Chapter 29 of 43 · 4000 words · ~20 min read

Part 29

„Nu dan, als gij gelooft dat ik veilig ben, – zal ik u alles vertellen. Omtrent een jaar geleden, neen het is nog zoo lang niet, kreeg mijne meesteres den raad, om voor eene poos naar Gilsland te gaan, om zich wat te verzetten. Men begon destijds openlijk over de ongelukkige omstandigheden van Ellangowan te spreken, en dit veroorzaakte haar veel verdriet: want zij was trotsch op hare familie. Soms leefden Ellangowan en zij in vrede en eendracht, en somtijds niet; maar in de laatste twee of drie jaren waren zij het nooit eens; want de heer wilde altijd geld leenen, en dat kon zij volstrekt niet verdragen, en zij wilde altijd stipt weder betaald worden, en dat beviel hem even weinig. Dus wilden zij eindelijk niets meer met elkander te doen hebben. – Nu hoorde zij in Gilsland, dat de heerlijkheid Ellangowan verkocht zou worden; en van dat oogenblik af werd zij juffrouw Lucie Bertram ongenegen. Hoe menigmaal zeide zij niet: „O Rebekka, Rebekka! ware dat onnutte ding, dat jankende meisje te Ellangowan, dat haren deugniet van een vader niet in toom kan houden – ware dat toch maar een jongen! dan kon het oude stamgoed niet om de schulden van dien dwaas verkocht worden.” En dit moest ik zoo menigmalen hooren, dat het mij begon te vervelen haar op het arme meisje te hooren schelden, alsof het haar schuld was, dat zij geen jongen was geworden om de landerijen te redden en alsof het alleen aan haar lag om dat geslacht te veranderen. Eens echter zag zij eenige vroolijke jongens, kinderen van zekeren Mac-Crosky, bij de mineraal-bron spelen, en nu barstte zij weder uit: „Is het niet ongelukkig, dat iedere boerenvlegel een zoon en erfgenaam heeft, en dat het geslacht van Ellangowan zonder mannelijken erfgenaam is!” Dicht bij ons stond eene Heidin en hoorde dit – Ik heb nooit eene verschrikkelijker vrouw gezien. – „Wat is dat?” zeide zij; „wie durft zeggen, dat het geslacht van Ellangowan zonder mannelijken erfgenaam te gronde zal gaan?” Mijne meesteres keerde zich om – zij was eene trotsche, moedige vrouw en had steeds voor ieder een antwoord gereed. „Ik zeg het,” antwoordde zij, „en ik zeg het met een bedroefd hart.” Nu greep de Heidin hare hand en zeide: „Ik ken u zeer goed, ofschoon gij mij niet kent. – Maar zoo zeker als de zon aan den hemel staat, zoo zeker, als het water in de zee stroomt, en zoo zeker als er een oog is, dat ons beiden ziet, en een oor, dat ons beiden hoort – zoo zeker is het, dat Hendrik Bertram, die bij kaap Warroch het leven verloren zou hebben, dáar niet omgekomen is. Tot zijn éen en twintigste jaar moest hij met rampen worstelen, dat was hem voorspeld; maar indien God ons beiden in het leven spaart, zult gij dezen winter meer van hem hooren, vóor dat de sneeuw twee dagen op de velden van Singleside gelegen heeft. Ik begeer uw geld niet,” vervolgde zij; „anders zoudt gij denken, dat ik u maar wat wijs wilde maken. Vaarwel tot na Sint-Maarten.” Zoo liet zij ons staan.”

„Was het eene buitengewoon groote vrouw?” vroeg Mannering.

„Had zij zwart haar, zwarte oogen en een lidteeken als van een’ houw op het voorhoofd?” voegde Pleydell er bij.

