Chapter 5 of 43 · 3915 words · ~20 min read

Part 5

„Ei zie toch!” zei de heer van de plaats tot zijn gast, dien hij reeds eenigen tijd gezocht en nu gevonden had, „daar varen zij heen, daar gaan de smokkelaars heen. Dat is Dirk Hatteraick, kapitein van de Juffer Hagenslapen, half Schot, half Hollander, half duivel! Dat gaat er door, den boegspriet uitgestoken, het groote zeil, topzeil en bramzeil, marszeil en alle zeilen in top, en dan voort – hem volge, wie maar kan! Die vent, Mijnheer Mannering, is de schrik van alle tolschepen; zij kunnen hem niets doen; hij slaat ze af, of weet altijd weg te komen. Maar het spreken over den tol herinnert me er aan, dat ik u tot het ontbijt noodigen wilde; gij zult een kopje thee drinken, dat –”

Mannering bemerkte nu, dat de gedachten van Bertram zich wonderlijk aaneen schakelden, en bracht hem, voor dat hij verder afdwaalde, door eene vraag naar Dirk Hatteraick, weder op het punt, waarvan hij was uitgegaan.

„Ja hij is – geen kwade, maar een vermetele deugniet; – een ieder wachte zich, om hem iets in den weg te leggen; een smokkelaar, als hij zijne kanonnen tot ballast gebruikt, – een kaper, of liever zeeroover, wanneer ze op de affuiten liggen. Niemand heeft de tolbedienden zooveel schade gedaan, als hij.”

„Dan verwondert het mij, Mijnheer Bertram, dat iemand van zijn aard hier bescherming en aanmoediging vindt.”

„Waarom, Mijnheer Mannering? Men moet toch brandewijn en thee hebben, en men kan ze niet anders dan langs dien weg bekomen. Daarbij wordt er ook niet scherp gerekend, en vindt men tegen Kersmis ook wel eens een paar vaatjes, of een dozijn pond thee voor de staldeur, in plaats van de vervloekte lange rekeningen van den kruidenier te Kippletringan, die altijd klinkende munt wil hebben, of op zijn best zeer kort crediet geeft. En Hatteraick neemt hout of garst, of wat het ook wezen mag, aan. Ik zal u eene fraaie grap daarvan verhalen. Er was eens een heer, Macfie van Gudgeonford, die eene groote menigte kippen had, welke de pachters, in plaats van pacht of huur, aan den landheer betalen; – die ik krijg, zijn altijd zeer slecht gevoerd; verleden week zond mij Luckie Finiston er drie; het was schande, zoo als ze er uitzagen, en zij heeft toch eene flinke pachthoeve – het is de vrouw van Duncan Finiston, die onlangs gestorven is; – we moeten toch allen eenmaal sterven; – wij spreken nu wel over sterven, maar laat ons intusschen leven: het ontbijt staat op de tafel en de Dominé is gereed, het gebed te doen.”

Sampson deed diensvolgens een gebed, hetwelk veel langer was, dan Mannering van den woordkarigen man verwacht had. De thee, welke zonder twijfel van den edelen kapitein Dirk Hatteraick afkomstig was, werd voortreffelijk gevonden. Mannering gaf echter, met de noodige bescheidenheid, een wenk betreffende het gevaar, dat er in gelegen was, om zulke gevaarlijke menschen aan te moedigen. „Ware het dan alleen om rechtvaardig te zijn op het punt van het tolwezen, zoo zou ik toch denken. –”

„O! de tolbedienden,” zei Bertram, die nooit een algemeen of afgetrokken denkbeeld vatte, en bij tolrecht of tolwezen aan niets anders dacht, dan aan opzichters, ontvangers en andere tolbedienden, die hij bij toeval kende; – „de tolbedienden weten wel voor zich zelven te zorgen. Niemand behoeft hen te helpen, en buitendien hebben zij de soldaten ook nog tot hun bijstand. En wat het recht aangaat, daarmede heb ik niets te doen, want Mijnheer Mannering! het zal u zeker verwonderen te hooren, dat ik niet eens vrederechter ben.”

