Part 1
Dr. KARL MAY’S REISAVONTUREN
WINNETOU HET OPPERHOOFD DER APACHEN
DOOR Dr. KARL MAY
NAAR HET 87STE DUIZENDTAL DER DUITSCHE UITGAVE ZEVENDE DRUK AMSTERDAM H. J. W. BECHT
INLEIDING.
Hoe vreemd het ook moge schijnen, steeds wanneer ik van den Indiaan spreek, moet ik ook aan den Turk denken. Oppervlakkig beschouwd zijn zij zeer verschillend, maar in dit ééne punt komen zij overeen, dat beiden behooren tot een ondergaand geslacht. Terwijl men van den Turk spreekt, als van den „zieken man”, zal ieder, die met de toestanden op de hoogte is, van den Indiaan, als van den „stervenden man” spreken.
En werkelijk het roode geslacht is aan ’t uitsterven. Van Vuurland tot ver over de Noord-Amerikaansche meren, is het achtervolgd door het noodlot, dat geen erbarmen kent. Het heeft zich met alle krachten daartegen verzet, maar tevergeefs, zijn krachten worden minder en de laatste stuiptrekkingen, die van tijd tot tijd nog door zijn leden varen, wijzen op de nadering van het einde.
Draagt het zelf de schuld aan dit vroege einde? Heeft het den dood verdiend?
Wanneer het billijk is, dat al wat leeft, recht heeft om te leven en dit evenzeer betrekking heeft op de gemeenschap, als op het individu, dan heeft de Roodhuid evengoed het recht te bestaan als de blanke en zich op staatkundig en sociaal gebied, volgens zijn individualiteit te ontwikkelen. Nu beweert men wel, dat de Indiaan niet die eigenschappen bezit, die noodzakelijk zijn voor een geregeld staatkundig leven. Is dit waar? Naar mijn meening is dit een valsche veronderstelling, maar aangezien het niet mijn plan is een geleerde verhandeling te schrijven, wil ik hierover niet verder uitwijden. De blanke had tijd zich volgens zijn natuur te ontwikkelen, hij heeft zich van jager tot herder, van herder tot landbouwer en industrieël opgewerkt, daarvoor zijn eeuwen noodig geweest; de roodhuid daarentegen, heeft dien tijd niet gehad, het werd hem niet gegund.
Van den laagsten trap, dus van jager, moest hij in eens den reuzensprong maken tot den hoogsten, en niemand heeft bedacht, dat hij daarbij moest vallen, of zich levensgevaarlijk verwonden.
Het is een wreede wet, dat de zwakke wijken moet voor den sterke, maar daar deze wet geldend is voor de geheele schepping en voor de geheele aardsche natuur, moeten wij wel aannemen, dat deze wreedheid òf slechts een schijnbare, òf voor verzachting vatbaar is, omdat de Eeuwige Wijsheid, die deze wet gemaakt heeft, tegelijk de Eeuwige Liefde is. Durven wij nu beweren, dat tegenover het uitstervende Indiaansche ras met zachtheid is opgetreden?
Het was niet enkel gastvrijheid, maar een bijna goddelijke vereering, die de „bleekgezichten” bij de Indianen vonden. Wat is daarvoor hun loon geweest? Het land, dat zij bewoonden, behoorde aan hen, het werd hun ontnomen. Welke stroomen bloeds daarbij vergoten werden, en welke wreedheden daarbij gepleegd werden, dat weet ieder, die de geschiedenis der „beroemde” Conquistadores gelezen heeft.
De blanke kwam met zoete woorden op de lippen, maar tegelijk met het geslepen mes in den gordel en het geladen geweer in de hand. Hij beloofde liefde en vrede en gaf haat en bloed. De roodhuid moest wijken. Van tijd tot tijd gaf men hem „eeuwige” rechten op zijn gebied, maar joeg hem korten tijd daarna weer weg, steeds achteruit. Men kocht hem het land af, betaalde hem evenwel in ’t geheel niet of met waardelooze snuisterijen, welke hij niet kon gebruiken. Maar het sluipende gif van het „vuurwater”, bracht men hem des te meer en bovendien nog de pokken, en andere nog veel ergere en walgelijker ziekten, die geheele stammen dunden en geheele dorpen ontvolkten.
