Part 26
„Met uw verlof Sire! morgen is het Zondag;” zei een van het gezelschap.
„Zondag? wij willen de kerk geene ergernis geven – dan zullen wij hun Maandag gehoor verleenen.”
Mannering, die in het begin het niet met zich zelven eens was of hij naderen of terugkeeren zou, besloot voor het oogenblik in dezen luimigen toon mede in te stemmen, ofschoon hij inwendig boos was op Mac-Morlan, dat hij hem dezen dollen zonderling als raadsman aanbevolen had. Hij naderde hem met drie diepe buigingen en verzocht verlof, om zijne geloofsbrieven aan de voeten van den Schotschen vorst neder te leggen, opdat Zijne Majesteit ze ter gelegener tijd onderzoeken kon. De deftigheid, met welke hij het spel medespeelde, en de diepe en nederige buiging, waarmede hij een, hem door den ceremoniemeester aangeboden, stoel eerst weigerde en vervolgens aannam, werden met een driemaal herhaald handgeklap toegejuicht.
„De duivel hale mij, als zij niet allen dol, of gek zijn,” zeide Dinmont en zettede zich, zonder vele komplimenten, op een stoel onder aan de tafel neder; „of zij vieren den kerstijd te vroeg en houden maskerade.”
Een groot glas wijn werd Mannering aangeboden, die het op de gezondheid van den regeerenden koning uitdronk. „Gij zijt, vermoed ik,” hernam de vorst hierop, „de beroemde ridder Miles Mannering, zoo vermaard in de oorlogen met Frankrijk, en kunt ons dus zonder twijfel zeggen, of de wijnen van Gasconje in ons noordelijk gebied iets van hun geur of smaak verliezen.”
Mannering, die het vleiende van deze zinspeling op zijn beroemden voorvader gevoelde, antwoordde, dat hij slechts een verre bloedverwant van dien dapperen ridder was, en voegde er bij, dat de wijn, naar zijn gevoelen, voortreffelijk was.
„Voor mijne maag is hij te koud,” zei Dinmont en zette het glas (maar leeg) neder.
„Dat zullen wij verbeteren,” hernam koning Paulus, de eerste van dien naam. „Wij hebben niet vergeten, dat de kille, vochtige lucht in ons Liddesdal krachtiger drank eischt. Hofmeester! geef onzen getrouwen pachter een beker brandewijn; dat zal beter voor hem wezen.”
„En nu,” zeide Mannering, „ofschoon wij Uwe Majesteit in een uur van vroolijke uitspanning onbedachtzaam gestoord hebben, zoo behage het Hoogstdezelve nochtans te bepalen, wanneer een vreemdeling op gehoor mag hopen, om de gewichtige zaken, welke hem in uwe noordelijke hoofdstad brengen, voor Uwe Majesteit te openbaren.”
De koning brak Mac-Morlans brief open en riep, nadat hij hem vluchtig gelezen had, met zijne natuurlijke stem en op zijnen gewonen toon uit: „Lucie Bertram van Ellangowan, dat arme, lieve meisje!”
„Boete, boete!” riepen eensklaps een dozijn stemmen; „Zijne Majesteit heeft zijn koninklijk karakter vergeten.”
„Geenszins! geenszins!” hernam de koning. „Deze edele ridder zij mijn rechter! Mag een vorst geen meisje uit eenen minderen stand beminnen? Is de geschiedenis van koning Cophetua en het bedelaarsmeisje geen voorbeeld, dat als antecedent kan dienen?”
„Rechtsgeleerde uitdrukkingen, rechtsgeleerde uitdrukkingen! – weder boete!” riep de oproerige omgeving.
„Hadden onze koninklijke voorouders,” vervolgde de vorst, zijne stem verheffende, om het geschreeuw der misnoegden te verdooven – „hadden deze niet hunne Jean Logie, hunne Elizabeth Carmichaël en meer andere, en zou het ons verboden zijn, een meisje, dat wij met onze gunst vereeren, slechts te noemen? Neen! eer valle onze troon en ga onze heerschappij te gronde! Als een tweede Karel V leggen wij de kroon neder en zoeken in de afzondering van het burgerlijke leven die genoegens, welke de troon ons weigert.”