„Het was de grootste vrouw, die ik ooit gezien heb, en haar haar was, behalve dat het hier en daar eenigszins grijs begon te worden, zoo zwart als de middernacht, en zij had boven het eene oog een lidteeken, waarin men wel den pink kon leggen. Wie haar éenmaal gezien heelt, kan haar nooit weder vergeten. Ik ben ook overtuigd, dat mijne meesteres, enkel op het zeggen van deze Heidin, haar testament zoo gemaakt heeft, nadat zij hare genegenheid aan de jonge dame te Ellangowan onttrokken had; en toen zij haar twintig pond moest zenden, werd zij nog veel meer tegen haar ingenomen. „Het is nog niet genoeg,” zeide zij, „dat Lucie Bertram het stamgoed Ellangowan in vreemde handen laat overgaan, omdat zij een meisje en geen jongen is: zij zal door hare armoede ook nog een last en schande voor Singleside worden.” Ik hoop echter, dat het testament van mijne meesteres met dat alles behoorlijk in orde is: want het zou hard voor mij wezen, mijn legaat te verliezen Ik heb haar voor een heel gering loon gediend, dat weet ik.”

Pleydell stelde haar nogmaals omtrent dit punt gerust en vroeg naar Jenny Gibson. Rebekka verhaalde, dat het meisje het aanbod van den heer Dinmont aangenomen had, en voegde er bij: „Ik heb hetzelfde gedaan, daar hij zoo beleefd geweest is, mij te vragen. Het zijn goede lieden, die Dinmont’s, ofschoon mijne meesteres niet gaarne veel van die vrienden wilde hooren. Maar de hammen, de kazen en de vogels, die men haar altijd van Charlies-hope zond, mocht zij gaarne zien, en de wollen kousen en handschoenen wees zij ook niet van de hand.”

Pleydell bedankte juffer Rebekka hierop voor de genomene moeite en liet haar gaan. Toen zij vertrokken was, zeide hij: „Ik verbeeld me, dat ik de Heidin ken.”

„Ik wilde juist hetzelfde zeggen,” hernam Mannering.

„En hoe is haar naam?”

„Meg Merrilies.”

„Weet ge dat zeker?” vroeg Pleydell en keek zijn vriend, den kolonel verwonderd aan.

Mannering antwoordde, dat hij, toen hij voor twintig jaren te Ellangowan geweest was, zulk eene vrouw had leeren kennen, en verhaalde zijn rechtsgeleerden vriend de merkwaardige omstandigheden, welke hem dat bezoek zoo onvergetelijk hadden gemaakt. Pleydell luisterde zeer opmerkzaam en antwoordde toen: „Het verheugde mij, in uw dominé een bekwamen godgeleerde te leeren kennen; maar ik verwachtte waarlijk niet, in zijn beschermer een leerling van Albumazar of Messahala te vinden. Ik denk echter, dat de Heidin ons meer van de zaak kan zeggen, dan zij uit de sterren gelezen heeft of door hare waarzeggerskunsten weet. Ik heb haar reeds eenmaal onder handen gehad en kon toen weinig met haar beginnen. Ik zal aan Mac-Morlan schrijven, dat hij hemel en aarde moet bewegen, om haar te vinden. Ik zal zelf met genoegen in het graafschap ** komen, om haar verhoor bij te wonen. Ik ben daar nog steeds vrederechter, ofschoon ik den post van sheriff niet meer bekleed. Ik heb nooit iets meer ter harte genomen, dan het opsporen van dien moord en het lot van den knaap. Ik zal ook aan den sheriff van Roxburgh en aan een ijverigen vrederechter in Cumberland schrijven.”

„Ik hoop dat gij, als gij in die streken komt, uw hoofdkwartier te Woodbourne zult opslaan.”

„Van harte gaarne. Ik vreesde, dat gij mij niet zoudt willen ontvangen! Maar wij moeten aan het ontbijt, anders kom ik te laat.”

Den volgenden dag nam Mannering afscheid van zijn nieuwen vriend en vertrok weder naar Woodbourne, waar hij zonder merkwaardige ontmoetingen bij zijn huisgezin aankwam.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Kon ik rust niet vinden, – is geen schuilplaats hier? Moet steeds het ongeluk mij als een speurhond volgen? Ongelukkige! Waarheen? Hoe nu den dood ontvlucht, Terwijl het heele land door vijanden is bezet!

