Chapter 28 of 43 · 3975 words · ~20 min read

Part 28

De uitwerking was voor ’t oogenblik zooals Sam die had verwacht. De rooden geloofden hem en zagen vol verwachting naar den wagen, want zij dachten niet anders of de medicijnman zou komen om zich te verdedigen. Deze bleef evenwel waar hij was en dus namen zij aan, dat hij zich overwonnen gevoelde. Sam Hawkins kwam nu op mij toe, zag mij met zijn kleine oogjes aan en vroeg:

—Welnu sir, heb ik het niet knap gedaan?

—Ja, ’t schijnt ten minste wel, dat gij uw doel bereikt hebt.

—Ik heb het bereikt, de medicijnman is verslagen, hij laat zich niet zien of hooren.

Winnetou liet de oogen met een stillen maar veelbeteekenenden blik op ons rusten. Zijn vader evenwel kwam op ons toe en zeide tot Sam:

—Mijn blanke broeder is een knap man, hij heeft de kracht der woorden van den medicijnman gebroken en bezit een rok die veel kan voorspellen. Deze kostbare rok zal beroemd worden. Maar Sam Hawkins is met zijn voorspellingen te ver gegaan.

—Te ver? Hoezoo?—vroeg de kleine man.

—Het was voldoende geweest te zeggen, dat Old-Shatterhand’s tegenwoordigheid ons geen nadeel kon aanbrengen. Waarom heeft hij er bijgevoegd, dat ons onheil staat te wachten?

—Omdat ik dit in het gat gezien heb.

Intschu Tschuna maakte een afwerende beweging en zeide:

—Het opperhoofd der Apachen heeft wel begrepen, wat Sam Hawkins heeft gedaan, het was niet noodig van moeielijke dingen te spreken en onze lieden met angst te vervullen.

—Angst? De dappere krijgers der Apachen zijn toch niet bang?

—Zij zijn niet bang en dat zullen zij bewijzen, wanneer zij op hun weg vijanden mochten ontmoeten. Laat ons nu evenwel onzen tocht beginnen.

De paarden werden voorgebracht. Er was een aanzienlijk getal pakpaarden, op een daarvan werden mijn instrumenten en op de overige de proviand en andere noodzakelijke dingen geladen.

Het is bij de Indianen gebruikelijk, dat de vertrekkende krijgers door de achterblijvenden een eind weegs worden begeleid. Dit geschiedde evenwel nu niet, daar Intschu Tschuna dit niet had gewild. De dertig krijgslieden, die met ons meegingen, namen niet eens afscheid van vrouw en kinderen; hoogstwaarschijnlijk hadden zij dit van te voren gedaan, maar hun waardigheid gedoogde niet, dat dit geschiedde ten aanschouwe van het geheele publiek. Een echter was er, die een uitzondering maakte en zich niet stil kon houden, namelijk Sam Hawkins. Hij zag Kliuna onder de vrouwen staan, reed, toen hij reeds op zijn muildier was gestegen op haar toe en vroeg:

—Heeft Kliuna-ai gehoord, wat ik heb gezien in den schoot der aarde?

—Gij hebt het gezegd en ik heb het gehoord,—was het antwoord.

—Ik had nog veel meer kunnen zeggen, bijvoorbeeld iets van u.

—Van mij? Weet gij ook iets van mij?

—Ja. Ik zag uw geheele toekomst duidelijk voor mij liggen. Zal ik u vertellen, wat ik zag?

—Ja, doe dat!—verzocht zij haastig.—Wat zal mij de toekomst brengen?

—Zij zal u niets brengen, maar u van iets berooven, dat u zeer lief en dierbaar is.

—Wat is dat dan?—vroeg zij bijna angstig.

—Uw haar. Gij zult het binnen eenige maanden verliezen en een vreeselijk kaalkop krijgen. Dan zal ik u mijn pruik zenden. Vaarwel mijn lief!

