Chapter 32 of 43 · 3955 words · ~20 min read

Part 32

„Ik zal het daar toch wel beter hebben dan gedurende mijne gevangenschap bij de Looties in Indië,” dacht Bertram; „ten minste kan deze zoo lang niet duren. Maar de drommel hale den ouden domkop met alle zijne formaliteiten en zijn sluwen, altijd fluisterenden medehelper! Zij kennen den toon der waarheid niet, waarop een eerlijk man zijne geschiedenis ronduit verhaalt.”

Intusschen nam Glossin met ontelbare eerbiedige buigingen afscheid van den baronet en verontschuldigde zich, dat hij de uitnoodiging ter maaltijd niet kon aannemen, terwijl hij er op kruipenden toon bijvoegde, dat hij zich met de hoop vleide, bij eene volgende gelegenheid zijne opwachting bij den baronet zelven, bij lady Hazlewood en den jongen heer Hazlewood te mogen maken.

„Zonder twijfel, Mijnheer!” antwoordde de baronet zeer vriendelijk. „Onze familie heeft zich, hoop ik, nooit aan gebrek aan beleefdheid en vriendschapsbetooning jegens onze buren schuldig gemaakt, en zoodra ik in de nabijheid uwer woning kom, beste Mijnheer Glossin, zal ik u dat bewijzen door een zoo gemeenzaam bezoek, als bestaanbaar is (dat is als gehoopt of verwacht kan worden), bij u af te leggen.”

„En nu,” sprak Glossin tot zich zelven, „nu naar Dirk Hatteraick en zijn volk; nu middelen in het werk gesteld, om de wacht van het tolhuis weg te zenden en dan de groote zet gewaagd. Maar haast gemaakt, vooral haast! Van den spoed hangt alles af. Hoe gelukkig dat Mannering te Edinburg is! Zijne bekendheid met dezen jongen man vergroot mijn gevaar.” (Hier liet hij zijn paard stappen). „Maar hoe, indien ik mij met den erfgenaam kon verstaan? Misschien zou hij mij voor de teruggave van zijn eigendom eene zware som willen afstaan, en ik kon Hatteraick uitleveren. Maar neen, neen! er zijn te veel oogen op mij gericht – Hatteraick zelf, de Heidensche matroos en die oude heks. Neen, neen! ik moet bij mijn eerste plan blijven.” Hierop zette hij zijn paard de sporen in de ribben en reed op snellen draf naar huis, om zijne streken uit te gaan voeren.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

De gevangenis is een treurig oord, Waar niemand gelukkig leeft. Men hoort er nooit een vroolijk woord; Geen vriend, die troost daar geeft. Soms zijn het boeven die men daar ziet, Soms wel een eerlijk man; Soms is het billijk – en soms ook niet, Dat men niet vluchten kan.

Rijmen op de Gevangenis te Edinburg.

Den volgenden morgen werd Bertram bij het aanbreken van den dag door zijne beide zwijgende, norsche wachters met hetzelfde rijtuig, waarmede hij naar Hazlewood-House gevoerd was, naar het huis van arrest te Portanferry gebracht. Het lag in deze kleine haven naast het tolhuis, zeer dicht bij het strand, en beide gebouwen waren van achteren door eene steenen borstwering, die schuins naar den oever af helde, tegen de woede der baren, die dikwijls zoo hoog klom dat de golven tegen dit bolwerk braken, beveiligd. Van voren was het door een hoogen muur omringd, die eene kleine plaats insloot, waar de ongelukkige bewoners van het huis zich nu en dan in de vrije lucht mochten bewegen. Dit huis diende tot een verbeterhuis en bij gelegenheid tot eene noodhulp van de algemeene gevangenis van het graafschap, die oud was en zeer ongelegen lag voor het distrikt Kippletringan. Mac-Guffog, de gerechtsdienaar die Bertram het eerst aangehouden had en hem thans ook vergezelde, was cipier van dit rampzalig paleis. Hij liet het rijtuig bij de deur stil houden en klom er uit om de bewaarders te roepen. Zijn geklop riep een twintig of dertig straatjongens, die hunne kleine sloepjes en fregatjes in de poelen zout water, die bij het afloopen der eb bleven staan, lieten zeilen, bijeen, en zij kwamen aanloopen en drongen rondom het rijtuig, om te zien welk ongelukkig wezen in Glossin’s spiksplinternieuwe wagen naar de gevangenis gebracht werd. De poort werd na een hevig gerammel van ketenen en grendels door vrouw Mac-Guffog geopend, eene groote, forsche vrouw die, zoo als het heette, bij afwezigheid van haren man, of wanneer hij toevallig een glaasje te veel gedronken had, de goede orde en tucht onder hare oproerige kostgangers zeer goed wist te handhaven. Hare brommende stem, die met het gekras der grendels en sluitboomen in welluidendheid wedijverde, verdreef spoedig de kleine guiten, die zich bij de poort verzameld hadden, en nu sprak zij tot haren beminnelijken gemaal:

„Pas op, man! en laat den knaap uit het rijtuig komen. Vlug! hoort gij niet?”