De vergenoegde vrouwen.

Wij moeten thans voor eenige oogenblikken op een vroeger tijdstip terugzien, op het tijdstip namelijk, waarop Brown den jongen Hazlewood zoo geheel onvoorbedachtelijk kwetste.

Nauwelijks had dit ongeluk plaats gehad, of de vrees voor de gevolgen, welke hieruit zoowel voor Julia Mannering als voor hem zelven voortvloeien konden, begon Brown te beangstigen. Naar de richting van het geweer, op het oogenblik dat het losging, te oordeelen, kon de wond niet zeer gevaarlijk zijn. Hij moest er echter voor vreezen in een vreemd land en beroofd van alle middelen, om zijn rang en stand te bewijzen, in hechtenis te geraken en dit zoeken te voorkomen. Hij besloot dus om vooreerst naar de naburige Engelsche kust te vluchten en zich dáar, zoo mogelijk, verborgen te houden, tot hij brieven van zijne krijgsmakkers en wissels van zijn zaakwaarnemer zou ontvangen. Dan wilde hij weder in zijn eigen rol optreden en den jongen Hazlewood en diens vrienden alle opheldering of voldoening aanbieden, die zij verlangen konden. Met dit voornemen verwijderde hij zich snel van de ongelukkige plaats en bereikte zonder bezwaar het dorpje Portanferry, (dat echter te vergeefsch onder dezen naam op eene landkaart gezocht zou worden.) Eene groote open boot, naar de kleine zeehaven Allonby in Cumberland bestemd, lag juist gereed om in zee te steken. Brown ging aan boord en besloot zoolang in die plaats te vertoeven, tot hij brieven en geld uit Engeland ontvangen zou hebben.

Gedurende hunne korte overvaart begon Brown een gesprek met den stuurman, een opgeruimden grijsaard, die tevens eigenaar van de boot was, en zich, zoo als de meeste visschers aan deze kust, bij gelegenheid met den sluiklandel had bezig gehouden. Na over eenige andere zaken gesproken te hebben, zocht Brown het gesprek op de familie Mannering te brengen. De zeeman verhaalde hem van den aanval op Woodbourne, maar keurde het gedrag der smokkelaars ronduit af.

„De handen moeten zij te huis houden,” sprak hij; „op deze wijze zullen zij zich het geheele land op den hals halen. Toen ik mij er nog mede bemoeide, speelde, of dobbelde ik, als het ware, met de tolbedienden. Hier werd eene lading prijs gemaakt – nu, dat was een geluk voor hen; daar werd er eene zonder rampen binnen gesmokkeld – dat was een fortuintje voor mij. Neen, neen! de eene kraai moet den anderen de oogen niet uitpikken.”

„En deze kolonel Mannering?”

„Het is ook niet verstandig van hem, dat hij zich hiermede bemoeide. Ik neem het hem niet kwalijk, dat hij het leven der tolbedienden redde; dat was zoo als het behoorde; maar het paste zulk een voornaam man niet, te vechten om de theekisten en de brandewijnsvaten der arme lieden: maar bij is een groot heer en een officier, en die doen met onze gelijken, wat zij willen.”

„En zijne dochter zal, naar ik gehoord heb,” vervolgde Brown met een kloppend hart, „ook met iemand van groote familie huwen?”

„Meent gij met den jongen Hazlewood? neen, neen, dat zijn maar praatjes! Elken Zondag reed de jonge heer met de dochter van den overleden heer van Ellangowan naar huis, en mijne dochter Peggy, die te Woodbourne dient, zegt dat de jonge Hazlewood niet meer om juffrouw Mannering denkt, dan gij of ik.”

