Part 27
Nadat de heer Pleydell eenigen tijd van de verwondering van zijn gast genoten had, begon hij over de zaak van Lucie Bertram te spreken. „Ik koesterde een flauwe hoop,” zeide hij, „dat ik middelen vinden zou, om haar onbetwistbaar recht op de goederen van Singleside te bewijzen; maar alle mijne pogingen zijn te vergeefsch geweest. De oude dame was zeker onbepaalde eigenares van hare goederen, en kon er dus met volle recht over beschikken. Er blijft ons dus niets over, dan de hoop, dat geen booze geest haar verleid moge hebben, om hare eerste zoo zeer gepaste beschikking te veranderen. Gij moet de begrafenis der oude dame morgen bijwonen. Gij zult hiertoe genoodigd worden, daar ik haren zaakgelastigde van uwe tegenwoordigheid, als gevolmachtigde van Juffrouw Bertram, onderricht heb. Vervolgens zal ik mij aan het huis der overledene weder bij u vervoegen, om toe te zien, dat alles bij de opening van het testament behoorlijk toegaat. De oude dame had een jong meisje bij zich inwonen, eene wees en verre bloedverwante van haar, die zij bijna als eene slavin behandelde. Ik hoop, dat zij gemoedelijk genoeg geweest is, om het arme meisje, ter vergoeding van de harde slavernij, die zij gedurende haar leven heeft moeten verduren, een onafhankelijk bestaan te verzekeren.”
Thans verschenen er nog eenige andere gasten, opgeruimde, zeer beschaafde mannen, in wier gezelschap Mannering den avond zeer aangenaam doorbracht. Tegen acht uur ’s avonds kwam ook weder een fijne flesch op tafel, die de kolonel Mannering moest helpen ledigen. Toen hij weder in zijn logement kwam, vond hij eene uitnoodiging, om de lijkplechtigheid van wijlen Mejuffrouw Margaretha Bertram van Singleside, die den volgenden middag op het Grauwe broeder-kerkhof begraven zoude worden, bij te wonen.
Op het bepaalde uur begaf Mannering zich naar een klein huis in de zuidelijke voorstad, waar, volgens Schotsch gebruik, twee treurige gestalten met lange zwarte mantels, witte linten om den hoed en lange stokken met treurwimpels in de hand, het sterfhuis aanduidden. Door twee andere bidders die, naar hun gelaat te oordeelen, onder een zware ramp gebukt gingen, werd hij in de eetzaal van de overledene gebracht, waar het gezelschap vergaderd was.
In Schotland is de thans in Engeland afgeschafte gewoonte, om de bloedverwanten tot de begrafenis te noodigen, nog algemeen in gebruik. In vele gevallen is dit zeer treffend, maar ontaardt soms in eene bloote stijve plechtigheid, als de overledene het ongeluk gehad heeft, onbemind te leven en onbetreurd te sterven. In Engeland zou in zulke gevallen de lijkdienst, eene der schoonste en treffendste plechtigheden van de kerk, de aandacht der aanwezenden boeien en hunne gemoederen tot godsdienstigen ernst stemmen; maar in Schotland kan niets, wanneer geen diep gevoel de aanwezenden bezielt, dit gebrek vergoeden en den geest verheffen; zoodat bij het voor de treurige plechtigheid vergaderde gezelschap de dwang eener lastige gewoonte maar al te dikwijls en te zichtbaar in eene geveinsde droefheid doorstraalt. Ongelukkig was juffrouw Margaretha Bertram niet algemeen bemind geweest. Zij had geene naastbestaanden, die uit natuurlijke genegenheid om haar zouden treuren, zoo dat men bij hare begrafenis niets dan den uiterlijken schijn van droefheid zag.
Mannering, die midden in dit treurige gezelschap van neven in den derden, vierden, vijfden en zesden graad stond, gaf zijn gelaat den behoorlijken ernstigen plooi, welken hij bij alle aanwezenden bemerkte, en zag even treurig om juffrouw Margaretha Bertram, als of de overledene vrouwe van Singleside zijne eigene zuster of moeder geweest ware.
