Part 37
Dinmont herkende hem dadelijk aan de stem en riep uit: „O, als gij het zijt, Mijnheer Pleydell, dan zijn wij zeker geborgen.”
Terwijl de pachter bleef staan, om Pleydell te begroeten, trad Bertram, verblind door het schitterende licht en verbijsterd door zijnen zonderlingen toestand, bijna zonder het te weten in de huiskamer en stond plotseling voor den kolonel, die hem te gemoet kwam. Bij het heldere licht in het vertrek was er geen vergissing in den persoon mogelijk, en hij was zelf even onthutst op het gezicht van hen, die hij zoo onverwachts voor zich zag, als deze over zijne zoo hoogst verrassende verschijning waren. Men bedenke, dat ieder der aanwezenden zijne bijzondere redenen had, om met ontroering den binnentredende te zien, die hun in het eerst bijna als een spook moest voorkomen. Mannering zag den man vóor zich staan, dien hij meende in Indië gedood te hebben; Julia zag haren minnaar in een zeer gevaarlijken toestand, en Lucie herkende dadelijk den man die op den jongen Hazlewood geschoten hadt.
Bertram, die in den starenden blik, welken de verbaasde kolonel op hem vestigde, misnoegen over zijn ongenoodigd bezoek meende te lezen, haastte zich te zeggen, dat zijn verschijnen op deze plaats onwillekeurig was, daar men hem hierheen gevoerd had, zonder dat hij wist waarheen men hem bracht.
„De heer Brown, geloof ik,” hernam Mannering.
„Ja, Mijnheer,” hernam de jongeling bescheiden maar standvastig; „dezelfde dien gij in Indië gekend hebt, en ik durf hopen dat gij mij dáar van zulk eene zijde hebt leeren kennen, dat gij mij op mijn verzoek de getuigenis niet zult weigeren, dat ik fatsoenlijk man en man van eer ben.”
„Mijnheer Brown, ik ben zelden – ik ben nooit zoo verrast geweest. Gij hebt, wat er ook tusschen ons voorgevallen is, – zonder twijfel het recht, u op mij te beroepen.”
Op dit oogenblik trad Pleydell met Dinmont binnen en zag met verwondering, dat de kolonel zich nauwelijks van zijne eerste verbazing hersteld had; dat Lucie Bertram van angst en schrik bijna in onmacht viel en Julia Mannering te vergeefs hare vrees en angst zocht te verbergen of te onderdrukken. „Wat beteekent dit?” riep hij uit; „heeft deze jonge man het hoofd van Medusa in de hand? Laat mij hem aanzien. – Bij den hemel!” sprak hij in zich zelven, „het ware evenbeeld van den ouden Ellangowan! – Dezelfde krachtige gestalte en schoone trekken; – maar met veel meer verstand in de uitdrukking! De heks heeft woord gehouden.” – Plotseling trad hij naar Juffrouw Bertram en zeide: „Zie dezen man aan, lieve Lucie! hebt gij nooit iemand gezien, die op hem geleek?”
Lucie had slechts een vluchtigen blik op den bewerker van haren angst geslagen, dien zij oogenblikkelijk als den man herkende, die het leven van den jongen Hazlewood in gevaar gebracht had; en deze omstandigheid verhinderde, dat herinneringen, welke eene nauwkeuriger beschouwing in hare ziel opgewekt konden hebben, bij haar opkwamen. „Vraag mij niet naar hem,” riep zij uit. „Zend hem weg, zend hem om Gods wil weg! Hij zal ons nog vermoorden!”
„Vermoorden!” hernam Pleydell met bevreemding. „Geef mij maar den pook! – Doch gekheid! Wij zijn immers met ons drie mannen, behalve de bedienden, en dan is onze eerlijke vriend uit het Liddesdal er ook nog; die is alleen een half dozijn waard. Wij hebben de major vis [27] op onze zijde. – Maar hoe dit ook zij, Dandie – Davie – of hoe gij heeten moogt, stel gij u tusschen dien knaap en ons, om de dames te beschermen.”
