Chapter 31 of 43 · 3955 words · ~20 min read

Part 31

Ik vond het beter te zwijgen, want zijn woorden maakten de Apachen wantrouwend. Zij wisten dat ik moeite had gedaan, om Rattler zooveel mogelijk te sparen en dachten dat ik dit thans ook weer Santer zou doen. Ik deed dus, alsof ik mij naar Sam’s wil voegde en ging naast mijn paard op den grond liggen.

De zon was reeds lang aan den horizon verdwenen, de avond begon te vallen. Aan den overkant bij de Kiowa’s werden verscheidene vuren aangestoken, waarvan de vlammen hoog opflikkerden. Voorzichtige roodhuiden doen dit niet en dit feit bevestigde mij in mijn meening dat het er hun om te doen was, ons hierheen te lokken. Wij moesten denken dat zij niets vermoedden van onze komst en daarom op de gedachte zouden komen hen te overvallen. Deden wij dit dan liepen wij den vijand in den geopenden muil.

Terwijl ik hierover lag na te denken was het, alsof ik eenig gedruisch hoorde, dat niet door een van de onzen kon zijn veroorzaakt, het was achter mij. Ik luisterde. Het gedruisch herhaalde zich, ik hoorde het nu duidelijk en wist ook wat het was. Het was een zacht bewegen van taaie ranken, waaraan dorre bladeren hingen, ongeveer hetzelfde geluid alsof men eenige stroohalmen uit een bundel trekt. Het was niet de beweging van een gladden tak, maar zooals gezegd van een rank en deze moest stekels en doornen hebben. Ik begreep dadelijk waar ik de oorzaak van dit gedruisch moest zoeken. Achter mij namelijk stond, tusschen drie andere boomen in een braamstruik, van welken een der ranken bewogen werd. Deze beweging kon veroorzaakt worden door een klein dier, dat daar langs liep, maar onze positie noopte tot voorzichtigheid. Er kon ook een mensch in de buurt zijn en ik diende dit wel te onderzoeken. Ik heb gezegd, dat daarginds bij de Kiowa’s de vuren hoog opvlamden en bij den gloed kon ik alles wat zich tusschen deze vuren en mij bevond, duidelijk zien. Ik moest ongemerkt aan den anderen kant van den braamstruik trachten te komen, stond dus op en slenterde schijnbaar onverschillig heen, doch niet dadelijk in de richting welke ik eigenlijk wilde inslaan. Eerst toen ik ver genoeg was, keerde ik om en naderde het boschje van den anderen kant. Dichtbij gekomen ging ik liggen en kroop zacht, zeer zacht naar den braamstruik, welken ik weldra bereikte. Deze was nu recht voor mij en in dezelfde richting brandden de vuren. Daar, ja werkelijk, daar hoorde ik opnieuw hetzelfde gedruisch en wel niet in, maar op zij van den struik. Ik sloop een eindje verder en zag nu dat mijn vermoeden juist was geweest.

Een Indiaan had zich tusschen de boomen verscholen en was nu op het punt zich te verwijderen. Dit moest noodzakelijk eenig gedruisch veroorzaken, maar hij deed alles zoo omzichtig, dat men enkel van minuut tot minuut een zacht geknetter hoorde dat ik alleen kon vernemen, omdat ik zoo in zijn onmiddellijke nabijheid lag. Reeds was zijn lichaam bijna geheel vrij en alleen de eene schouder en arm, de hals en het hoofd zaten nog in de struiken verward.

Ik kroop naar hem toe, zoodat ik achter zijn rug lag. Hij maakte den eenen schouder vrij, den hals en het hoofd en behoefde nu nog alleen maar den arm er uit te trekken. Nu ging ik op mijn knieën liggen, greep met de linkerhand naar zijn hals en gaf hem met de rechter twee of drie flinke slagen tegen de slapen. Hij viel oogenblikkelijk bewusteloos neer.