Wilde de roodhuid zijn goed recht doen gelden, dan antwoordde men hem met kruit en lood, en hij moest opnieuw wijken voor den listigen blanke. Daardoor verbitterd, wreekte hij zich aan den enkelen blanken man, dien hij op zijn weg ontmoette, en de gevolgen daarvan waren dat steeds opnieuw een groot bloedbad onder rooden werd aangericht.
Zoo werd deze oorspronkelijk fiere, waarheidslievende, oprechte en trouwe jager langzamerhand een sluipend, wantrouwend en leugenachtig mensch. Maar het was niet zijn schuld, de blanke had hem zoo gemaakt.
Waar zijn de kudden wilde mustangs gebleven, uit welks midden hij zich eens zijn rijpaard haalde? Waar vindt men de buffels, die bij millioenen de prairiën bevolkten en die hem vleesch verschaften? Waarvan moet hij nu leven? Van het meel en het vleesch, dat men hem levert? Ziet eens, hoeveel gips en andere stoffen zich in dit meel bevinden, wie kan het eten? En worden er al aan den een of anderen stam eens honderd extra vette ossen beloofd, dan zijn deze onderweg veranderd in twee of drie magere koe-beesten, die zelfs de gier minachtend versmaadt. Of moet de roodhuid van den akkerbouw leven? Kan hij ooit op een oogst rekenen, hij, wien men geen blijvende plaats toestaat?
Welk een trotsche verschijning was hij vroeger, toen hij, omgeven door de manen van zijn wilden mustang, over de Savanna vloog, en hoe ellendig ziet hij er nu uit, in de lompen, die nauwelijks zijn naaktheid bedekken! Hij, die in ongetemde kracht eens den grijzen beer met zijn vuisten te lijf ging, sluipt nu als een schurftige hond rond, om hongerig en ellendig, een stukje vleesch te bedelen of te—stelen!
Ja, het roode geslacht gaat sterven, en hoe treurig het ook is, te staan aan het sterfbed van den enkelen mensch, honderdmaal droeviger is het, wanneer wij staan aan dat van een geheel ras. Dan komen vele vragen in ons op, waaronder vooral deze: wat had er van dit ras kunnen worden, indien men het tijd had gelaten, zijn innerlijke en uiterlijke gaven tot ontwikkeling te brengen? Welke eigenaardige vormen van beschaving gaan voor de menschheid verloren door den ondergang van deze natie? Dit ras wilde zich niet versmelten met een ander, omdat het een karakter bezat, moest het daarom vernietigd worden? Men bezorgt den bison een schuilplaats daarginds in het Nationaal park van Montana en Wyoming, opdat hij niet uitsterve, waarom gunt men den rechtmatigen meester van dit land, niet een plekje, waar hij veilig kan wonen en zich geestelijk ontwikkelen?
Maar wat geven deze vragen in het aangezicht van den dood, die niet meer af te wenden is? Wat helpen verwijten, waar niet meer te redden valt? Ik kan slechts klagen, maar niet veranderen; ik kan slechts treuren, maar geen doode in het leven terugroepen. Ik? Ja, ik! Ik toch heb de roodhuiden leeren kennen, gedurende een lange reeks van jaren en onder hen, één, die altijd een plaats in mijn hart zal blijven innemen. Hij, de beste, de trouwste onbaatzuchtigste van al mijn vrienden, was een echt type van zijn ras en evenals dit ras ondergaat, is ook hij ondergegaan, weggenomen door den moorddadigen kogel van een blanke. Ik heb hem liefgehad zooals geen ander mensch, en ik heb nog steeds liefde voor die wegstervende natie, wier edelste zoon hij was. Ik zou mijn leven hebben gegeven, om het zijne te redden, evenals hij honderdmaal het zijne voor mij gewaagd heeft. Het is mij niet gegund geworden, hij is gevallen bij een poging, om zijn vrienden te redden, maar hij is slechts lichamelijk gestorven, want in deze bladen zal hij voortleven, zooals hij in mijn ziel voortleeft, hij, Winnetou, het groote opperhoofd der Apachen.