„Mijn hemel, Mijnheer Pleydell! dat is kapitein Brown; kent gij kapitein Brown niet?”
„Neen, maar als hij uw vriend is, dan zijn wij veilig genoeg; blijf evenwel bij hem staan.”
Dit alles gebeurde zoo snel, dat het voorbij was, voor dat Sampson uit de verstrooiing, waarin hij verzonken was, tot zich zelven kwam. Nu sloeg hij het boek toe, waarin hij, in een hoek van de kamer, gelezen had en trad nader, om de vreemdelingen te zien. Nauwelijks echter had hij Bertram aangezien, of hij riep uit: „Indien het graf zijne dooden kan wedergeven, dan is dit mijn waarde en geëerde meester!”
„Bij den hemel, wij hebben gelijk!” riep Pleydell. „Ik was er zeker van dat ik gelijk had! Hij is het ware evenbeeld van zijn vader. – Maar wat scheelt u, kolonel? Waarom heet gij uw gast niet welkom? Ik denk, – ik geloof – ik vertrouw, dat wij gelijk hebben. – Nog nooit zag ik eene zoo in het oog loopende gelijkenis. Maar geduld! – Sampson, spreek geen woord. – Ga zitten, jonge heer!”
„Vergeef mij,” hernam Bertram. „Ik bevind mij, naar ik hoor, in het huis van den kolonel Mannering en wenschte eerst te weten, of mijne toevallige verschijning hem onaangenaam is, dan of ik welkom ben.”
Mannering hervatte dadelijk: „Welkom, zonder twijfel welkom, en wel bijzonder als gij mij kunt zeggen, hoe ik u dienen kan. Ik geloof dat ik nog eenig onrecht jegens u goed te maken heb; dit heb ik ten minste dikwijls vermoed. Maar uwe plotselinge en onverwachte verschijning en de smartelijke herinneringen, welke daardoor bij mij opgewekt werden, hebben mij in het eerst verhinderd u te zeggen, zoo als ik u nu zeg, dat uw bezoek, waaraan ik het ook verschuldigd moge zijn, mij zeer aangenaam is.”
Bertram beantwoordde Mannering’s deftige en ernstige beleefdheid met eene dankbare, maar afgemetene buiging.
„Lieve Julia,” hervatte de kolonel, „gij zoudt waarlijk best doen, met ons te verlaten, – Mijnheer Brown, gij zult mijne dochter wel willen verontschuldigen: ik zie, dat sommige omstandigheden smartelijke herinneringen bij haar opwekken.”
Julia Mannering stond op en verwijderde zich. Maar toen zij Bertram voorbij ging, kon zij zich niet weerhouden hem toe te voegen: „Onbezonnene! ten tweeden male!” Zij sprak echter zoo zacht, dat niemand dan hij alleen deze woorden hooren kon. Lucie Bertram volgde hare vriendin vol verwondering, maar zonder dat zij het waagde eenen tweeden blik op het voorwerp van haren schrik te slaan. Zij zag dat er een misverstand plaats had, en wilde de verwarring niet vermeerderen door den vreemdeling een moordenaar te noemen. Zij zag tevens, dat de kolonel hem kende en als een’ man van stand behandelde; dus moest hij of de dader niet zijn, of Hazlewood had gelijk en het schot was toevallig geweest.