„Houd uw mond en wees vervloekt gij ...,” antwoordde de teedere echtgenoot met nog een paar zeer krachtige, doch niet zoo fraaie bijnamen, dat ze verdienen hier herhaald te worden. Hierop wendde hij zich tot Bertram en zeide:

„Kom, zult gij uitstijgen, mijn lieve jongen! of moeten wij u helpen?”

Bertram steeg uit den wagen. Zoodra hij den voet op den grond zette, greep Mac-Guffog hem bij den kraag en sleurde hem, die geen wederstand bood, onder het gejuich der straatjongens, die zoo nabij stonden als de vrees voor vrouw Mac-Guffog toeliet, over den drempel. Oogenblikkelijk deed de portierster hare ketenen en grendels weder voor de deur, draaide den ontzaglijk grooten sleutel met beide handen om en stak dien daarop in haren rooden zak.

Bertram bevond zich nu op de kleine plaats. Twee of drie gevangenen slenterden hier heen en weder en schenen, als het ware, verkwikt door den vluchtigen blik op de overzijde van eene morsige straat, die de geopende poort hun gedurende eenige oogenblikken vergund had. Dit behoeft geene verwondering te baren, ais men bedenkt, dat hun uitzicht, behalve bij zulke gelegenheden, tot den betralieden gevel van hunne gevangenis, den hoogen, zwarten muur rondom de plaats, den hemel boven hen en de steenen onder hunne voeten, bepaald was; eene eentoonigheid van tooneel, die, volgens de uitdrukking eens dichters, „als lood op het vermoeide oog drukte” en bij sommigen een’ kouden en ongevoeligen menschenhaat, bij anderen die doffe moedeloosheid voortgebracht had, welke hem, die reeds in een levendig graf gekerkerd is, naar eene nog stillere en eenzamere rustplaats doet wenschen.

Mac-Guffog gunde zijn nieuwen kostganger eenige oogenblikken, om zijne lotgenooten te beschouwen. Toen Bertram zijn oog op deze aangezichten geslagen had, waarop misdaad, wanhoop en liederlijkheid hun brandmerk gedrukt hadden, op deze vergadering van verkwisters en lichtzinnigen, van dieven en bankroetiers, benevens eenige half versufte en luidruchtige krankzinnigen, wien overdrevene zuinigheid deze treurige verblijfplaats had aangewezen, gevoelde hij bij het denkbeeld, zelfs maar korten tijd in dit verachtelijk gezelschap te moeten leven, een hevigen afkeer.

„Ik hoop toch, dat gij mij een bijzonder verblijf zult aanwijzen,” zeide hij tegen den cipier.

„En welk voordeel zoude ik daarvan hebben?”

„Ik kan hier onmogelijk langer dan een paar dagen blijven, en het zou mij hoogst onaangenaam zijn, dezen tijd in het gezelschap, dat ik hier zie, te moeten doorbrengen.”

„En wat gaat mij dat aan?”

„Ik zal voor deze gunst u ruim beloonen.”

„Ja, maar wanneer, kapitein! wanneer en hoe? dit is de groote vraag.”

„Zoodra ik in vrijheid gesteld word en mijne wissels uit Engeland ontvang.”

Mac-Guffog schudde ongeloovig het hoofd.

„Hoe, vriend!” hernam Bertram, „gij gelooft toch niet, dat ik werkelijk een misdadiger ben?”

„Dat kan ik niet beslissen,” antwoordde de cipier; „maar indien het zoo is, dan zijt gij geen van de slimsten; dat is klaar als de dag.”

„En waarom zegt gij, dat ik geen van de slimsten ben?”