In deze bladen wil ik een welverdiend gedenkteeken voor hem op richten en wanneer de lezer dan een rechtvaardig oordeel velt, over het volk, welks getrouwe vertegenwoordiger hij was, zal ik mij rijkelijk beloond achten.
Dr. Karl May.
HOOFDSTUK I.
EEN „GREENHORN”.
Waarde lezer, weet ge, wien men een „greenhorn” noemt? Hij, die nog jong en onervaren, de wijde wereld ingaat en die langzaam en voorzichtig zijn voelhorens moet uitsteken, wil hij geen kans loopen, zich duchtig te stooten of uitgelachen te worden.
Een „greenhorn” is een mensch, die niet van zijn stoel opstaat, wanneer een dame daarop wil gaan zitten, die den heer des huizes groet, voor hij een buiging heeft gemaakt voor mevrouw en de dochter, die bij het laden van ’t geweer de patronen verkeerd in den loop doet, die een rancoon voor een oppossum aanziet, en een knappe mulattin voor een quadrone houdt. Een „greenhorn” rookt cigaretten en heeft een afschuw van tabakpruimers. Een „greenhorn” loopt, wanneer hij van iemand een oorvijg krijgt, onmiddellijk naar den vrederechter, in plaats van, zooals een echte Yankee zou doen, den kerel op de plaats neer te schieten. Een „greenhorn” ziet de sporen van een kalkoen voor berenklauwen aan en een sportjacht voor een Mississippisteamer.
Een „greenhorn” geneert zich niet, zijn vuile laarzen op de knieën van een medereiziger te leggen of zijn soep op te lepelen met een stuk van een buffelhoorn. Een „greenhorn” sleept, voor de zindelijkheid, een groote spons en tien pond zeep mee naar de prairie en neemt een kompas mee, dat na drie dagen alle andere richtingen aanwijst, behalve het noorden. Een „greenhorn” schrijft eenige honderden Indiaansche uitdrukkingen op en wanneer hij den eersten roodhuid ontmoet, bemerkt hij, dat hij de aanteekeningen heeft thuisgelaten. Een „greenhorn” koopt kruit en als hij het eerste schot wil doen, komt hij tot de ontdekking, dat men hem gemalen houtskool in de handen heeft gestopt. Een „greenhorn” heeft jarenlang sterrenkunde bestudeerd, maar kan even zoolang naar den sterrenhemel staan kijken, zonder te kunnen zeggen hoe laat het is. Een „greenhorn” steekt het bowiemes zoo in den gordel, dat de kling hem, als hij zich bukt, in de kuit steekt. Een „greenhorn” maakt in ’t verre westen een legervuur, dat hoog opvlamt en verwondert er zich over, dat hij door de Indianen wordt ontdekt en doodgeschoten. Een „greenhorn” is nu eenmaal een „greenhorn” en zulk een „greenhorn” was ik destijds.
Men denke echter niet, dat ik mij bewust was, dat deze naam op mij van toepassing was, o neen, want dit is juist de grootste eigenaardigheid van alle „greenhorn”, dat zij eerder alle andere menschen, dan zichzelf voor „greenhorn” aanzien.
Ik meende integendeel een buitengewoon verstandig en ervaren mensch te zijn, ik had immers goed gestudeerd en had alle examens met glans afgelegd.
Dat het leven eigenlijk de eenige hoogeschool is, in welke de leerlingen dagelijks op de proef worden gesteld, daaraan had ik nooit gedacht. De omstandigheden en, laat ik er bij voegen, een onbedwingbare lust tot avonturen, hadden mij over den oceaan naar de Vereenigde Staten gedreven, waar destijds voor jonge werkzame menschen, een betere toekomst lag dan heden ten dage. Ik had ook in de oostelijke Staten een goed bestaan kunnen vinden, maar ik wilde liever naar het Westen.
