Part 43
De aanzienlijke nalatenschap aan baar geld van mejuffrouw Margaretha Bertram en de milde ondersteuning van den kolonel stelden Bertram gemakkelijk in staat, om de rechtmatige schuldeischers te bevredigen, terwijl zijne wakkere gevolmachtigden voornamelijk in Glossin’s rekeningen zoo vele valsche en te hoog gestelde posten vonden, dat het geheele beloop der schulden aanmerkelijk verminderd werd. In deze omstandigheden aarzelden de schuldeischers geen oogenblik, om Bertram’s recht te erkennen en hem het huis zijner vaderen over te dragen. De jonge heer kwam met alle zijne vrienden van Woodbourne, om, onder het gejuich zijner pachters en andere landlieden uit de nabuurschap, zijn erfgoed in bezit te nemen, en Mannering was zoo begeerig, het opzicht over eenige veranderingen te hebben, welke hij Bertram aangeraden had, dat hij met zijn gezin van Woodbourne te Ellangowan kwam, hoewel het huis thans veel minder gemak en gerijfelijkheden opleverde.
De arme dominé was buiten zich zelven van vreugde. Hij vloog met twee treden te gelijk den trap op naar een ellendig bovenkamertje, zijn slaapvertrek in vroegere dagen, hetwelk hij, zelfs in zijne veel ruimere en aangenamere kamer te Woodbourne, nooit had kunnen vergeten. Eéne treurige gedachte kwam hier echter plotseling bij hem op – de boeken! – Geen drie kamers te Ellangowan te zamen waren groot genoeg, om deze schatten te bevatten. Terwijl dit ontmoedigend denkbeeld zijne ziel geheelenal vervulde, werd hij bij den kolonel geroepen, om dezen bij het nazien en berekenen van een plan tot een groot en prachtig huis te helpen, hetwelk op de plaats van het zoogenaamde nieuwe slot van Ellangowan in een met de pracht der naburige bouwvallen overeenstemmenden stijl gebouwd zou worden. Onder de menigvuldige kamers, die op de schetsteekening geschetst waren, was een der grootste bestemd voor de Bibliotheek; en een aardig, vroolijk vertrek daar naast droeg het opschrift: „Kamer van den heer Sampson.” Toen de goede man dit zag, riep hij in verrukking uit: „Ver–ba–zend! Ver–ba–zend! Ver–ba–zend!”
De heer Pleydell had zijne vrienden voor eenigen tijd verlaten, maar keerde, volgens belofte, tegen Kerstmis, gedurende de vacantie van het gerechtshof, terug. Toen hij te Ellangowan kwam, vond hij niemand te huis dan den kolonel, die druk bezig was met plannen voor gebouwen en tuinen, waarin hij zeer bedreven was en veel genoegen schepte.
„Aha!” zeide Pleydell, „vind ik u hier! waar zijn de dames? waar is de schoone Julia?”
„Uitgegaan met den jongen Hazlewood, Bertram en den kapitein Delaserre, een zijner vrienden, die hem voor eenige dagen is komen bezoeken. Zij zijn naar Derncleugh gegaan, om het plan tot eene nieuwe hut te maken. Wel, zijt gij in uwe zaak geslaagd?”
„Volkomen en zeer gemakkelijk. Onze jonge vriend is door de „macers” tot erfgenaam verklaard en het besluit ter kanselarij berustende.”
„Macers? wie zijn dat?”
„Wel, het is eene soort van rechterlijke Saturnalia. Gij moet weten, dat het een der vereischten is, als men macer, of deurwaarder, bij ons hoogste gerechtshof wil zijn, om geene bekwaamheden te bezitten.”
„Dat is zonderling!”
„Nu hebben onze Schotsche wetgevers, denkelijk uit scherts, uit deze onkundige mannen een bijzonder gerechtshof benoemd, om uitspraak in zaken van verwantschap en afkomst, zoo als het geval van Bertram is, te doen, waarbij dikwijls de neteligste en ingewikkeldste vraagstukken voorkomen.”
„Zijn zij bezeten? Mij dunkt, dat moet zeer lastig zijn.”
„O, wij hebben een practisch hulpmiddel voor deze theoretische ongerijmdheid. Bij zulke gelegenheden nemen één of twee rechters naast hunne eigene deurwaarders zitting, als raadslieden, en besturen eigenlijk het geheele werk. Maar gij weet wel, wat Cujaccius zegt: Multa sunt in moribus dissentanea, mula sine ratione [36]. Doch hoe dit ook zij, dit gerechtshof heeft onze zaak ten onzen voordeele beslist en wij hebben, ter eere van het welgelukken onzer pogingen, meer dan één flesch heerlijken wijn bij Walkers geledigd. Mac-Morlan zal schrikken, als hij de rekening ziet.”
