Chapter 21 of 43 · 3969 words · ~20 min read

Part 21

„Mijn vader, die, bij zijne verhevene denkbeelden omtrent militair plichtbesef, zelfs een hond, indien deze in naam des konings kwam, als een zeer gewichtig wezen beschouwen zou, gaf aanstonds de noodige bevelen om de goederen te bergen, en wapende de dienstboden, ten einde het huis in geval van nood te verdedigen. Hazlewood hielp hem hierbij zoo veel mogelijk, en zelfs dat wonderlijke schepsel, Sampson genaamd, kwam uit zijn hol te voorschijn en greep een jachtgeweer, dat mijn vader weggelegd had, om zich met eene buks, zoo als men in Indië bij eene tijgerjacht gebruikt, te wapenen. Het geweer ging in de ongeoefende handen van den armen dominé (dezen bijnaam draagt hij) los en bijna was een der tolbedienden door het schot getroffen. Bij deze onverwachte losbranding riep hij zijn „ver–ba–zend!” uit, zoo als hij steeds gewoon is, als hem iets verrassends overkomt. Niets kon intusschen den man bewegen, om zijn geweer weer af te staan, zoo dat men hem het eindelijk liet behouden, doch tevens de voorzorg gebruikte om hem geen kruit en lood toe te vertrouwen. Hazlewood verhaalde ons naderhand al deze omstandigheden, waarvan ik toen, zoo als gij wel kunt denken, weinig meer dan den slag bij het losbranden van het geweer bemerkte, en vermaakte ons bijzonder door zijne beschrijving van de onhandige, maar vurige dapperheid van den armen dominé.

„Toen mijn vader alles tot de verdediging gereed en zijn volk met vuurwapens aan de vensters geplaatst had, wilde hij ons in veiligheid, ik geloof in den kelder, brengen; maar wij wilden het vertrek volstrekt niet verlaten. Ik heb zoo veel van den moed mijns vaders, dat ik ofschoon doodelijk beangst, liever het gevaar dat ons dreigde in de oogen wilde zien, dan het rondom mij hooren woeden, zonder den aard er van en de vorderingen, die het maakte te kennen. Lucie, bleek als een marmeren standbeeld, hield hare oogen onbeweeglijk op Hazlewood gevestigd en scheen zelfs niet te hooren, dat hij haar bezwoer zich achter in het vertrek te begeven. Intusschen was het gevaar niet zeer groot voor ons, tenzij de deur met geweld opengebroken werd: want alle vensters waren met kussens en bedden en, tot groot leedwezen van Sampson, met in der haast uit de bibliotheek gehaalde folianten zoo goed verschanst, dat er slechts kleine openingen gelaten waren, waardoor men op de aanvallers zou kunnen vuren.

„Alle schikkingen waren nu gemaakt en wij zaten in angstige verwachting in het donkere vertrek. De mannen stonden zwijgend op hunne posten. Mijn vader, die bij zulk een tooneel geheel te huis was, ging van den een naar den ander en herhaalde zijn bevel, dat niemand zou vuren voor dat hij het gelastte. Hazlewood, wiens moed door het voorbeeld mijns vaders scheen te ontvlammen, nam den post van adjudant waar en snelde heen en weder, om bevelen over te brengen en voor de uitvoering te waken. Onze macht, de vreemdelingen mede gerekend, bestond uit een twaalftal mannen.