Mannering toonde de verwondering bij hem verondersteld, ofschoon hij bij zich zelven dacht, dat het achtbare gerechtshof er niet veel nadeel bij leed, dat zijn goedaardige gastheer geen lid daarvan was. De heer Bertram was door dit gesprek op een van die weinige onderwerpen gekomen, waarin hij veel belang stelde en waarover hij met eenig vuur sprak. „Neen, Mijnheer,” vervolgde hij, „de naam van Godfried Bertram van Ellangowan is niet op de lijst der nieuw benoemde vrederechters, ofschoon hier bijna ieder landeigenaar, hoe gering zijn eigendom ook wezen moge, naar de vergaderingen van het gerechtshof moet rijden en den titel van vrederechter achter zijn naam mag plaatsen. Ik weet echter best wien ik dat te danken heb. Sir Thomas Kittlecourt zei bijna ronduit, dat hij het mij betaald zou zetten, als ik hem bij de laatste verkiezing niet helpen wilde, – en omdat ik liever partij koos voor mijn eigen bloedverwant, den heer van Bulraddery, schrapten zij mijn naam van de lijst der kiezers en nu, dat men vrederechters benoemt, laat men mij er buiten! En als ze zeggen, dat het gebeurt omdat ik den veldwachter Mac-Guffag de stukken liet opmaken en alles zelf doen, alsof ik een wassenbeeld was, dan is dat gelogen; – want van mijn leven heb ik niet meer dan zeven bevelen tot arrestatie uitgevaardigd, en de Dominé schreef ze allemaal – en het was niet dan bij ongeluk, dat in die malle zaak van Mac-Gruttier de dienders hem een paar dagen in het oude slot opgesloten hielden, tot zij eene goede gelegenheid konden vinden om hem naar de gevangenis over te brengen, – wat mij, tusschen twee haakjes, – een boel geld kostte. – Ik begrijp echter best wat Sìr Thomas wil; – even als in de quaestie over de zitplaats in de kerk te Kilmagirdle. – Ik zou ook wel willen weten, of die plaats in de voorste bank mij niet eerder toekwam dan Mac-Crosskie van Creschstone, den zoon van een wever uit Dumfries?”

Mannering gaf zijne sympatie te kennen met al deze grieven.

„Ja, Mijnheer Mannering, – en dan was de geschiedenis over den weg en den dijk. – Daar stookte Sir Thomas ook achter en ik zeide ronduit aan den Griffier, dat bij hem de aap uit de mouw kwam, – en daar konden zij van maken wat ze verkozen. Nu vraag ik u, of eenig fatsoenlijk man, – of eenige fatsoenlijke lieden, het in ’t hoofd zouden krijgen om een weg aan te leggen dwars over den hoek van een ingedijkten polder en – zoo als mijn rentmeester zeide, minstens twee roeden weiland bederven? En dan was er weêr de zaak over de benoeming van een ontvanger van –”

„’t Is zeker hard voor u, Mijnheer, om met minachting te worden bejegend in een streek waar uwe voorouders, – naar hun aloud verblijf te oordeelen, – eene zeer belangrijke rol hebben gespeeld.”

„Wel waar, Mijnheer Mannering! – Ik ben een eenvoudig man, die zich niet veel daarop laat voorstaan, en daar niet veel van weet; maar ik wilde wel, dat gij mijn vader had kunnen hooren vertellen van de oude gevechten der Mac-Dingawaies (de voorouders der tegenwoordige Bertrams) tegen de Ier- en Hooglanders, die met hunne volgelingen uit Ilay-Cantyre hierheen kwamen, en van hunne tochten naar het Heilige land, naar Jeruzalem en Jericho, met hun geheelen stam. (Zij zouden beter gedaan hebben niet naar Jamaïka te trekken, als de oom van Sir Thomas Kittlecourt); maar zij hebben reliquien, zoo als de Katholieken hebben, en een vaandel, dat nog op den zolder ligt, vandaar medegebracht. Zij hadden beter gedaan, indien zij uit Jamaïka kisten met suiker en vaten met rum medegebracht hadden; dan zou het er thans met deze bezittingen beter uitzien. Er is echter geen vergelijking tusschen het slot van Kittlecourt en het kasteel van Ellangowan. Hun gebouw heeft een front van nog geen veertig voet. – Maar gij vergeet het ontbijt geheel en al, Mijnheer Mannering! Proef toch iets van dezen ingelegden zalm. John Hay heeft hem juist Zaterdag voor drie weken gevangen in de beek bij Hempseed – enz. enz.”

