Chapter 13 of 43 · 3810 words · ~19 min read

Part 13

„Er verliep eenige tijd, voor dat ik moed vatte om op het balkon te treden. Niets kon mij daartoe den moed schenken, dan mijne vaste overtuiging dat hij nog leefde en dat wij elkander zouden wederzien. Deze overtuiging bemoedigde mij en ik waagde het, schoon met een kloppend hart. Ik zag eene boot met een enkel man; o Mathilda! hij was het zelf! Ik herkende hem, na zulk eene lange scheiding en zelfs in de duisternis van den nacht, even goed, als of wij eerst gisteren van elkaâr gescheiden waren en ik hem in den heldersten zonneschijn weder ontmoet had. Hij voer met zijne boot onder het balkon en sprak met mij. Nauwelijks weet ik, wat hij zeide en wat ik antwoordde. Waarlijk, tranen verstikten bijna mijne stem, maar het waren vreugdetranen. Wij werden door het blaffen van een hond, die zich op een kleinen afstand hooren liet, gestoord en moesten scheiden, maar niet voor dat hij mij bezworen had, hem heden avond op dezelfde plaats en hetzelfde uur eene tweede bijeenkomst toe te staan.

„Maar waar zal dit op uitloopen? Kan ik deze vraag beantwoorden? Neen, dat kan ik niet! De Hemel, die hem van den dood redde en uit zijne gevangenschap verloste; die mijn vader bewaarde voor het storten van het bloed eens mans, die hem geen haar op het hoofd gekrenkt zou hebben, – de Hemel moet ook mij uit dezen doolhof redden. Voor het tegenwoordige vergenoeg ik mij met het vaste besluit, dat Mathilda nooit over hare vriendin, mijn vader nooit over zijne dochter, en mijn minnaar nooit over haar, op wie hij zijne genegenheid gevestigd heeft, zal behoeven te blozen.”

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Met een man praten uit het raam! ’t is me wat liefs! –

Shakspeare.

Wij moeten voortgaan met onze uittrekkels uit de brieven van Julia Mannering, welke bewijzen dat zij een gezond verstand, goede grondbeginselen en een gevoelig hart bezat; maar men ontdekte ook bij haar duidelijk den invloed van eene gebrekkige opvoeding en van de dwaasheid eener onverstandige moeder, die haren echtgenoot in haar hart zoo lang een tiran noemde, totdat zij hem als zoodanig vreesde, en zoo lang romans las, totdat zij op de daarin voorkomende intrigues zoo verzot werd, dat zij hare neiging niet weerstaan kon, zelve een’ kleinen familie-roman op te zetten, waarvan hare dochter, een zestienjarig meisje, de heldin moest wezen. Zij vond haar grootste vermaak in kleine geheimen en listen, en beefde nochtans voor het misnoegen, dat deze verachtelijke handelwijze bij haren echtgenoot gaande maakte. Zoo begon zij dikwijls, enkel tot vermaak, of misschien om aan hare zucht tot intrigue te voldoen, het een of ander stukje, wikkelde zich er dieper in dan zij vermoedde, zocht zich er dan door nieuwe kunstgrepen uit te redden of haren misslag te verbloemen, en geraakte eindelijk zoo verward in hare eigen netten, dat zij zich vaak gedwongen zag, uit vrees voor ontdekking, hare kunstgrepen en kuiperijen, welke zij alleen uit moedwil aangevangen had, voort te zetten.