Met deze woorden wierp hij zijne kroon weg, sprong vlugger dan men van iemand van zijn leeftijd verwachten kon, van zijn verheven zetel, liet in een ander vertrek licht, waschwater en thee brengen en wenkte Mannering om hem te volgen. In minder dan twee minuten tijd, had hij aangezicht en handen gewasschen, zijn pruik voor den spiegel te recht gezet, en scheen, tot Mannering’s groote verwondering, een geheel ander man, dan toen hij voor eenige oogenblikken, bij het vroolijke feest, den rol van koning speelde. „Er zijn menschen, Mijnheer Mannering,” zeide hij, „in wier bijzijn men zich behoort te wachten, dwaasheden te begaan, omdat, zoo als een dichter ergens zegt, zij te veel boosaardigheid of te weinig verstand hebben, om zoo iets te weten. Het beste compliment, dat ik u kan maken, is te toonen dat ik mij niet schaam, mij aan u bloot te geven; en waarlijk, mij dunkt, dat ik heden avond reeds in ruime mate misbruik gemaakt heb van uwe goedheid. – Maar wat wil onze wakkere landman?”
Dinmont, die Mannering in de kamer gevolgd was, maakte eene boersche buiging, krabde zich achter het oor en zeide: „ik ben Dandie Dinmont van Charlies-hope, uit het Liddesdal. Gij kent mij zeker nog wel. Gij hebt voor mij dat groote rechtsgeding gewonnen.”
„Welk rechtsgeding, domkop? Denkt gij, dat ik mij alle dwazen herinneren kan, die mij komen kwellen?”
„Wel, Mijnheer Pleydell! het pleidooi over het weiden op den top van Langtae.”
„Ik herinner mij er niets meer van. Geef mij uwe papieren en kom Maandag om tien uren bij mij.”
„Maar, Mijnheer, ik heb mijne zaak niet op het papier.”
„Hoe, niets op schrift?”
„Neen, Mijnheer Pleydell, niets op schrift. Zoo als gij u herinneren zult, hebt gij mij voorheen gezegd, dat gij liever hadt, dat wij berglieden u onze zaken mondeling voordroegen.”
„Verwenscht zij de tong, die dat gezegd heeft! Nu moeten mijne ooren er voor boeten. Verhaal me in twee woorden, wat gij te zeggen hebt. Gij ziet dat die heer staat te wachten.”
„Wel nu, als die heer het verkiest, mag hij zijne zaken eerst afdoen: het is mij volkomen hetzelfde.”
„Hoe! begrijpt gij dan niet, lompert dat uwe zaken hem onverschillig moeten zijn, maar dat hij zeker niet verkiezen zal uwe groote ooren met de zijne te vergasten?”
„Best, Mijnheer! zoo als het u en hem belieft,” zei Dinmont, volstrekt niet uit het veld geslagen door de onbeleefde ontvangst. „Zie hier mijne zaak. Het is weer het oude lied over de grenzen van ons land tusschen Jaap van Dawstoncleugh en mij. Achter de Promoragrains, de Slackenpoel en Bloodylaws, welke tot de Peel behooren, grenzen de landerijen van Dawstoncleugh en Charlies-hope op den top van den Touchoprigg, een vrij hoogen berg, aan elkander. Nu zeg ik, dat de scheiding over den top van den berg loopt, waar wind en water scheiden; maar Jaap van Dawstoncleugh spreekt dit tegen en houdt staande, dat ze langs het oude voetpad naar Keeldarward gaat; en dit maakt een vrij groot verschil.”
„En hoe groot is dat verschil wel, vriend? Hoe vele schapen kunt gij wel dáar op weiden?”
