Part 15
Welk een geluk is het voor ons, arme drommels, beste Philip, als wij een rustplaatsje vinden tusschen het leger en het graf, indien ziekte, staal en lood en de gevolgen van een leven vol bezwaren ons niet vroegtijdig wegrukken. Een oud krijgsman, die zijn ontslag genomen heeft, is overal gezocht en hoog geacht. Zelfs als hij tusschenbeide pruttelt, gunt men hem gaarne dat genot! Maar als een rechtsgeleerde, een geneesheer, of een geestelijke over tegenspoed of geene genoegzame bevordering klaagt, zullen dadelijk honderd monden de reden in zijne eigene onbekwaamheid zoeken. De eenvoudigste oude krijgsman echter, al komt hij ook steeds op het honderdmaal gedane verhaal van eene belegering of een veldslag terug, wordt altijd met deelneming en achting aangehoord, als hij zijne dunne lokken schudt en met verontwaardiging spreekt over de baardelooze knapen, die boven hem bevorderd zijn. Gij en ik, Delaserre, beiden vreemdelingen – want wat ben ik anders, ofschoon ik uit Schotland afkomstig ben, daar de Engelschen mij, al kon ik mijne afkomst bewijzen, toch bezwaarlijk als landsman erkennen zouden – wij mogen er trotsch op zijn, dat wij onze bevordering bevochten en met het zwaard gewonnen hebben, wat wij, bij gebrek aan geld, op geene andere wijze verkrijgen konden. De Engelschen zijn een wijs volk. Terwijl zij zich zelven trotsch roemen en den schijn aannemen, alsof zij alle andere volken gering achten, laten zij ons, gelukkig, achterdeuren open, waardoor wij, door de geboorte minder begunstigde vreemdelingen, aandeel in hunne voorrechten kunnen verkrijgen. Dus gelijken zij, in sommige opzichten, op een snoevenden waard, die op de deugd en smakelijkheid van zijn zesjarigen schapenbout pocht, terwijl hij met veel genoegen aan ieder van zijne gasten een stuk er van ronddeelt. In één woord, gij, wien trotsche bloedverwanten, en ik, wien de luimen des noodlots den krijgsdienst deden omhelzen, wij hebben beiden, waar wij op onze loopbaan in den Britschen krijgsdienst ook staan blijven, de aangename bewustheid, dat het alleen komt uit gebrek aan geld, om den tol te betalen, en niet, door dat men ons belet den grooten weg te bewandelen. Indien gij dus den kleinen Weischel kunt overhalen om bij ons regiment te komen, laat hem dan in Godsnaam de vaandrigsplaats koopen, bedaard leven, zijnen dienst trouw waarnemen en voor het overige zijne bevordering aan het noodlot overlaten.
En nu, hoop ik, zult gij ook wel brandend nieuwsgierig zijn, te weten, wat er van mijn liefdezaak geworden is. Ik heb u reeds gezegd dat ik goedgevonden had, met Dudley, een jongen Engelschen kunstenaar, dien ik had leeren kennen, een voetreisje van eenige dagen door de heuvels van Westmoreland te doen. Deze Dudley is een prettige jongen, Delaserre! hij schildert tamelijk, teekent goed, is onderhoudend in zijne gesprekken, blaast de fluit meesterlijk en is, bij alle zijne talenten, zeer bescheiden en laat er zich niets op voorstaan. Bij mijne terugkomst van ons reisje vernam ik, dat de vijand op verkenning uitgeweest was. De heer Mervyn was, volgens het verhaal van mijn waard, zelf met een gast in zijn schuitje het meer overgestoken. Ik vroeg terstond „Hoe ziet hij er uit?”