Gelukkig had de jongeling, dien mevrouw Mannering zoo onvoorzichtig in haren huiselijken kring toegelaten en aangemoedigd had, om zijn oog op hare dochter te slaan, edele grondbeginselen en een fijn eergevoel, waardoor hij een veel minder gevaarlijke huisvriend werd, dan zij hopen of verwachten kon. Niets kon tegen hem ingebracht worden, dan zijne onbekende afkomst; in ieder ander opzicht was hij mild door de natuur bedeeld. De edelste hoedanigheden, gepaard met eene levendige zucht naar roem, openden hem de schoonste vooruitzichten, en allen, die den wakkeren jongeling opmerkzaam gadesloegen, voorspelden hem eene schitterende loopbaan. Men kon intusschen niet verwachten, dat hij de verzoeking, waaraan Julia’s onvoorzichtige moeder hem blootstelde, zou weerstaan, of dat hij onverschillig zou blijven voor een meisje, dat door hare schoonheid en bevalligheid, zelfs op plaatsen, waar zulke bekoorlijkheden niet zulke groote zeldzaamheden zijn als in eene afgelegene Indische vesting, zijne liefde kon rechtvaardigen. De ongelukkige gevolgen, welke hieruit voortvloeiden, heeft Mannering in zijn brief aan Mervyn verhaald; het zou dus overbodig zijn hierover verder uit te weiden.

Wij zullen dus voortgaan met de uittreksels uit Julia Mannering’s brieven aan hare vriendin.

ZESDE UITTREKSEL.

„Ik heb hem wedergezien, Mathilda! ik heb hem tweemaal gezien. Ik heb alle mogelijke gronden aangevoerd, om hem te overtuigen, dat deze geheime bijeenkomsten voor ons beiden gevaarlijk zijn; ja ik heb getracht hem te overreden, zijne uitzichten op wereldsch geluk te vervolgen, zonder verder acht op mij te slaan, en te gelooven, dat ik mij gelukkig genoeg gevoelde, nu ik wist dat bij niet onder het zwaard van mijn vader gevallen was. Hij antwoordde, – maar hoe kan ik alles zeggen, wat hij antwoordde? De hoop, welke mijne moeder hem toestond te koesteren, deed hij als zijn wettig recht gelden, en hij zocht mij tot eenen dwazen stap, tot eene verbintenis zonder de toestemming van mijn vader, over te halen. Maar, Mathilda, hiertoe kan hij mij nooit overhalen. Ik ben standvastig gebleven, ik heb het verraderlijk gevoel, dat luide voor hem begon te pleiten, overwonnen, maar hoe zal ik mij redden uit dit ongelukkig doolhof, waarin het noodlot en eigene dwaasheid ons gewikkeld hebben?

Het hoofd begint mij te draaien, Mathilda! zoo lang heb ik hierover nagedacht, en nog vind ik er niets beters op, dan mijnen vader alles openhartig te bekennen. Hij verdient dit uit hoofde zijner onophoudelijke goedheid jegens mij; en sedert ik zijn karakter meer van nabij heb gadegeslagen, meen ik opgemerkt te hebben, dat hij slechts dan hard is, wanneer hij bedrog of misleiding vermoedt. Zijn karakter werd misschien vroeger door iemand, die hem dierbaar was, in dit opzicht miskend. Hij helt ook eenigszins tot het romaneske over, en ik heb gezien dat het verhaal van eene edelmoedige daad, een trek van heldenmoed of deugdzame zelfverloochening, tranen uit zijne oogen lokten, die bij een gewoon ongeluk droog bleven. Maar Brown houdt staande dat mijn vader persoonlijk tegen hem ingenomen is. En dan nog zijne onbekende afkomst, waarlijk, dat zou een steen des aanstoots wezen. Ik hoop, lieve Mathilda, dat geen uwer voorvaderen ooit bij Poitiers of Azincourt gevochten heeft! Indien mijn vader niet zoo veel eerbied voor de nagedachtenis van den ouden Sir Miles Mannering had, zou ik met niet half zoo veel angst mijn hart voor hem openleggen.”

ZEVENDE UITTREKSEL.

„Ik heb zoo even uwen aangenamen, uwen hoogstwelkomen brief ontvangen. Hartelijk dank, dierbare vriendin, voor uwe deelneming en uwe raadgevingen! Ik kan ze niet, dan door een onbegrensd vertrouwen vergelden.