„Eindelijk werd de stilte van dezen tusschentijd van angstige verwachting afgebroken door een geraas, dat uit de verte als het ruischen van een stroom klonk; maar toen het nader kwam, konden wij duidelijk de hoefslagen van vele paarden in den vollen ren onderscheiden. Ik had voor mij zelve eene kleine opening in een der verschanste vensters gemaakt, waardoor ik den vijand kon zien aankomen. Het gedruisch werd steeds sterker en naderde allengs. Eindelijk kwamen er meer dan dertig ruiters het plein voor het huis oprijden. Nooit hebt gij zulke verschrikkelijke booswichten gezien! Niettegenstaande de strenge koude, waren de meesten hunner half naakt. Zij hadden zijden doeken om het hoofd gebonden en waren allen goed met karabijnen, pistolen en houwers gewapend. Nog nooit in mijn leven heeft mij, de dochter van een krijgsman en van mijne jeugd af aan den oorlog gewoon, iets zoo zeer verschrikt als het woeste voorkomen van deze booswichten op hunne dampende paarden en de verschrikkelijke woede, waarin zij geraakten toen zij zagen dat hun prooi hun ontkomen was. Maar toen zij de toebereidselen tot hunne ontvangst bemerkten, aarzelden zij eenige oogenblikken en schenen onderling te raadplegen. Eindelijk trad één hunner, die om onbekend te blijven het aangezicht met buskruit zwart gemaakt had, met een’ witten doek op zijne karabijn vooruit en verzocht den kolonel Mannering te mogen spreken. Tot mijn onuitsprekelijken schrik opende mijn vader een venster waarbij hij stond, en vroeg den afgezant wat hij begeerde.

„Wij verlangen onze goederen, welke die schurken geroofd hebben, terug,” was het antwoord „en onze luitenant laat u zeggen dat wij, indien de boel teruggegeven wordt, voor dezen keer heengaan zullen zonder met de schelmen die ze gestolen hebben af te rekenen; maar zoo niet, dan steken wij het huis in brand en allen die er in zijn zullen wij doodslaan,” – eene bedreiging, welke de kerel met de verschrikkelijkste vloeken en de onmenschelijkste bijvoegsels, welke de wreedheid kan ingeven, meer dan eens herhaalde.

„En wie is uw luitenant?” vroeg mijn vader.

„De man op gindschen schimmel, met een rooden doek om het hoofd.”

„Zeg hem dan, dat indien hij niet oogenblikkelijk met de deugnieten die hem vergezellen, deze plaats verlaat, ik zonder verdere plichtplegingen op hen zal laten vuren.” Met deze woorden sloot mijn vader het venster en brak het gesprek af.

„Nauwelijks was de knaap weder bij zijn volk gekomen, of allen gaven met een luid hoera, of liever met een woest gehuil, vuur op onze bezetting. De vensterglazen vlogen aan alle kanten in stukken; maar de genomen voorzorgen bewaarden de verdedigers voor alle leed. Drie malen herhaalden zij dit algemeene salvo, zonder dat het door een enkel schot van binnen beantwoord werd. Toen zag mijn vader dat zij bijlen en breekijzers voor den dag haalden, waarschijnlijk om de deur te bestormen en riep nu: „Dat niemand vuur geve dan Hazlewood en ik. Hazlewood, leg gij op den afgezant aan.” Hij zelf mikte op den man op den schimmel en deze viel oogenblikkelijk. Hazlewood was even gelukkig; hij trof den spreker, die afgestegen was en met eene bijl in de hand nader kwam. Door hun val verloren de overigen den moed en begonnen hunne paarden om te draaien. Na eenige weinige schoten, die nog op hen gedaan werden, kozen zij het hazepad en namen hunne gesneuvelde, of gekwetste makkers mede. Wij konden niet ontdekken of zij andere verliezen geleden hadden. Kort na hun aftocht verscheen er, tot mijne groote vreugde, eene afdeeling soldaten, die op het eerste gerucht van het gevecht hierheen gesneld waren en in de omliggende dorpen gehuisvest werden. Eenigen van hen geleidden de beangste tolbedienden met de aangehouden goederen naar eene naburige zeehaven, die zij voor eene veilige schuilplaats hielden, en op mijn ernstig verzoek bleven eenige manschappen bij ons, om het huis tegen de wraak van deze booswichten te beveiligen.