De waard antwoordde: „Het was een man met een donker uitzicht, die officier scheen te zijn en kolonel genoemd werd. De heer Mervyn ondervroeg mij zoo scherp, alsof ik voor het gerecht stond. Ik begreep, dat er iets achter schuilde, Mijnheer Dawson!” (Gij weet, dat dit mijn aangenomen naam was) „Ik zeide hem niets van uwe grillen en uwe tochtjes op het meer in het holle van den nacht – neen, neen, al kan ik zelf geene aardigheden hebben, ik wil een’ ander het spel niet bederven. En Mijnheer Mervyn, die altijd knorrig is, bromde over mijne gasten, en wilde weten waarom zij onder zijne vensters landden, ofschoon die plaats slechts als het vierde station aan den oever op de kaart aangewezen is. Neen, neen, laten zij er zelve hunne hersenen mede breken; wat gaat het Jozef Hodgos aan?”
Gij zult mij toestemmen, dat hier voor mij, in deze omstandigheden, niets anders te doen was, dan mijne rekening te betalen en het veld te ruimen, indien ik mijn eerlijken waard niet tot mijn vertrouweling maken wilde, waartoe ik geen’ den minsten lust gevoelde. Buitendien vernam ik, dat onze voormalige kolonel naar Schotland vertrekt en de arme Julia medeneemt. De menschen, die zijne goederen vervoeren, verhaalden mij, dat hij den winter op een landgoed, Woodbourne genaamd, in het graafschap ** zal doorbrengen. Hij is nu zeker op zijne hoede; dus moet ik hem, zonder hem op nieuw te verontrusten, zijne verschansingen laten betrekken. En dan, mijn brave kolonel, wien ik zoo veel dank schuldig ben, dan moogt gij aan uwe verdediging denken!
Dikwijls denk ik, waarde Delaserre, dat de geest der tegenspraak een weinig mede in het spel komt, bij mijn verlangen om mijn voornemen door te zetten. Me dunkt, dat ik het liever zien zou, dat ik dezen trotschen man kon noodzaken, om zijne dochter Mevrouw Brown te noemen, dan dat ik haar met zijne volle goedkeuring zou huwen en mijn naam, met de koninklijke toestemming, tegen den titel en het wapen van Mannering verruilen, al werd daardoor tevens zijn geheele vermogen mijn eigendom. Maar er is ééne omstandigheid, die mij eenigszins huiverig maakt. Julia is jong en romanesk. Ik zou haar niet gaarne tot een stap overhalen, dien zij in rijperen leeftijd kon afkeuren; ook zou ik het zeer ongaarne zien, dat zij mij, al ware het slechts door éen blik, het verwijt deed, dat zij door mij van haar vermogen beroofd was, en nog veel minder zou ik haar reden willen geven, om te zeggen, zoo als sommige vrouwen haren echtgenooten al zeer spoedig verwijten, dat zij, indien ik haar tijd gegeven had om de zaak goed te overleggen, verstandiger en beter gehandeld zoude hebben. Neen, Delaserre, dat moet nooit gebeuren. Deze gedachte drukt mij zwaar op het hart, daar ik best inzie, dat een meisje, in Julia’s omstandigheden, geen volkomen en duidelijk begrip heeft van de grootheid van het offer, dat zij brengt. Zij kent geene ongemakken dan bij naam; en wanneer zij aan liefde en een hutje denkt, dan is het zonder twijfel eene bekoorlijke hut, zoo als men slechts in dichterlijke beschrijvingen, of in het park van een edelman met twaalf duizend pond sterling jaarlijksch inkomen, vindt. Zij kan zich de ontberingen niet voorstellen, die zij zich in eene echt Zwitsersche hut, waarover wij, gij en ik, Delaserre, zoo dikwijls gesproken hebben, zou moeten laten welgevallen, en kent de zwarigheden niet, waarmede wij natuurlijk te worstelen zouden hebben, vóor dat wij de haven bereikten. Dit is een punt, waarover ik eerst bepaald en uitvoerig met haar moet spreken. Julia’s schoonheid en teederheid hebben eenen onuitwischbaren indruk op mijn hart gemaakt, en toch wil ik, om mijne eigene rust, er zeker van zijn, dat zij de voorrechten, waarvan zij afstand zou doen, volkomen kent, vóor dat zij ze om mijnentwil opoffert.