Na eene lange plechtige stilte begonnen sommigen der aanwezenden met elkander te spreken, maar zoo zacht, als of zij zich in de kamer van een stervende bevonden.
„Onze arme vriendin,” zeide een deftig heer, fluisterende en nauwelijks den mond openende, uit vrees, dat hij den ernstigen plooi uit zijn gelaat zou verliezen – „onze arme vriendin, die wij nu zullen begraven, bezat een vermogen dat vrij aanzienlijk mag genoemd worden.”
„Zonder twijfel,” antwoordde de heer, tot wien deze woorden gericht waren, met half geslotene oogen; „Mejuffrouw Margaretha was niets minder dan onverschillig omtrent de goederen dezer aarde.”
„Is er heden iets nieuws, kolonel Mannering?” vroeg éen der heeren, met wien hij den vorigen dag gegeten had, doch op zulk een ernstigen toon, als of hij den dood van zijn geheel geslacht bekend maakte.
„Niets bijzonders, Mijnheer,” antwoordde Mannering op denzelfden plechtigen toon, die, zoo als hij ontwaarde, in het huis der rouwe in acht genomen moest worden.
„Ik hoor,” vervolgde de eerste spreker met nadruk, alsof hij zekere berichten had – „ik hoor, dat er een testament is” –
„En wat krijgt de kleine Jenny Gibson?”
„Honderd pond sterling en het oude repetitie-horologie.”
„Dat is zeer weinig. Het arme meisje heeft daarvoor veel van de oude dame moeten verduren. Maar op eens anders rijkdom wachten tot na diens dood, is een treurig beroep.”
„Ik vrees,” zei een staatkundige, die bij Mannering stond, „dat wij met uw ouden vriend Tippoo Saïb nog niet afgedaan hebben; ik verbeeld me, dat hij de Compagnie nog meer te doen zal geven, en ik hoor (maar gij zult het wel weten), dat de Oost-Indische fondsen niet rijzen.”
„Ik vertrouw, dat dit echter spoedig gebeuren zal.”
„Juffrouw Margaretha” hernam een ander, zich in het gesprek mengende „bezat eenige Indische papieren. Ik weet dit, omdat ik de renten voor haar ontving. De raad van den kolonel, wanneer en hoe men deze papieren op de beste wijze te gelde kan maken, zou zoowel voor de executeuren en de belanghebbenden wenschelijk zijn. Ik voor mij denk – Maar daar is Mijnheer Mortcloke, om ons te zeggen, dat de lijkstaatsie zich op weg moet begeven.”
De heer Mortcloke, de bezorger der begrafenis, deelde dientengevolge met een treurig, ernstig gelaat, dat bij zijn beroep paste, kaartjes uit onder de dragers van de slippen, om ieder zijne plaats naast de doodkist aan te wijzen. Daar de voorrang hierbij verondersteld wordt naar der meerderen of minderen graad van bloedverwantschap geregeld te worden, kon de arme man, hoe ervaren ook in deze treurige plechtigheden, toch niet vermijden, eenigen aanstoot te geven. Ieder der aanwezige nabestaanden was hier, waar bloedverwantschap aanspraak op de landerijen van Singleside gaf, bijzonder ijverzuchtig op den naasten graad dezer betrekking. Hier en daar hoorde men een zacht gemor, en onze vriend Dinmont, die zijn misnoegen niet onderdrukken noch den bij deze plechtigheid passenden toon vatten kon, gaf niet weinig ergernis.
„Mij dunkt, gij hadt mij ten minste wel een been te dragen kunnen geven,” riep hij op veel luider toon uit, dan hier geoorloofd was. „Ja, als het niet om de erfenis ware, zou ik haar, hoe vele aanzienlijken hier ook zijn, wel alleen hebben kunnen dragen.”
Donkere en bestraffende blikken werden van alle kanten gevestigd op den onverschrokken landman, die, nadat bij aan zijn misnoegen lucht had gegeven, met het overige gezelschap den trap afklom, zonder zich in het minst te storen aan de aanmerkingen van hen, die zich door zijne woorden beleedigd achtten.