„Niet veel; het ligt te hoog en te koud. Ik kan er één, en in goede jaren misschien een paar zwijnen op weiden.”
„En om dat beetje gras, dat misschien een paar daalders in het jaar waard is, wilt gij een paar honderd pond in de waagschaal stellen?”
„Neen, Mijnheer, niet om de waarde van het gras, maar om het goed recht.”
„Vriend! de gerechtigheid behoorde even als de liefde, eerst met zich zelve te beginnen. Doe recht aan uwe vrouw en kinderen, en denk niet meer aan de geheele zaak.”
Dinmont draalde nog steeds en draaide den hoed in zijne handen rond, „Het is daar niet om, Mijnheer! maar ik kan niet dulden, dat hij zoo bluft. Hij beweert, dat hij wel meer dan twintig getuigen bijbrengen kan; en ik ben zeker, dat er even veel zijn, die voor mij willen opkomen, allen menschen, die van jongs af te Charlies-hope gewoond hebben en die niet gaarne zouden zien, dat het landgoed zijn goed recht verloor.”
„Het is dus eene zaak van eer; waarom trekken de heeren der heerlijkheden zich de zaak niet aan?”
„Dat kan ik niet zeggen, Mijnheer!” antwoordde de pachter en krabde zich achter het oor. „Er is in langen tijd geen twist over de verkiezingen geweest en de heeren leven in vrede en vriendschap. Jaap en ik kunnen hen, wat wij ook zeggen, over deze zaak niet tegen elkaâr aan den gang krijgen. Maar dunkt u niet, dat wij de pacht inhouden konden?”
„Neen! dat gaat in het geheel niet aan. Maar waarom neemt gij niet ieder een goeden knuppel in de hand en doet de zaak met u beiden af?”
„Dat hebben wij reeds driemalen beproefd, Mijnheer, tweemalen op het land en eens op de jaarmarkt te Lockerbye. Maar ik weet het niet, wij zijn beiden even vlug met den stok en het kon niet voor goed uitgemaakt worden.”
„Neem dan een paar houwers en doe, zoo als uwe voorouders deden en loop dan naar den drommel!” zei de rechtsgeleerde.
„Gaarne, Mijnheer! indien gij denkt, dat het niet tegen de wet strijdt. Het is mij hetzelfde.”
„Stil, stil! dat zou eene erge dwaling zijn. Ik bid u, vriend! versta mij wel. Ik wil u stechts doen opmerken, met welk een dwaas en kinderachtig rechtsgeding gij u wilt inlaten.”
„Zoo, zoo, Mijnheer! Gij wilt mijne zaak dus niet behandelen,” zei Dinmont teleurgesteld.
„Ik? neen. Ga liever naar huis; drink het met uw buurman af en leg uw geschil bij.” Dandie scheen maar half te vreden en bleef staan. „Hebt gij nog iets te zeggen, vriend?”
„Ja nog iets, Mijnheer! over de nalatenschap van de dame, die gestorven is, van de oude juffrouw Margaretha Bertram van Singleside.”
„Hoe, over die nalatenschap?” vroeg de rechtsgeleerde verwonderd.
„Ja. Wij staan in geen betrekking hoegenaamd tot de Bertrams; dat waren bij ons vergeleken, voorname lieden. Maar Johanna Liltup is huishoudster geweest bij den ouden Singleside en was de moeder van de beide overledene dames – de laatste is, geloof ik, hoog bejaard gestorven; – deze Johanna Liltup is afkomstig uit Liddelwater en was eene achternicht van mijner moeders halfzuster. Zij heeft zich wel met Singleside ingelaten, toen zij zijne huishoudster was, en dat was een grievend harteleed voor hare geheele maagschap; maar hij heeft haar naderhand wettig gehuwd – en nu wilde ik u vragen, of wij volgens de wet ook eenige aanspraak op de erfenis hebben?”
„Geene hoegenaamd.”