Ben ik te trotsch, Delaserre, als ik denk, dat zelfs deze proef gunstig voor mijne wenschen zal uitvallen? Ben ik te ijdel, als ik veronderstel, dat de weinige goede eigenschappen, die ik bezit, benevens mijne tegenwoordige voldoende hoewel beperkte middelen, om in onze behoeften te voorzien, en mijn vast besluit, om mijn leven aan haar geluk toe te wijden, datgene vergoeden kan, waarvan zij om mijnentwil afzien moet? Of zal het onderscheid in hare leefwijze, de opoffering van het voorrecht hare vermaken naar welgevallen te kunnen regelen – zal dit bij haar zwaarder wegen, dan het uitzicht op huiselijk geluk en eene onveranderlijke, wederkeerige liefde? Ik zeg niets van haren vader. Zijn karakter bestaat uit een zoo vreemd mengsel van goede en slechte hoedanigheden, dat de eerste door de laatste als het ware vernietigd worden; en datgene, wat zij als dochter ongaarne missen zou, wordt zoo ruim opgewogen door datgene, waarvan zij gaarne bevrijd zou willen zijn, dat ik de scheiding van vader en dochter als eene omstandigheid beschouw, waaraan in dit bijzonder geval weinig gewicht gehecht moet worden. Ik houd intusschen goeden moed, voor zoover dat mogelijk is. Ik heb met te vele ongemakken en zwarigheden te kampen gehad, om vermetel op eenen goeden uitslag te vertrouwen, en ben te dikwijls en te wonderbaar uit den nood gered, om nu den moed te verliezen.
Ik wenschte wel, dat gij deze landstreek zaagt. Deze natuurtooneelen zouden u, denkt mij, wel bevallen; ten minste brengen ze mij dikwijls uwe gloeiende schilderingen van uw geboorteland voor den geest. Voor mij hebben ze in groote mate het bekoorlijke der nieuwheid. Van bergen in Schotland heb ik, ofschoon men mij altijd verzekerd heeft dat ik daar geboren ben, niets dan eene verwarde herinnering. Duidelijker herinner ik mij, dat mijn jeugdige geest eene zekere leêgheid gevoelde, wanneer ik op de vlakten van het eiland Zeeland staarde. Maar juist dat gevoel en die duistere herinnering overtuigen mij, dat bergen en rotsen mij op vroegeren leeftijd niet vreemd zijn geweest, en dat ze, ofschoon ik mij daarvan niets dan bij tegenstelling en door de leêgheid, welke ik gevoelde toen ik te vergeefs daar naar rondzag, kan herinneren, een diepen indruk op mijne kinderlijke verbeelding moeten gemaakt hebben. Ik herinner mij, toen wij voor het eerst den beroemden bergpas in het land van Mysore beklommen, en de meesten niets dan ontzag en verbazing ever de verhevenheid en grootschheid van dit tooneel gevoelden – dat ik toen veel meer onder denzelfden indruk was, waarmede gij, met Cameron, die wilde rotsen bewonderdet, en met een genot, aan vaderlandsche herinneringen ontleend, beschouwdet. Ja, niettegenstaande mijne opvoeding in Holland, komt een blauwe berg mij voor als een oude vriend, en een donderende stroom als de klank van een bekend lied, dat mij reeds als kind vermaakt heeft. Nooit was dit gevoel zoo levendig in mij, als hier, ìn dit land vol meren en bergen, en niets spijt mij meer, dan dat gij door den dienst verhinderd wordt, mij op mijne tochten te vergezellen. Ik heb getracht eenige teekeningen te maken, waarvan echter niet veel gekomen is. Maar Dudley teekent voortreffelijk en zoo vlug, dat het bijna toovernij schijnt te zijn, terwijl ik bij alle moeite, die ik doe, broddel en knoei, dit te donker, dat te licht maak, en eindelijk niets dan eene gemeene karikatuurprent voor den dag breng. Ik moet mij aan mijne fluit houden: want de muziek is de eenige onder de schoone kunsten, die mij met hare gunst schijnt te vereeren.