Dan op deze, dan op gene wijze tijdelijk werkzaam, had ik zooveel verdiend, dat ik uiterlijk goed toegerust en innerlijk vol moed, in St. Louis aankwam. Daar kwam ik in kennis met een Duitsche familie, die mij als huisonderwijzer wilde aannemen. Bij deze familie ontmoette ik Mr. Henry, een buksenmaker, die zijn handwerk met de toewijding van een kunstenaar uitoefende en zich met zekeren trots Mr. Henry, the Gunsmith, liet noemen.
Deze man was een groot menschenvriend, hoewel hij het tegendeel scheen te zijn, want, behalve met de zooeven genoemde familie ging hij met niemand om, en hij behandelde zelfs zijn klanten zoo ruw en onbeleefd, dat men hem alleen begunstigde om de uitstekende waar, welke hij leverde. Hij had zijn vrouw en kinderen onder zeer treurige omstandigheden verloren, en hoewel hij er bijna nooit over sprak, maakte ik uit enkele gezegden op, dat zij bij een overval door Indianen vermoord waren geworden.
Hij was zichzelf niet bewust, dat hij uiterlijk zulk een lomperd was geworden, maar innerlijk was hij goed en zacht en dikwijls heb ik een traan zien blinken in zijn oogen, wanneer ik sprak van mijn familie en van mijn vaderland.
Waarom deze oude man zulk een voorliefde voor mij, den jongen vreemdeling koesterde, heb ik niet geweten, voor hij ’t mij zelf eens vertelde. Sedert ik bij de familie inwoonde, kwam hij meer dan te voren, hoorde toe, wanneer ik les gaf en noodigde mij eindelijk uit, hem eens te komen bezoeken. Nog nooit was hij zoo beleefd tegenover anderen geweest en ik paste wel op geen misbruik te maken van zijn vriendelijkheid. Deze terughoudendheid scheen hem evenwel niet te bevallen, ik herinner mij nog heden zijn boos gezicht toen ik na in eenige dagen niet bij hem te zijn geweest, aan zijn deur klopte.
—Waar zijt gij dan gisteren geweest, sir?—vroeg hij, zonder eerst mijn „good evening” te beantwoorden.
—Thuis.
—En eergisteren?
—Ook thuis.
—Maak mij dat niet wijs.
—Het is waar, Mr. Henry.
—Kom, kom, zulke groene vogels, als gij er een zijt, blijven niet in ’t nest zitten, die komen overal, behalve waar zij thuis hooren.
—En waar hoor ik dan thuis, als ik u vragen mag?
—Wel natuurlijk, hier bij mij! Ik heb u al zoolang iets willen vragen.
—Waarom hebt gij ’t niet gedaan?
—Omdat ik niet wilde, verstaat ge?
—En wanneer wilt gij het dan doen?
—Vandaag misschien.
—Vraag maar gerust op,—antwoordde ik, terwijl ik op de draaibank ging zitten, waaraan hij werkte.
—Gerust op! Alsof ik een „greenhorn”, zooals gij zijt, eerst verlof moet vragen, wanneer ik met hem wil spreken.
—Greenhorn?—vroeg ik, het voorhoofd fronsend, want ik voelde mij zeer beleedigd.—Ik veronderstel, dat gij dit woord uitspreekt, zonder er bij te denken.
—Verbeeld u dat maar niet, sir! Ik heb met opzet dit woord gebruikt, gij zijt een „greenhorn” en anders niet. De inhoud van uw boeken hebt gij in uw hoofd, dat is waar, het is verbazend, wat de jonge menschen daarginds moeten leeren. Gij weet nauwkeurig, hoever de sterren van hier verwijderd zijn, wat koning Nebukadnezar op tegelsteenen geschreven heeft en hoe zwaar de lucht weegt, welke men niet eens kan zien. En omdat ge dit weet, verbeeldt ge u, een knap man te zijn! Maar steek den neus eens in de wereld, zoo’n vijftig jaar lang, weet ge, dan zult ge eerst eens zien, waarin de rechte knapheid bestaat. Wat gij tot nu toe hebt geleerd, is niets—in ’t geheel niets.—En wat gij kunt, is nog veel minder. Gij kunt immers niet eens een geweer afschieten!