„Best. Wij zijn daarom niet armer. Maar zij heeft misschien aan ons gedacht, als zij een uitersten wil gemaakt heeft. – Nu, Mijnheer, ik heb u alles gezegd, wat ik te zeggen had. Ik wensch u goeden avond, en” – Bij deze woorden stak hij de hand in den zak.
„Neen, neen, vriend! des Zaterdagsavonds en van iemand, die niets schriftelijks heeft, neem ik nooit geld aan. Ga maar heen, Dandie!”
Dandie maakte eene buiging en vertrok.
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Noch kunst noch waarheid sieren dit verhaal, Om ’t hart te treffen, of te streelen de verbeelding.
Het Kerspelregister.
„Uwe Majesteit,” zeide Mannering lachende, „heeft haren afstand van den troon plechtig gevierd door eene daad van welwillende menschlievendheid. Die goede man zal zeker zijne zucht tot pleiten wel verloren hebben.”
„Verbeeld u dat toch niet! Ik heb niets anders uitgewerkt, dan dat ik mijn cliënt en mijne belooning verloren heb. Hij zal niet rusten, voor dat hij iemand vindt, die hem aanspoort, om zijne voorgenomene dwaasheid te begaan. Neen, neen! ik heb u slechts eene andere zwakke zijde van mijn hart getoond. Des Zaterdagsavonds spreek ik altijd de zuivere waarheid.”
„En op andere dagen ook wel eens, denk ik,” hernam Mannering op denzelfden schertsenden toon.
„Nu, ja; zoo veel als mijn beroep dat toelaat. Ik ben, zoo als Hamlet zegt, vrij eerlijk, wanneer mijne cliënten en hunne procureurs mij niet gebruiken, om hunne weloverdachte leugens voor de balie te bepleiten. Maar, oportet vivere [16]! het is eene droevige waarheid. – Maar laat ons nu tot uwe zaken overgaan. Het verheugt me, dat mijn oude vriend Mac-Morlan u bij mij gezonden heeft. Hij is een werkzaam, eerlijk en verstandig man, was lange jaren substituut-sheriff van het graafschap ** onder mij, en bekleedt dien post nog. Hij weet, dat ik veel belang stel in die ongelukkige familie van Ellangowan, en bijzonder in de arme Lucie. Ik heb haar sedert haar twaalfde jaar niet gezien, en toen was zij, niettegenstaande de opvoeding van haren zeer onnoozelen vader, een aardig, lief meisje. Mijne belangstelling in haar ontstond echter reeds vroeger. Als sheriff van het graafschap, werd ik geroepen, om de bijzonderheden van een moord te onderzoeken, die niet ver van Ellangowan, op den dag waarop dit arme kind geboren werd, gepleegd was en die, door eene zonderlinge aaneenschakeling van omstandigheden, welke ik, helaas, niet ontsluieren kon, den dood, of ten minste het verdwijnen van haar eenigen broeder, een knaap van omstreeks vijf jaren, ten gevolge had. Neen, Mijnheer! nooit vergeet ik de ellende van de familie Ellangowan op dien dag. De vader half waanzinnig – de moeder onder eene ontijdige bevalling bezweken. Onder zulke omstandigheden kwam het hulpelooze kind schreiend in deze ongelukkige wereld, waar het nauwelijks iemand vond, om het op te passen. Wij, rechtsgeleerden, zijn niet van ijzer of steen, even min als gij, krijgslieden, van staal. Wij moeten met de misdaden en rampen van het burgerlijke leven omgaan, zooals gij met die, welke de oorlog naar zich sleept; en om altijd en in alle gevallen onzen plicht te doen, is een weinig ongevoeligheid misschien wel noodzakelijk. Maar de duivel hale den krijgsman, wiens hart zoo hard is als zijn zwaard, zoo wel als den rechtsgeleerde, die zijn gemoed, in plaats van zijn voorhoofd, verstaalt! – Maar ik verlies mijn geheelen Zaterdagavond! Wilt gij zoo goed zijn, mij deze papieren, met betrekking tot de zaak van Juffrouw Bertram, toe te vertrouwen? En