Wist gij wel dat de kolonel Mannering de teekenkunst verstaat? Ik geloof het niet: want hij versmaadde het altijd, zijne talenten aan een zijner ondergeschikte officieren te toonen. Maar hij teekent toch schoon. Sedert hij met Julia Mervyn-Hall verlaten heeft, is Dudley derwaarts geroepen, om een stel teekeningen te voltooien, waarvan Mannering de vier eerste gemaakt heeft, en door zijn overhaast vertrek in zijn voornemen om het geheele stel af te werken verhinderd is. Dudley zegt, dat hij zelden zulke meesterlijke, ofschoon eenvoudige schetsen gezien heeft, en dat bij ieder daarvan eene korte beschrijving in verzen gevoegd was. Is Saul onder de profeten? zult gij zeggen; de kolonel Mannering een dichter? Waarlijk, deze man moet zich even zoo veel moeite gegeven hebben om zijne bekwaamheden te verbergen, als anderen aanwenden om er mede te pralen. Hoe trotsch en ongezellig scheen hij onder ons! Hoe zelden was hij geneigd, zich in een gesprek te mengen, dat algemeen onderhoudend was. En dan zijne genegenheid voor dien onwaardigen Archer, die in alle opzichten zoo ver beneden hem stond, enkel omdat deze de broeder was van den burggraaf Archerfield, een armen Schotschen pair! Ik denk dat Archer, indien deze zijne wonden, die hij in het gevecht bij Cuddyboram ontving, langer overleefd had, wel iets geopenbaard zou hebben, dat licht over het ongerijmde in het karakter van dezen man verspreiden kon. Hij verklaarde mij meer dan eens, dat hij mij iets zeggen kon, dat mijn ongunstig oordeel over den kolonel veranderen zou. Maar de dood overviel hem; en zoo hij mij eenige voldoening schuldig was, wat sommige zijner uitdrukkingen schenen aan te duiden, dan stierf hij, vóor dat hij mij ze geven kon.
Ik ben voornemens, bij dit schoone winterweêr nog eene lange reis te voet door dit land te doen. Dudley, een bijna even goed voetganger als ik, zal mij gedeeltelijk vergezellen. Op de grenzen van Cumberland scheiden wij, en hij gaat weder naar zijne woonplaats, op eene derde verdieping in eene achterbuurt te Londen, om, zoo als hij het noemt, voor het „commercieele” gedeelte van zijn beroep te werken.
„Er kan,” zegt hij, „geen grooter verschil in het leven van een mensch gevonden worden, dan tusschen het leven van een kunstenaar, wanneer hij, vol geestdrift, de onderwerpen voor zijne teekeningen verzamelt, en dat, hetwelk hij zich moet laten welgevallen, wanneer hij zijne schetsen uitwerkt, en zijne stukken ten toon, en aan de grievende onverschilligheid en dikwijls nog grievender beoordeeling van grillige kunstvrienden, blootstelt. Gedurende den zomer van mijn jaar,” zegt hij, „ben ik zoo vrij, als een wilde Indiaan, en vermaak mij naar hartelust, midden onder de verhevenste natuurtooneelen, terwijl ik, gedurende mijn winter en lente, niet alleen in een ellendig dakkamertje opgesloten en gevangen, maar bovendien veroordeeld ben, om mij aan de luimen van anderen te onderwerpen en dikwijls even slecht gezelschap te dulden heb, alsof ik een wezenlijke galeiboef ware.” Ik heb hem beloofd, hem met u in kennis te brengen, Delaserre, en ik geloof, dat gij in zijne kunstwerken even veel smaak zult vinden, als hij in uwe Zwitsersche geestdrift voor bergen en stroomen.