Het in de kamer teruggebleven gezelschap zou geen kwade groep voor een’ bekwamen schilder opgeleverd hebben. Ieder der aanwezenden hield zich te zeer met zijne eigene aandoeningen bezig, om op te merken, wat er bij de anderen omging. Bertram bevond zich onverwachts in het huis van den man, voor wien beurtelings de tegenstrijdigste aandoeningen in zijn boezem opwelden. Op het eene oogenblik gevoelde hij een innigen afkeer van hem, als zijn persoonlijken vijand, en in het daarop volgende was hij wederom geneigd, hem, als den vader van zijne beminde Julia, te eerbiedigen. Mannering was met zich zelven in tweestrijd. Zijne ridderlijke denkbeelden van beleefdheid en gastvrijheid en zijne vreugde over de ontdekking, dat hij zich niet langer behoefde te beschuldigen van een medemensch in een tweegevecht van het even beroofd te hebben, kampten met de opwellingen van den ouden weerzin en de vooringenomenheid, welke, op het gezicht van den man tegen wien hij ze eenmaal gekoesterd had, in zijn trotsch gemoed weder ontwaakten. Sampson leunde, bevende van aandoening, op een stoel en vestigde zijne blikken, welke eene angstige bezorgdheid uitdrukten, onbewegelijk op Bertram. Dinmont staarde, tot aan de kin in zijn ruigen jas gewikkeld, het geheele tooneel vol verbazing met groote oogen aan.
Pleydell alleen was geheel in zijn element. Hij alleen overlegde en handelde. Hij dacht reeds vooruit aan eene schitterende zegepraal in een zonderling, geheimzinnig en ingewikkeld rechtsgeding; en geen jonge vorst, die, vol opgewekten moed, aan het hoofd van een dapper leger zijn eersten veldtocht opent, kan ooit eene levendiger vreugde gevoelen. Hij was dadelijk druk in de weer en nam de leiding van alles op zich. „Komt, komt, mijne heeren! gaat zitten!” zeide hij; „dit behoort tot mijn vak: gij moet mij hier alles voor u laten regelen. Ga zitten, waarde kolonel! en laat mij stil begaan. – Ga zitten, Mijnheer Brown! aut quocunque alio nomine vocaris. [28] – Neem plaats, dominé. – Daar is een stoel voor u, eerlijke Dinmont!”
„Ik weet niet, Mijnheer Pleydell,” antwoordde Dinmont, eerst op zijn grove kleeding en dan op de rijke meubels ziende, „mijne kleederen zijn niet fraai genoeg; het zou misschien best zijn, als ik ergens anders heen ging en u alleen liet, tot dat gij uwe zaken –”
De kolonel, die op dit oogenblik eerst den wakkeren Dandie herkende, ging dadelijk naar hem toe, heette hem hartelijk welkom en betuigde hem, dat hij na alles wat hij in Edinburg van hem gezien had, overtuigd was, dat zijn ruwe kleeding en dikbezoolde laarzen zelfs eene koninklijke gezelschapszaal eer zouden aandoen.
„Neen, neen, kolonel! wij zijn maar eenvoudige landlieden. Ik wilde evenwel gaarne hooren, dat den kapitein wat goeds te beurt viel, en ik ben overtuigd dat alles goed zal gaan, als Mijnheer Pleydell de zaak op zich neemt.”
„Gij hebt gelijk, Dandie,” sprak Pleydell. „Maar zwijg nu stil. – Welaan, eindelijk zit gij allen. Nu een glas wijn, voor dat ik geregeld begin te ondervragen. – En nu,” vervolgde hij, zich tot Bertram wendende, „weet gij, wie of wat gij zijt?”
In spijt van zijne verlegenheid, kon Bertram zich bij deze vraag niet van lachen onthouden en antwoordde; „waarlijk Mijnheer, vroeger dacht ik dat ik het wist; maar ik moet bekennen dat sedert kort zekere omstandigheden twijfelingen in mij opgewekt hebben.”
„Zeg ons dan, waarvoor gij u voorheen gehouden hebt.”
„Ik hield mij voor Van Beest Brown en noemde mij zoo. Ik heb als kadet, of vrijwillige, onder den kolonel Mannering gediend, toen hij bevel voerde over het ** regiment dragonders en als zoodanig was ik niet onbekend hij hem.”
„Deze verklaring moet ik bevestigen” hernam de kolonel, „en voeg er bij hetgeen zijne bescheidenheid hem verbood te zeggen, dat hij zich als een bekwaam en moedig mensch onderscheiden heeft.”
„Des te beter, waarde kolonel! maar dit behoort tot de algemeene eigenschappen. – De heer Brown moet ons zeggen waar hij geboren is.”