„Dit was mijn eerste schrik, lieve Mathilda! Ik moet niet vergeten, u nog te zeggen, dat de roovers den man met het zwartgemaakte gezicht in eene hut aan den weg achterlieten, waarschijnlijk omdat hij niet vervoerd kon worden. Hij stierf na verloop van een half uur. Bij nader onderzoek van het lijk bleek het, dat het een losbandige boer uit de buurt, een beruchte strooper en smokkelaar was. Wij ontvingen vele gelukwenschingen van de naburige familiën en men was algemeen van gevoelen, dat een paar zulke voorbeelden van moedigen wederstand de vermetelheid van deze booswichten aanmerkelijk zouden beteugelen. Mijn vader deelde belooningen onder zijne dienstboden uit en verhief Hazlewood’s moed en koelbloedigheid tot aan de wolken. Lucie en ik kregen ook ons deel van zijne loftuitingen, omdat wij onder het schieten standvastig gebleven en hem door geen geschreeuw of geklaag gehinderd hadden. Mijn vader verzocht Sampson bij deze gelegenheid, om hunne snuifdozen met elkander te verruilen. De brave man gevoelde zich door dit aanbod zeer gevleid en prees de schoonheid van zijne nieuwe doos boven mate. „Dezelve,” zeide hij, „zag er zoo schoon uit, als of het echt goud van Ophir was.” Het zou ook inderdaad vreemd geweest zijn, indien dit het geval niet ware, daar de doos werkelijk van dat edele metaal was. Maar om den eerlijken man geen onrecht te doen, moet ik verklaren, dat ik niet geloof, dat hij de goedheid van mijn vader hooger waardeeren zou, indien hij de wezenlijke waarde gekend had, terwijl hij nu vooronderstelt dat de doos van verguld koper is. Het heeft hem veel moeite gekost, om de folianten, die tot beschutting gebruikt werden, weder op hunne plaats te brengen, de kreuken en vouwen er uit te maken en andere, gedurende hun dienst bij de verschansing ontvangene schade te herstellen. Hij bracht ons eenige stukken lood en kogels, welke deze zware boekdeelen onder het gevecht in hunne vaart gestuit hadden en die hij er zeer zorgvuldig had uitgetrokken. Indien ik lust tot schertsen had, zou ik u een vroolijk tafereel kunnen ophangen van zijne verwondering over de onverschilligheid, waarmede wij het verhaal der wonden en verminkingen, welke Thomas Aquinas of de heilige Chrysostomus ontvangen hadden, aanhoorden. Maar ik ben in geen vroolijken luim en heb u nog een ander en gewichtiger voorval mede te deelen. Ik gevoel mij echter door het schrijven van dezen brief zoo vermoeid, dat ik de pen niet voor morgen weder kan opvatten. Ik zal dezen brief voor’s hands terughouden, opdat gij u niet ongerust moogt maken voor uwe

Julia Mannering.”

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

’t Is me een schoone wereld! – Weet gij van dit fraaie stuk wat af?

Shakspeare.

Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.

„Ik vat den draad van mijn verhaal, dat ik gisteren moest afbreken, weder op.

„Gedurende een paar dagen spraken wij van niets anders, dan van de belegering en de waarschijnlijke gevolgen daarvan. Wij drongen er bij mijn vader sterk op aan, om ons voor eenigen tijd naar Edinburg of ten minste naar Dumfries, waar het gezellig verkeer ook bijzonder goed is, te begeven, tot de wraakzucht van de booswichten verkoeld zou zijn. Hij antwoordde zeer bedaard, dat hij geen lust had, om het huis, dat hij gehuurd had, en zijne bezittingen te Woodbourne te laten verwoesten; dat men hem steeds in staat geoordeeld had, de noodige maatregelen tot bescherming en beveiliging van zijne familie te nemen; dat hij begreep, dat de wijze, waarop de schelmen ontvangen waren, hen tot geen tweede bezoek zou uitlokken, als hij gerust te huis bleef. Indien hij echter eenige vrees liet blijken, zou dit juist het beste middel zijn, om ons het gevaar waarvoor wij vreesden, werkelijk op den hals te halen. Bemoedigd door zijne woorden en de volkomene onverschilligheid, waarmede hij het vermeende gevaar behandelde, verminderde onze vrees langzamerhand en begonnen wij onze gewone wandelingen weder. Soms verzochten wij echter de heeren om hun geweren mede te nemen, als zij ons vergezelden, en ik bemerkte, dat mijn vader, gedurende eenige avonden, er bijzonder scherp op lette, dat het huis goed gesloten was, en den dienstboden beval, hunne wapenen gereed te houden in geval van nood.