kom morgen het middagmaal bij mij gebruiken, als ik u verzoeken mag. Ik eet om drie uur; maar kom een half uurtje vroeger. – De oude dame wordt Maandag begraven. Het is de zaak van eene wees en wij zullen een uur van den Zondag nemen, om er over te spreken, ofschoon ik vrees, dat er niets aan te doen zal zijn, wanneer de oude dame haar testament veranderd heeft, tenzij dit misschien binnen de zestig dagen gebeurd is en Juffrouw Bertram aantoonen kan, dat zij volgens de wet erfgenaam is, weshalve.... Maar, luister! mijne onderdanen worden ongeduldig over het ledig staan van den troon. – Ik verzoek u niet, kolonel, om verder deel aan ons feest te nemen; het zou te veel van uwe goedheid gevergd zijn. Dan moest gij den geheelen dag met ons doorgebracht hebben en trapsgewijze van wijsheid tot vroolijkheid en van vroolijkheid tot – hoe zal ik het noemen? – tot dartelheid overgegaan zijn. – Goeden nacht! – Hendrik! breng gij den kolonel naar huis. – Mijnheer Mannering! ik verwacht u morgen even over twee uur.”
De kolonel keerde naar huis terug, even verwonderd over de kinderlijke vroolijkheid, waarin hij den heer Pleydell had aangetroffen, als tevreden over de openhartigheid en het gezonde verstand, welke deze in de vluchtige, aan zijne beroepszaken gewijde, oogenblikken aan den dag had gelegd, en over de warme belangstelling, waarmede hij over de verlatene wees gesproken had.
Den volgenden morgen, terwijl Mannering met zijn kalmen en sprakeloozen reisgezel, dominé Sampson, nog aan het ontbijt zat, dat door Barnes klaargezet was, trad de heer Pleydell onverwacht binnen. Eene netjes opgemaakte, goed gepoederde pruik, eene deftige zwarte kleeding, waarop geen stofje te vinden was, nette zindelijke schoenen, gouden schoen- en kniegespen, een eerder terughoudend en afgemeten, dan indringend, doch met dat al geenszins stijf en verlegen gedrag, de volkomen rust der sprekende, eenigszins spotachtige trekken van zijn gelaat – alles vertoonde een geheel ander wezen, en slechts de scherpe doordringende blik van zijn schitterend oog verried den vroolijken man van den vorigen avond.
„Ik kom,” zeide hij zeer beleefd, „om mijne koninklijke macht, zoo wel in het geestelijke, als wereldlijke over u uit te oefenen. Zal ik u naar de presbyteriaansche kerk, of naar de vergaderplaats der episcopale gemeente geleiden? Een rechtsgeleerde behoort, zoo als gij weet, tot beide godsdiensten, of liever moest ik zeggen, tot beide vormen: of wenscht gij den voormiddag anders door te brengen? dan ben ik ook gaarne tot uw dienst. Gij moet mij mijne ouderwetsche, misschien lastige, beleefdheid vergeven. Toen ik geboren werd, hield men een Schot voor gastvrij noch beleefd, als hij een gast éen oogenblik, behalve des nachts, alleen liet; maar ik vertrouw, dat gij het mij vrij zeggen zult, als ik u ongelegen kom.”
„In geenen deele, Mijnheer Pleydell, ik geef mij gaarne aan uwe leiding over. Ik zou met genoegen eenige uwer Schotsche redenaars hooren, die uw vaderland door hunne uitstekende bekwaamheden zoo veel eer aandoen, uwen Blair, uwen Robertson of uwen Henry. Ik neem uw aanbod van ganscher harte aan. Maar,” vervolgde Mannering, den rechtsgeleerde ter zijde trekkende en de oogen op Sampson slaande, „deze mijn waardige, droomerige vriend is een weinig hulpeloos en afgetrokken; en Barnes, zijn gewone geleider, kan hem hier niet goed vergezellen, te meer, omdat de goede man eenige van uwe minder bekende en meer afgelegen godsdienstige vergaderplaatsen wenscht te bezoeken.”