„In Schotland geloof ik; maar de plaats kan ik niet bepalen.”
„Waar opgevoed?”
„In Holland.”
„Herinnert gij u ook iets uit uwe vroegste jeugd, vóor dat gij Schotland verlaten hebt?”
„Zeer onvolkomen. Ik herinner me echter duidelijk, – en deze indruk is door de daarop volgende harde behandeling misschien des te dieper in mijne ziel gegrift – dat ik in mijne kindsheid een voorwerp van liefderijke zorg en toegenegenheid was. Ik heb nog eene flauwe herinnering aan een vriendelijken, goedaardigen man, dien ik vader noemde, en aan eene ziekelijke vrouw, die zonder twijfel mijne moeder was; het zijn evenwel enkel donkere, verwarde beelden, die mij voor den geest zweven. Ik herinner mij ook nog een lang, mager, in het zwart gekleed’ man, die mij lezen leerde en met mij ging wandelen, en ik geloof dat hij juist in de laatste oogenblikken”–
Hier kon Sampson zich niet langer bedwingen. Terwijl ieder woord, dat Bertram sprak, hem overtuigde dat de zoon van zijn weldoener vóor hem stond, had hij met de uiterste inspanning zijne hevige aandoeningen onderdrukt; toen Bertram echter van zijn leidsman en leermeester begon te spreken, moest hij zijn gevoel lucht geven. Hij stond eensklaps op en riep, met gevouwene handen, bevende van ontroering en met tranen in de oogen, uit: „Hendrik Bertram! zie mij aan! was ik die man niet?”
„Ja!” riep Bertram en sprong van zijn stoel op, alsof er plotseling een licht in zijne ziel opgegaan was; „ja, dat was mijn naam! en dit is de stem en de gestalte van mijn goeden ouden leermeester!”
„Sampson wierp zich in zijne armen, drukte hem, snikkende van verrukking, duizend malen aan zijn hart, tot hij eindelijk zijn overkropt gevoel lucht gaf en luide begon te weenen. Mannering was hevig aangedaan. Pleydell was niet minder bewogen en wischte de glazen van zijn bril af, en de goedhartige Dinmont riep snikkende uit: „Dat is een drommelsche vent; hij maakt waarlijk dat ik doen moet, wat ik sedert den dood mijner oude moeder niet gedaan heb.”
„Komt, komt!” riep Pleydell eindelijk, „Stilte voor het gerechtshof! Wij hebben met eene listige tegenpartij te doen. Wij moeten geen tijd verliezen. Ik vertrouw, dat er voor het aanbreken van den morgen nog wel iets te doen zal zijn.”
„Ik zal een paard laten zadelen, als gij het verkiest,” hernam de kolonel.
„Neen, neen! tijds genoeg, tijds genoeg! – Maar hoor, dominé! ik heb u behoorlijk tijd gegeven om uw gevoel te uiten. De tijd is nu verstreken; gij moet mij mijn onderzoek ongestoord laten voortzetten.”
Sampson, die gewoon was ieder die hem bevelen verkoos te geven te gehoorzamen, zonk weder op zijn stoel neder. Hij spreidde zijn zakdoek over zijn gelaat en scheen, naar zijn gevouwen handen te oordeelen, een stil dankgebed ten hemel op te zenden. Soms sloeg hij den doek voor de oogen weg, alsof hij zich overtuigen wilde dat de aangename verschijning niet verdwenen was, en verzonk dan weder in stille verzuchtingen, tot dat eenige belangrijke vragen van Pleydell zijne aandacht weder trokken.
„En nu,” zeide Pleydell, nadat hij Bertram nog verscheidene vragen, zijne vroegste jeugd betreffende, gedaan had – „en nu Mijnheer Bertram, want ìk geloof dat wij u in het vervolg bij uw eigen naam moeten noemen, verhaal ons nu alles wat gij u van de wijze waarop gij Schotland verlaten hebt, kunt herinneren.”