Hij zeide dit op zulk een minachtenden toon en met zulk een beslistheid, alsof hij volkomen zeker van zijn zaak was.
—Ik geen geweer afschieten?—antwoordde ik glimlachend.—Is dat misschien de vraag, welke gij mij wildet doen?
—Ja, antwoord mij daarop.
—Geef mij een goed geweer, dan zal ik u antwoorden, eerder niet.
Toen legde hij den loop van de buks, waarmee hij bezig was neer, zag mij verbaasd aan en riep:
—Een geweer, u, sir? Geen sprake van, mijn geweren komen slechts in handen van hen, die ze waardig zijn.
—Probeer het eens!
Hij zag mij nog eenmaal van ter zijde aan, ging zitten en begon weer te werken, terwijl hij bromde:
—Zulk een „greenhorn”! Ik zou mij kwaad kunnen maken over zulk een brutaliteit.
Ik zeide niets meer, want ik kende hem, nam een sigaar uit mijn koker en stak die aan. Een kwartier lang was het stil. Langer kon hij het evenwel niet uithouden en terwijl hij den loop tegen het licht hield en er door keek, begon hij:
—Schieten is veel moeilijker, dan naar de sterren zien of oude tegelsteenen lezen, begrijpt ge? Hebt ge dan wel ooit een geweer in de hand gehad?
—Dat zou ik denken!
—Wanneer?
—Dikwijls.
—Ook aangelegd en afgeschoten?
—Ja.
—En geraakt?
—Natuurlijk!
Toen liet hij den loop, dien hij onderzocht had, zinken, zag mij weer aan en zeide:
—Nu ja, geraakt, natuurlijk, maar wat?
—Het doel, dat spreekt.
—Wat, wilt gij mij dat in ernst wijsmaken?
—Ik beweer het en het is een feit.
—Loop rond. Met u komt men nooit verder. Ik weet zeker, dat gij een muur, die twintig el hoog en vijftig el lang is, zoudt voorbijschieten en toch zet gij bij uw bewering zulk een ernstig gezicht, dat mijn bloed zou gaan koken. Ik ben geen kwajongen, dien ge les geeft! Zulk een boekenworm, als gij zijt, durft zeggen, dat hij goed kan schieten! Gij hebt immers geen tijd gehad om het te leeren. Neem dat oude geweer, dat daarginds aan den spijker hangt en leg eens aan, alsof ge wildet schieten. Het is een echte berendooder, de beste, die ik ooit in mijn handen heb gehad.
Ik nam het geweer en legde aan.
—Hallo!—riep hij, terwijl hij opsprong.—Wat beteekent dat? Gij gaat met dat geweer om, alsof het een lichte wandelstok is en toch is het het zwaarste geweer, dat ik ken! Zijt gij zoo sterk?
In plaats van te antwoorden, nam ik hem bij zijn toegeknoopte jas en zijn broeksband en hief hem van den grond op.
—Wat drommel!—schreeuwde hij.—Laat mij los, gij zijt nog veel sterker dan mijn Bill!
—Uw Bill? Wie is dat?
—Hij is mijn zoon, die... maar laat ons daarover zwijgen. Hij is dood, evenals de anderen. Hij beloofde een flinke kerel te zullen worden, maar werd gedood terwijl ik afwezig was. Gij lijkt op hem, hebt dezelfde oogen en ook denzelfden trek om den mond, daarom mag ik u—maar dat gaat u ook niets aan!
Hij streek met de hand over het gezicht, en vervolgde toen op vroolijken toon:
—Maar het is jammer, dat gij met uw spierkracht altijd over de boeken hebt gezeten, in plaats van uw lichaam te oefenen!