Drie dagen later gebeurde er echter iets, dat mij veel grooter schrik aanjoeg, dan de aanval van de smokkelaars.

„Ik heb u reeds gezegd, dat er niet ver van Woodbourne een meertje ligt, waarheen de heeren soms gaan om watervogels te schieten. Ik zei toevallig bij het ontbijt, dat ik dit meer thans gaarne eens wilde zien, terwijl het dicht gevroren was en tot verzamelplaats voor liefhebbers van schaatssenrijden en andere ijsvermaken diende. De grond was wel met sneeuw bedekt, maar zoo hard bevroren en het voetpad, door den grooten toevloed van menschen, die het oord tot tijdverdrijf bezochten, zoo vast getreden, dat Lucie en ik, naar mijn gevoelen, deze wandeling gerust konden ondernemen. Hazlewood bood zich aan, om ons te vergezellen, en wij bedongen, dat hij zijn jachtgeweer zoude medenemen. Hij lachte hartelijk over het denkbeeld van in de sneeuw op de jacht te gaan, maar beval toch, om ons gerust te stellen, een stalknecht, die soms den post van jager waarneemt, ons met zijn geweer te volgen. Mijn vader, die niet van groote volksverzamelingen houdt behalve bij eene wapenschouwing, verkoos niet van de partij te zijn.

„Wij begaven ons zeer vroeg op weg. Het was een koude, maar zeer schoone en heldere morgen, en onze opgeruimdheid werd vermeerderd, even als onze zenuwen versterkt werden door de zuivere lucht. Onze wandeling naar het meer was bekoorlijk, of ten minste waren de moeielijkheden van zulken aard, dat ze ons vermaakten. Soms was er eene gladde helling of eene dicht gevroren sloot, waarover wij moesten, waarbij Hazlewood’s hulp dan volstrekt onontbeerlijk was; en ik geloof niet, dat deze toevallige hindernissen de wandeling minder aangenaam voor Lucie maakten.

„Het gezicht op het meer was verrukkelijk. Aan de eene zijde wordt het ingesloten door steile rotsen, waaraan ontelbare, geweldige ijskegels hingen, die als juweelen in de zon schitterden; aan de andere zijde was een boschje van pijnboomen, welker witbesneeuwde takken een treffend gezicht opleverden. Op het met ijs bedekte meer zelf bewogen zich ontelbare gestalten; sommigen vlogen met de snelheid der zwaluwen over de gladde oppervlakte; anderen bewogen zich in sierlijke kringen, en nog anderen stonden vol belangstelling rondom de plaats, waar de bewoners van twee naburige dorpen in het balspel naar den prijs dongen – eene eer, welke, naar de belangstelling zoo wel der omstanders als der medespelers te oordeelen, op geen geringen prijs gesteld werd. Wij wandelden aan den arm van Hazlewood rondom het meer. Hij sprak zeer vriendelijk met oud en jong en scheen, met recht, zeer bemind bij de menigte te zijn. Eindelijk begonnen wij aan terugkeeren te denken.

„Maar, waarom schrijf ik u alle deze kleinigheden? Niet omdat ik ze zoo belangrijk vind, neen, de hemel weet het, maar omdat ik als drenkeling, die naar een broos takje grijpt, om zich vast te houden, alles aanvat om het volgende en verschrikkelijke gedeelte van mijn verhaal uit te stellen. Maar ik moet het u mededeelen; ik moet in dit hartverscheurend ongeluk door de deelneming van ten minste ééne vriendin getroost worden.