De heer Pleydell keek Sampson aan en zeide: „waarlijk een zeldzaamheid, waardig, dat men er goed zorg voor draagt. Ik zal u een geschikten bewaarder bezorgen. Hoor eens,” vervolgde hij tegen den knecht van de herberg, „ga oogenblikkelijk naar Luckie Finlayson, waar Miles Macfin zeker zijn zal, en zeg hem, dat ik hem wensch te spreken.”
De bedoelde persoon verscheen weldra.
„Ik zal uwen vriend aan de zorgen van dezen man toevertrouwen,” zei Pleydell; „hij zal hem overal, waar hij verlangt te gaan, geleiden of vergezellen, hetzij naar eene presbyteriaansche of eene bisschoppelijke kerk, naar de markt of naar het gerechtshof, dat is volkomen hetzelfde; en hem, op ieder door u bepaald uur, veilig en behouden te huis brengen, zoo dat Barnes zich niet om den heer Sampson behoeft te bekommeren.”
Men werd het spoedig over de voorwaarden eens en Mannering nam, gedurende zijn verblijf in Edinburg, den man in zijn dienst, om den goeden dominé tot geleider te dienen.
„En nu, Mijnheer,” hernam Pleydell, „laat ons nu naar de Grauwebroederenkerk gaan, om onzen geschiedschrijver van Schotland, van het Vaste Land en van Amerika, te hooren.”
In deze verwachting werden zij bedrogen. Hij preekte dien morgen niet. „Laat u dit niet hinderen,” zei Pleydell; „heb slechts een oogenblik geduld; wij zullen, denk ik, toch wel voldaan worden.”
De ambtsbroeder van Robertson verscheen op den kansel [17]. Zijn uiterlijk was geenszins innemend. Hij was bijzonder tenger van gestalte en eene koolzwarte, ongepoederde pruik, welke zijn hoofd bedekte, stak zeldzaam af bij de bleekheid van zijn gelaat. Hij stond in eene gebogen houding en scheen zijne handen, welke hij onafgebroken op den rand van den preekstoel liet rusten, eer tot ondersteuning van zijn zwak lichaam noodig te hebben, dan tot het maken van gebaren te zullen gebruiken. Hij droeg geen tabbaard of mantel; niets, dan eene verkreukte bef, toonde zijnen geestelijken stand aan. Zijne geheele eenvoudige kleeding en stijve, gedwongene gebaren moesten een vreemdeling sterk in het oog vallen.
Dit was ook het geval bij Mannering, die zijnen vriend al spoedig influisterde: „uw predikant heeft in het geheel geen gunstig voorkomen.”
„Bekommer u daar niet om,” hernam Pleydell. „Hij is de zoon van een beroemden Schotschen rechtsgeleerde. Hij zal zijn vader geene schande aandoen, en toonen dat hij vol vuur is. Ik sta voor hem in.”
Pleydell’s voorspelling werd bewaarheid. Eene leerrede vol nieuwe, treffende en onderhoudende beschouwingen van de Heilige schrift, en waarin het Calvinisme der kerk van Schotland op eene bekwame wijze voorgestaan werd, diende ten grondslag van een gezond stelsel van practische zedekunde, dat den zondaar even weinig aan de slingerende golven van ongeloof of afzondering van de ware kerk overliet, als hem toestond, zich onder den mantel van bespiegelend geloof, of bijzondere gevoelens te verschuilen. Een eenigszins verouderde vorm in den stijl diende slechts, om dezen eigenaardig en kernachtig te maken. De leeraar had zijn opstel niet schriftelijk uitgewerkt, maar enkel de hoofdpunten op een klein stukje papier opgeteekend. De voordracht scheen in het eerst gebrekkig en verward te zijn, maar werd, naarmate de spreker in vuur geraakte, levendig en duidelijk; zoo dat Mannering, ofschoon deze leerrede niet voor een volmaakt voorbeeld van kanselwelsprekendheid gelden kon, bekennen moest, zelden eene godsdienstoefening bijgewoond te hebben, waarin de leeraar zoo veel geleerdheid, schranderheid, kracht en nadruk bij de behandeling van zijn onderwerp ten toon spreidde.