Hierop zette de lijkstaatsie zich in beweging. Vooraan mannen met hunne staven en witte lamfers, ter eere van den onbevlekten maagdelijken naam van Mejuffrouw Margaretha Bertram; hierachter zes doodmagere paarden, zelve ware zinnebeelden der sterfelijkheid, met rouwkleeden en veeren versierd, die de lijkkoets met de met rouwfloers behangen wapenschilden langzaam naar de begraafplaats sleepten, voorafgegaan door Jamie Duff, een krankzinnige, die, versierd met opslagen en eene das van wit papier, elke lijkstaatsie vergezelde, en gevolgd door zes rouwkoetsen met de ter begrafenis genoodigden. Velen hunner vierden hun praatlust thans den vrijen teugel en spraken zonder terughouding over het bedrag van de nalatenschap en de waarschijnlijke erfgenamen. Zij, die de gegrondste hoop op de nalatenschap koesterden, zwegen echter voorzichtig, daar zij geene verwachtingen wilden laten blijken, welke misschien te leur gesteld zouden worden; en de executeur, of zaakgelastigde, die alleen met zekerheid wist hoe de zaken stonden, toonde een geheimzinnig, gewichtig gelaat, alsof hij besloten had, de angstige verwachting zoo lang mogelijk gespannen te houden.
Eindelijk kwam de trein bij de poort van het kerkhof en ging vervolgens onder het aangapen van eene menigte ledigloopende vrouwen met kinderen op den arm, en een niet kleiner aantal straatjongens, die schreeuwende en springende naast den deftigen optocht liepen, naar de begraafplaats van de familie Singleside. Dit was eene omheinde vierkante plaats, aan de eene zijde door een ouden engel bewaakt, die, wel is waar, zijn neus en éenen vleugel verloren, maar nochtans gedurende een eeuw zijne post roemrijk behouden had, terwijl zijn makker, die op het tegenoverstaande voetstuk op schildwacht gestaan had, gebroken tusschen de doornstruiken, dolle kervel en brandnetels lag, die welig op de grafplaats tierden. Een met mos begroeid en beschadigd opschrift onderrichtte den lezer, dat kapitein Andrew Bertram de eerste van Singleside en afstammeling van het zeer oude en eerbiedwaardige geslacht van Ellangowan, in het jaar 1650 dit gedenkteeken voor hem zelven en zijne nakomelingen had laten oprichten. Een aanzienlijk aantal zeissen, zandloopers, doodshoofden en kruiselings over elkander liggende doodsbeenderen omringden het volgende opschrift ter gedachtenis van den stichter dezer begraafplaats:
„Nathaniëls hart, Bezaleëls hand – Had iemand ooit deze gaven; Dan zeg ik ronduit, dat hij ze bezat, Die in dit bed ligt begraven.”
Hier werd het stoffelijke overschot van Juffrouw Margaretha Bertram bij de vermolmde beenderen harer voorvaderen neergelegd; en, even als soldaten, die gewoonlijk met versnelden pas van eene militaire begrafenis terugkeeren, spoorden nu de naaste bloedverwanten, die belang bij het testament van de overledene hadden, de huurkoetsiers tot den meest mogelijken spoed aan, ten einde van hunne onzekerheid omtrent dit gewichtig punt verlost te worden.
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Hij sterft, en laat zijn schat Ten bate eener school – of eener lievelingskat.
Pope.
Even als in de fabel van Lucianus, waar een troep goed afgerichtte apen onder luide goedkeuring een treurspel uitvoert, het geheele tooneel eensklaps in de war raakt en de natuurlijke driften der spelers zeer onwelvoegelijk uitbarsten, zoodra een schalk eene handvol noten op het tooneel werpt – even zoo wekte de naderende ontknooping bij de wachtenden geheel andere aandoeningen op, dan zij onder het opzicht van den heer Mortcloke getracht hadden te toonen. Die oogen, welke voor korte oogenblikken aandachtig ten hemel, of demoedig ter aarde geslagen waren, doorzochten thans met scherpe blikken alle laden, koffers, kasten en alle hoeken. Ofschoon het bedoelde testament niet gevonden werd, was de moeite nochtans niet geheel te vergeefsch.