„Wij gingen langs een voetpad, dat door een dennenboschje loopt, terug. Lucie had Hazlewood’s arm los gelaten: want alleen bij dringende noodzakelijkheid neemt zij zijn bijstand aan. Ik leunde nog op zijnen anderen arm. Lucie volgde dicht achter ons en de knecht bleef een paar schreden achter. Zoo wandelden wij welgemoed naar huis, toen bij eene kleine kronkeling in het pad, plotselings Brown, alsof hij uit de aarde opgestegen was, voor ons stond. Hij was eenvoudig, ja, ik mag zeggen slecht gekleed, en er was in zijn geheel voorkomen iets woests en gejaagds. Half van verrassing, half van schrik, gaf ik een gil. Hazlewood begreep de reden van mijne ontroering niet en beval Brown, toen deze naar mij toekwam alsof hij mij aanspreken wilde, op hoogen toon, zich te verwijderen en mij niet te verontrusten. Brown antwoordde even trotsch, dat hij van hem niet behoefde noch verlangde te leeren, hoe hij zich jegens dames gedragen moest. Ik geloof dat Hazlewood, met het denkbeeld bezield dat Brown tot de bende smokkelaars behoorde en een kwaad oogmerk had, hem niet verstond. Hij rukte den knecht, die op dit oogenblik naast hem stond, het geweer uit de hand, legde op Brown aan en beval hem nogmaals zich te verwijderen, als hij zijn leven lief had. Ik kon van schrik geene samenhangende woorden uitbrengen: ik kon niets dan angstig gillen, en verhaastte daardoor slechts de ongelukkige ontknooping. Toen Brown zich dus bedreigd zag, sprong hij op Hazlewood toe, worstelde met hem en had hem bijna het geladen geweer ontwrongen, toen het ongelukkig losging en Hazlewood in den schouder trof. Deze viel oogenblikkelijk. Ik zag niets meer; alles schemerde mij voor de oogen en ik zeeg onmachtig neder. Maar zoo als Lucie mij naderhand verhaalde, staarde de ongelukkige dader eenige oogenblikken op het verschrikkelijke schouwspel, tot haar angstig gegil op het meer gehoord werd en verscheidene menschen kwamen toesnellen. Toen sprong hij over de heg, die het voetpad van het bosch afscheidde, en tot nog toe heeft men niets meer van hem gehoord. De knecht deed geene poging om hem terug te houden of te vatten, en het verhaal dat hij de lieden die toegeschoten waren van de geheele zaak deed, was eerder geschikt om hen te bewegen mij in het leven terug te roepen, dan hun moed te toonen door het vervolgen van een vermetelen booswicht, die naar de beschrijving van den knecht, eene verbazende lichaamskracht bezat en zwaar gewapend was.

„Hazlewood werd veilig naar huis, namelijk naar Woodbourne, gebracht. Ik vertrouw dat zijne wond in het geheel niet gevaarlijk is, ofschoon hij veel lijdt. Voor Brown moeten de gevolgen evenwel zeer ongelukkig zijn. Hij is buitendien reeds een voorwerp der verbittering van mijn vader, en nu wordt hij zoo wel door de wetten des lands als door de bittere wraak van den ouden Hazlewood vervolgd, die dreigt hemel en aarde te bewegen om den dader te doen vatten. Hoe zal het hem mogelijk zijn, aan de ijverige nasporingen van zijne wraakzuchtige vervolgers te ontsnappen? Hoe zal hij zich, indien hij gevat wordt, tegen de gestrengheid der wetten kunnen verdedigen, die, zooals ik gehoord heb, zelfs zijn leven bedreigen, en hoe zal ik middelen vinden om hem voor deze gevaren te waarschuwen? Bovendien bedroeft Lucie’s slecht verborgen kommer over de wond van haren beminde mij ook ten hoogste, en zoo schijnt alles rondom mij te getuigen tegen den onbezonnene, die de oorzaak van dit ongeluk is.