Brown deed zich zelven bittere verwijten over zijne voorbarigheid, maar hoorde met genoegen, dat de verdenking van Julia’s getrouwheid, waardoor hij zich had laten verleiden, waarschijnlijk ongegrond was. Hoe zeer moest hij niet hierdoor in hare achting dalen? Wat moest zij van een gedrag denken, dat hem onverschillig moest doen schijnen omtrent hare gemoedsrust en het belang van hunne liefde?

De betrekking van den ouden man tot het huisgezin te Woodbourne scheen, Brown een veiligen weg tot onderhandeling aan te bieden, en hij besloot deze gelegenheid niet ongebruikt voorbij te laten gaan. „Uwe dochter woont als dienstmaagd te Woodbourne?” vroeg hij weder. „Ik heb juffrouw Mannering in Indië gekend, en ofschoon ik mij thans in minder gelukkige omstandigheden bevind, heb ik nochtans àlle redenen te hopen, dat zij iets voor mij zou willen doen. Ik heb een ongelukkigen twist met haren vader, destijds mijn bevelvoerende officier, gehad en ik ben er zeker van, dat de jonge dame haar best zou willen doen, om hem met mij te verzoenen. Misschien zou uwe dochter haar wel een brief kunnen overhandigen, zonder dat daaruit misnoegen tusschen haren vader en haar ontstond?”

De oude man, een voorstander van alles wat op smokkelhandel geleek, stond gaarne in voor de getrouwe en geheime bezorging van den brief. Zoodra zij nu te Allonby aanlandden, schreef Brown aan Julia Mannering. Hij betuigde diep berouw over zijne onbezonnenheid en bezwoer haar, hem eene gelegenheid te verschaffen, om zich te rechtvaardigen en hare vergiffenis voor zijne overijling af te smeeken. Hij oordeelde het niet veilig, zich nader over de omstandigheden, waardoor hij misleid was, uit te laten en drukte zich over het geheel zoo dubbelzinnig uit, dat, indien de brief in verkeerde handen viel, het niet gemakkelijk zou zijn, den waren zin te verstaan, of den schrijver op te sporen. De visscher beloofde dezen brief getrouw aan zijne dochter Peggy te overhandigen en tevens het antwoord, indien de dame het noodig vond te antwoorden, mede te brengen de eerste maal, dat hij weer te Allonby zou komen.

Brown zocht nu naar een geschikt verblijf, dat met zijne tegenwoordige armoede en zijn wensch om zoo veel mogelijk onopgemerkt te blijven, overeenkwam. Met dit oogmerk nam hij den naam van zijn vriend Dudley aan en gaf hij zich tevens voor schilder uit, daar hij genoeg van de behandeling van het penseel verstond, om zijn waard dit voorwendsel als waarheid te doen aannemen. Hij gaf voor, dat zijn reisgoed hem uit Wigton nagezonden zou worden, hield zich, zoo veel mogelijk, in huis en wachtte dus op antwoord op de brieven, die hij aan zijn zaakwaarnemer, aan Delaserre en aan zijn luitenant-kolonel gezonden had. Van den eersten verlangde hij geld; hij bezwoer Delaserre, zoo mogelijk, bij hem in Schotland te komen, en van den laatsten verzocht hij zoodanige getuigschriften, waardoor hij zijn rang als officier en zijn onberispelijk karakter en gedrag onwederlegbaar kon bewijzen. Zijn bijna dringend gebrek aan geld bewoog hem aan Dinmont te schrijven, dat hij, sedert zij van elkaâr afscheid hadden genomen, bestolen was geworden en hem om eene kleinigheid ter leen verzocht, geenszins twijfelende, of hij zou, bij den niet grooten afstand van een twintigtal uren, spoedig een gunstig antwoord ontvangen. Na dit gedaan te hebben, wachtte hij wel met hevig ongeduld, doch zonder ernstige bezorgdheid, naar antwoord op deze verschillende brieven.