Hij reed lachend op zijn muildier verder en de Indiaansche schoone keerde zich om beschaamd, dat zij zich door haar nieuwsgierigheid zoo had laten beetnemen.

De tocht werd nu begonnen. Intschu Tschuna, Winnetou met zijn zuster en ik reden aan de spits, dan volgden Hawkins, Parker en Stone en achter hen kwamen de dertig Apachen, die om beurten de pakpaarden hadden te besturen.

Nscho-Tschi zat te paard als een man. Zij was, zooals ik reeds wist, een uitstekende paardrijdster die geen vermoeienis kende. Even bedreven ook was zij in het hanteeren der wapenen. Wie ons had ontmoet, zonder ons te kennen, zou haar hebben aangezien voor een jongeren broeder van Winnetou, aan een scherpziend oog evenwel zouden de vrouwelijke zachtheid harer trekken niet zijn ontgaan. Zij was schoon, werkelijk schoon, ondanks haar mannenkleeding.

De eerste dagen van onze reis gingen voorbij, zonder dat er iets meldenswaards gebeurde. Zooals bekend is hadden de Apachen vijf dagen noodig gehad om van de plaats, waar zij ons hadden overvallen, naar het Pueblo aan den Rio Pecos te komen. Het transport der gevangenen en der gewonden had echter dezen rit vertraagd. Wij bereikten reeds na drie dagen de plaats, waar Kleki-Petra door Rattler vermoord was. Daar werd halt gehouden en werden de tenten opgeslagen. De Apachen verzamelden steenen om daarmede een eenvoudig gedenkteeken op te richten. Winnetou was dien dag nog ernstiger gestemd dan gewoonlijk en op deze plek vertelde ik hem en zijn vader, wat Kleki-Petra mij over diens vroeger leven had medegedeeld. Den volgenden morgen trokken wij verder tot aan de streek, waar onze arbeid door den overval zoo plotseling was onderbroken. De palen zaten nog in den grond en ik had dadelijk met meten kunnen beginnen, indien er niet iets noodzakelijkers te doen was geweest.

De Apachen hadden namelijk destijds na den strijd verzuimd, de gevallen blanken en Kiowa’s te begraven, maar ze laten liggen. Wat zij hadden verzuimd, hadden de gieren en andere roofdieren overgenomen, maar op een andere wijze. De beenderen lagen overal verspreid, sommige geheel afgeknaagd en het was voor ons een treurige taak, deze overblijfselen te verzamelen en in een gemeenschappelijk graf te leggen. De Apachen namen geen deel aan dit werk.

Zoo ging de dag voorbij en eerst den volgenden dag kon ik met mijn opmetingen beginnen. Behalve aan de krijgers die de noodige hulp daartoe verleenden, had ik bijzonder veel steun aan Winnetou. De roodhuiden, die ik niet kon gebruiken, zwierven in den omtrek rond en brachten ’s avonds menig stukje wild voor het avondeten thuis.

’t Spreekt van zelf, dat mijn werk vorderde. Niettegenstaande de moeilijkheden van het terrein, bereikte ik reeds na drie dagen de volgende sectie en nu had ik nog slechts een vierden dag noodig om mijn teekeningen te voltooien. Dan was ik klaar en dat was ook maar goed, want de winter naderde en de nachten werden reeds zoo koud, dat wij het vuur niet lieten uitgaan.

Als ik zeg, dat de roodhuiden mij behulpzaam waren, dan moet ik er bijvoegen dat zij dit niet met lust en opgewektheid deden. Zij gehoorzaamden aan de bevelen van hun opperhoofden, maar men zag het hun aan, dat zij blij waren, wanneer zij hun werk hadden gedaan. En wanneer wij ’s avonds te zamen zaten, bleven zij altijd op behoorlijken afstand van ons. De beide opperhoofden bemerkten dat wel, maar zij zwegen wijselijk daarover.