„Ik ben twee dagen lang wezenlijk erg ziek geweest; maar het bericht dat Hazlewood aan het beteren en er volstrekt geen spoor te vinden was van den man, die op hem geschoten had, en die, zoo als men zeker wist, tot de smokkelaars behoorde, had een heilzamen invloed op mijne gezondheid. Brown kan natuurlijk des te gemakkelijker ontsnappen, daar alleen deze lieden nu verdacht en vervolgd worden, en ik hoop dat hij reeds in veiligheid zal zijn. Maar ruiters en soldaten doorkruisen het land in alle richtingen, en ik word onophoudelijk gepijnigd door duizenderlei verwarde en onzekere geruchten van gevangennemingen en ontdekkingen.

„Ik schep nochtans mijn’ grootsten troost in Hazlewood’s edelmoedige oprechtheid. Hij volhardt bij zijne verklaring dat, met welk oogmerk de persoon die hem gewond heeft ons ook genaderd moge zijn, hij stellig overtuigd is dat het geweer onder de worsteling bij toeval losgegaan en de wond hem niet voorbedachtelijk toegebracht is. De knecht houdt daarentegen staande, dat het geweer uit Hazlewood’s handen gewrongen en opzettelijk op hem aangelogd was. Lucie helt tot hetzelfde gevoelen over. Ik beschuldig hen niet, dat zij de zaak met voordracht overdrijven. Het bewijst alleen hoe onzeker alle menschelijke getuigenis is: want het is zonder eenigen twijfel, dat het schot toevallig was. Misschien zou het beste zijn, dat ik Hazlewood het geheele geheim ontdekte; maar hij is nog zeer jong en ik gevoel den hevigsten weerzin, om hem mijne dwaasheid te bekennen. Ik heb reeds eenmaal het voornemen gehad om Lucie het geheim te openbaren, en begon met haar te vragen wat zij zich van de gestalte en de gelaatstrekken van den man, met wien wij zulk eene ongelukkige ontmoeting hadden gehad, herinnerde? maar zij gaf eene afzichtelijke beschrijving van een struikroover, dat ik allen moed en allen lust verloor om haar tot de vertrouwde van mijne liefde te maken. Ik moet zeggen dat Lucie Bertram in hare vooringenomenheid wonderbaarlijk verblind is geweest, want er zijn weinige mannen schooner dan de arme Brown. Ik had hem sedert lang niet gezien, maar ofschoon hij zich bij deze zonderlinge en plotselinge verschijning in een zeer ongunstig licht vertoonde, komt het mij voor dat zijne gestalte nog bevalliger en zijn gelaat nog edeler geworden is.

„Zullen wij elkander ooit wederzien? Wie kan deze vraag beantwoorden?... Schrijf mij iets hartelijks, liefste Mathilda! Maar deedt gij ooit anders? Nog eens, schrijf mij spoedig en schrijf mij hartelijk! Ik ben in geen toestand, waarin raad of berisping mij van dienst kan zijn, en ik heb te veel van mijne gewone vroolijkheid verloren, om ze met scherts te beantwoorden. Ik ben angstig als een kind, dat onder het spelen onwetend een machtig werktuig in beweging gebracht heeft en nu, terwijl het de raderen rondom zich ziet rollen, de ketenen hoort rammelen en de cilinders wentelen, ten uiterste verbaasd is over de verschrikkelijke krachten, die het met zijne zwakke hand aan het werk gebracht heeft, en voor de gevolgen siddert, welke het moet afwachten, zonder ze te kunnen afwenden.