—Wat was dat?—vroeg Sam.—Hebt gij niets gehoord?

—Old-Shatterhands paard stampte,—antwoordde Dick.

—Hij is weggegaan. Waar zou hij zijn? Hij zal toch geen dwaasheden begaan?

—Dwaasheden? Hij? die heeft hij nog nooit begaan!

—Oho! Hij is in staat naar de Kiowa’s te gaan en alarm te maken, alleen om dezen Santer het leven te redden.

—Neen, dat zal hij niet doen. Hij zal den moordenaar niet laten ontkomen. De dood der beide Apachen is hem zeer ter harte gegaan, dat hebt ge toch wel aan hem kunnen zien.

—Het kan zijn, maar ik neem hem niet mee, als ik zoo aanstonds de Kiowa’s ga besluipen, hij kan mij toch ook van geen nut zijn. Ik wil de kerels tellen en de plaats waar zij legeren in oogenschouw nemen, dan kunnen wij overleggen wat ons te doen staat. Hij doet zijn zaakjes goed, dat moet ik bekennen, maar bij zulk een vuurgloed onopgemerkt tot aan de legerplaats te komen dat is hem onmogelijk. De kerels weten misschien dat wij komen, zij zullen dus uiterst voorzichtig zijn en het is alleen een ervaren prairieman mogelijk hen onopgemerkt te naderen.

Nu stond ik op, liep snel naar hem en zeide:

—Gij vergist u, beste Sam. Gij meent dat ik weg ben en ik ben hier nog. Versta ik nu de kunst van besluipen, ja of neen?

—Voor den drommel!—antwoordde hij.—Zijt gij werkelijk hier! Men heeft u niet opgemerkt!

—Dat is een bewijs, dat u ontbreekt, wat gij beweert, dat mij ontbreekt. Er zijn bovendien nog meer menschen hier.

—Wie? Wie meent gij?

—Ga eens naar dien braamstruik en zie, wie daar ligt.

Hij stond op en de anderen volgden hem.

—Hallo!—riep hij,—daar ligt een kerel, een Indiaan, hoe komt die hier?

—Vraag dat aan hem zelf.

—Hij is immers dood!

—Neen, enkel bewusteloos!

—Hoe hebt gij dat gedaan? Hebt gij hem hierheen gesleept?

—Wel neen, hij zat tusschen deze struiken verscholen en ik zag hem. Toen hij wilde weggaan, gaf ik hem een flinken slag. Gij hebt dien slag wel gehoord, want gij hieldt hem voor het stampen van mijn paard.

—Ja, dat is waar! Hij was hier dus en heeft gehoord, wat wij zeiden. Wat zou het een onheil voor ons zijn geweest, wanneer het hem gelukt was, weg te komen! Goed, dat gij hem onschadelijk hebt gemaakt. Bindt en knevelt hem! Maar wat heeft hij hier eigenlijk willen doen? Hij moet toch vóór ons hier zijn geweest?

—Gij doet zulke domme vragen en noemt anderen greenhorns! Natuurlijk was hij hier reeds vóór ons. De Kiowa’s wisten dat wij zouden komen, zij namen aan, dat wij Santers spoor volgden en dus hierlangs kwamen. Zij waren op onze komst voorbereid en zetten hier een wachtpost uit, om hen in te lichten omtrent den juisten tijd dat wij kwamen. Maar omdat wij zoo snel reden, of omdat hij niet goed oppaste of ook omdat hij juist tegelijk met ons hier aankwam, hebben wij hem verrast en heeft hij zich in deze braamstruiken moeten verschuilen.

—Hij had toch ook kunnen vluchten!

—Daarvoor had hij geen tijd, want wij hadden hem kunnen zien loopen en dus moeten begrijpen, dat de Kiowa’s ons verwachtten en door hem gewaarschuwd zouden worden. Het is ook mogelijk dat hij vooraf besloten was zich hier te verschuilen en ons te beluisteren.