Sam evenwel kon zich niet altijd stilhouden en zeide eens op een avond tot mij:

—’t Is en blijft toch maar altijd waar, de roodhuid mag een flink jager en dapper krijgsman zijn, maar voor ’t overige is ’t een luiaard. Hij houdt niet van werken.

—Wat zij te doen hebben, is geen inspannend werk. Er bestaat een andere reden, waarom zij het niet met lust doen.

—Zoo, en wat is dat dan?

—Zij schijnen aan de voorspelling van den medicijnman meer waarde te hechten, dan aan de uwe, Sam!

—Maar dat is toch dom van hen!

—En vergeet bovendien niet, dat het werk wat ik doe, in hun oogen een groot onrecht is. De streek behoort hun en ik meet haar op voor hun vijanden!

—Maar hun opperhoofden keuren dit immers goed?

—Zeker, maar daarom behoeven zij het nog niet goed te keuren. Ik weet zeker dat zij er erg tegen zijn en als ik ze daar zoo bij elkaar zie zitten, kan ik uit hun geheele houding wel opmaken, dat zij mij niet veel goeds toewenschen.

—Het kan zijn, dat gij gelijk hebt, maar het is ons tamelijk onverschillig, wat zij van ons denken. Wij hebben met Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi te doen en over deze drie hebben wij niet te klagen.

Hierin had hij gelijk. Winnetou en zijn vader waren mij in alles behulpzaam en de schoone Indiaansche las mijn wenschen om zoo te zeggen, uit mijn oogen. ’t Was of zij mijn gedachten kon raden en zonder dat ik iets behoefde te zeggen, deed zij wat ik gaarne wilde. Ik gevoelde mij elken dag meer aan haar verplicht. Zij was een scherpe opmerkster en een geduldige toehoorderes en ik bemerkte tot mijn blijdschap, dat ik willens of onwillens een leermeester was, van wien zij gaarne leerde. Als ik sprak hingen haar oogen aan mijn lippen en wat ik deed, deed zij mij na, ook al was het iets, dat in strijd was met de gewoonten van haar ras. Zij scheen alleen voor mij hier te zijn en was veel meer bezorgd voor mijn welzijn, dan ik zelf.

Aan den avond van den vierden dag dus, was ik gereed en pakte de meetinstrumenten in de daarvoor bestemde dekens. Wij maakten ons reisvaardig en braken den morgen van den vijfden dag op. De beide opperhoofden waren van plan denzelfden weg te gaan, langs welken ik door Sam in deze streek was gebracht.

Twee dagen gingen voorbij, zonder dat er iets bijzonders gebeurde, den derden dag evenwel hadden wij een eigenaardige ontmoeting. Wij bevonden ons in een vlakke grasrijke en hier en daar door kreupelboschjes afgewisselde streek, waar wij aan alle kanten om ons heen konden zien, wat in ’t Westen altijd van veel belang is. Men weet nooit, welke menschen men kan ontmoeten en het is altijd beter dat men ze van verre ziet aankomen. Dien dag nu, zagen wij vier ruiters, die ons tegemoet kwamen, het waren blanken. Zij zagen ons natuurlijk evengoed, als wij hen en zij hielden hun paarden even in, onzeker of zij nader zouden komen of liever omkeeren. Onverwacht voor dertig roodhuiden te staan is niet aangenaam voor blanken, vooral wanneer men niet weet, tot welken stam de Indianen behooren. Zij zagen evenwel, dat er blanken bij onzen troep waren en stuurden hun paarden dus naar ons toe.

De vier mannen waren als cow-boys gekleed en met geweren en messen gewapend.

Toen zij ons tot op ongeveer twintig pas genaderd waren, hielden zij de paarden in, namen hun geweren in de hand en een van hen riep:

—Good day, heeren! Is het noodig, den vinger aan den trekker te hebben of niet?