„Wees daarvoor niet bezorgd,” hernam de kolonel. „Dien schrik zullen wij het hoofd wel bieden en bovendien het landvolk bij mijne vriendin, vrouw Mac-Candlish te Kippletringan, vroolijk onthalen.”
„En Hans Jabos tot uw stalmeester nemen?”
„Misschien.”
„En waar is Dandie, de geduchte heer van het Liddesdal?”
„Teruggekeerd naar zijne bergen; maar hij heeft Julia beloofd, ons in den aanstaanden zomer met zijne vrouw en ik weet niet hoeveel kinderen te bezoeken.”
„Die aardige kroeskopjes! Dan moet ik ook komen, om blindemannetje en schuilevinkje met hen te spelen. – Maar wat is dit? Plattegrond-teekeningen en schetsen? – toren in het midden, eene navolging van den adelaarstoren te Caernarvon – coras de logis – de drommel! vleugels – vleugels? wel, het huis zal de geheele heerlijkheid Ellangowan op den rug nemen en er medewegvliegen!”
„Wel nu, dan moeten wij er eenige zakken Indische rupijen tot ballast inwerpen.”
„Aha! waait de wind uit dien hoek? Dan zal de schalk, denk ik, ook wel met mijne schoone Julia gaan strijken?”
„Dat hebt gij geraden, Mijnheer Pleydell!”
„Die jonge guiten steken ons, mannen uit de oude school, altijd de loef af. Dan moet Julia ten minste hare genegenheid voor mij op Lucie overdragen.”
„Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat ge ook daar uit het veld geslagen zult worden.”
„Waarlijk!”
„Sir Robert Hazlewood heeft hier onlangs een bezoek bij Bertram afgelegd, en dacht en oordeelde en was van gevoelen –”
„O Hemel! verschoon mij van de woordenvloed van den waardigen baronet.”
„Best. Hij begreep dan, dat er, daar het landgoed Singleside als eene wig tusschen twee van zijne landhoeven in-, en een paar uren ver van Ellangowan verwijderd is, wellicht een koop, eene ruiling, of andere schikking, tot genoegen van beide partijen, gesloten kon worden.”
„Nu, – en Bertram?”
Bertram antwoordde, dat hij het eerste testament van Mejuffrouw Margaretha Bertram, in de tegenwoordige omstandigheden zijner familie, voor de meest gepaste schikking hield, en dat Singleside derhalve als het eigendom zijner zuster beschouwd moest worden.”
„Die schalk!” hernam Pleydell, den bril afwisschende; „hij steelt mijn hart zoo wel als mijne beminde. En vervolgens?”
„Vervolgens nam Sir Robert met vele fraaie woorden afscheid; maar verleden week trok hij weder te veld met zijne geheele krijgsmacht – met zijne koets met zes paarden, zijn gegalonneerd scharlaken vest en zijne beste pruik – alles heel prachtig, zoo als het kinderboekje zegt.”
„Ei! en wat was zijn oogmerk?”
„Na eene zeer wijdloopige voorrede, begon hij van de genegenheid te spreken, welke Karel Hazlewood voor Lucie Bertram koesterde.”
„Ei, ei! hij eerbiedigde den kleinen God Cupido, toen hij hem op den toren van Singleside zag zitten. En zal de arme Lucie bij dien ouden zot en zijne echtgenoote, die zijn vrouwelijk evenbeeld is, inwonen?”
„Neen, daar hebben wij voor gezorgd. Singleside-house zal voor de jonge lieden in orde gebracht worden en in het vervolg Hazlewood-heuvel heeten.”
„En blijft gij zelf te Woodbourne wonen?”
„Slechts zoo lang, tot deze plannen volvoerd zijn. Zie, hier is de teekening van een gemakkelijk huisje voor mij, waar ik in eenzaamheid mijne grillen kan opvolgen, als ik het verkies.”
„En daar gij dan zoo nabij het oude slot zijt, zult gij ook zeker den Donagild-toren tot nachtelijke beschouwingen der hemelsche lichamen laten herstellen? Bravo, kolonel!”
„Neen, neen, waarde vriend! Het is nu gedaan met den sterrewichelaar.”
EINDE.
AANTEEKENINGEN OP GUY MANNERING, DOOR DEN SCHRIJVER [37].
Noot A. bladz. 29.
Kraamvrouwenbier.