Hier vond men, zorgvuldig in het afschrift van een liedje gewikkeld, eene schuldbekentenis, groot twintig pond sterling, van een predikant, waarop aangeteekend stond, dat de interesten tot Sint-Maarten laatstleden voldaan waren; dáar een merkwaardig pakje met minnebrieven, tusschen zekeren luitenant O’Kean en de overledene gewisseld, waarbij een papier lag, dat de redenen, waarom eene voor hare bloedverwanten zoo bedenkelijke betrekking eensklaps afgebroken werd, volkomen verklaarde. Dit papier was, namelijk, eene schuldbekentenis van den luitenant voor twee honderd pond sterling, waarop in het geheel geen interest betaald scheen. Wijders werden er meerdere wissels en schuldbekentenissen van grootere waarde en (als koopman gesproken) van betere menschen dan van den eerwaarden geestelijke en den dapperen krijgsman gevonden; alsmede een groot aantal munten van allerhande grootte en waarde, stukjes gebroken goud en zilver, oude oorringen, scharnieren van gebroken snuifdozen, brillenhuisjes en meer andere dingen. Er kwam evenwel geen uiterste wil te voorschijn, zoo dat Mannering reeds begon te hopen, dat het testament, hetwelk hij van Glossin ontvangen had, de laatste beschikking van de oude dame over hare nalatenschap bevatte. Zijn vriend Pleydell, die thans de kamer binnentrad, waarschuwde hem echter, hierop niet te veel te vertrouwen.
„Ik ken den man,” zeide hij, „die met de uitvoering van den uitersten wil belast is, en zijne houding verraadt, dat hij meer van de zaak weet dan iemand onzer.”
Doch laat ons, terwijl het onderzoek voortgezet wordt, een paar van het gezelschap, welke het meeste belang bij de zaak schijnen te hebben, eventjes monsteren. Van Dinmont, die, met zijne groote jachtzweep onder den arm, den executeur onophoudelijk over den schouder ziet, is het noodeloos iets te zeggen. Gindsche magere, bejaarde man, in een net en sierlijk rouwgewaad, is Mac-Casquil, voorheen bezitter van Drumquag, doch thans verarmd door aandeel te hebben gehad in de Ayrsche bank. Zijne hoop, als zeer verre bloedverwant, berust bij deze gelegenheid enkel hierop, dat hij elken Zondag met de overledene in dezelfde bank in de kerk gezeten, en geregeld des Zaterdagsavonds kaart met haar gespeeld heeft, hierbij wel zorg dragende om nooit te winnen. Die andere onoogelijke man, die zijn haar in een lederen haarzak opgebonden draagt, is een bloedverwant van juffrouw Bertram’s moeder, een tabakshandelaar, die bij het uitbarsten van den kolonialen oorlog den prijs zijner waren voor alle menschen verhoogde, behalve voor juffrouw Bertram, wier schildpadden doos wekelijks voor den ouden prijs met de beste snuif gevuld werd, omdat de meid ze steeds met een’ vriendelijken groet van juffrouw Bertram aan haren neef, den heer Quid, in den winkel bracht. Die jongeling, die de onwelvoegelijkheid begaan heeft van zelfs zijne rijlaarzen en lederen broek niet uit te trekken, zou misschien even hoog in de gunst van de oude dame, die gaarne een knap jong mensch zag, gestaan hebben als een der anderen, indien hij zijn geluk niet verspeeld had door soms niet bij haar te verschijnen, als hij plechtig uitgenoodigd was; door een enkelen keer te verschijnen, als hij met een vroolijk gezelschap het middagmaal gehouden had, en door bovendien hare kat tweemalen op den staart getrapt en haren papegaai eens beleedigd te hebben.