—Good day, heeren!—antwoordde Sam.—Laat die geweren maar rusten, wij hebben geen plan u op te eten. Mag men weten, van waar gij komt?

—Van den ouden Mississippi.

—En wat is het doel van uw tocht?

—Wij willen naar Nieuw-Mexico en van daar naar Californië. Wij hebben gehoord, dat de cow-boys daar meer geld kunnen verdienen dan bij ons.

—Daaraan zult gij wel gelijk hebben, sir, maar dan hebt ge nog een geducht eind te reizen. Wij komen daar vandaan en zijn van plan naar St. Louis te gaan. Is de weg daarheen veilig?

—Ja, ten minste wij hebben van het tegendeel niets bemerkt. Maar gij behoeft toch niet ongerust te zijn, gij zijt talrijk genoeg. Of rijden de roode heeren misschien niet zoover mee?

—Neen, alleen deze beide krijgers met hun dochter en zuster. Intschu Tschuna en Winnetou, de beide opperhoofden der Apachen.

—Wat zegt gij, sir? Een roode dame, die naar St. Louis wil? Mag men uw namen misschien weten?

—Waarom niet? ’t Zijn eerlijke namen, wij behoeven er ons niet voor te schamen. Ik word Sam Hawkins genoemd, dit zijn mijn kameraden Dick Stone en Willy Parker en hier hebt ge Old-Shatterhand, een man die den grijzen beer met het mes doorsteekt en den sterksten man met de vuist neerslaat. Wilt gij nu zoo vriendelijk zijn ons ook uw namen te noemen?

—Gaarne, wij hebben den naam Sam Hawkins wel eerder gehoord, de andere heeren zijn ons onbekend. Ik heet Santer en ben niet zulk een beroemd man als gij, maar een arme cow-boy.

Hij noemde ook de namen van de andere drie mannen, welke ik evenwel niet heb onthouden; deed nog enkele vragen en daarna ging ieder zijns weegs. Toen zij uit het gezicht waren, vroeg Winnetou aan Sam:

—Waarom heeft mijn broeder aan deze lieden dit alles verteld?

—Mocht ik dit dan niet doen?

—Neen.

—Ik zou niet weten waarom niet. Wij werden beleefd gevraagd, en ik moest dus wel beleefd antwoorden.

—Ik vertrouw de beleefdheid der bleekgezichten nooit. Zij waren beleefd, omdat wij achtmaal sterker in aantal waren dan zij. Het spijt mij, dat gij hun hebt gezegd, wie wij zijn.

—Waarom? Meent gij dat dit kwaad kan?

—Ja!

—Hoe komt gij op die gedachte?

—Deze bleekgezichten bevielen mij volstrekt niet. De oogen van den man, met wien gij sprak, waren niet te vertrouwen.

—Dat heb ik niet opgemerkt. Maar, al was dat zoo, ’t zal ons niet hinderen, want zij zijn weggereden.

—Toch wil ik weten wat zij doen. Mijn broeders kunnen langzaam verder rijden, ik zal met Old-Shatterhand terugkeeren en deze bleekgezichten op een afstand volgen. Ik moet weten of zij werkelijk verder rijden of dit slechts in schijn doen.

Terwijl de anderen hun weg vervolgden, reed hij met mij de vier vreemdelingen achterna. Ik moet eerlijk zeggen, dat deze Santer mij ook volstrekt niet was bevallen en dat ook het uiterlijk der andere drie mannen weinig vertrouwen inboezemen kon; ik begreep echter niet, welke plannen zij tegenover ons zouden kunnen hebben. Zelfs al behoorden zij tot die lieden, die het eigendom van andere menschen als het hunne beschouwen, dan nog, vroeg ik mij tevergeefs af, wat zij er aan zouden hebben, ons lastig te vallen. Bovendien wij waren zeven en dertig goedgewapende mannen en behoefden dus niet bang voor hen te zijn. Toen ik dit aan Winnetou zeide, antwoordde hij evenwel:

—Als zij dieven zijn, storen zij zich niet aan ons aantal, omdat zij ons toch niet openlijk aanvallen, maar zij volgen ons stilletjes en wachten het oogenblik af, dat hij, op wien zij het hebben voorzien zich van het gezelschap afzondert.