De gastheer, wiens verontwaardiging hem een tijdlang bij één onderwerp bepaald had, verviel nu weder tot zijne gewone afdwalingen onder het spreken, zoodat Mannering overvloedig tijd had, om na te denken over het vervelende van een toestand, die hem voor een uur nog benijdenswaardig voorgekomen was. Hij hoorde hier een landedelman, wiens meest prijzenswaardige eigenschap zijne goedaardigheid scheen te zijn, zich zelven kwellen en tegen anderen morren, en dat over zaken, welke, bij wezenlijke ongelukken vergeleken, als een stofje aan de weegschaal wegen. Maar zoo bedeelt de Voorzienigheid allen met gelijke rechtvaardigheid, en diegenen, welke geene zware rampen ondervinden, worden door kleinigheden gekrenkt, die hunne blijmoedigheid storen.

Nieuwsgierig om de zeden des lands te leeren kennen, vroeg Mannering na een geëindigd verhaal van zijn gastheer, wat kapitein Hatteraick toch met de Heidin te doen kon hebben? „Ik denk dat zij zijn schip moest zegenen. Gij moet weten, Mijnheer Mannering, dat deze vrijhandelaars, of smokkelaars, zoo als de wet hen noemt, geen godsdienst hebben, maar in het algemeen zeer bijgeloovig zijn en veel met bezweringen, tooverspreuken en dergelijken onzin ophebben.”

„IJdelheid en nog erger,” sprak Sampson. „Het is omgang met den booze. Bezweringen, amuletten, tooverspreuken zijn van hem afkomstig – uitgezochte pijlen uit den koker van Apollyon.”

„Houd je toch stil, Dominé! gij spreekt ook onophoudelijk,” (het waren de eerste woorden, die de arme man, behalve het gebed en de dankzegging, den geheelen morgen gesproken had), „mijnheer kon om u immers niet aan het woord komen! En nu, Mijnheer Mannering, terwijl wij over waarzeggerij, bezweringen en dergelijken spreken, valt het mij in; zijt ge zoo goed geweest om te denken aan hetgeen, waarover wij gisteren avond gesproken hebben?”

„Ik begin bijna met uwen waardigen vriend te denken, Mijnheer Bertram, dat ik met scherpe messen gespeeld heb. Ofschoon gij, noch ik, noch eenig ander verstandig mensch aan de voorspellingen der sterrenwichelarij geloof kan hechten, zoo is het toch wel eens gebeurd, dat in scherts gedane navorschingen in de toekomst een ernstigen en nadeeligen invloed, zoowel op handelwijze als op het karakter, gehad hebben: dus verzoek ik u, mij van het antwoord op uwe vraag te verschoonen.”