„Wel, wie anders dan een domkop, zou hen het geld hebben laten inpakken, dat gij in the Gordon Arms gelaten hebt? De drommel hale mij, ik zou het hun wel uit de klauwen gehaald hebben! Zij hadden geen recht on u van uw geld te berooven en u, zonder een duit om de onkosten te betalen, naar de gevangenis te zenden; het overige konden zij als bewijsstukken houden. Maar waarom, stommerik, vroegt gij niet om uw geld? Ik heb u ouder het geheele verhoor gewenkt en toegeknikt; maar ja wel, gij wildet mij net eens aanzien!”

„Indien ik recht heb om dit geld terug te vorderen, dan zal ik het doen; en er is veel meer dan noodig is, om u alles, wat gij eischen kunt, te betalen.”

„Daar weet ik niemendal van; maar gij kunt hier misschien lang genoeg zitten, dat weet ik wel. En als ik krediet geef, moeten de kosten daarnaar berekend worden. Maar het zij zoo, daar gij mij nog al wat meer dan een gewone klant schijnt te zijn. Mijne vrouw zegt wel, dat ik door mijne goedhartigheid te kort kom; maar dat moet ik dragen, als gij mij voor mijne kosten eene aanwijzing op dat geld geeft. Glossin zal mij zulk een briefje wel betalen. Ik weet zoo iets van zekeren gevangene, die van Ellangowan ontsnapt is. Ja, ja, hij zal mij gaarne helpen en mij dien dienst bewijzen.”

„Wel nu, als ik binnen een paar dagen niet anders geholpen word, zal ik u de verlangde aanwijzing geven.”

„Goed, goed, dan zult gij het hebben als een prins! Maar eerst moet ik u zeggen, opdat wij daarover naderhand geen verschil krijgen, hoeveel ik iemand, die een kooi voor zich alleen wil hebben, altijd in rekening breng: – des weeks anderhalf pond sterling voor de kamer en eene guinje voor de meubels en oppassing; voor het volle gebruik van het bed eene halve guinje – en deze behoud ik niet geheel: want ik moet daarvan aan Donald Laider afstaan een daalder, die hier zit, om het stelen van schapen, en naar den regel bij u moest slapen. Die zal dan ook nog versch stroo en misschien een slok brandewijn er bij verlangen, zoo dat ik niet veel overhoud.”

„Best, en verder?”

„Dan het eten en drinken. Dit kunt gij zoo goed krijgen, als gij verkiest. Ik laat het ten behoeve van een fatsoenlijk man, zoo als gij zijt, uit de herberg halen en neem nooit meer dan twintig percent boven den prijs, dien ik betalen moet; en dat is weinig genoeg voor het halen en brengen; het meisje slijt bijna zoo veel aan schoenen En als de tijd u verveelt, of gij eens in een verdrietige bui zijt, dan wil ik wel een gedeelte van den avond bij u zitten en u uwe flesch helpen ledigen. (Ik heb menig glas met Glossin, die u hierheen gezonden heeft, gedronken, hoewel hij nu vrederechter is) In deze lange koude avonden zult gij ook wel vuur en licht verlangen, en dat moet goed betaald worden, omdat de gevangenen eigenlijk zoo iets niet mogen hebben. Nu heb ik u alle hoofdzaken opgenoemd en denk niet, dat ik veel vergeten heb, ofschoon er nog wel eenige kleinigheden bij zullen komen.”

„Die moet ik dan aan uw geweten overlaten, als gij weet, wat dat is. Ik kan niet anders.”

„Neen, neen, Mijnheer, dat wil ik niet gezegd hebben. Ik dring u niets op. Staat u de prijs van het een en ander niet aan, dan behoeft gij het niet te nemen. Ik dwing geen mensch: ik wilde u slechts zeggen wat een fatsoenlijk man hier noodig heeft. Wilt gij het echter met den gewonen gang van het huis voor lief nemen, het is mij wel; dan bespaar ik mijne moeite en daarmede afgedaan!”

„Neen, neen, vriend! ik heb, zoo als gij wel begrijpen kunt, geen lust om op zulk eene straf over uwe voorwaarden te twisten. Kom, breng mij naar het voor mij bestemde vertrek; ik wilde gaarne een weinig alleen zijn.”

„Volg mij dan maar,” antwoordde Mac-Guffog, met een grijnzenden glimlach; „en om u te toonen dat ik een geweten heb, zoo als gij het straks noemdet, zal ik u, de drommel hale mij! niet meer dan een schelling daags in rekening brengen voor de vrijheid die ik u geef, om dagelijks drie uren op de plaats te wandelen en u daar met het balspel of iets anders te vermaken.”