—Gij hebt gelijk, in elk geval is het een groot geluk dat wij hem hebben ontdekt. Hij zal nu moeten opbiechten en alles bekennen.

—Hij zal wel oppassen, iets te zeggen. Ik ben overtuigd dat gij geen woord uit hem krijgt.

—Het kan zijn. Het is eigenlijk ook niet noodig dat wij er moeite voor doen. Wij weten nu wat wij te wachten hebben en wat ik niet weet, zal ik spoedig te weten komen, want ik ga nu naar den vijand toe.

—Om misschien nooit terug te komen.

—Waarom niet?

—Omdat de Kiowa’s u wel bij zich zullen houden. Gij hebt immers zelf gezegd, dat het bij dezen vuurgloed zeer moeielijk is naderbij te sluipen.

—Ja voor u, maar niet voor mij. Ik zeg u daarom: ik ga heen en gij blijft hier.

Hij zeide dit op zulk een gebiedenden toon, dat ik niet kon nalaten te zeggen:

—Ik herken u haast niet, Sam. Gij meent toch niet, dat gij mij bevelen hebt te geven?

—Natuurlijk meen ik dat.

—Nu dan moet ik u toch zeggen, dat gij u deerlijk vergist. Als opzichter sta ik boven u en gij zijt ons enkel meegegeven om de wacht te houden. Bovendien weet gij, dat ik met toestemming van den geheelen stam, door Intschu Tschuna tot opperhoofd benoemd ben. Van welken kant gij de zaak dus ook beziet, ik sta altijd boven u en ik heb hier te bevelen.

—Geen opperhoofd heeft mij iets te bevelen,—beweerde Sam,—en bovendien ben ik een oud prairiejager, terwijl gij maar een greenhorn en mijn leerling zijt, dat moet gij niet vergeten, als gij niet ondankbaar wilt zijn. Het is dus zooals ik heb gezegd: ik ga en gij blijft!

Hij ging werkelijk heen. De Apachen bromden en ook Stone zeide verdrietig:

—Hij is vandaag werkelijk anders dan gewoonlijk! U van ondankbaarheid te beschuldigen! Wij mogen u dankbaar zijn, want zonder u leefden wij nu niet meer!

—Laat hem begaan!—antwoordde ik.—Hij is een eerlijke vent en juist dit optreden pleit voor hem. Hij is woedend over den dood van Intschu Tschuna en Nscho-Tschi. Maar ik gehoorzaam hem daarom niet, ik ga ook. In de opgewondenheid, waarin hij nu verkeert kan hij zich licht laten verleiden tot de een of andere ondoordachte daad. Blijft hier, tot ik terugkom en al hoort gij schoten, blijft toch op uw plaats. Alleen wanneer gij mijn stem verneemt, die wel tot hiertoe klinkt, komt gij mij te hulp.

Ik liet mijn berendooder liggen, evenals Sam zijn geweer had laten liggen en verwijderde mij. Ik had opgemerkt dat Sam Hawkins door de rivierbedding was gegaan, ik achtte het evenwel verstandiger een anderen weg te nemen. De Kiowa’s wisten, dat wij stroomopwaarts van hen te vinden waren en zouden dus steeds in die richting uitzien, ik wilde dus van den anderen kant naderbij komen. Daarom ging ik langs den oever stroomafwaarts, maar zorgde zoo ver af te blijven dat de gloed van het vuur mij niet kon beschijnen. Nu had ik het boschje bereikt. Hier waren geen vuren aangemaakt en het was er zoo donker, dat ik ongemerkt in de rivierbedding kon dalen en weer stroomopwaarts kon gaan. Weldra was ik bij de boomen waaronder de Indianen gelegerd waren, ging liggen en kroop verder. Er brandden acht vuren. Zoovele behoefden niet te worden gebrand, want er waren slechts ongeveer veertig Indianen, zij waren dus enkel aangemaakt om ons de plaats te wijzen waar de Kiowa’s gelegerd waren.