Zoo als gemakkelijk vooruit te zien was, spande deze uitvlucht de nieuwsgierigheid van Bertram nog hooger. Mannering had nochtans stellig besloten, het kind niet bloot te stellen aan de ongemakken, welke er uit voortvloeien konden, indien de ouders wisten, dat het een ongelukkig lot voorspeld was. Hij stelde daarom het papier, dat zijne lotsvoorspelling bevatte, verzegeld aan zijn gastheer ter hand, met dringend verzoek, om het tot het einde van November na verloop van vijf jaren, ongeopend te bewaren. Hij gaf hem de vrijheid om, als die tijd verstreken zou zijn, het geheim geschrift te openen, vertrouwende, dat men aan den verderen inhoud ook geen geloof zou hechten, als het eerste onheilspellend tijdperk zonder ongelukken verstreken was. Bertram beloofde dit zonder tegenspraak. Om hem zijne belofte des te beter te doen houden, gaf Mannering hem nog te verstaan, dat er zeker het een of ander ongeluk plaats zoude hebben, indien zijn verzoek niet stipt nagekomen werd. Voor het overige verliep de dag, welke Mannering nog op Bertrams verzoek, te Ellangowan doorbracht, zonder eenig merkwaardig voorval. Den volgenden morgen liet onze reiziger zijn paard zadelen, nam hartelijk afscheid van zijnen vriendelijken gastheer en diens geestelijken huisvriend, herhaalde zijne wenschen voor het welzijn van het geheele huis, en verdween hierop spoedig uit het gezicht der bewoners van Ellangowan, terwijl hij den weg naar Engeland insloeg. Ook wij verliezen hem nu uit het gezicht, tot hij in een later tijdperk van zijn leven, waarop deze geschiedenis betrekking heeft, weder te voorschijn treedt.

ZESDE HOOFDSTUK.

„– Thans treedt de rechter op, Met ronden buik, gevuld met vet kapuin, Met strengen blik, met deftigen baard, Met wijze taal, en lange woorden, – En speelt zijn rol –”

Anonymus.

Toen mevrouw Bertram van Ellangowan zoo ver hersteld was, dat zij vernemen mocht, wat er gedurende hare bevalling voorgevallen was, kwam er, ook in haar vertrek, geen einde aan al de gesprekken over den mooien jongen student uit Oxford, die het lot van den jongen heer uit de sterren voorspeld had. De gestalte, de spraak en de manieren van den vreemdeling werden nauwkeurig beschreven; zijn paard, de toom, het zadel en de stijgbeugels werden niet met stilzwijgen voorbijgegaan. Dit alles maakte diepen indruk op het gemoed van mevrouw Bertram, die in hooge mate bijgeloovig was.

Zoodra zij het bed verlaten kon, was het haar eerste werk, een klein fluweelen zakje te maken, om daarin de verzegelde voorspelling te bewaren, welke haar gemaal haar gegeven had. Zij kon zich bijna niet weerhouden van het zegel open te breken; maar hare bijgeloovigheid was nog sterker dan hare nieuwsgierigheid en zij naaide dus het papier tusschen twee stukken perkament, opdat het zegel toch vooral niet beschadigd zou worden. Hierop werd het in het fluweelen zakje gestoken en, als een bezweringsmiddel, om den hals van het kind gehangen, waar het, op verlangen der moeder, blijven zou, tot het tijdstip gekomen was, waarop zij hare nieuwsgierigheid bevredigen mocht.

De vader wenschte het zijne te doen, en zijnen zoon eene goede opvoeding te verschaffen. Opdat het onderricht bij de eerste ontwikkeling van het verstand aanstonds beginnen zou, verzocht hij Sampson zijn ambt als dorpsschoolmeester op te geven en huisonderwijzer te worden. Deze stemde hierin gaarne toe en woonde van nu af op het slot, om voor een loon, waarmede een dienstbode nauwelijks tevreden zou zijn geweest, den toekomstigen heer van Ellangowan alle geleerdheid mede te deelen, welke hij bezat, alsmede alle bevalligheid en beschaafdheid, welke hij waarlijk – niet bezat, maar welker gemis hij ook nooit aan zich zelven ontdekt had. Door deze schikking verkreeg Bertram bovendien nog het voorrecht van bestendig iemand bij zich te hebben, die zijne verhalen geduldig aanhoorde, wanneer zij alleen waren, en ten wiens koste hij schertsen kon, wanneer hij gezelschap bij zich had.

Omstreeks vier jaren na dezen tijd ontstond er eene groote beweging in het graafschap, waarin Ellangowan gelegen is.