Wanneer ik van Dudley scheid, kan ik, naar men mij gezegd heeft, gemakkelijk in Schotland komen, als ik dwars door eene woeste streek, in het noordelijk gedeelte van Cumberland, reis; en dezen weg zal ik nemen, ten einde den kolonel tijd te geven om zijn kamp op te slaan, voor dat ik zijne stelling verken. Vaarwel, Delaserre! ik zal bezwaarlijk gelegenheid vinden, om u voor mijne aankomst in Schotland weder te schrijven.”
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Kom, flink vooruit; met goeden moed Kan ieder verder komen; Slechts hij, wiens hart is diep bedroefd, Blijft afgemat droomen.
Winter-verhaal.
De lezer verbeelde zich een helderen kouden Novembermorgen, op eene opene heide aan de achterzijde door de hooge bergketen waartusschen de Skiddaw en Saddleback hunne kruinen verheffen, omringd, en langs het moeilijk te onderscheiden pad door de voetgangers gevolgd, en dat zich alleen door een iets lichteren tint van het donker groen in het rond onderscheidt, zal hij onzen wandelaar zien komen. Zijn vaste tred, zijne rechte en vrije houding, welke hem bij zijne schoone gestalte en zijne lengte van zes voet zoo goed staat, verraden in hem een krijgsman. Zijne kleeding is zoo eenvoudig, dat niets zijn stand aanduidt; hij kan even goed een voornaam man zijn, die dus uit verkiezing reist, als iemand van geringen stand, die zijne gewone kleeding draagt. Wat zijne uitrusting betreft, – die is zoo eenvoudig mogelijk. Een deel van Shakespeare in elken rokzak, een klein pakje met schoon linnen op den schouder, en een zware eiken wandelstok in de hand, ziedaar alles wat onze voetganger op deze reis bij zich heeft.
Brown had dienzelfden morgen van zijn vriend Dudley afscheid genomen, en was zijne eenzame wandeling naar Schotland begonnen. Het eerste uur of wat was hij, door gemis van het gezelschap, waaraan hij in de laatste dagen zoo gewoon was geworden, eenigszins droefgeestig; maar deze ongewone stemming week spoedig voor zijne natuurlijke opgeruimdheid, die door de beweging en de frissche winterlucht nog meer opgewekt werd. Hij floot onder het wandelen, niet uit gedachteloosheid, maar om zijne opgewektheid, die hij op geene andere wijze kon uiten, lucht te geven. Voor iederen boer, dien hij ontmoette, had hij eenen vriendelijken groet of eene vroolijke scherts, welken zij met een hartelijk „God zegene u!” beantwoordden, en menig meisje, dat met haren korf naar de markt ging, keek meer dan eens over den schouder naar de krachtige gestalte en het opgeruimde openhartige gelaat van den vreemdeling. Een ruige dashond, die hem altijd vergezelde en met zijnen meester in vroolijkheid wedijverde, snelde nu eens met duizend lustige sprongen vooruit, kwam dan weder bij zijnen heer terug en sprong bij hem op, alsof hij te kennen geven wilde, dat hij zich ook op de wandeling vermaakte.
De beroemde Dr. Johnson verbeeldde zich, dat dit leven weinig aanbiedt, wat te verkiezen zou zijn boven het genot van een reis in een wagen door vlugge postpaarden getrokken; maar hij, die in zijne jeugd de onafhankelijkheid en het zelfvertrouwen van een flinken voetreiziger in eene schoone landstreek en bij heerlijk weêr gekend heeft, zal niet veel geven om het oordeel van den grooten wijsgeer aangaande dit punt.
Brown had den ongewonen weg door de oostelijke woeste streken van Cumberland mede gekozen, ten einde de overblijfsels te bezichtigen van den beroemden Romeinschen muur, welke in die streek beter bewaard zijn dan ergens anders. Hoe gebrekkig en oppervlakkig zijne opvoeding ook geweest was, hadden echter noch de woelige tooneelen, waarin hij gewikkeld geweest was, noch de vermaken der jeugd, noch zijne wisselvallige omstandigheden hem belet, om zijn geest met allerlei kennis te verrijken.