„Waarlijk, het verschrikkelijke van dien dag is wel onuitwischbaar in mijn geheugen geprent, maar de angst zelf, welken dit tijdstip zoo diep in mijne ziel gegrift heeft, is waarschijnlijk oorzaak dat de bijzonderheden mij slechts duister en verward voor den geest zweven. Ik herinner mij nochtans dat ik ergens wandelde, ìn een bosch geloof ik –”
„O ja in het bosch van Warroch, mijn zoon!” riep Sampson.
„Stil, Mijnheer Sampson!” hernam Pleydell.
„Ja, het was in een bosch en er was iemand bij mij – deze goedhartige man, geloof ik.”
„O ja, ja Hendrik! God zegene u! Ik was het zelf.”
„Zwijg toch dominé! en stoor ons niet,” hernam Pleydell. Hierop wendde hij zich tot Bertram en sprak: „Ga voort, bid ik u!”
„Vervolgens zat ik, even als bij een snelle verandering in een droom, voor mijn leidsman te paard, geloof ik.”
„Neen, neen!” riep Sampson uit, „nooit heb ik ik mij zelven en veel minder u aan zulk een gevaar blootgesteld.”
„Op mijn woord, dat is onverdragelijk!” hernam Pleydell. „Hoor, dominé! als gij nog één woord spreekt, voor dat ik u verlof geef, dan lees ik drie spreuken uit het Zwarte Boek, zwaai mijn staf driemalen over mijn hoofd, vernietig het geheele tooverwerk van dezen nacht en verander Hendrik Bertram weder in Van Beest Brown.”
„Ik verzoek nederig om verschooning, Mijnheer!” hernam Sampson; „het was slechts verbum volans.” [29]
„Nu, nolens volens, [30] gij moet u stil houden.”
„Wees stil, Mijnheer Sampson! bid ik u,” hernam de kolonel, „het is voor uw wedergevonden vriend van het uiterste belang, dat gij den heer Pleydell zijne ondervraging ongehinderd laat voortzetten.”
„Ik zal stom zijn,” antwoordde Sampson onthutst.
„Plotseling,” vervolgde Bertram, „sprongen er twee of drie mannen op ons los en scheurden ons van het paard. Ik kan mij verder niets herinneren dan dat ik onder een hevig gevecht poogde te ontvluchten en eene zeer groote vrouw, die onverwachts uit de struiken te voorschijn kwam en mij eenigen tijd onder hare bescherming nam, in handen viel. Al het overige komt mij als, een bange, verwarde droom voor. Ik heb nog een flauwe en duistere herinnering aan een zeestrand, aan een hol en aan een sterken drank, die mij in een langen en diepen slaap deed vallen. Dan is er eene groote gaping in mijne herinneringen, tot dat ik mij als een mishandelden, half verhongerden kajuitsjongen op een schip, en vervolgens in Holland als schoolknaap, onder de bescherming van een koopman, die genegenheid voor mij opgevat had, in mijn geheugen wedervind.”
„En wat verhaalde deze man u van uwe afkomst?”
„Zeer weinig, en hij beval mij niet verder te vragen. Men gaf mij te verstaan, dat mijn vader, aan den smokkelhandel op de oostkust van Schotland deel genomen had en in een gevecht met de tolbedienden gesneuveld was; dat zijne vrienden in Holland destijds juist een schip aan de kust gehad hadden, en dat een gedeelte van het scheepsvolk in hetzelfde gevecht gewikkeld geweest was en mij, daar ik door den dood van mijn vader ouderloos geworden was, uit medelijden medegenomen had. Toen ik ouder werd, vond ik in dat verhaal veel, dat ik met mijne eigene herinneringen niet kon overeenbrengen; maar wat kon ik doen? Ik had geen middel om zekerheid omtrent mijne twijfelingen te bekomen, en geen vriend aan wien ik ze mededeelen en met wien ik er over spreken kon. Het overige van mijne geschiedenis is den kolonel Mannering bekend. Ik ging naar Indië en werd kantoorbediende bij een Hollandsch handelshuis, dat spoedig hierop in verval geraakte. Nu ging ik tot den krijgsdienst over en hoop dezen stand geene oneer aangedaan te hebben.”