Diegenen, die de teekenen des tijds nagingen, hadden sedert lang begrepen, dat eene verandering van ministerie onvermijdelijk was, en eindelijk na afwisselende vrees en hoop, na vele geruchten uit goede bronnen en uit verkeerde bronnen en uit geenerlei bronnen, – nadat eenige Clubs den eenen staatsman hemelhoog geprezen en de andere hem uitgescholden hadden, – na veel reizen en trekken en praten en schrijven en aanbiedingen om hulp en bijstand, viel de groote slag: het bestaande Kabinet werd ontbonden en, zooals van zelf sprak, – ook het Parlement. Sir Thomas Kittlecourt reisde, gelijk vele andere leden van het ontbonden Parlement, met allen spoed naar zijn graafschap, om stemmen te verkrijgen, maar werd niet zeer gunstig ontvangen. Hij was een aanhanger van de voormalige bewindvoerders, en de vrienden van de tegenwoordige hadden reeds met ijver gekuipt ten behoeve van iemand anders, namelijk den heer John Scatherhead, die de beste jachthonden en flinkste paarden in het graafschap hield. Onder hen, die de zijde der nieuwe partij kozen, bevond zich ook de notaris Gilbert Glossin, zaakwaarnemer van den heer van Ellangowan. Dezen braven man was door het oude parlementslid zeker deze of gene gunst geweigerd, of, wat in dit geval hetzelfde en tevens waarschijnlijker is, had alles verkregen, waarop hij eenige aanspraak kon maken, en had dus alleen van de tegenpartij nieuwe voordeelen te hopen. Glossin had eene gevestigde stem op Ellangowan’s bezittingen en hij had besloten, den heer Bertram ook eene stem te verschaffen, daar er geen twijfel was, welke zijde deze in den strijd kiezen zoude. Hij weidde bij den heer van Ellangowan zeer uit over het aanzien, dat het dezen schenken zou, wanneer hij aan het hoofd van eene machtige partij in het strijdperk verscheen en Bertram liet zich zonder moeite overtuigen. Glossin, uitgeleerd in kunstgrepen, wist zoo vele stemmen op de eens zoo machtige heerlijkheid Ellangowan te vestigen en zijne zaken zoo goed in te richten, dat hij op den dag der stemming, aan het hoofd van tien stemgerechtigden over wie hij beschikken kon, en welke hun stemrecht zoo goed of slecht bewijzen konden als de meeste anderen, kon optreden. Deze machtige versterking besliste den strijd. Ellangowan en zijn zaakwaarnemer deelden de eer, doch het voordeel behield de laatste voor zich alleen. Gilbert Glossin werd tot klerk bij het vredegerecht benoemd, en Godfried Bertram had het genoegen, bij de eerste benoemingen, welke na de bijeenkomst van het nieuwe Parlement plaats hadden, tot vrederechter aangesteld te worden.

Nu had Bertram het hoogste doel bereikt, waarnaar zijne eerzucht haakte. De moeite en verantwoordelijkheid, aan zijn post verbonden, waren hem wel niet zeer aangenaam; maar hij meende, dat hij met recht aanspraak op deze waardigheid kon maken, waarvan hij, alleen door boosaardige afgunst, zoo lang verstoken gebleven was. „Dwazen moet men geene wapenen in handen geven,” zegt een oud en waar Schotsch spreekwoord; en inderdaad was Bertram van Ellangowan nauwelijks met de rechterlijke macht, waarnaar hij zoo verlangd had, bekleed, of hij begon ze eerder streng dan zacht uit te oefenen, en logenstrafte geheel en al het gunstige denkbeeld, dat men, verleid door zijne vadzige goedaardigheid, van hem opgevat had. Hij beschouwde den hem aanvertrouwden post, in vollen ernst, als een blijk van de persoonlijke gunst des Konings, en vergat hierbij geheel en al, dat hij het gemis van die onderscheiding of eer voorheen enkel aan de lagen van partijzucht had toegeschreven. Sampson moest met luider stem de aanstellingsbrief voorlezen, en bij de eerste woorden: „Het heeft den Koning behaagd, te benoemen –” riep Bertram met dankbare verrukking uit: „Behaagd! de brave man! het kan hem onmogelijk meer behagen, dan mij!”