Ter verontschuldiging van de ontvangers dezer brieven moet men in het oog houden, dat de loop der posten toen ten tijde nog zeer langzaam en op verre na niet zoo geregeld was, als thans, na de schrandere regeling van den heer Palme. Bovendien bleven de brieven van den braven Dinmont, daar hij zelden meer dan één brief in een vierendeeljaars ontving (tenzij hij in een rechtsgeding gewikkeld was, als wanneer hij geregeld naar het postkantoor zond), gewoonlijk een of twee maanden bij den postmeester voor het venster, onder weekbladen, peperkoek, valhoeden, liedjes, of waarin de man anders handel dreef, liggen. Daarbij had er toen de thans nog niet geheel verouderde gewoonte plaats, dat een brief naar een, misschien geene tien uren verwijderde stad, soms een’ weg van een vijftigtal uren rondgesleept werd, vóor dat die ter bestemde plaats aankwam, waaruit het dubbele voordeel ontstond, dat de brief door en door gelucht, het inkomen van het postwezen met eenige stuivers vermeerderd en het geduld der belanghebbenden geoefend werd. Ten gevolge van deze omstandigheden wachtte Brown verscheidene dagen te vergeefs op antwoord, en zijn voorraad van geld was, niettegenstaande de uiterste spaarzaamheid, bijna versmolten, toen hij door een jongen visscher den volgenden brief ontving:

„Hoe wreed en onvoorzichtig hebt gij gehandeld! Gij hebt getoond, hoe weinig ìk op uwe verzekeringen, dat mijne rust en mijn geluk u dierbaar zijn, kan vertrouwen; en uwe onbezonnenheid heeft eene zeer achtingwaardigen en eerlijken jongeling bijna het leven gekost. Moet ik nog meer zeggen? Moet ik hierbij voegen, dat uwe onbezonnen drift mij op het ziekbed geworpen heeft? en helaas! behoef ik u verder te zeggen, dat ik met angst aan de gevolgen gedacht heb, die hieruit waarschijnlijk voor u zullen voortvloeien, ofschoon gij mij zoo weinig reden gegeven hebt, om dit te doen? De K. is voor verscheidene dagen van huis gegaan. De heer H. is bijna geheel hersteld, en ik heb reden, te denken, dat men niet u, maar iemand anders verdenkt. Waag het nochtans niet, hier te komen! Wij hebben met te verschrikkelijke rampen te worstelen gehad, dan dat ik er aan denken zou, eene betrekking weder aan te knoopen, die zoo dikwijls door de ijselijkste ontknooping bedreigd is. Vaarwel en geloof, dat niemand uw geluk oprechter kan wenschen, dan

J. M.”

De in dezen brief vervatte raad behoorde tot die soort, welke dikwijls gegeven wordt met de bedoeling, dat de ontvanger daarin aanleiding tot een geheel daarmede strijdig gedrag zou vinden. Ten minste Brown was van dit gevoelen en vroeg dadelijk den jongen visscher, of hij van Portanferry kwam.

„Ja,” antwoordde deze, „ik ben een zoon van den ouden Willem Johnstone en ik heb dezen brief van mijne zuster Peggy, die als waschvrouw te Woodbourne dient, ontvangen.”

„Wanneer vertrekt gij weder?”

„Heden avond met de eb.”

„Ik zal met u varen; maar had gaarne, dat gij mij hier of daar aan de kust aan wal kondt zetten, daar ik niet naar Portanferry wensch te gaan.”

„Dat is zeer gemakkelijk te doen,” antwoordde de knaap.