„Gij zijt een wakkere jongen, voor wien ik wel borg wil blijven” zeide Pleydell. „Ik wenschte van harte dat ik zelf bij u aanspraak op den naam van vader, welke zoo langen tijd vreemd voor u geweest is, kon maken. Maar die twist met den jongen Hazlewood. –”
„Was enkel toeval,” sprak Bertram. „Ik reisde voor mijn genoegen in Schotland, en na een verblijf van acht dagen bij mijn vriend Dinmont, dien ik het geluk had toevallig te leeren kennen –”
„Het was een geluk voor mij,” viel Dinmont hem in de rede. „De drommel! een paar landloopers hadden mij zonder genade de hersenen ingeslagen, indien hij hen niet op het lijf gevallen was.”
„Kort nadat wij in het stadje ** van elkander gescheiden waren, werd ik op den weg naar Kippletringan door roovers van mijn reisgoed beroofd. Gedurende mijn verblijf in dit dorp ontmoette ik den jongen Hazlewood toevallig. Ik naderde om Juffrouw Mannering, die ik in Indië gekend had, te begroeten; maar Mijnheer Hazlewood, die mij waarschijnlijk naar mijne slechte kleeding beoordeelde, beval mij op hoogen toon mij te verwijderen, en gaf aanleiding tot den twist, waarbij ik het ongeluk had de toevallige oorzaak van zijne verwonding te zijn; – En nu, Mijnheer, – nu ik alle uwe vragen beantwoord heb –”
„Neen, neen, nog niet alle,” hernam Pleydell, listig glimlachende; „ik heb nog eenige vragen, welke ik tot morgen zal uitstellen: want het is, geloof ik, tijd de zitting voor heden nacht, of liever dezen morgen, te sluiten.”
„Ik heb, om mij dan juister uit te drukken, alle vragen, welke gij voor het tegenwoordige wildet doen, beantwoord, Mijnheer, – wilt gij nu ook wel de goedheid hebben, mij te zeggen wie gij zijt, waarom gij zoo veel belang in mijne zaken stelt en voor wien gij mij houdt, daar mijne aankomst zoo vele beweging veroorzaakt heeft?”
„Wel, Mijnheer, ik ben Paulus Pleydell, een advocaat uit Edinburg. Wie gij zijt, kan ik op dit oogenblik nog niet zoo bepaald zeggen: maar binnen korten tijd hoop ik u als Hendrik Bertram, vertegenwoordiger van een der oudste geslachten in Schotland en erfgenaam van de heerlijkheid Ellangowan, met alle hare aanhoorigheden, te kunnen geluk wenschen. – Ja,” vervolgde hij, de oogen sluitende en tot zich zelven sprekende, „wij moeten zijn vader voorbijgaan en hem als den erfgenaam van zijn grootvader Lodewijk laten optreden, die de stichter van het fideicommis en tevens de eenige verstandige man in zijn geslacht was, van wien ik ooit gehoord heb.”
Allen waren opgestaan om zich ter rust te begeven. Nu trad Mannering naar Bertram toe, die hoogst verwonderd over Pleydell’s woorden stond en zeide: „Ik wensch u geluk met de uitzichten, welke het geluk voor u geopend heeft. Ik was reeds vroeg een vriend van uw vader, en het toeval bracht mij even onverwachts in den nacht, waarin gij geboren zijt, in het slot Ellangowan, als gij thans in mijn huis gekomen zijt. Ik wist hier niets van, – toen, maar ik vertrouw, dat alles wat tusschen ons voorgevallen is, vergeten en vergeven zal zijn. Geloof mij, uwe verschijning als de heer Brown heeft mij van het smartelijkste gevoel, dat onophoudelijk mijn hart bezwaarde, bevrijd, en uw recht op den naam van een ouden vriend maakt uwe tegenwoordigheid als de heer Bertram, dubbel aangenaam.”
„En mijne ouders?” vroeg Bertram.