—Maar op wien zouden zij het dan hebben voorzien? Zij kennen ons immers in ’t geheel niet.

—Op dengeen, die naar hun vermoeden, goud bij zich heeft.

—Goud? Hoe kunnen zij weten dat wij dat hebben en wie van ons dit bij zich heeft.

—O, zij behoeven slechts even na te denken, om dit te weten. Sam Hawkins is zoo onvoorzichtig geweest te zeggen, dat wij opperhoofden zijn en naar St. Louis willen gaan. Meer behoeven zij niet te weten.

—Nu begrijp ik, wat mijn broeder bedoelt. Wanneer Indianen naar het Oosten gaan, hebben zij geld noodig en daar zij geen gestempelde munten hebben, nemen zij goud mee en als opperhoofden nemen zij waarschijnlijk veel goud mee.

—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft het geraden. Indien de bleekgezichten van plan zijn diefstal en roof te plegen, dan zijn wij, de beide opperhoofden, de personen op wie zij het gemunt zullen hebben. Zij zouden nu evenwel niets bij ons vinden.

—Niet? Gij wildet toch immers goud meenemen?

—Ja, maar dit halen wij eerst morgen. Waarom het mee te dragen als wij het toch niet hard noodig hebben? Tot nu toe hadden wij niets te betalen, dit begint zoodra wij aan de forten komen, welke op onzen weg liggen. Daarom zullen wij waarschijnlijk morgen goud halen.

—Is er dan een plaats, waar goud is te vinden, dicht bij ons?

—Ja, vanavond komen wij in de nabijheid van den berg Nuggets-Hill, daar ligt het goud in hoopen.

Ik beken eerlijk, dat ik een gevoel van bewondering, vermengd met een weinig afgunst, niet kon onderdrukken. Deze menschen wisten dat kostbare metaal in menigte te vinden en maakten er geen gebruik van om zich het leven aangenamer en gemakkelijker te maken. Zij namen geen beurzen mee, maar hadden overal verborgen schatkamers liggen, waar zij het goud voor het grijpen hadden.

Wij moesten voorzichtig zijn, want Santer mocht niet bemerken dat wij hem volgden, wij zochten dus telkens dekking achter heuvels en struiken.

Na een kwartieruurs zagen wij de vier mannen voor ons. Zij reden flink door, schenen haast te hebben en aan omkeeren niet te hebben gedacht. Wij hielden even stil. Winnetou zag hen nog eens opmerkzaam na en zeide toen:

—Zij hebben geen slechte bedoelingen en wij kunnen dus gerust zijn.

Hij vermoedde even weinig als ik, dat hij zich deerlijk vergiste. Deze kerels hadden wel slechte bedoelingen, maar zij waren buitengewoon slim, zooals ik later van hen zelf hoorde. Zij vermoedden wel dat wij hen een tijdlang in het oog zouden houden en deden dus, alsof zij haast hadden. Later echter keerden zij om en volgden ons.

Wij haalden onze kameraden spoedig in en tegen den avond maakten wij halt, dicht bij een water. Gewend, voorzichtig te zijn, zochten de opperhoofden eerst den omtrek af, voor wij bevel kregen de tenten op te slaan. Het water was een soort van bron, in de nabijheid was gras voor de paarden in overvloed en daar de plek rond om door boomen was ingesloten, konden wij flinke vuren aanleggen, zonder kans te loopen opgemerkt te worden. Bovendien zette Intschu Tschuna twee wachten uit en dus meenden wij alle voorzorgsmaatregelen genomen te hebben.