Deze zaten onder de boomen in groepen bijeen en hielden hun geweren gereed. Wee ons, wanneer wij zoo onvoorzichtig waren geweest in de ons gestelde val te loopen. Deze was trouwens zoo dom en ondoordacht opgesteld, dat alleen zeer onervaren menschen deze niet zouden hebben vermoed. De paarden der roodhuiden zag ik buiten op de prairie weiden.

Ik zou gaarne een der groepen hebben beluisterd, het liefst die bij welke zich de aanvoerder bevond, omdat ik dan zekerder was daar te hooren wat ik wilde weten. Maar waar moest ik den aanvoerder zoeken? In elk geval bij de groep waarbij Santer zat. Ik schoof dus van boom tot boom om dezen te ontdekken. Na eenig zoeken zag ik hem, hij zat bij vier Indianen die geen van allen het teeken der waardigheid van opperhoofd droegen, maar ik wist dat de oudste der vier aanvoerder moest zijn. Jammer genoeg kon ik niet zoo dicht bij komen als ik wel wilde, omdat ik dekking moest zoeken in het weinige kreupelhout, dat hier groeide. Eenige grootere boomen evenwel stonden zoo, dat hun schaduwen mij een weinig beschermden. Daar er acht vuren brandden, wierp iedere boom meerdere schaduwen, welke heen en weer trilden en aan het boschje een spookachtig aanzien verleenden. Tot mijn vreugde spraken de roodhuiden niet zacht maar luid met elkaar, dit geschiedde met opzet, want het was er hen om te doen, dat wij hen niet alleen zouden zien, maar ook hooren. Ik bereikte de zooeven genoemde schaduwen en was nu nog ongeveer twaalf schreden van de groep, waarbij Santer zat, verwijderd. Het was een waagstuk, wat ik deed, want de andere roodhuiden hadden mij gemakkelijk kunnen zien.

Ik hoorde dat Santer het woord voerde. Hij vertelde van de Nuggetsbergen en noodigde de roodhuiden uit met hem daarheen te trekken en den schat weg te nemen.

—Weet mijn blanke broeder de plek, waar deze te vinden is?—vroeg de oudste der vier Indianen.

—Neen. Wij trachtten het te weten te komen, maar de Apachen waren reeds op den terugweg. Wij hadden gedacht dat zij langer op de plaats hadden willen blijven en wij ze hadden kunnen bespieden.

—Dan is al ons zoeken tevergeefs. Al trekken er ook tien duizend man heen, zij zullen er niets vinden. De roode mannen verstaan bij uitnemendheid de kunst, om zulke plaatsen onzichtbaar te maken. Maar daar mijn broeder onzen grootsten vijand en diens dochter heeft doodgeschoten, willen wij hem het genoegen doen later met hem daarheen te rijden, om hem te helpen zoeken. Eerst echter moeten wij uw vervolgers vangen en dan ook Winnetou dooden.

—Winnetou?—Die zal wel bij hen zijn!

—Neen, want hij mag niet van de zijde zijner dooden wijken en zal ook de grootste helft zijner krijgers bij zich houden. De kleinste helft vervolgt u en wordt aangevoerd door Old-Shatterhand, de blanke man, die onze hoofdman de knieën heeft verpletterd. Deze schaar moeten wij vandaag zien te krijgen.

—Daarna rijden wij naar de Nuggetsbergen om Winnetou te dooden en naar het goud te zoeken!

—Dat kan niet zoo gemakkelijk gebeuren. Winnetou moet zijn vader en zijn zuster begraven en mag niet gestoord worden, de Groote Geest zou ons dit nooit vergeven. Maar wanneer hij daarmee gedaan heeft, overvallen wij hem. Hij zal nu niet naar de steden der bleekgezichten gaan, maar terugkeeren. Wij lokken hem in een hinderlaag, zooals wij dat vandaag Old-Shatterhand doen, die er zeker bij is. Ik wacht nog alleen op mijn verkenner, die daarginds verscholen is. Ook de schildwachten hebben mij nog geen enkel teeken gegeven.