Gij vraagt mij van welke afkomst Brown dan eigenlijk is, dat mijn vader hierin zoo veel aanstootelijks vindt. Het verhaal zijner geschiedenis is kort. Hij is afkomstig uit Schotland en, daar hij vroeg ouderloos bleef, werd hij door bloedverwanten in Holland opgevoed. Hij werd voor den handel bestemd en zeer jong naar een onzer Oostindische koloniën, waar zijn pleegvader een’ handelsvriend had, gezonden. Maar toen hij in Indië aankwam, was deze vriend overleden, zoo dat hem niets anders overbleef, dan eene plaats als klerk op een kantoor te zoeken. Het uitbarsten van den oorlog en de verlegenheid, waarin wij in het eerst geraakten, gaven allen jongen lieden, die geneigd waren deze loopbaan te omhelzen, gelegenheid, om bij het leger geplaatst te worden; en Brown, die grooten lust voor den krijgsdienst had, was de eerste, die eene loopbaan, welke tot rijkdom voeren kon, vaarwel zeide, om den weg des roems te bewandelen. Het overige van zijne geschiedenis is u bekend. Verbeeld u nu de verbittering mijns vaders, die den handel veracht (ofschoon het grootste deel van zijn vermogen, door mijn oudoom, in dien eerbiedwaardigen stand verworven is) en in het bijzonder de Hollanders niet genegen is; denk eens, hoe mijn vader het, naar alle waarschijnlijkheid, opnemen zou, wanneer van Beest Brown, die uit medelijden door het huis van Beest en van Bruggen opgevoed werd, om de hand zijner eenige dochter vroeg! Neen, Mathilda! dat zou nooit goed gaan! Ik ben waarlijk ook zoo kinderachtig, dat ik mij nauwelijks onthouden kan, mijns vaders aristocratische gevoelens te deelen. Mevrouw Van Beest Brown! Die naam heeft inderdaad niet veel uitlokkends. – Wat zijn wij toch kinderachtig!”

ACHTSTE UITTREKSEL.

„Alles is voorbij, Mathilda! Ik zal nooit den moed hebben, mijn hart voor mijn vader bloot te leggen. Ja, ik vrees zeer, dat hij reeds langs een anderen weg achter mijn geheim gekomen is; en hierdoor wordt alle hoop vernietigd, welke ik op eene openhartige en vrijmoedige bekentenis had durven bouwen.

Gisteren nacht kwam Brown, als naar gewoonte, en zijne fluit verkondigde mij dat hij naderde. Wij waren overeengekomen, dat hij steeds dit teeken zou gebruiken, in de hoop dat Brown, indien hij door een’ der huisgenoten opgemerkt mocht worden, voor een’ dier bewonderaars der natuur zou doorgaan, die door de heerlijke landstreek zoo menigvuldig herwaarts gelokt worden, en, in hunne geestdrift, het meer of de oevers daarvan op alle uren bezoeken en dikwijls door muziek hun gevoel lucht geven. De tonen der muziek moesten mij ook tot een voorwendsel dienen, indien men mij op het balkon mocht bespeuren. Maar gisteren nacht, juist toen ik sterk op mijn voornemen aandrong, om alles openhartig aan mijnen vader te bekennen, dat door hem even ernstig bestreden werd, hoorden wij het venster in mijnheer Mervyn’s studeervertrek, dat juist onder mijne kamer is, zachtjes open doen Ik gaf Brown een teeken om zich te verwijderen, en trad snel van het balkon, in de flauwe hoop, dat onze bijeenkomst onopgemerkt gebleven zou zijn.