Hoewel de prijs van alle levensbehoeften destijds zeer matig was, putte toch het betalen van kamerhuur en kostgeld, en het aanschaffen van nieuwe kleêren, hetwelk zijne veiligheid zoowel als de betamelijkheid vorderde, de beurs van Brown bijna geheelenal uit. Hij gaf bevel aan het postkantoor, dat zijne brieven hem te Kippletringan achterna gezonden zouden worden, werwaarts hij zich zelf begeven wilde, om den schat, welken hij vrouw Mac-Candlish ter bewaring had gegeven, terug te vorderen. Hij hield het ook voor plicht, om zoodra hij de noodige bewijsstukken ontvangen zou hebben, in zijn waar karakter op te treden en als officier in ’s Konings dienst iedere verklaring te geven en te ontvangen, welke zijn twist met den jongen Hazlewood noodig mocht maken. „Indien bij geen echt stijfhoofd is,” dacht Brown, „dan moet hij toestemmen, dat alles, wat ik gedaan heb, het noodzakelijke gevolg was van zijn ongepast gedrag.”

Hij begaf zich aan boord. Zij moesten de zeeëngte van Solway oversteken. Zij hadden weinig voordeel van het getij; en een sterke tegenwind, vergezeld van regen, deed de zwaar, waarschijnlijk ten deele met verboden waren geladen boot hevig tegen de golven worstelen. Brown, als zeeman opgevoed en bedreven in de meeste lichaamsoefeningen, verleende den schipper door raad en daad krachtdadigen bijstand, toen de vaart door het toenemen van den wind en den sterken stroom op de kust gevaarlijk werd. Zij brachten den ganschen nacht in de zeeëngte door, en bevonden zich des morgens in het gezicht van eene schoone baai aan de kust van Schotland. Het weder was thans vrij zacht. De sneeuw, die reeds sedert eenigen tijd was begonnen te smelten, was door den regen en wind van den vorigen nacht bijna geheel verdwenen. De verder afgelegen bergen waren nog wel in een wit kleed gehuld; maar het open veld was, op eenige weinige plaatsen na, waar de sneeuw door den wind tot eene buitengewone hoogte opgejaagd was, geheel ontbloot. De oever leverde, zelfs bij het tegenwoordig winterachtige aanzien, een bekoorlijk gezicht op. De omtrek der kust vormde met de veelvuldige krommingen, inhammen en baaien zoo ver het gezicht reikte, aan beide zijden eene bekoorlijk golvende lijn, welke het oog zoo gaarne volgt. Niet minder afwisselend dan de omtrek, was de oppervlakte der kust. Hier verhieven zich steile rotsen, ginds bestond de oever uit zacht hellend zand. Gebouwen van verschillenden aard werden door de stralen der opkomende winterzon verlicht en kaatsten het licht schilderachtig terug, terwijl de bosschen, ofschoon thans ontbladerd, de bekoorlijke afwisseling van het landschap verhoogden. Brown genoot dit gezicht met die aangename gewaarwordingen, welke de schoonheden der natuur bij ieder gevoelig en beschaafd mensch opwekken, als ze zich onverwacht, nadat men een duisteren, droevigen nacht op reis doorgebracht heeft, aan ons oog vertoonen. Misschien – want wie durft zich vermeten het onverklaarbare gevoel te ontleden, dat ieder in eene bergachtige landstreek geboren mensch aan zijne vaderlandsche bergen verbindt? – Misschien mengden zich ook nog sluimerende herinneringen, die nog in zijne ziel voortleefden, ofschoon hare oorzaak reeds lang vergeten was, bij het aangename gevoel, waarmede hij het vóor hem liggende tooneel beschouwde.

„En hoe heet dat schoone voorgebergte,” vroeg hij den schipper, „dat zich met zijne hellende oevers en boschrijke heuvels zoo ver in zee uitstrekt en de rechterzijde van de baai vormt?”

„Kaap Warroch,” antwoordde deze.

„En dat oude kasteel, met dat nieuwe huis, dáár iets lager? Het schijnt van verre een zeer groot gebouw te zijn.”

„Dat is het oude slot in de hoogte, en het nieuwe slot dáar beneden, Mijnheer. Wij kunnen hier wel landen, als gij het verkiest.”

„Niets liever, dan dat! Ik moet die bouwvallen bezoeken, eer ik verder reis.”