De dertig Apachen gingen op eenigen afstand van ons liggen, om als de vuren brandden, hun portie vleesch te eten. Wij zaten met ons zevenen aan den rand van het bosch, om het vuur heen geschaard.

Na het avondeten waren wij gewend nog wat samen te praten, dit geschiedde ook heden. In den loop van het gesprek vertelde Intschu Tschuna, dat wij morgen tegen den middag verder zouden reizen en toen Sam Hawkins naar de reden daarvan vroeg verklaarde het opperhoofd met een oprechtheid, welke ik later diep heb betreurd:

—Het moest eigenlijk een geheim zijn, maar ik zal het mijnen blanken broeders vertellen, als zij mij beloven mij niet te volgen.

Toen wij dit hadden beloofd, ging hij voort:

—Wij hebben goud noodig, daarom zal ik morgen vroeg met mijn kinderen van hier gaan om Nuggets te halen en eerst tegen den middag terugkeeren.

Stone en Parker lieten niet na aan hun verwondering lucht te geven en Sam Hawkins vroeg:

—Is er dan goud hier in de nabijheid?

—Ja,—antwoordde Intschu Tschuna,—niemand vermoedt dit, ook mijn krijgslieden weten dit niet. Ik heb het gehoord van mijn vader, die het weer van den zijnen hoorde. Zulke geheimen gaan van vader op zoon over en men maakt er zelfs zijn besten vriend geen deelgenoot van. Ik heb er nu wel met u over gesproken, maar ik zou de plaats aan geen mensch toonen en ieder neerschieten, die het zou wagen om ons te volgen, om de plaats te weten te komen.

—Zoudt gij ons ook dooden?

—Ook u! Ik heb u in het vertrouwen genomen, schendt gij dit dan hebt gij den dood verdiend. Ik weet evenwel dat gij deze legerplaats niet zult verlaten, voor wij zijn teruggekeerd.

Hij zweeg verder over dit onderwerp en het gesprek nam een andere wending. Intschu Tschuna, Winnetou, Nscho-Tschi en ik zaten met den rug naar de boomen; Sam, Dick en Will hadden aan de andere zijde van het vuur plaats genomen. Midden in het gesprek uitte Sam een kreet van verrassing en meteen greep hij zijn geweer, legde aan en schoot. Dit schot bracht natuurlijk een algemeenen schrik teweeg. De Indianen sprongen op en kwamen naar ons toe. Ook wij stonden op en vroegen Sam, waarom hij had geschoten.

—Ik heb twee oogen gezien, die achter Intschu Tschuna door de boomen gluurden,—verklaarde hij.

Dadelijk doofden de roodhuiden de vuren uit en drongen in het bosch. Hun zoeken was evenwel tevergeefs en gerustgesteld nam ieder zijn plaats weer in.

—Sam Hawkins zal zich vergist hebben,—zeide Intschu Tschuna.—Bij zulk een flikkerend vuur kan dit licht gebeuren.

—Ik meende toch stellig twee oogen te hebben gezien.

—De wind heeft zeker door de bladeren gespeeld en daar de achterkant lichter is, zal mijn broeder twee bladen voor oogen hebben aangezien.

—’t Is mogelijk, dan heb ik dus twee bladeren doodgeschoten.... hihihihi!—Hij lachte op zijn eigenaardige wijze, maar Winnetou nam de zaak zeer ernstig op en zeide:

—Mijn broeder Sam heeft in elk geval een fout begaan, waarvoor hij zich later wel moet wachten.

—Een fout? Ik? Waarom?

—Er mocht niet geschoten worden.

—Niet? Als er een spion tusschen de boomen is, heb ik toch zeker wel het recht, hem een kogel door den kop te jagen?

—Weet men dan vooruit, welke plannen die spion heeft? Hij ziet ons en komt nader, om te zien wie wij zijn. Misschien is ’t een vriend, die ons wil begroeten.

—Hm, dat zou mogelijk kunnen zijn,—bekende de kleine eerlijk.