—Maar dat heb ik toch ook gedaan?
—Werkelijk?
—Zeker.
—Kunt gij boksen?
—Dat wordt bij ons niet gedaan, maar in gymnastiseeren en worstelen ben ik zeer bedreven.
—Kunt gij paardrijden?
—Ja.
—Schermen?
—Daarin heb ik les gegeven.
—Ik houd niet van bluffen.
—Dat doe ik niet, wilt gij het eens met mij probeeren?
—Dank u zeer, ik heb genoeg van zooeven, en bovendien, ik moet werken, ga weer bij mij zitten!
Hij keerde naar zijn draaibank terug en ik volgde hem. Het nu volgend gesprek bepaalde zich tot korte vragen en antwoorden. Mr. Henry scheen zich in gedachten met iets zeer ernstigs bezig te houden.
Plotseling zag hij van zijn werk op en vroeg:
—Hebt gij aan wiskunde gedaan?
—Het was een van mijn lievelingsvakken.
—Rekenkunde en meetkunde?
—Natuurlijk.
—Landmeten?
—Dat heb ik veel gedaan, dikwijls liep ik voor mijn plezier met de theodoliet in het veld rond.
—En kunt gij meten, werkelijk meten?
—Ja, ik heb dikwijls horizontaalmetingen en hoogtemetingen gedaan, hoewel ik niet wil beweren, dat ik een meester in dit vak ben.
—Goed, zeer goed!
—Waarom vraagt gij mij dat, Mr. Henry?
—Daar heb ik mijn reden voor, begrepen?—dat behoeft gij nu nog niet te weten, ’k moet echter eerst zeker weten, of gij kunt schieten.
—Stel mij dan op de proef!
—Dat zal ik doen, daarop kunt gij rekenen. Hoe laat hebt gij morgen vroeg les?
—Om acht uur.
—Kom dan om zes uur bij mij, wij zullen dan samen naar de schietbaan gaan, waar ik mijn geweren inschiet.
—Waarom zoo vroeg?
—Omdat ik niet langer wil wachten, ik ben zeer nieuwsgierig te weten wat gij kunt. En nu genoeg daarvan, ik heb wel wat anders te doen, dat veel gewichtiger is.
Hij scheen met zijn geweerloop gereed te zijn, en nam uit een kast een veelhoekig stuk ijzer, waarvan hij de kanten begon af te vijlen. Ik zag dat in elken kant een gat was.
Hij was zoo geheel met zijn gedachten bij zijn werk, dat hij mijn aanwezigheid geheel vergeten scheen te zijn. Zijn oogen fonkelden, en wanneer hij zijn werk van tijd tot tijd bezag, was het met een uitdrukking van trots. Ik was verlangend te weten, wat kunstvoorwerp dit wel zou worden en vroeg daarom:
—Wordt dit ook een stuk van een geweer, Mr. Henry?
—Ja,—antwoordde hij, alsof hij eerst nu bemerkte, dat ik er nog altijd was.
—Maar ik begrijp niet, waar dat in moet passen.
—Dat wil ik graag gelooven. Een nieuw systeem, systeem Henry.
—Zoo, dus een nieuwe uitvinding?
—Yes.
—Dan vraag ik verschooning voor mijn onbescheidenheid, het is natuurlijk een geheim!
Hij keek nauwkeurig in alle gaten, draaide het ijzer naar verschillende kanten, paste het eenige malen in den loop en zeide eindelijk:
—Ja, het is een geheim, maar ik vertrouw u, want ik weet dat gij kunt zwijgen, al zijt gij ook een „greenhorn”, daarom zal ik u vertellen, wat dit moet worden. Het is een repeteergeweer met vijf en twintig schoten.
—Onmogelijk!
—Houd uw mond! Ik ben niet zoo dom, iets onmogelijks te willen!
—Maar dan moet gij immers kamers hebben, om de ammunitie te bergen.
—Die heb ik ook.
—Zij moeten echter zoo groot zijn en zullen ’t geweer lomp en zwaar maken.