Maar helaas, Mathilda! deze hoop verdween, zoodra ik het gelaat van den heer Mervyn den volgenden morgen bij het ontbijt zag. Zijne veelbeteekenende blikken schenen mij te zeggen, dat hij alles wist, en door zijne vertrouwelijkheid tergde hij mij zoo zeer, dat ik boozer had moeten worden, dan ik nóg ooit in mijn leven geweest ben, indien ik het slechts had durven wagen, maar ik moest voorzichtig zijn. Mijne wandelingen zijn nu binnen de grenzen van zijn erf, waar de goede man mij zonder veel ongemak vergezellen kan, beperkt. Ik heb reeds een paar malen bemerkt, dat hij mijne gedachten poogde te doorgronden en op mijn gelaat zocht te lezen, wat er in mijn hart omging. Meer dan eens heeft hij over de fluit gesproken en de waakzaamheid en den trouw zijner honden geroemd. Ook hield hij lofspraken op zijn heer, die nooit verzuimt met geladen geweer de ronde te doen, en liet zich zelfs iets van voetangels en klemmen ontvallen. Ik zou ongaarne een ouden vriend van mijn vader in zijn eigen huis beleedigen, maar ik verlang er naar, hem te toonen dat ik mijns vaders dochter ben; en ik ben zeker, dat de heer Mervyn daarvan overtuigd zal wezen, wanneer ik ooit aan mijne drift toegeef en hem op deze zinspelingen en wenken antwoord. Eén ding weet ik zeker en daarvoor ben ik hem hartelijk dankbaar: hij heeft aan zijne vrouw geen woord gezegd. Lieve hemel, welke lessen zoude ik dan niet hebben moeten aanhooren over de gevaren der liefde en der nachtlucht op het meer! welke prêken over het gevaarlijke van verkoudheden en fortuinzoekers, en over het nut en voordeel van gesloten vensters en het gebruiken van een kopje slemp! Ik kan het schertsen niet laten, Mathilda, ofschoon ik in mijn hart bedroefd en treurig ben. Wat Brown nu doen zal, weet ik niet; ik vermoed nochtans, dat de vrees voor ontdekking hem vooreerst van zijne nachttochtjes terughouden zal. Hij heeft zijn verblijf genomen in eene herberg aan de overzijde van het meer, onder de naam van Dawson – men kan niet ontkennen, dat hij zeer ongelukkig in de keus van namen is. Hij heeft den krijgsdienst, geloof ik, nog niet verlaten, maar spreekt geen woord over zijne tegenwoordige uitzichten.

Mijn angst stijgt ten top, daar mijn vader plotselijk en, naar het schijnt, zeer slecht geluimd teruggekomen is. Onze goede gastvrouw verwachtte hem eerst over acht dagen, zoo als ik uit een levendig gesprek, dat zij met hare huishoudster hield, vernomen heb; maar ik vermoed, dat zijne komst niet zoo onverwacht was voor zijn vriend Mervyn. Hij was jegens mij zoo bijzonder koel en stijf, dat daardoor mij de moed begaf, om mij aan zijne grootmoedigheid over te geven. Het is hem mislukt, in het zuidwesten van Schotland een landgoed, waarmede hij zeer ingenomen was, te koopen, en hieraan schrijft hij zijne verdrietige luim toe; maar ik geloof niet, dat zijn humeur door zulk eene kleinigheid bedorven zou worden. Zijn eerste tocht na zijne aankomst was met de schuit van den heer Mervyn dwars over het meer naar de herberg, waarvan ik u gesproken heb. Verbeeld u eens, met welken angst ik zijne terugkomst verwachtte. Wie kon de gevolgen berekenen, indien hij Brown gezien en herkend had! Hij kwam intusschen terug, zonder naar het scheen iets bemerkt te hebben. Ik hoor, dat hij voornemens is een huis te huren in de nabijheid van dat zelfde Ellangowan, waarvan ik zoo veel moet hooren, daar hij denkt, dat dat goed, hetwelk hij zoo vurig wenscht te bezitten, spoedig weder te koop zal zijn. Ik zend dezen brief niet af, voor dat ik met mijns vaders voornemens nauwkeurig bekend ben.