Ik schrok bij deze woorden. Er lagen dus wachtposten voor het boschje. Als Sam Hawkins dezen eens niet zag en in hun handen viel! Nauwelijks was deze gedachte mij door het hoofd gevlogen of ik hoorde een geschreeuw van meerdere stemmen. De aanvoerder sprong op en luisterde. Ook alle andere Kiowa’s zwegen en luisterden.

Daar naderde een groep, die uit vier roodhuiden bestond, welke een blanken man meesleepten. Deze verzette zich, maar tevergeefs, hij was wel niet geboeid, maar vier messen waren steeds op hem gericht. Deze blanke was—mijn onvoorzichtige Sam! Mijn besluit was spoedig genomen, ik mocht hem niet in den steek laten, hoewel ik bij een poging om hem te bevrijden, mijn eigen leven in de waagschaal zette.

—Sam Hawkins!—riep Santer die hem herkende.—Good evening, sir! Gij zult wel niet hebben gedacht, mij weer te zien?

—Schurk, roover, moordenaar!—antwoordde de dappere kleine, terwijl hij hem bij de keel pakte.—Goed dat ik u heb, gij zult uw verdiende loon krijgen.

De aangevallene verweerde zich. De roodhuiden grepen Sam en sleurden hem mee. Er ontstond een heftig tumult, waarvan ik gebruik maakte om ongemerkt mijn revolver voor den dag te halen en midden tusschen de Indianen te springen.

—Old-Shatterhand!—riep Santer terwijl hij verschrikt achteruitweek.

Ik loste twee schoten op hem, die evenwel geen doel troffen en riep Sam toe.—Weg, mij na, blijf onmiddellijk achter mij!

Het was alsof de roodhuiden van schrik en ontsteltenis niet wisten, wat te doen, zij bleven stokstijf staan. Ik greep Sam bij den arm, trok hem mee door het boschje naar de rivierbedding. Dit alles ging zeer vlug in zijn werk.

—All devils! Dat was juist op tijd!—meende Sam, toen wij beneden in de bedding waren,—ik werd door die schurken....

—Praat niet, maar volg mij!—viel ik hem in de rede, terwijl ik zijn arm losliet en mij naar rechts wendde, om zooveel mogelijk buiten bereik van de kogels der vijanden te komen.

Nu eerst kwamen de verblufte roodhuiden tot bezinning. Hun gehuil was zoo ontzettend dat ik Sam’s voetstappen niet meer kon hooren.

Waarom vluchtte ik niet stroomopwaarts naar den kant, waar zich onze legerplaats bevond, maar juist in tegenovergestelde richting? Ik had daarvoor mijn redenen. De roodhuiden konden ons niet dadelijk zien, daar het beneden in de rivierbedding donker was en liepen in elk geval stroomopwaarts in de veronderstelling, dat wij in deze richting zouden zijn gevlucht, wij waren dus hier tamelijk veilig en konden langs een omweg naar onze legerplaats terugsluipen.

Toen ik ver genoeg meende te zijn, bleef ik staan. Nog altijd hoorde ik in de verte het gehuil der roodhuiden, maar hier was alles stil om mij heen.

—Sam!—riep ik bezorgd.

Geen antwoord.

—Sam, hoort gij mij?—riep ik luider.

Wederom geen antwoord. Waar was hij gebleven? Hij moest mij toch gevolgd zijn. Was hij misschien gevallen en had zich misschien bezeerd aan de rotsblokken, waarover wij op onzen vlucht hadden moeten klauteren? Ik nam mijn patronen uit den gordel, laadde de revolver opnieuw en keerde met langzame schreden terug om naar hem te zoeken.