Deze drank werd bepaaldelijk gebrouwd om gedronken te worden na de gelukkige bevalling der huisvrouw. Daarbij werd een kaas gemaakt, ken-no (d.i. „onbekend”) geheeten, daar de mannelijke leden van het gezin verondersteld werden er niets van te weten, om bij het bier gebruikt te worden. De echtgenoot vooral moest algeheele onwetendheid veinzen, en als de buurvrouwen na afloop der gewichtige gebeurtenis bijeenkwamen, was hij verplicht haar uit te noodigen eenige ververschingen tot zich te nemen en zich uiterst verwonderd te houden bij hare weigering. Zoodra hij echter de kamer verliet, begon het feest, en hetgeen van de kaas overbleef werd verdeeld onder de gasten en met een schijn van groote geheimzinnigheid mede naar huis genomen.
Noot B. bladz. 116.
De Bedelaarsherberg.
De herberg was in de nabijheid van Gilsland gelegen, eer het vlekje als badplaats bekend was. Het huis werd voornamelijk bezocht door boeren, die te paard reisden, hetzij naar de naburige steden, of heen en weêr op hunne reizen tusschen Engeland en Schotland. De streek was woest en eenzaam, en ten tijde van ons verhaal gebeurden vele aanrandingen in die streken, terwijl de herberg in een kwaden reuk stond als dikwerf eene plaats van bijeenkomst der straatroovers. Het avontuur in dat verhaal is bijna hetzelfde, als er een werkelijk een heerenboer uit die buurt is overkomen.
Noot C. bladz. 123.
Dandie Dinmont.
Het karakter van Dinmont is naar de natuur geteekend, en aan zekeren James Davidson werd, na het verschijnen van Guy Mannering, de bijnaam van Dandie Dinmont gegeven, hoewel de schrijver eerder algemeene, dan bijzondere trekken van eenige hem bekende personen uit denzelfden stand in den persoon van den bewoner van Liddesdale vereenigd had.
Noot D. bladz. 120.
Gerookte Zalm.
De zalm wordt gespleten, met zout ingewreven, aan ijzeren haken in den schoorsteen gehangen en in den rook gedroogd.
Noot E. bladz. 133.
Geslachtsnamen.
Op de grenzen tusschen Engeland en Schotland worden menschen, die geen landeigenaren zijn, nog vaak door bijnamen onderscheiden, wat inderdaad noodzakelijk is, omdat er zoovele menschen zijn, die denzelfden geslachtsnaam dragen. De schrijver herinnert zich nog, dat in het dorpje Lustruther er niet minder dan vier mannen woonden, die allen Andries Olivier heetten en alleen door bijnamen te onderscheiden waren. In een dorp van Annandale waren er sléchts twee geslachtsnamen, die van Johnstone en Jardine.
Noot F. bladz. 138.
Bijgeloof onder de Heidenen.
De geheimzinnige plechtigheden waarmede Meg Merrilies zich in den tekst bezig houdt, zijn werkelijk eigenaardig bij de rol eener koningin van een Heidenstam.
De Heidenen zijn zeer bijgelbovig, zien naar den vorm der wolken, naar de vlucht van zekere vogels en andere dergelijke voorteekens. Het is van hen bekend, dat zij dikwerf op een tocht terugtrekken als zij iemand ontmoeten, dien zij als een ongeluksbode beschouwen, en zij ondernemen nooit hunne lange zomertochten zonder eenige voorspelling aangaande den gelukkigen afloop er van. De kleêren der dooden worden steeds verbrand, omdat zij vreezen dat het leven van hem, die ze later dragen mocht, daardoor verkort zou worden.
Noot G. bladz. 207.
Het Liddesdal.
De wegen in Liddesdale bestonden letterlijk nog niet, twintig jaren voor dat dit verhaal geschreven werd, en de streek was alleen toegankelijk langs paden door de moerassen. De schrijver was de eerste, die tot groote verbazing der inwoners in een klein open rijtuig langs den pas begonnen weg reed en hun zoodoende voor het eerst van hun leven een ergelijk wagentje vertoonde.
Noot H. bladz. 212.
De leggende hen.
„De leggende hen” was een beker, die drie liters wijn kon bevatten. De schrijver zag een dezer vaten te Jedburgh in zijne jeugd. De beker was van koper, met het beeld eener kip op het deksel. In latere tijden gaf men denzelfden naam aan een glazen flesch van dezelfde afmetingen.
Noot I, bladz. 212.
Gezellige gewoonten der Schotsche rechtsgeleerden.
Het verhaal in den tekst door den heer Pleydell gedaan, hoe hij te midden van een feest eene moeielijke rechtsquaestie behandelde, is door mij ontleend aan een dergelijke geschiedenis, welke ik vernam betreffende den vader van Lord Melville.
Noot K. bladz. 252.