„Ik heb nu met mijn vader gesproken, zoo vertrouwelijk gesproken, als ik denk, dat hij mij toestaan wil. Heden morgen, na het ontbijt, verzocht hij mij, met hem in de bibliotheek te gaan; mijne knieën knikten en, zonder overdrijving, Mathilda, ik kon hem nauwelijks naar de kamer volgen. Ik vreesde, ik weet niet wat. Van mijne kindsheid af heb ik alles rondom hem voor zijne donkere blikken zien beven. Hij verzocht mij te gaan zitten, en nooit heb ik een bevel zoo gaarne gehoorzaamd: want waarlijk, ik kon nauwelijks blijven staan. Hij wandelde de kamer steeds op en neder. Gij hebt mijn vader gezien en ook door u is het niet onopgemerkt gebleven, dat zijne trekken bijzonder sprekend zijn. Zijne oogen zijn natuurlijk licht van kleur, maar ze worden donkerder en schieten vlammen, als hij ontroerd of toornig wordt. Ook heeft hij de gewoonte, bij hevige aandoeningen, zijne lippen in te trekken, een teeken, dat de aangeboren drift van zijn gemoed met zijne door langdurige pogingen verworven zelfbeheersching in strijd is. Het was de eerste maal, dat ik mij sedert zijne terugkomst uit Schotland met hem alleen bevond, en ik twijfelde niet dat hij spreken wilde over het onderwerp, dat mij de meeste vrees inboezemde.

Tot mijne onuitsprekelijke blijdschap was mijne vrees ongegrond. Wat mijn vader van mijnheer Mervyn’s vermoedens of ontdekkingen weten mocht, hij was niet voornemens over deze zaak te spreken. In mijn angst verheugde mij dit zeer, ofschoon de wezenlijkheid, ingeval hij de geruchten welke hem ter ooren konden gekomen zijn waarlijk onderzocht had, niets geweest zou zijn in vergelijking van hetgeen hij misschien vermoed had. Maar, hoe zeer mijn moed bij deze onverwachte uitkomst geklommen was, waagde ik het toch niet het gesprek te beginnen, maar wachtte stilzwijgend op zijne bevelen.

„Julia,” zeide hij, „mijn zaakwaarnemer in Schotland schrijft mij, dat het hem gelukt is een fatsoenlijk gemeubeleerd huis, van al het noodige voor mijn huisgezin voorzien, voor mij te huren: het ligt geen uur gaans van het landgoed, dat ik koopen wilde.” – Hier zweeg hij en scheen mijn antwoord te verwachten.

„Ieder verblijf, dat u bevalt, vader, zal mij aangenaam zijn.”

„Hm! maar het is mijn plan niet, Julia, dat gij den ganschen winter geheel alleen in dit huis wonen zult.”

Mijnheer en mevrouw Mervyn, dacht ik bij mij zelve, en zeide: „ieder gezelschap, dat u aangenaam is –”

„O! dat is al te onderdanig,” viel hij mij in de rede. „Onderworpenheid is eene uitmuntende deugd in de beoefening; maar uwe gedurige herhaling van die woorden doet mij aan de eindelooze buigingen van onze zwarte dienaren in Indië denken. Met één woord, Julia, ik weet dat ge gaarne gezelschap hebt, en ben voornemens, de dochter van een overleden vriend te verzoeken, eenige maanden bij ons door te brengen.”

„Toch om ’s hemels wil geene gouvernante, vader!” riep ik ongelukkige uit, terwijl mijn angst voor het oogenblik mijne voorzichtigheid overwon.

„Neen, geene gouvernante, Julia,” antwoordde mijn vader ernstig; „maar een meisje, in de school van den tegenspoed opgevoed, door wier uitmuntend voorbeeld gij, naar ik hoop, de kunst zult leeren, u zelve te beheerschen.”

Het scheen mij te gevaarlijk hierop te antwoorden, en ik zweeg dus eenige oogenblikken. Eindelijk vroeg ik: „Is dat meisje uit Schotland, vader?