„Zoo,” zeide hij, bij het uitgaan der kerk, „moeten de leeraren geweest zijn, aan wier onverschrokken gemoed en groote, ofschoon soms ruw aangewende bekwaamheden wij de hervorming te danken hebben.”
„En toch,” hernam Pleydell, „heeft deze eerwaarde heer, dien ik zoo wel om hem zelven als om zijns vaders wil bemin, niets van de norsche of schijnheilige trotschheid, welke sommigen der eerste Calvinistische kerkvaders in Schotland wel eens te last gelegd is. Zijn ambtsbroeder en hij staan aan het hoofd van verschillende partijen in de kerk, en zijn niet eensgezind omtrent bijzondere punten van de kerkelijke tucht: maar zij verliezen daarom geen oogenblik de persoonlijke achting voor elkander uit het oog, en dulden geenszins dat zich boosaardigheid menge in dit verschil, dat zij van weerskanten standvastig en gemoedelijk volhouden.”
„En hoe denkt gij omtrent hunne verschilpunten, Mijnheer Pleydell?”
„Wel, ik denk, kolonel, dat een eenvoudig en eerlijk man zalig kan worden zonder zich dáarover te bekommeren. Bovendien ben ik, onder ons gezegd, een lid van de lijdende episcopale kerk van Schotland, – tegenwoordig (en dit is gelukkig) slechts de schaduw van eene schaduw; – maar ik bid gaarne, waar mijne vaderen vóór mij gebeden hebben, zonder juist ongunstig over de presbyteriaansche vormen te denken, omdat zij hetzelfde gevoel niet bij mij opwekken.”
Na dit gesprek nam Mannering afscheid van zijn vriend, met belofte om op het bepaalde uur het middagmaal bij hem te komen gebruiken.
Na alles wat Mannering van de woning van den rechtsgeleerde gezien had, kon hij niet dan zeer matige verwachtingen koesteren van het onthaal dat hem wachtte. Het straatje, waarin het huis stond, scheen bij dag nog somberder, dan den vorigen avond. Het was zoo nauw, dat de bewoners der tegenover elkander staande huizen elkaâr de hand bijna konden reiken, en hier en daar was de tusschenruimte door houten galerijen geheel betimmerd. De trap van het huis was niet behoorlijk gereinigd en, bij het binnentreden, verwonderde Mannering zich niet weinig over den ellendigen, smallen gang. De bibliotheek, waarin hij door een deftigen ouden bediende gebracht werd, leverde nochtans een tegenbeeld op van hetgeen hij tot hiertoe gezien had. Het was eene fraaie kamer, versierd met de portretten van eenige beroemde Schotsche geleerden door Jamieson, den Caledonischen Van Dijk, en rijkelijk met boeken, de beste schrijvers, voorzien.
„Deze,” zeide Pleydell, „zijn mijne ambachtsgereedschappen. Een rechtsgeleerde, onbedreven in de geschiedenis en letterkunde, is niet meer dan een handwerksman, een gewone metselaar; indien hij echter ook hierin bedreven is, kan hij zich een’ bouwmeester noemen.”
Bovenal werd Mannering aangenaam verrast door het uitzicht uit de vensters, Hier genoot hij in volle mate het heerlijke gezicht op de streek tusschen Edinburg en de zee, de zeeëngte van Forth met hare eilanden, de baai, door het grondgebied van Noord-Berwick omzoomd, en noordwaarts de golvende, heuvelachtige oevers van Fife, die den helderen blauwen gezichteinder insloten.