Het helsche lawaai, dat de Kiowa’s maakten duurde nog altijd voort, maar toch waagde ik het nader te komen, totdat ik eindelijk weer op dezelfde plaats stond waar ik Sam had gevraagd mij te volgen. Ik vond hem niet. Hij had dus niet gedaan wat ik gezegd had en was dadelijk den anderen oever weer opgeklommen. Maar hier moest hem het schijnsel van het vuur beschenen hebben en hij stelde zich niet alleen voor aan de oogen, maar ook aan de kogels der Kiowa’s. Welk een onbedachtzaamheid van het kleine, vandaag zoo onhandelbare kereltje! Ik maakte mij zeer angstig over zijn lot, ging weer terug en liep toen ik mij geheel veilig voelde, in een boog naar de legerplaats.

Hier vond ik alles in de grootste opgewondenheid. Mijn roode en blanke metgezellen verdrongen zich om mij heen en Dick Stone zeide op verwijtenden toon:

—Sir, waarom hebt gij ons toch verboden u te volgen, zelfs wanneer er schoten vielen? Wij hebben met groote spanning gewacht, dat gij zoudt roepen. God zij dank, dat gij weer hier zit en wel ongekwetst, naar ik zie!

—Waar is Sam?—Niet hier?—vroeg ik.

—Hier? Hoe kunt gij dit vragen? Hebt gij dan niet gezien wat er met hem is gebeurd?

—Neen, wat dan?

—Toen ge weg waart, bleven wij hier wachten. Na eenigen tijd hoorden wij de roodhuiden roepen, daarop werd het weer stil. Opeens hoorden wij revolverschoten en een vreeselijk gehuil. Toen wederom geweerschoten en nu zagen wij Sam verschijnen.

—Waar?

—Ginds bij het boschje, aan dezen oever.

—Dat dacht ik al! Sam is vandaag onvoorzichtiger geweest dan ooit te voren. Verder, verder!

—Hij kwam naar ons toegeloopen, maar er was een bende Kiowa’s achter hem, die hem inhaalden en vasthielden. Wij zagen dit duidelijk, daar de vuren helder brandden, maar voor wij de plaats konden bereiken, waren zij met hem door de rivierbedding getrokken en achter de boomen verdwenen. Wij hadden grooten lust hen te volgen, aan te vallen en Sam te bevrijden, maar wij dachten aan uw verbod en bleven hier.

—Daaraan hebt ge zeer verstandig gedaan, want gij, elf man, had niets kunnen doen en waart allen vermoord geworden.

—Maar wat moeten wij dan nu doen, sir? Sam is gevangen!

—Helaas ja en dat wel voor de tweede maal!

—Voor de tweede maal?....—riepen allen verbaasd.

—Ja. Ik had hem reeds weer verlost, hij behoefde mij slechts te volgen om weer veilig hier te komen, maar hij heeft zijn eigen zin doorgedreven.

Ik vertelde hun wat er gebeurd was. Toen ik geëindigd had, zeide Will Parker:

—Dan hebt gij in het geheel geen schuld sir, gij hebt meer gedaan dan een ander zou hebben gewaagd. Sam heeft zichzelf leelijk in de val geholpen, maar wij mogen hem er daarom niet in laten zitten.

—Dat ben ik met u eens, maar dit zal ons nu voor de tweede maal zeer moeilijk vallen, want ge begrijpt, dat de Kiowa’s dubbel zullen oppassen.

—Dat is zeker; maar misschien gelukt het ons toch nog hem te redden.

—Hm, alles is mogelijk, maar twaalf man tegenover vijftig, die op een aanval voorbereid zijn! En toch is dit misschien de eenige manier, want bij dag is het nog minder te wagen.

—Wel, laat het ons dan nog dezen nacht probeeren!

—Langzaam, langzaam, eerst overleggen!

—Overleg het, sir, maar geef mij intusschen verlof, nog eens daarheen te sluipen en te zien hoe alles er voor staat.