Een droog – ja! was zijn antwoord.

„Heeft zij veel van het Schotsche accent?” vervolgde ik.

„Wat drommel!” antwoordde mijn vader driftig; „denkt gij, dat ik mij om de uitspraak van a’s, aa’s, i’s en ie’s bekommer? Ik zeg u, Julia, dat ik zeer ernstig spreek. Gij hebt eene groote neiging tot vriendschap, dat is, gij maakt u gaarne gemeenzaam en vertrouwelijk, en noemt dit vriendschap (was dit niet zeer hard, Mathilda?) „Om u nu gelegenheid te geven, ten minste met eene waardige vriendin om te gaan, heb ik besloten dat dit meisje gedurende eenige maanden onze gast zal zijn, en ik verwacht dat gij haar alle oplettendheid zult bewijzen, die het ongeluk en de deugd toekomt.”

„Zonder twijfel, lieve vader! – Heeft mijne aanstaande vriendin rood haar?”

Mijn vader wierp mij een strengen blik toe. Gij zult misschien zeggen, dat ik het verdiende; maar ik geloof, dat de booze geest mij soms tot zulke tergende vragen aandrijft.

„Zij overtreft u even zeer ten opzichte van uiterlijke schoonheid, als in voorzichtigheid en genegenheid voor hare vrienden.”

„Maar houdt gij deze meerderheid dan voor eene aanbeveling? – Maar neen, beste vader! ik zie dat gij alles, wat ik zeg, veel te ernstig opneemt. Wie het meisje ook zijn moge, zij zal geene reden hebben om over gebrek aan oplettendheid van mijn kant te klagen, daar zij door u aanbevolen wordt. Heeft zij eene kamenier bij zich?” vervolgde ik na eene korte tusschenpoos; „anders moet ik voor haar zorgen.”

„Neen – neen – eigenlijk geen bediende; de geestelijke, die bij haren vader woonde, een zeer braaf man, vergezelt haar, en ik geloof dat er voor dezen ook nog wel plaats in ons huis te vinden zal wezen.”

„Lieve hemel! een geestelijke, vader?”

„Ja, Julia, een geestelijke; verwondert u dat zoo? Hadden wij ook geen geestelijke bij ons, toen wij in Indië waren?”

„O ja! maar toen waart gij bevelhebber, lieve vader!”

„Dat ben ik nog, Julia, ten minste in mijne eigene familie.”

„Zonder twijfel, vader! Maar zal hij dan de godsdienstoefeningen naar de gebruiken der Engelsche kerk bij ons waarnemen?”

Bij deze vraag zette ik zulk een onnoozel gezicht, dat zijn ernst overwonnen werd. „Kom, Julia,” zeide hij, „gij zijt een ondeugend meisje; knorren helpt niet bij u. Het meisje, dat ik tot uw gezelschap bestemd heb, zult gij zonder twijfel leeren liefhebben; de man, dien ik, bij gebrek van een beter woord, kapelaan genoemd heb, is een zeer waardig, doch ook, in sommige opzichten, eenigszins belachelijk man, die het nooit bemerken zal dat gij om hem lacht, als gij het niet al te hardop doet.”

„Die trek in zijn karakter bevalt mij uitmuntend, beste vader! Maar ligt het huis, dat wij betrekken zullen, even aangenaam als dit?”

„Misschien niet zoo goed naar uw zin. Er is geen meer onder de vensters, en gij zult zeker geene andere muziek hooren, dan die gij zelve in huis zult maken.”

Deze laatste slag maakte een einde aan den scherpen wedstrijd van ons vernuft: want gij zult begrijpen, Mathilda, dat ik daardoor geheelenal den moed tot antwoorden verloren had.