„Zijn beiden dood – en het eigendom van uw geslacht is verkocht, doch zal, hoop ik, weder te verkrijgen zijn. Alles, wat in mijne macht staat en dienen kan om uwe rechten te doen gelden, bied ik u van ganscher harte aan.”
„Neen, dat moet gij aan mij overlaten,” hernam Pleydell; „dat behoort tot mijn vak. Dat zal een heerlijke zaak voor mij zijn!”
„Ik weet wel,” zei Dinmont nu, „dat het mij en mijns gelijken niet past, zulke heeren, als gij zijt, in de rede te vallen; maar als geld den kapitein bij zijne zaak kan helpen, en men zegt immers, dat processen nooit goed gaan zonder geld –”
„Behalve des Zaterdagsavonds,” merkte Pleydell aan.
„Ja, maar als gij geen geld wilt hebben, dan neemt gij de zaak ook niet aan; dus zal ik u nooit weder op een Zaterdag lastig vallen; – maar ik wilde zeggen dat ik geld op zak heb, dat zoo goed als des kapiteins eigendom is. Mijne Ailie en ik hebben het ten minste altijd zoo beschouwd.”
„Neen, neen, Liddesdaller! het is volstrekt niet noodig. Bewaar uw geld en koop vee voor uwe landerijen.”
„Vee voor mijne hoeve? Mijnheer Pleydell! gij hebt kennis van vele dingen, maar Charlies-hope kent gij niet. Wij zijn zoo ruim van vee voorzien, dat wij jaarlijks, vel en vleesch te zamen, wel voor zes honderd pond sterling verkoopen.”.
„Kunt gij dan geene andere hoeve pachten?”
„Dat weet ik haast niet. Er worden niet dikwijls hoeven verpacht en de hertog wil niet gaarne oude pachters verstooten; en buitendien ben ik de man niet, om rond te sluipen en mijne buren in hun pachtgeld te overbieden.”
„Ook uw buurman niet van Dawstoncleugh – Devilstone – of hoe heet de plaats?”
„Hoe, Jock van Dawstoncleugh? Neen waarlijk niet. Hij is wel een vervloekte stijfkop, en wij hebben reeds dikwijls over de scheiding van ons land getwist; maar de duivel zal mij halen, als ik hem onrecht aandoen wilde.”
„Gij zijt een brave kerel,” hernam Pleydell. „Ga nu naar bed. Ik verzeker u, dat gij geruster slapen zult dan menig man, die een geborduurden rok uittrekt en zijn hoofd met eene kostbare slaapmuts bedekt. – Kolonel, ik zie dat gij met onzen waarden vondeling diep in gesprek gewikkeld zijt; maar uw Barnes moet mij om zeven uren wekken, want mijn knecht is een rechte slaapkop en mijn klerk Driver heeft zich uw bier zonder twijfel maar al te goed laten smaken. Juffrouw Allan heeft hem beloofd dat zij hem goed zou verzorgen, en zij zal spoedig genoeg ontdekt hebben, wat hij daaronder verstaat. Goeden nacht, kolonel – goeden nacht, dominé Sampson – goeden nacht, eerlijke Dinmont – goeden nacht eindelijk, nieuw gevonden vertegenwoordiger der Bertrams, der Mac-Dingawaies, der Knarths, der Arths, der Godfrieds en der Rolands en, wat de laatste en beste naam van allen is, erfgenaam van de heerlijkheid Ellangowan met alle aanhoorigheden, volgens de bepalingen van Lodewijk Bertram, wiens vertegenwoordiger gij zijt.”
Met deze woorden nam de oude heer zijn licht en begaf zich naar zijne slaapkamer. Het overige gezelschap volgde zijn voorbeeld, nadat Sampson zijn „kleinen Hendrik Bertram,” zoo als hij den zes voet langen jongen krijgsman noemde, nog eenmaal omhelsd en aan zijn hart gedrukt had.
EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
– Mijne verbeelding Is geheel met hem vervuld, Ik ben te grond gericht, ik sterf terstond, Als Bertram wegblijft.
Einde goed alles goed.