Onder deze vriendelijke belofte liet hij Bertram een steilen, nauwen, steenen trap opklimmen, die van boven door eene sterke, dicht met zware ijzeren spijkers beslagene deur afgesloten was. Deze deur bracht hem op een nauwen gang met drie ellendige zoogenaamde kamertjes of cellen, waarin ijzeren kribben met stroozakken waren, aan elke zijde. Aan het einde van den gang was echter een beter vertrekje, dat, behalve het zware slot en de keten aan de deur en de ijzeren traliën voor het venster, niet op een gevangenvertrek, maar veeleer op de slechtste kamer in de slechtste herberg geleek. Het diende tot eene soort van ziekenkamer voor gevangenen, wier gezondheidstoestand eenige toegevendheid vorderde. Op dit oogenblik werd het nog door Donald Laider, den naar den regel voor Bertram bestemden kamergezel, bewoond, die juist uit een der beide bedden gesleept was, om te beproeven of versch stroo en brandewijn zijne koortsen zouden genezen. Deze taak was met eigene sterke hand door vrouw Mac-Guffog, onder het gesprek van haren echtgenoot met Bertram, waarvan zij den afloop zeer juist voorzag, volbracht. Naar alle waarschijnlijkheid was het hierbij niet zonder geweld toegegaan; ten minste was één der stijlen van eene soort van ledikant afgebroken, zoo dat het verhemelte met de gordijnen tot midden in het vertrek, even als de in de verwarring van een gevecht halfzinkende banier van eenen aanvoerder, naar beneden hing.

„Gij moet u daaraan niet storen, kapitein!” zeide vrouw Mac-Guffog, die nu bij hen in het vertrek kwam, en den gevangene den rug toekeerende, gebruikte zij haren kouseband om den gebroken stijl weder vast te binden. Zij bracht hierop de gordijnen ook weder in de behoorlijke plooien door middel van de spelden, waarvan zij haar eigen gewaad roekeloos beroofde, legde de lakens zoo wat te recht, wierp eene havelooze, met lappen van allerhande kleuren versierde deken over alles heen, en verklaarde dat alles nu weder behoorlijk in orde was. „Daar is uw bed, kapitein!” zeide zij en wees naar den zwaren, plompen bak, die slechts op drie pooten stond, terwijl de vierde door den hellenden vloer (het huis was, ofschoon nieuw, bij aanbesteding gebouwd) als het ware in de lucht zweefde even als de poot van een geschilderden olifant op het paneel eener koets – „daar is uw bed; wilt gij echter schoone lakens, kussens, tafellinnen of een’ handdoek hebben, dan moet gij dat met mij afspreken; dat gaat mijn’ man niet aan en hij laat zich er nooit mede in.”

Mac-Guffog had zich intusschen verwijderd, waarschijnlijk opdat de gevangene zich bij deze nieuwe afpersing niet op hem zou kunnen beroepen.

„In ’s Hemels naam,” antwoordde Bertram, „breng alles behoorlijk in orde, en reken er voor, wat gij verkiest.”

„Goed, goed, dat is vlug afgedaan! Wij rekenen ook niet hoog, ofschoon wij zoo dicht bij het tolhuis wonen. Ik moet nu ook zorgen dat gij vuur en een middagmaal krijgt, hoewel dit laatste heden niet uitstekend zal zijn, daar er geen gezelschap verwacht wordt, dat iets keurigs en lekkers verlangen zou.”

Met deze woorden liep zij ijlings heen, haalde eenige gloeiende kolen en legde vuur aan op een ouden, roestigen haard, die sedert maanden niet warm geweest was. Hierop legde zij het noodige linnen (dat, helaas! niet weinig van dat van Ailie Dinmont verschilde) met ongewasschen handen op het bed; en morde – zoo zeer was het morren haar tot eene tweede natuur geworden – nog over deze moeite, welke haar zoo ruim beloond zou worden. Eindelijk vertrok zij echter, tusschen de tanden mompelende, „dat zij liever een geheelen vleugel van de gevangenis wilde bedienen, dan één zulk heertje, dat haar met zijne zotte kuren zoo veel werk verschafte.”