Maar mijn moed is toch, zoo als gij uit deze samenspraak misschien duidelijk zult bespeuren, ongevoelig en, als het ware, ondanks mij zelve geklommen. Brown in leven, vrij en in Engeland! Angst en verlegenheid kan en moet ik verdragen. Over een paar dagen vertrekken wij van hier naar onze nieuwe woonplaats. Ik zal niet in gebreke blijven, u te schrijven hoe ik over onze Schotsche gasten denk, die mijn vader, zoo als ik met grond vermoed, als een paar achtbare verspieders in huis denkt te nemen, als een soort van Rozencrantz en Guldenstern [7], de eene in een priesters-, de andere in een vrouwenrok. Hoe verschillend van het gezelschap, dat ik zoo gaarne gehad zou hebben! Ik zal oogenblikkelijk na mijne komst in onze nieuwe woonplaats schrijven en u de verdere lotgevallen melden van uwe

Julia Mannering.”

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Door zachte hoogten omgeven, Met beuken en eiken begroeid, Waar, ruischend door groene dreven, Een kabblend kristal beekje vloeit, –

Warton.

Woodbourne, het landgoed, dat Mannering door tusschenkomst van den heer Mac-Morlan gehuurd had, lag vriendelijk aan den voet van een boschrijken heuvel, die het ruime en gemakkelijke huis tegen het oosten en noorden beschutte. De voorgevel zag op een klem, door eene rij oude boomen omringd grasperk uit, waarachter eenige bouwlanden lagen, die zich uitstrekten tot aan de rivier, waarop men uit de vensters van het huis het uitzicht had. Een vrij groote, ofschoon ouderwetsche tuin, eene goed voorziene duiventil en zoo veel land, als tot het gerijf der bewoners noodig was, maakten dit kleine landgoed, zooals de advertentiën het uitdrukken, „in alle opzichten tot een geschikt verblijf voor eene aanzienlijke familie.”

Hier besloot Mannering, ten minste voor eenigen tijd, zich te vestigen, Ofschoon uit Indië gekomen, had hij volstrekt geene zucht, om met zijn rijkdom te pralen, en was inderdaad te trotsch om ijdel te zijn. Uit dien hoofde wilde hij als een welgesteld man op zijn landgoed leven, zonder de weelde die men destijds als het bijzondere kenmerk van een Oostindisch ambtenaar beschouwde, in zijne huishouding in te voeren of toe te laten.

Hij had de heerlijkheid van Ellangowan nog steeds op het oog, waarvan Glossin misschien, naar Mac-Morlan’s denkbeelden, zich spoedig zou moeten ontdoen, daar eenige der schuldeischers hem het recht betwistten, zulk een aanzienlijk gedeelte der kooppenningen in handen te houden, en het zeer twijfelachtig was, of hij de geheele som wel zou kunnen betalen. Mac-Morlan hield zich verzekerd, dat hij, in dat geval, gaarne zijn koop afstaan zou, indien men hem iets meer bood dan den prijs, waarvoor hij het goed gekocht had. Het zal misschien vreemd schijnen, dat Mannering zoo bijzonder aan eene plaats gehecht was, welke hij slechts eenmaal in zijne jongelingsjaren, en voor zoo korten tijd, bezocht had; maar, hetgeen daar voorgevallen was, had zijne verbeelding sterk getroffen. Dáar scheen een noodlot te heerschen, dat de merkwaardigste gebeurtenissen in zijne eigene familie met de lotgevallen van de bewoners van Ellangowan verbond, en hij was bezield met een geheim verlangen, om dat terras zijn eigendom te noemen, waarop hij uit de sterren een lot voorspeld had, dat in den jongen erfgenaam van dat geslacht zoo wonderbaar vervuld was, en zoo treffend overeenkwam met een ongelukkig voorval in zijne eigene familie. Bovendien kon hij, nu dit denkbeeld eenmaal wortel in zijn ziel had geschoten, ook niet dan zeer ongaarne zijn plan door een mensch als Glossin verijdeld zien. Dus verbond zich zijn hoogmoed met zijne neiging, om het voornemen te versterken, zoo mogelijk het landgoed te koopen.