„Ik moet u nog melden, dat mijn vader zeer vriendelijk en liefderijk jegens mij is. De angst, dien ik uitgestaan heb, is eene geldige verontschuldiging voor mijne klachten over zenuwachtigheid. Ik hoop, dat Brown naar Engeland, of anders naar Ierland of het eiland Man ontsnapt is. Hij kan dan geduldig en veilig afwachten, welke gevolgen de wond van Hazlewood heeft: want die landen staan, wat de rechtspleging aangaat, met Schotland, God dank! in geene zeer nauwe gemeenschap. Indien men hem op dit oogenblik in handen kreeg, zouden de gevolgen verschrikkelijk zijn. Ik zoek mij door allerlei argumenten tegen de mogelijkheid van zulk een ongeluk te versterken. Helaas! hoe schielijk hebben wezenlijke en ernstige rampen en bekommeringen het eentonige en geruste leven, waartegen ik nog onlangs geneigd was te morren, opgevolgd! Maar ik wil u met mijne klachten niet langer lastig vallen. Vaarwel, waarde Mathilda!

Julia Mannering.”

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Een mensch kan ook zonder oogen zien, hoe het in deze wereld toegaat. – Zie maar – met uwe ooren! Ziet ge hoe de rechter den armen dief uitscheldt? – Laat ik u een woordje influisteren! Doe hen maar van plaats veranderen: een, twee, drie! Wie is nu de rechter? Wie de dief?”

Koning Lear.

Niemand deed meer moeite, om den persoon, die den jongen Hazlewood aangevallen en gewond had, te ontdekken, dan de heer Gilbert Glossin, voorheen zaakwaarnemer te –, nu heer van Ellangowan, en een der achtbare vrederechters van het graafschap **. Verscheidene redenen bewogen hem hiertoe; maar, na alles wat van dezen man reeds gezegd is, mag men veilig veronderstellen, dat geen heilige en vurige liefde voor de gerechtigheid de drijfveer van zijn ijver was.

Het ware van de zaak is, dat deze achtbare man zich niet zoo gelukkig gevoelde, als hij in het begin verwachtte, toen hij zich door zijne slinksche streken in het bezit der goederen van zijn weldoener gevestigd zag. Als hij zich te huis bevond, waar zoo veel hem aan vorige tijden herinnerde, waren de overdenkingen, die bij hem opkwamen, dikwijls van geheel anderen aard dan inwendige tevredenheid over het welslagen zijner listen; en als hij de oogen op zijne positie buitenshuis vestigde, bemerkte hij met geene aangename gewaarwordingen, dat de aanzienlijken van het land, tot wier stand hij meende zich verheven te hebben, hem van hun omgang uitsloten. Hij werd niet tot het gezellige verkeer met hen toegelaten, en bij openbare bijeenkomsten dwarsboomden zij hem zoo veel mogelijk, en zagen koel en met verachting op hem neder. Deze afkeer ontstond én uit grondbeginsel én uit vooroordeel: want de aanzienlijken verachtten hem om zijne lage geboorte en haatten hem om de middelen, waardoor hij zich tot een hoogeren stand verheven had. Bij de geringere volksklasse stond hij in een nog veel slechter naam. Deze menschen wilden hem den titel „Ellangowan,” die hem door zijne bezittingen toekwam, niet geven en hem zelfs geen „Mijnheer” Glossin noemen; bij hen heette hij eenvoudig Glossin. En zijne ijdelheid was zoo ongeloofelijk gekrenkt door deze kleinigheid, dat hij een bedelaar wel eens een daalder gaf in plaats van een stuiver, omdat deze hem, bij het vragen om eene aalmoes, driemaal „Ellangowan” genoemd had. Dit algemeene gebrek aan achting viel hem nu zeer smartelijk en hij gevoelde dit nog te dieper, wanneer hij zich bij Mac-Morlan vergeleek, die, ofschoon met veel minder wereldsche goederen gezegend, zich door rijk en arm bemind en geëerd zag, en langzaam, maar zeker, den grond tot een matig vermogen legde, dat hem door niemand, die hem kende, misgund werd.