Thans bevond Bertram zich alleen. Om zich toch eenigszins bezig te houden, bleef hem geene andere keuze over, dan in het kleine vertrek op en neder te wandelen, of door het kleine, door morsigheid en dicht geplaatste ijzeren staven nog verduisterde venster op de zee uit te zien, of de proeven van ruwe geestigheid, die uit wanhoop op de half gewitte muren gekrabbeld waren, te lezen. De tonen, welke in zijn oor drongen, waren even onaangenaam als alles, wat hij zag. Nu hoorde hij het doffe geklots der golven, dan het gekras en geknars van grendels en hengsels, als er eene deur open of toegesloten werd; nu de schorre stem van den cipier, of de gillende tonen van zijne bijna altijd knorrende, brommende of scheldende wederhelft, en dan weder het woedende geblaf van den grooten hond, die op de plaats vast geketend lag en dikwijls door de lediggangers gekweld werd.

Eindelijk werd Bertram in zijne vervelende eenzaamheid gestoord door de komst van eene morsige dienstmaagd, die zijn maal gereed zou zetten. Zij bedekte de morsige houten tafel met een half morsig tafellaken, legde mes en vork, die niet door te veel schuren afgesleten waren, naast een gebarsten bord en plaatste een bijna ledigen mosterdpot en een zoutvat er bij, welks inhoud, in plaats van eene witte, eene grijze of liever zwartachtige kleur had, en beide sporen van versch gebruik droegen. Hierop verwijderde deze beminnelijke Hébe zich en kwam spoedig terug met een schotel in de pan gebakken runderlappen, welke in eene zee van lauw water zwommen, waarop nauwelijks een greintje vet zichtbaar was. Bij dezen heerlijken kost voegde zij een grof brood en vroeg, wat Mijnheer verkoos te drinken. Hij kreeg op zijn verlangen eene flesch wijn dien hij tamelijk goed vond en deed, daar het hoofdgerecht van dezen prachtigen disch hem niets minder dan uitlokkend voorkwam, zijn maaltijd hoofdzakelijk met het grijze brood en een stukje middelmatige kaas. Na geëindigden maaltijd vroeg de dienstmaagd hem uit naam haars meesters, of het hem gelegen zou komen, dat deze den avond bij hem doorbracht. Bertram verontschuldigde zich en verzocht om licht, papier, pennen en inkt. Het licht, eene gebroken vetkaars op een met vet bemorsten blikken kandelaar, werd hem gebracht en hem tevens bericht dat hij het overige wel den volgenden dag kon krijgen, als hij het zelf wilde laten koopen. Nu verzocht hij de dienstmaagd hem een boek te bezorgen en zette dit verzoek klem bij door een schelling, welke hij haar in de hand duwde. Zij bracht eindelijk na lang wachten twee niet op elkander volgende deelen van den Newgate Kalender, welke zij van Sam Silverquill, een kantoorbediende die om het vervalschen van een handschrift gevangen zat, geleend had. Zij legde de boeken voor Bertram op de tafel en liet hem met deze treurige lettervruchten, die niet kwaad bij zijn treurigen toestand pasten, alleen.

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Al sleept men u ten doode Op des rechters wreed gebod, Eén vriend zal bij u blijven En deelen in uw lot.

Shenstone.

De treurige denkbeelden, die bij het doorbladeren dezer boeken natuurlijk bij Bertram ontstaan moesten, gepaard met het drukkende gevoel van den hoogst onaangenamen toestand waarin hij zich bevond, maakten hem voor de eerste maal van zijn leven kleinmoedig. „Ik ben wel in erger omstandigheden geweest dan thans,” zeide hij bij zich zelven; „in gevaarlijker, want hier is geen gevaar; in omstandigheden, waarin het vooruitzicht veel akeliger was want hier kan ik niet lang in hechtenis blijven; in eene veel harder en onverdragelijker gevangenschap, want ik heb hier ten minste vuur, voedsel en kleeding. En toch voel ik mij bij het lezen van deze bloedige verhalen van misdaden en ellende, op eene plaats, welke voor de gedachten, die zij opwekken, zoo geschikt is, en bij het hooren van de treurige geluiden, die in mijn oor dringen, meer dan ooit tot droefgeestige zwaarmoedigheid gestemd. Maar ik wil mij er niet aan overgeven. – Weg met deze verhalen der schandelijkste misdaden’” riep hij, en wierp het boek op het ledige bed. „Eene Schotsche gevangenis zal niet reeds op den eersten dag den moed doen zinken, waarmede ik in een vreemd land het ongewone klimaat, gebrek, ongemak en gevangenschap getrotseerd heb. Ik heb reeds zoo menigen harden strijd met Mevrouw Fortuna gestreden; zij zal mij ook nu niet overwinnen, indien ik er iets aan doen kan.”