„Dit is dan de Romeinsche muur,” sprak hij bij zich zelven, toen hij dat beroemde werk der oudheid van eene hoogte aanschouwde. „Welk een volk, dat werken, zelfs aan de uiterste grenzen van zijn rijk, zoo uitgestrekt en zoo grootsch volbracht heeft! Hoe weinige sporen zullen er in toekomstige eeuwen, als de krijgskunst veranderd is, van de werken van een Vauban en een Coehoorn te vinden zijn, terwijl de overblijfsels van de reuzenwerken van dit bewonderingswaardig volk ook dan nog aller blikken tot zich trekken en onze nakomelingen verbazen zullen. Rome’s vestingwerken, waterleidingen, schouwtooneelen, fonteinen – alle openbare werken hebben het ernstig, krachtig en verheven karakter van haar taal, en onze hedendaagsche werken schijnen, even als onze hedendaagsche talen, slechts uit de fragmenten der oude samengesteld te zijn.”
Onder deze bespiegelingen zette hij zijne wandeling naar eene kleine herberg voort, waar hij eenige verversching wilde nemen.
Deze kroeg – want meer was het niet – lag in een klein dal, waardoor eene beek stroomde, in de schaduw van een zwaren esschenboom. Onder een afdak met leemen muren, dat tegen den boom aangebouwd was en tot een stal diende, stond een gezadeld paard, dat met graagte zijn voeder at. De hutten, in dit gedeelte van Cumberland, zijn even ruw en onaanzienlijk als in Schotland, en het uiterlijk van dit gebouw beloofde niet veel goeds van binnen, ofschoon het pochend uithangbord, waarop het bier uit eene volle kan in een glas liep, met een bijna onleesbaar onderschrift, „goed onthaal” voor menschen en paarden beloofde.
Brown was geen aan weelde verslaafde reiziger; hij bukte zich en trad de lage deur binnen [8]. In de keuken vond hij een groot, forsch man in eenen wijden overrok, naar het uiterlijk een landman, den eigenaar van het paard, dat onder het afdak stond. Hij was druk bezig met het eten van dikke sneden koud rundvleesch en wierp nu en dan een’ vluchtigen blik door het venster, om te zien hoe zijn paard met het voêr vorderde. Eene groote kan met bier, die hij van tijd tot tijd aansprak, stond naast zijn bord. De waardin was aan het bakken. Het vuur brandde, naar landsgebruik, op een steenen haard, midden onder eenen ontzachlijken schoorsteen, met eene bank aan elke zijde. Op eene van deze banken zat eene buitengewoon groote vrouw, in een rooden mantel en met eene neerhangende muts op het hoofd. Zij zag er uit als eene ketellapster of bedelaarster, en rookte gestadig uit eene korte zwarte pijp.
Toen Brown iets te eten vroeg, veegde de waardin den éenen hoek van de tafel met haar melige voorschoot af, zette een houten bord, benevens mes en vork, voor den reiziger, wees op het stuk rundvleesch, noodigde hem om het goede voorbeeld van den anderen gast, dien zij Mijnheer Dinmont noemde, te volgen en vulde hem eindelijk eene bruine kruik met haar eigen gebrouwd bier. Brown liet zich beide wel smaken. De beide tegenover elkander zittende gasten waren in het begin te druk bezig, om zich veel met elkander te bemoeien, behalve dat zij, wanneer zij gelijktijdig naar hunne bierkannen tastten, elkander vriendelijk toeknikten. Toen onze wandelaar eindelijk den kleinen Wesp, dus heette zijn hond, begon te verzorgen, was de Schotsche pachter (dit was de heer Dinmont) ook zoo ver gevorderd, dat hij tijd had, om het volgende gesprek met Brown te beginnen.