„Ja, het is een wonderlijk oud nest: en die hoogste toren dient ons, reeds van Ramsay, op het eiland Man, en de Punt van Ayr af, tot een goed baken. Jaren geleden heeft meer dan eens dáar een groot gevecht plaats gehad.”

Brown wilde gaarne meer bijzonderheden vernemen; maar een visscher is zelden een oudheidkenner. Ten minste, de plaatselijke kennis van zijn schipper bepaalde zich bij het gegeven bericht, dat de toren een goed baken was en dáar vele jaren geleden meer dan éen hevig gevecht had plaats gehad.

„Ik zal er wel meer van hooren,” dacht Brown, „als ik aan land kom.”

Zij voeren met de boot dicht langs de punt, waarop het kasteel lag en van eene steile rots somber op de nog beroerde golven nederzag.

„Ik geloof,” zei de stuurman, „dat gij hier even gemakkelijk en droog als elders aan land kunt komen. Vóor lange jaren pleegden hier vele schepen te liggen, maar thans wordt er geen gebruik van deze plaats gemaakt, omdat het zoo moeilijk is goederen den steilen trap op over de rotsen te brengen. Bij helderen maneschijn heb ik echter wel het een en ander hier aan wal gebracht.”

Intusschen voeren zij om eene rotspunt en vonden eene kleine haven, welke ten deele door de natuur, ten deele door den onvermoeiden arbeid der oude bewoners van het kasteel gevormd was, opdat hunne booten en kleine schepen hier veilig zouden kunnen liggen; zware schepen kon ze echter niet opnemen. De beide rotsen, welke den ingang vormden, stonden zoo dicht bij elkander, dat er slechts ééne boot te gelijk inloopen kon. Aan beide zijden waren nog twee zware ijzeren ringen in de rots vastgemaakt, in welke volgens het volksverhaal, eertijds des nachts eene zware ijzeren keten gespannen werd, om de haven en de daarin liggende schepen te beveiligen. Met behulp van houweel en beitel had men in de ééne zijde van de buitengemeen harde rots eene soort van kaai uitgehouwen. De steen was echter zoo hard, dat volgens verhalen der inboorlingen, een werkman, die den heelen dag er aan gearbeid had, ’s avonds gemakkelijk al de brokken in zijn pet naar huis kon dragen, die het hem gelukt was er af te slaan. Deze kleine kaai had gemeenschap met een ruwen trap (waarvan reeds meermalen melding is gemaakt), die naar het oude slot leidde. Men kon ook over de rotsen heen, na zwaar klauteren, de kaai bereiken.

„Hier moet gij maar aan wal gaan: want bij den Shellicoatsteen loopen de golven zoo hoog, dat wij geen droog draadje aan ’t lijf zullen hebben, als we de vracht lossen,” zei de schipper en weigerde het geld, dat Brown hem aanbood, met deze woorden: „Neen, neen, gij hebt voor uwe overvaart gewerkt, en beter gewerkt, dan één van ons. Vaarwel! Het ga u goed!” Dit zeggende verwijderde hij zich met zijne boot, om zijne lading aan de tegenovergestelde zijde van de baai te lossen, en liet Brown, met een klein pakje, waarin de weinige benoodigdheden waren, die hij te Allonby had moeten koopen, in de hand, op de rotsen onder de bouwvallen staan.

En zoo naderde de vermoeide reiziger, onkundig als een vreemdeling en in omstandigheden, die, zoo al niet hopeloos, ten minste voor het oogenblik zeer netelig waren, zonder vriend in den omtrek van vele mijlen, van eene zware misdaad beschuldigd en, wat nog haast het ergste van alles was, bijna zonder geld, de overblijfsels van het kasteel, waar zijne voorouders bijna als koningen geheerscht hadden.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

– Ja – gij met mos begroeide wallen, Gij vervallen torens, u zie ik weêr, En met diep berouw! – Waar is uw pracht en roem, Het dolle feest, – het bont gewoel en al De drukte, die van de grootheid sprak Van mijn geslacht en van alouden roem?

De geheimzinnige moeder.