—Het schot kan gevaarlijk voor ons worden,—ging Winnetou voort.—Of Sam heeft zich vergist en geen oogen gezien en dan was het schot overbodig en kan slechts vijanden hierheen lokken, òf het zijn werkelijk een paar oogen geweest en dan was het eveneens verkeerd te schieten, daar vooruit wel te zien was, dat de kogel geen doel zou treffen.

—Oho, Sam Hawkins is zeker van zijn schot, hij heeft nog nooit misgeschoten.

—Ik kan ook goed schieten, maar zou evenmin treffen. De spion ziet immers, dat men op hem mikt en kan zich bijtijds uit de voeten maken, dat begrijpt ge toch wel?

—Ja, ja, maar wat zou mijn roode broeder dan in mijn plaats hebben gedaan?

—Ik zou òf een knieschot hebben gedaan, òf mij heimelijk hebben verwijderd om den spion langs een omweg, vóór mij te krijgen.

Het knieschot is het moeilijkste schot dat er bestaat. Vele, vele prairiejagers, die anders goede schutters zijn, zijn niet in staat zulk een schot te doen. Ik had het zelfs nooit hooren noemen, maar Winnetou had het mij geleerd en ik oefende mij er nu dagelijks in. Verondersteld dat ik alleen of met anderen, dat maakt geen verschil, bij ’t legervuur zit met mijn geweer, volgens gewoonte geladen, aan mijn rechterzijde.

Daar zie ik twee oogen die mij van uit een hinderlaag gadeslaan. Ik kan het gezicht van den spion niet zien door de duisternis, maar de oogen hebben een phosphoriseerenden glans, die des te sterker is naarmate de man zijn oogen inspant. Men stelle zich echter niet voor, dat het gemakkelijk is ’s nachts tusschen millioenen van bladeren, twee oogen te vinden. Dat leert men niet, maar deze scherpte, deze zekerheid van blik moet aangeboren zijn.

Ben ik overtuigd, een vijandelijken spion voor mij te zien, dan moet ik, om mijzelf te redden, hem onschadelijk maken, hem dooden en wel door een kogel, die hem tusschen de oogen treft, want op de oogen moet ik mikken, daar dit het eenige is, wat ik van hem zie. Indien ik evenwel het geweer gewoon aanleg, dat wil zeggen het op de hoogte van mijn wang breng, dan ziet hij dat ik mik en hij verdwijnt oogenblikkelijk. Ik moet dus zoo aanleggen, dat hij er niets van bemerkt. Dit nu gebeurt bij het knieschot. Ik buig namelijk het rechterbeen zóó, dat de knie wat hooger komt en mijn bovenbeen één lijn vormt, in welks verlengde beide oogen liggen, die ik wil raken. Dan neem ik schijnbaar in gedachten, als spelend, mijn geweer op en leg het op mijn bovenbeen, zoodat het juist in ’t verlengde daarvan komt te liggen en haal den haan over. Dit is moeielijk, zeer moeielijk, vooral omdat men daarbij alleen de rechterhand mag gebruiken. Met deze eene hand het geweer stellen, het tegen het dijbeen aandrukken en dan afvuren, dit is een kunst, die slechts weinigen kunnen. Vergeet bovendien niet, hoe moeielijk het is in deze houding en zonder het oog aan ’t vizier te brengen, een zeker doel te treffen. En dit doel bestaat daarbij nog uit twee, nauwelijks zichtbare punten in een bladerenmassa, welke dikwijls door den wind wordt bewogen. Op zulk een schot doelde Winnetou, toen hij van een knieschot sprak, hij was er een meester in. Mij gelukte dit schot zelden, omdat mijn berendooder zoo zwaar woog en met één hand niet te hanteeren was. Door voortdurend oefenen evenwel heb ik het later toch kunnen leeren. (Zie: May, Het Geheim van den Witten Bison).