Niemand van het geheele gezelschap wekte zoo zeer de belangstelling van Mannering op, als het arme meisje, dat bij de overledene als eene nederige gezelschapsjuffrouw, een voorwerp, waarop zij hare kwade luimen te allen tijde kon bot vieren, geleefd had. Welstaanshalve was het meisje door de begunstigde dienstmaagd van de oude dame in de kamer gebracht, waar zij dadelijk in een hoek kroop en met verbazing en huivering zag, hoe vreemdelingen zonder schroom die plaatsen doorsnuffelden, welke zij van jongs af nooit dan met eerbiedig ontzag beschouwd had. Al de erfenisbejagers, behalve de eerlijke Dinmont, zagen met ongunstige oogen op dit meisje neder, daar zij eene geduchte mededingster in haar dachten te vinden, wier aanspraken hunne kans op de erfenis zeer verminderden. En toch was de arme Jenny de eenige, die de overledene oprecht scheen te betreuren. Juffrouw Bertram was, ofschoon om baatzuchtige beweegredenen, hare beschermster geweest, en het vreesachtig, verlatene meisje had, zoodra de tranen langs hare wangen vloeiden, de harde behandeling van hare bloedverwanten vergeten.
„Die huilt mij daar te veel” zei de tabakshandelaar tot den voormaligen bezitter van Drumquag; „dat voorspelt ons anderen niet veel goeds. Er wordt zelden zoo veel vertooning van droefheid gemaakt, zonder te weten waarom.”
De heer Mac-Casquil knikte slechts in plaats van te antwoorden, daar hij goedvond, zijn hoogeren rang in tegenwoordigbeid van den heer Pleydell en van den kolonel Mannering te handhaven.
„Het zou toch vreemd zijn, als er in het geheel geen testament was, vriend!” zeide Dinmont, wiens geduld uitgeput raakte, tegen den executeur.
„Een oogenblik geduld, als het u belieft,” antwoordde deze. „Juffrouw Margaretha Bertram was eene goede, voorzichtige en verstandige vrouw, en wist hare vrienden en vertrouwden wel te kiezen. Zij zal haren uitersten wil, of liever hare laatste beschikking over de erfenis, zeker in handen van een’ vertrouwden vriend gesteld hebben.”
„Ik verwed er alles op,” fluisterde Pleydell den kolonel in het oor, „dat hij het testament zelf in den zak heeft.” Hierop wendde hij zich tot den executeur en zeide: „Mijnheer! wij zullen deze zaak met uw goedvinden spoedig afdoen. Hier is eene beschikking over de heerlijkheid Singleside, voor verscheidene jaren ten voordeele van Mejuffrouw Lucie Bertram van Ellangowan gemaakt.” (Bij deze woorden staarde het geheele gezelschap elkaâr met groote oogen aan.) „Gij, Mijnheer Protocol, zult ons, denk ik, wel kunnen onderrichten, of er eene latere beschikking bestaat.”
„Met uw verlof, Mijnheer Pleydell!” antwoordde deze, nam het stuk in handen en las het vluchtig door.
„Dat is al te gek!” zei Pleydell tot den kolonel, „al te gek! Hij heeft zeker een ander testament op zak.”
„Maar waarom komt hij er niet mede voor den dag?” hernam de ongeduldige krijgsman. „De drommel zal hem halen!”
„Waarom? hoe zou ik dat weten?” antwoordde Pleydell „Waarom doodt eene kat niet oogenblikkelijk de muis, die zij gevangen heeft? Ik verbeeld me, om hare macht te toonen en uit lust tot kwellen. – Nu, Mijnheer Protocol, wat zegt gij van dat stuk?”
„Het is volkomen overeenkomstig de wet opgemaakt, behoorlijk gelegaliseerd en door de gevorderde getuigen onderteekend.”
„Maar door een later testament, dat gij in handen hebt, krachteloos gemaakt, niet waar?”
„Zoo is het ongeveer, Mijnheer Pleydell!” antwoordde hij en haalde een met lint saamgebonden en met zwart lak verzegeld pak papieren te voorschijn. „Het stuk, dat gij ons toont en waarop gij uwe aanspraken grondt, is van den 1sten Juni 17..; maar dit,” (bij deze woorden brak hij de zegels en sloeg het testament langzaam open) „ìs van den 20sten, neen ik vergis me, van den 21sten April van het loopende jaar, dus tien jaren later van datum!”