—Ik heb slechts één kamer, dit ijzer.
—Hm! ik heb geen begrip van uw vak, maar zal de loop niet te heet worden?
—Geen sprake van, het materiaal en de bewerking van den loop, dat blijft mijn geheim. Bovendien is het dan altijd noodig, de vijf en twintig schoten alle achter elkaar af te vuren?
—Zeker niet.
—Dus, dit ijzer wordt een bol, welke ronddraait, de vijf en twintig gaten daarin bevatten vijf en twintig kogels. Bij ieder schot schuift de kogel een eindje verder en komt de volgende patroon voor den loop. Ik heb jarenlang met dit idee rondgeloopen, maar ’t wilde mij niet gelukken, het ten uitvoer te brengen, nu schijnt het te gaan. Ik heb reeds een goeden naam als geweermaker, maar dan zal ik beroemd worden, en veel, veel geld verdienen.
—En een kwaad geweten bovendien.
Hij zag mij een oogenblik verbaasd aan en vroeg toen:
—Een kwaad geweten, waarom?
—Meent gij, dat een moordenaar geen kwaad geweten behoeft te hebben?
—Gekheid! Wilt gij zeggen, dat ik een moordenaar ben?
—Nu nog niet.
—Of een moordenaar zal worden?
—Ja, want wanneer men iemand behulpzaam is bij een moord, is men even schuldig als de moordenaars zelf.
—Loop naar den duivel. Ik zal mij wel wachten hulp te verleenen bij een moord.
—Maar, gij geeft aanleiding tot moord in het groot.
—Hoe dan? ik begrijp u niet.
—Wanneer gij een geweer maakt, dat vijf en twintig schoten bevatten kan, en het in de handen van den eersten den besten schurk geeft, die het hebben wil, dan zullen daarginds in de prairiën, in de wouden en in de kloven van ’t gebergte gruwelijke moorden worden gepleegd; men zal de arme Indianen neerschieten als honden, en binnen enkele jaren zal er geen Indiaan meer in leven zijn. Wilt gij dit op uw geweten hebben?
Hij staarde mij aan en antwoordde niet.
—En,—ging ik voort,—wanneer iedereen zich dit geweer voor geld kan aanschaffen, zoo zult gij zeker in korten tijd duizenden verkoopen, maar de mustangs en buffels zullen uitgeroeid worden en met hen, elk ander soort van wild, dat de roodhuid noodig heeft om te leven. Er zullen honderd en duizend jagers, met uw geweer bewapend, naar het Westen trekken, stroomen bloeds van menschen en dieren zullen vloeien en zeer spoedig zullen deze streken geheel ontvolkt zijn.
—Duizend bommen en granaten!—riep hij nu uit.—Zijt gij werkelijk eerst onlangs uit Duitschland hier gekomen?
—Ja.
—En zijt gij vroeger nooit hier geweest?
—Neen.
—En ook nooit in de Far-West?
—Neen.
—Dus gij zijt nog een echte „greenhorn”. En toch praat gij, als waart gij de overgrootvader van alle Indianen, als hadt gij reeds jaren en jaren hier gewoond en geleefd! Kereltje, verbeeld u maar niet mij warm te zullen maken. Zelfs al was alles, zooals gij het zegt, dan nog zou ’t mij nooit in het hoofd zijn gekomen, een geweerfabriek op te zetten. Ik ben een eenzaam man en wil eenzaam blijven, ik heb niet den minsten lust, mij met honderd of misschien nog meer werklieden in te laten.
—Maar gij kunt toch, om geld te verdienen, patent nemen op uw uitvinding en dat verkoopen?
—Wacht dat maar kalmpjes af, sir! Tot nog toe, heb ik alles kunnen krijgen, wat ik noodig had, en ik denk, dat ik ook in ’t vervolg, zonder patent, wel geen gebrek zal behoeven te lijden. En ga nu maar naar huis. Ik heb geen lust een vogel te hooren piepen, die pas uit zijn nest is gevlogen en nog niet fluiten of zingen kan.