Om nu zijne dankbaarheid niet bloot bij gevoelens en woorden te bepalen, liet hij zijn nieuwgeboren ambtsijver vrijen loop en zocht, door strenge en onvermoeide vervulling der nu op hem rustende plichten, te bewijzen, dat hij de verkregene eer waardig was. „Nieuwe bezems vegen schoon,” zegt een oud spreekwoord en ik zelf kan getuigen, dat bij de aankomst van eene nieuwe werkmeid, de oude, huiszittende spinnen, die met haar weefsel de onderste rijen mijner boekenplanken, (voornamelijk rechtsgeleerdheid en theologie bevattende) hebben bedekt onder de vreedzame regeering harer voorgangster, spoedig op de vlucht gejaagd worden door de nieuw aangekomen dienstbare. Zoo ging het ook met den heer van Ellangowan. Zonder eenig medelijden begon hij zijne rechterlijke hervormingen ten koste van verscheidene landloopers en gauwdieven, die sedert eene halve eeuw ongestoord in zijne nabuurschap geleefd hadden. Als een tweede Hertog Humphrey deed hij wonderen, en door middel van den stok zijner dienaren leerde hij menigen kreupele loopen, menigen blinde zien en menigen lamme werken. Hij ontdekte wild- en ooftdieven; en de goedkeuring van het gerechtshof, benevens de roemvolle naam van een ijverig ambtenaar, was zijne belooning. Doch al dit goede, dat algemeen erkend werd, had ook zijne kwade zijde. Verouderde, oogluikend toegelatene misbruiken moeten niet zonder voorzichtigheid uitgeroeid worden. De ijver van onzen waardigen vriend bracht vele lieden, wier neiging tot lediggang en bedelarij hij door zijne eigene onverschilligheid zoo lang aangemoedigd had, dat het kwaad onherstelbaar was, of welke, door wezenlijke ongeschiktheid tot werken, volgens hunne eigene spreekwijze, „geschikte voorwerpen voor de liefdadigheid van alle welgezinde Christenen” waren, ìn groote verlegenheid. De alombekende bedelaar, die twintig jaren lang geregeld in de nabuurschap rondgegaan was, en eerder als een nederig vriend dan als een voorwerp van liefdadigheid ontvangen was, werd naar het naburig werkhuis gezonden. Hetzelfde lot wedervoer de oude gebrekkige vrouw, die reeds langen tijd op een kruiwagen van huis tot huis rondgereden werd. De halfwijze, oolijke, doove Hans, die sedert een groot gedeelte van eene eeuw de dorpsjeugd tot tijdverdrijf verstrekt had, moest naar het tuchthuis wandelen, waar hij van de frissche buitenlucht, waaraan hij zoo gewoon was, verstoken, begon te sukkelen en binnen zes maanden stierf. De oude zeeman, die sedert vele jaren de dienstboden in alle keukens met zijne vroolijke matrozenliederen vermaakt had, werd, alleen omdat hij een merkbaar Iersch dialect had, uit het graafschap verbannen. Ja, zelfs het jaarlijksche rondgaan der marskramers werd, in zijn blinden ijver voor de handhaving der politie, verboden.