„Juist de maand, waarin de rampen van Ellangowan algemeen bekend werden,” hernam Pleydell driftig. „Maar laat ons hooren, wat zij er van gemaakt heeft.”
De heer Protocol verzocht hierop stilte en begon het testament langzaam en plechtig met luider stemme te lezen. De toehoorders, in wier oogen de hoop bij afwisseling rees en daalde, en die al hun verstand inspanden, om den waren zin van het testament uit den nevel der rechtsgeleerde uitdrukkingen, waarin die gehuld was, te ontdekken, vormden eene groep, waardig door het penseel van een Hogarth geschilderd te worden.
De inhoud van het testament was zeer verrassend. Vooreerst werd door de overledene over de geheele heerlijkheid Singleside, met alle de daartoe behoorende landerijen en de verdere aanhoorigheden, benevens de landerijen van Loverless, Liealone, Spinster’s Knowe, en de hemel weet wat al meer, „ten voordeele van” (hier daalde de stem van den voorlezer tot een zacht, bescheiden piano) „Peter Protocol, notaris, enz. beschikt, aangezien zij het volste vertrouwen in zijne bekwaamheid en rechtschapenheid stelde” (deze woorden, verklaarde hij, waren op uitdrukkelijk verlangen van zijne waardige vriendin ingelascht geworden), „doch slechts als aanvertrouwd goed en ter beheering,” (hier hernam de lezer zijn gewonen toon en de lange gezichten van verscheidene toehoorders, welke de heer Mortcloke benijdenswaard zou gevonden hebben, werden merkelijk korter) „tot na te melden doeleinden en oogmerken.”
In deze „doeleinden en oogmerken” lag de hoofdzaak. Ter inleiding werd gezegd, dat de testatrice in rechte lijn van het oude geslacht van Ellangowan afstamde, daar haar geëerde overgrootvader Andreas Bertram, de eerste van Singleside, zaligen gedachtenis, de tweede zoon van Allan Bertram, vijftiende baron van Ellangowan geweest was. Vervolgens, dat Hendrik Bertram, zoon en erfgenaam van Godfried Bertram van Ellangowan, in zijne jeugd aan zijne ouders ontstolen was, maar dat zij, de testatrice, vast verzekerd was, dat hij nog in vreemde landen leefde en door de goddelijke Voorzienigheid weder in de bezittingen zijner vooroudere hersteld zou worden – in welk geval gezegde Peter Protocol verplicht en verbonden was, gelijk hij zich door het aannemen dezes hiertoe verbond en verplichtte, om de geheele voorschrevene nalatenschap (nochtans na aftrek van eene behoorlijke vergoeding voor zijne moeite) aan genoemden Hendrik Bertram, bij zijne terugkomst in zijn vaderland af te staan. En zoo lang deze in vreemde landen rondzwierf, óf in geval hij nooit weder in Schotland terugkeerde, moest Peter Protocol, de beheerder der nalatenschap, de pachtgelden van het land en de interesten der andere fondsen (doch steeds na aftrek van eene belooning voor zijne moeite) in gelijke deelen onder vier, in het testament genoemde, liefdadige gestichten verdeelen. Deze vertrouwde beheerder werd met het bestuur der goederen, de macht om te verhuren, om geld op te nemen of uit te zetten, in één woord, met al de macht van een’ onbepaalden eigenaar bekleed, en deze macht ging, in geval hij kwam te overlijden, aan eenige in het testament genoemde openbare ambtenaren over. Er moesten slechts twee legaten uitgekeerd worden, éen van honderd pond aan eene begunstigde dienstmaagd, het andere, tot een gelijk bedrag aan Jenny Gibson (van wie in het testament gezegd werd, dat zij tot hiertoe uit liefdadigheid door de testatrice onderhouden was), ten einde haar als leermeisje bij een eerlijk beroep te besteden.