Hij spande nu ook alle krachten in om zijn moed weêr op te wekken en zijn toestand in het gunstigste licht te beschouwen. „Delaserre moet weldra in Schotland zijn,” dacht hij; „de getuigschriften van den bevelhebbenden officier moeten spoedig aankomen; en als Mannering tot getuige geroepen wordt, wie weet of dat niet den weg tot eene verzoening banen kon?”

Hij had dikwijls opgemerkt, en stelde zich dit nu levendig voor den geest, hoe de kolonel, wanneer hij partij voor iemand trok, dat nooit ten halve deed; en dat hij diegenen het meest scheen te beminnen, die eenige verplichting aan hem hadden. En kon thans eene gunst, die met eer gevraagd en gereedelijk verleend kon worden, niet misschien de eerste schrede tot eene verzoening worden? Deze bespiegelingen brachten hem natuurlijk Julia voor den geest en hij bouwde, zonder den afstand tusschen een soldaat zonder fortuin, die van de getuigenis van haar vader zijne vrijheid verwachtte, en de erfgename van den rijkdom en de uitzichten van dien zelfden vader nauwkeurig te berekenen, de heerlijkste luchtkasteelen en versierde ze met alle kleuren van een schoonen zomerschen avondhemel, tot hij door een hevig kloppen aan de buitendeur en het blaffen van den mageren, halfverhongerden, doch waakzamen hond op de plaats, in zijne wakende droomen gestoord werd. Na vele voorzorgen werd de deur geopend en iemand binnengelaten. Vervolgens werd ook de huisdeur ontgrendeld, ontsloten en ontketend. Een hond kwam de trap opvliegen en bleef bij de deur van Bertram’s vertrek slaan krabben en huilen. Hij hoorde tevens iemand met zwaren tred den trap langzaam opklimmen en Mac-Guffog met zijne schorre stem zeggen: „Hierheen, hier moet gij heen; pas op deze trede. Daar is de kamer!” – Bertram’s deur werd ontgrendeld, en tot zijne groote verwondering en vreugde snelde zijn hond, zijn getrouwe Wesp, in het vertrek, sprong tegen hem op en wist niet hoe hij hem zijne blijdschap zou betuigen.

Hierop trad ook zijn getrouwe vriend, de wakkere pachter van Charlies-hope binnen en riep, toen hij in het ellendige vertrek rondzag, uit: „Hoe! hoe? was is dit! was is dit?”

„Een streek van het noodlot, waarde vriend!” antwoordde Bertram, terwijl hij opstond en hem hartelijk de hand schudde; „anders niets.”

„Maar wat moet hieraan gedaan worden, of liever wat kan hieraan gedaan worden? Is het om schulden, of wat anders?” vroeg Dinmont.

„Neen, het is niet om schulden; en als gij tijd hebt, om bij mij te gaan zitten, zal ik u alles zeggen, wat ik zelf van de zaak weet.”

„Of ik tijd heb? – De drommel! waarom ben ik hier gekomen, dan om u te spreken en om alles te onderzoeken? Maar mij dunkt, wij moesten eerst iets eten: het wordt al laat. Ik heb den menschen in de herberg, waar ik mijn paard heb laten staan, gezegd mij mijn avondmaal hierheen te brengen en Mac-Guffog zal het binnen laten. Dat alles heb ik reeds afgesproken. – Laat mij nu uw lotgevallen vernemen. – Stil, Wesp! stil. – Wat is het arme dier blijde, dat het u ziet!”

Bertram had zijne geschiedenis, die zich tot zijne ongelukkige ontmoeting met den jongen Hazlewood en de verwarring van zijn persoon met dien van een smokkelaar bepaalde, die bij den aanval op Woodbourne eene voorname rol gespeeld had en toevallig denzelfden naam droeg, spoedig verhaald.

Dinmont luisterde zeer aandachtig. „Wel, wel, daar behoefde men zeker zoo veel ophef niet van te maken, te meer daar de knaap, die de wond ontving, hersteld is. Wat beteekenen een paar hagelkorrels in den schouder? Als hij een oog verloren had, dan zou het iets anders zijn. Ik wenschte wel, dat de oude heer Pleydell hier ware; dat zou de rechte man zijn om hen uit te hooren; die heeft den mond op de rechte plaats!”

„Maar zeg mij nu vriend, hoe hebt gij vernomen dat ik hier was?”

„Ja, man! wonderlijk genoeg. Dat zal ik u zeggen, als wij met eten gedaan hebben. Het is beter daarover niet te spreken, zoo lang die groote slons van eene meid hier in- en uitsluipt.”