Dit alles bleef niet onopgemerkt en werd door velen gelaakt. Wij zijn niet van hout of steen, en dingen, waaraan wij door neiging of gewoonte gehecht zijn, kunnen niet gelijk mos of klimop van een boom weggerukt worden, zonder dat wij het gemis gevoelen. De pachtersvrouw miste haar gewoon nieuws en misschien ook wel de zelfvoldoening, waarmede zij aan den bedelaar, die haar het nieuws vertelde, eene handvol havermeel gaf. In iedere hut scheen iets te ontbreken, toen de kleine handel, welke de rondreizende marskramers dreven, ophield. De kinderen misten hunne snoeperijen en speelgoed; de meisjes hadden gebrek aan spelden, aan linten, kammen en liedjes, en de vrouwen konden de eieren niet meer tegen zout, snuif of tabak verruilen. Al deze omstandigheden verschaften den ijverigen heer van Ellangowan een slechten naam onder de landlieden, en zulks te meer, omdat hij voorheen zoo bemind bij hen geweest was. Zelfs zijne voorouders moesten dienen, om hem te veroordeelen. Wat andere heeren, zoo als een Greenside, of een Barnville, mochten verkiezen te doen, – dat kwam er niet op aan; dat waren vreemdelingen; maar Ellangowan! het was een naam, die sedert onheugelijke tijden onder hen bekend was: hoe kon die de arme lieden toch zoo kwellen! Zijn grootvader werd „de booze heer” genoemd; maar, ofschoon die erg genoeg was, wanneer hij in slecht gezelschap kwam of te veel gedronken had, zóó zou hij toch nooit gehandeld hebben! Neen, neen, in zijn tijd rookten de schoorsteenen in het oude slot als smeltovens, en er waren evenveel arme lieden bij de deur en op het slotplein, die zich met het overschot verzadigden, als aanzienlijken in de eetzaal. En op ieder kersfeest gaf zijne gemalin aan alle armen in de nabuurschap zilveren stuivers, ter eere van de twaalf apostelen. Dat heette toen papisterij; maar de groote heeren mochten ondertusschen wel een voorbeeld aan zulke paapschen nemen. Zij hielpen de arme lieden anders, dan door hun enkel des zondags eene kleine gift te schenken, en hen de overige zes dagen van de week te kwellen en te onderdrukken.

Zulke gesprekken hoorde men bij eene kan dunbier in iedere dorpsherberg, in den omtrek van een paar uren van Ellangowan, zoover zich het grondgebied uitstrekte, waarin onze vriend, de vrederechter Godfried Bertram, als het grootste licht schitterde. Maar nog meer werden de booze tongen in beweging gebracht, door het verdrijven van een troep Heidenen, die sedert lange jaren hun hoofdzetel op het grondgebied van Ellangowan gehad hadden, en van wie ééne reeds eenigszins aan den lezer bekend is.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

„Komt, Vorsten van den bedelaarstroep, Komt allen hier, – hoe ge ook heet, Gij heldenstoet, – ik wacht u allen!

De Bedelaars Bords.

Ofschoon het karakter van deze Heidenen, welke vroeger meest alle landen van Europa overstroomden en nu nog eenigszins als een afgezonderd volk bestaan, algemeen bekend is, zal de lezer mij wel willen veroorloven, eenige woorden ten opzichte van hun toestand in Schotland te zeggen.

Voor vele jaren werden de Heidenen door een der oude Koningen van Schotland als zelfstandigen, onafhankelijken volksstam opgenomen en erkend; doch door latere wetten werden zij minder begunstigd en in de rechterlijke schaal met gewone dieven gelijk gesteld en als deze gestraft. Niettegenstaande deze strenge verordeningen, bloeide deze vreemde stam onder de onheilen, welke het land troffen, en vond vele aanhangers onder hen, die door hongersnood, verdrukking of oorlog van hun gewoon bestaan beroofd waren. Door deze vermenging ging er veel van het oorspronkelijk Egyptisch karakter verloren, en er ontstond zoo een gemengde hoop, welke, met de neiging tot lediggang en roofzucht van hunne Oostersche voorvaders, de woestheid van hunne Noordsche aanhangers verbond. Zij trokken in onderscheidene benden rond, en hadden onderling bijzondere wetten, waardoor iedere stam tot zijn eigen grondgebied bepaald werd. De minste inbreuk op het gebied van een anderen stam had wanhopige gevechten tengevolge, die dikwijls veel bloeds kostten.