Het vestigen van onvervreemdbare goederen op iemand wordt in Schotland mortification genoemd, en in zeker groote gemeente (Aberdeen, indien mijn geheugen mij niet bedriegt) is er een bijzonder ambtenaar met de zorg over deze begiftigingen belast en deswege „bestuurder der mortification” genaamd. Men zou bijna denken, dat deze naam van de uitwerking afgeleid is, welke zulke bepalingen gewoonlijk op de naastbestaanden van hen, die ze maken, te weeg brengen. Groot was ten minste de „teleurstelling” der aanwezenden, die in de kamer van wijlen Mejuffrouw Margaretha Bertram deze onverwachte beschikkingen over de landerijen van Singleside vernomen hadden.
Na het voorlezen van het testament heerschte er een diep stilzwijgen. De heer Pleydell was de eerste, die hetzelve afbrak. Hij verzocht het testament in te zien, en gaf het, na zich overtuigd te hebben dat het in den behoorlijken vorm en volgens de wet gesteld was, zonder eenige aanmerking terug, maar zeide heimelijk tegen Mannering: „Protocol is, geloof ik, niet slechter dan anderen; maar deze oude dame heeft alles zoo ingericht, dat het hem, indien hij geen schurk wordt, ten minste niet aan verleiding daartoe zal ontbreken.”
„Mij dunkt,” zei de heer Mac-Casquil van Drumquag, die de helft van zijn verdriet met veel moeite verkropt had en de andere helft lucht wilde geven, „mij dunkt waarlijk, dat dit een vreemd geval is! Ik wenschte wel van den heer Protocol te weten, die, daar hij eenige en onbepaalde beheerder is geworden, hierbij natuurlijk geraadpleegd moet zijn, – ik wenschte wel te weten, zeg ik hoe juffrouw Bertram bij mogelijkheid kon gelooven aan het leven van een knaap, die, zoo als een ieder weet, voor vele jaren vermoord is.”
„Het is mij niet mogelijk,” hernam de heer Protocol, „meer van hare beweegredenen te zeggen, dan zij zelve gedaan heeft. Wijlen onze waarde vriendin was eene goede vrouw, eene godvruchtige vrouw, en kan voor haar geloof aan de redding des kinds wel gronden gehad hebben, die wij niet kennen.”
„Kom!” viel de tabakshandelaar hem in de rede; „ik weet zeer goed op welke gronden haar geloof berustte. Juffer Rebekka,” (de dienstmaagd), „die daar zit, heeft mij honderdmaal in mijn eigen winkel gezegd, dat het niet bekend was, hoe hare meesteres over hare goederen beschikken zou, daar eene oude Heidin haar in het hoofd gebracht had, dat de knaap – Hendrik Bertram noemde zij hem, niet waar? – eens weder te voorschijn zou komen. Gij zult dit toch niet ontkennen, Juffer Rebekka? Maar ik geloof wel, dat gij vergeten hebt, om uwe meesteres te herinneren, wat gij mij beloofdet haar te zeggen, en waarom ik u zoo menigen fooi gegeven heb. Gij zult dit zeker niet ontkennen, meisje?”
„Ik weet er niets van,” antwoordde Rebekka norsch en keek strak vóor zich neer, naar het scheen niet geneigd, zich iets meer te herinneren dan hetgeen haar aangenaam was.
„Mooi gezegd, Rebekka!” hernam de tabakshandelaar; „gij zijt zonder twijfel met uw aandeel te vreden.”
De jonge kwast van den tweeden rang – want tot den eersten behoorde hij niet – had tot hiertoe onophoudelijk met zijne karwats op zijne laarzen getimmerd en zette een gezicht als een bedorven kind, dat men zijne boterham afneemt. Hij verkropte zijn misnoegen nochtans, of gaf het op zijn best in alleenspraken als de volgende, lucht. „Bij den drommel! het spijt mij – ik deed altijd zoo veel voor haar. – Ik ben hier waarachtig eens bij haar gekomen, om thee te drinken, en verliet daarom King en des hertogs pikeur Will Hack. Zij dronken wakker bij het wedrennen; voor den drommel! ik zou thans misschien even goed er aan toe zijn als sommige anderen, indien ik bij hen gebleven was – en zij heeft mij niet eens die honderd pond nagelaten!”