naast het vuur.
„Ik verzeker u, Juffer Rebekka!” zeide Pleydell, „ik ben geenszins voornemens een aanval te doen op den uitersten wil uwer meesteres: ik geef u mijn woord van eer, dat uw legaat volkomen veilig is. Gij hebt het door uw gedrag jegens de overledene eerlijk verdiend: ik wenschte wel, dat het nog eens zooveel geweest ware.”
„Maar, Mijnheer, men moet eigenlijk zoo niet alles oververtellen, wat ons een ander in het geheim gezegd heeft. Gij hebt zelf gehoord, dat die ellendige Quid mij de kleinigheden, die hij mij soms gaf, verweet en alles weder verhaalde, wat ik hem wel eens in vertrouwen gezegd heb. En indien ik nu ook zoo openhartig jegens u ware, welke gevolgen zou dat niet kunnen hebben?”
„Wel, mijne goede Rebekka! mijn karakter en uw eigen leeftijd en voorkomen moeten u alle zorg benemen, al spraakt gij zoo vrij als een minnedichter.”