Kookkunst der Heidenen.
In Blackwood’s Magazijn van April 1817 leest men dienaangaande: „Voor de liefhebbers van eene goede tafel, zou men denken, dat de kookkunst der Heidenen weinig aanbevelenswaardig zal opleveren. Ik kan u echter verzekeren, dat de kok van de beide laatst overledene hertogen van Buccleugh, een kunstenaar van naam, den „Almanac des Gourmands” verrijkt heeft met zekere „Potage à la Meg Merrilies”, bestaande uit wild en gevogelte van allerlei aard, met groenten vermengd, en dat de soep door hen geleverd, de bijzondere goedkeuring van alle kenners verdient.
Noot L. bladz. 268.
Lord Monboddo.
Burnet, Lord Monboddo, was de bekende wijsgeer, als uitstekend mensch door Pleydell in den tekst geroemd en wiens gastmalen niet spoedig vergeten zullen worden door diegenen, die daaraan deel namen. In navolging der ouden, werden de fijne flesschen steeds op zijne tafel met rozen bekroond en tal dezer bloemen lagen altijd op de tafel gestrooid.
Noot M. bladz. 270.
Slapelooze nachten der rechtsgeleerden.
Het is waarschijnlijk onbetwistbaar, dat, zooals Pleydell opmerkt, het gewichtigste rechtsgeding zelden de nachtrust van een geoefenden pleiter storen zal. De cliënten zijn echter dwaselijk geneigd het tegendeel te gelooven. Ik heb wel gelachen om zekeren landedelman, die den morgen, waarop voor hem gepleit moest worden door het hoofd der balie in Edinburg, den beroemden rechtsgeleerde aansprak met de woorden: „Nu, Milord, ik heb den heelen nacht geen oog kunnen toedoen, en dat zal ook wel het geval met u wezen!”
AANTEEKENINGEN
[1] De gewone titel van den dorpsschoolmeester in Schotland.
[2] Zie noot A. Kraamvrouw-bier
[3] In Shakespear’s storm.
[4] De beschrijving dezer bouwvallen is ontleend in hoofdtrekken aan hetgeen men weet van de overblijfselen van het kasteel Carlavorock in de nabijheid van Dumfries. W. S.
[5] Deze eerste beoefenaar der Staathuishoudkunde werd werkelijk als kind door de Heidenen geroofd en bleef eenige uren in hun bezit. W. S.
[6] Dit is een letterlijk ware gebeurtenis. W. S.
[7] De namen der beide geleiders van Hamlet, die hem, op bevel van zijn oom, naar Engeland voerden.
[8] Zie noot B. „De Bedelaars-herberg.”
[9] Een historisch persoon. W. S.
[10] Zie noot C. Dandie Dinmont.
[11] Zie noot D. Gerookte zalm.
[12] Zie noot E. Geslachtsnamen.
[13] De lezer zal begrijpen dat deze toespeling, even als enkele andere in dit werk, gedaan werd met de bedoeling om den naam van den schrijver, van wien men niet veronderstellen zou, dat hij zijne eigene werken aanhaalde, te sluieren. W. S.
[14] Zie noot F. Bijgeloof onder de Heidenen.
[15] „Dolle pret” is misschien de beste vertaling van deze letterlijk onvertaalbare benaming. Vert.
[16] Men moet leven!
[17] De beroemde Dr. Erskine, een zeer uitstekende geestelijke. W. S.
[18] Zie noot G. Het Liddesdal.
[19] Zie noot H. De leggende hen.
[20] Zie noot I. Gezellige gewoonten der Schotsche rechtsgeleerden.
[21] Ik bezweer u, allerslechtste, ondeugendste, onreinste, schelmachtigste, en ellendigste. – Ik bezweer u!!! –
[22] Ik bezweer u, ik beveel u!
[23] Zie noot K. Kookkunst der Heidenen.
[24] Na de geheele zaak onderzocht te hebben.
[25] Zie noot L. Lord Monboddo.
[26] Zie noot M. Slapelooze nachten der rechtsgeleerden.
[27] Overmacht.
[28] Of bij welken anderen naam gij genoemd wordt.
[29] Een vliegend woord.
[30] Willens of onwillens.
[31] Geef ieder het zijne.
[32] Tot zijn’ eigen’ meester.
[33] Ongemoeid, veilig, bij den Rechter.
[34] Kom niet in den raad, als gij niet geroepen wordt.
[35] Menschenroof.
[36] Veel is er in de zeden verschillend, veel zonder reden.
[37] Deze aanteekeningen zijn vrij vertaald en zeer verkort, daar ze weinig bevatten, waarin de Hollandsche lezer belang zou stellen. M. P. L.