—Dat moogt ge wel doen, maar later, als zij niet langer zoo nauwkeurig toezien. En dan gaat ge niet alleen, maar ik ga met u en waarschijnlijk nemen wij ook alle anderen mee.

—Goed, sir, goed, als we de anderen ook dadelijk meenemen, heeft het wel wat van een overval. Wij zullen onzen plicht doen. Zes tot acht Kiowa’s neem ik voor mijn rekening en Dick Stone zal zich wel niet met minder tevreden willen stellen, niet waar, vriend Dick?

—Gij hebt het geraden, vriend Will,—antwoordde de aangesprokene,—het komt er bij mij niet op een meer of minder aan, als het te doen is om Sam te bevrijden. Hij is anders zulk een slimme vogel, maar vandaag is hij leelijk uitgeweest.

Ja zeker, hij had gelijk. Sam was vandaag leelijk uitgeweest. Ik dacht bij mij zelf na, wat de beste manier was, om hem te helpen. Mijn leven zou ik voor hem hebben willen wagen, maar had ik het recht, dat van de Apachen op het spel te zetten? Misschien kon men langs den weg van list ook tot het doel geraken, dat zou ik eerst kunnen beslissen, wanneer wij de geheele positie der Kiowa’s zouden verkend hebben. In elk geval leek het mij het beste toe de Apachen mee te nemen, het kon zijn dat een plotselinge aanval toch nog het meest practische was.

Wij moesten evenwel nog eenigen tijd wachten, want wij bemerkten dat het daarginds nog zeer levendig toeging. Weldra echter werd het stiller en de stilte werd slechts onderbroken door krachtige bijlslagen. De roodhuiden waren bezig hout te kappen en waren dus waarschijnlijk van plan de vuren tot aan den morgen aan te houden.

Eindelijk hielden ook de bijlslagen op. De sterren fonkelden aan den hemel, het moest bij middernacht zijn en ik hield het voor tijd aan het werk te gaan. Eerst zorgden wij er voor dat de paarden die wij moesten achterlaten, goed vastgebonden werden, toen zag ik nog eens naar de banden van den gevangen Kiowa. Hierop verlieten wij onze legerplaats en sloegen denzelfden weg in langs welken ik van te voren naar de rivierbedding was gegaan.

Toen wij op de hoogte van het boschje waren gekomen, beval ik den Apachen, onder aanvoering van Dick Stone, hier te blijven en elk gedruisch te vermijden. Ik zelf ging met Will Parker zachtjes verder. Toen wij den oever hadden bereikt, gingen wij plat op den grond liggen en luisterden. Er heerschte rondom diepe stilte. Nu kropen wij langzaam voorwaarts. De acht vuren brandden nog steeds even helder. Ik zag, dat er hoopen dorre takken opgegooid waren. Dit wekte mijn achterdocht op. Wij gingen vooruit en weer vooruit en zagen geen mensch. Eindelijk kwamen wij tot de overtuiging dat het boschje ledig was en er geen enkele Kiowa meer te zien was.

—Zij zijn weg, stilletjes weggegaan!—zeide Parker verbaasd,—en toch hebben zij de vuren zoo aangepord!

—Om hun terugtocht te verbergen. Zoolang de vuren brandden, moesten wij wel denken dat zij nog hier waren.

—Maar waar zijn ze dan? Voor goed weg?

—Dat vermoed ik, omdat Sam voor hen een goede buit is, welken zij in veiligheid willen brengen. Maar het is ook mogelijk, dat zij het een of ander helsch plan hebben verzonnen.

—En wat zou dat dan kunnen zijn?

—Dat zij ons daarginds willen overvallen, evenals wij het hen hier hadden willen doen!

—Wel ja, dat is immers mogelijk! daar moeten wij toch een stokje voor steken, sir!

—Ja, wij moeten terug en onze paarden in veiligheid brengen, ook al blijkt het later onnoodig te zijn geweest.