„Een mooie hond, Mijnheer, en, naar het mij toeschijnt, een schrik voor het ongedierte, als hij maar goed afgericht is: want daar hangt alles van af”
„Daar valt niet veel op te roemen, Mijnheer,” antwoordde Brown. „Zijne opvoeding is eenigszins verwaarloosd. Zijne grootste deugd bestaat daarin, dat hij een prettige reisgezel is.”
„Dat is jammer, Mijnheer! waarlijk wel jammer. Op de opvoeding komt alles aan, zoo wel bij de dieren als bij de menschen. Ik heb, behalve mijne andere honden, zes dashonden te huis, den ouden Peper en den ouden Mosterd, den jongen Peper en den jongen Mosterd, den kleinen Peper en den kleinen Mosterd, allen naar de kunst afgericht: eerst op aas, vervolgens op bunsings: of wezels, toen op dassen en vossen, en nu vreezen zij geen dier ter wereld, dat eene ruige huid heeft.”
„Ik twijfel er in het minst niet aan, dat ze volmaakt afgericht zijn. Maar, hoe komt het, dat gij voor zoo veel honden zoo weinig namen hebt?”
„Dat is zoo een inval van mij, om het ras aan te duiden. De Hertog zelf zond naar Charlies-hope om een van mijne dashonden te hebben, zoo beroemd zijn Dandie Dinmont’s Peper en Mosterd. Hij zond den houtvester Tom Hudson [9] bij mij op een dag, dat wij juist met de vossenjacht bezig waren. Dat was een pret! ja, dat was een avond!”
„Bij u is zeker veel wild?” hernam Brown.
„Dat zou ik denken! Er zijn, geloof ik, meer hazen dan schapen op mijn land; en de korhoenders liggen er zoo dicht op elkaâr, als duiven in een’ duiventil. Hebt gij wel ooit een’ berghaan geschoten, vriend?”
„Ik heb er zelfs nooit een’ gezien, behalve in het museum te Keswick.”
„Dat dacht ik wel uit uwe zuidlandsche uitspraak. Het is wonderlijk, hoe weinig Engelschen, die bij ons komen, een berghaan gezien hebben. Zal ik u eens wat zeggen – gij schijnt mij een eerlijke jongen te zijn, en als gij bij mij komen wilt, bij Dandie Dinmont, te Charlies-hope, dan zult gij een berghaan zien, en schieten en eten.”
„Het eten is zonder twijfel het beste bij de zaak, en het zal mij aangenaam zijn, als mijn tijd het toelaat, van uwe uitnoodiging gebruik te maken.”
„Uw tijd? wat belet u, om nu dadelijk mede te gaan? hoe reist gij?”
„Te voet, vriend! en zoo dat schoone paard het uwe is, zou ik onmogelijk met u kunnen voortkomen.”
„Neen, tenzij gij veertien Engelsche mijlen in een uur afleggen kunt. Maar gij kunt nog vóor den avond te Riccarton komen; dâar is eene herberg; ik houd daar toch stil om een slokje te gebruiken; dan zal ik den waard zeggen, dat gij komt. Of wacht” – (zich tot de huisvrouw wendende:) „kunt gij dezen heer uws mans paard niet leenen? Ik zal het u morgen met den jongen terug zenden.”
„Het paard is op het land,” antwoordde de waardin, „en wil zich bijna niet laten vangen.”
„Zóo, zóo! dan is er niet aan te doen,” hernam de pachter; „maar kom dan morgen. En nu, vrouwtje, wordt het mijn tijd om te vertrekken, anders overvalt de avond mij op uwe heide, die, zoo als gij zelve weet, geen besten naam heeft.”
„Foei, foei, Mijnheer Dinmont! het is niet aardig van u, dat gij deze plaats een slechten naam geeft. Voor zoo ver ik weet, is hier op de heide niemand aangerand na den reizenden koopman Sawney Culloch, waarvoor Rowley Overdees en Jock Penny te Carlisle de doodstraf ondergaan hebben. Er woont niemand te Bewcastle, die zoo iets doen zou; wij zijn hier alle eerlijke lieden.”