Chapter 5 of 43 · 3824 words · ~19 min read

Part 5

Eerlijk gezegd, voelde ik mij een weinig teleurgesteld over zijn behandeling. Ik had gehoopt een woord van goedkeuring en aanmoediging van hem te hooren en in plaats daarvan, zeide hij niets, maar zond mij weg om mijn paard te halen. Ik was evenwel niet boos want ik ben nooit iemand geweest, die iets doet om een prijsje te verdienen.

Toen ik met het paard terugkwam, lag Sam reeds op zijn knieën bij de buffelkoe, had reeds het vel afgestroopt en sneed nu de lende uit.

—Ziezoo,—zeide hij;—nu zullen wij van avond eens heerlijk eten. Deze lende is alleen voor ons, Dick en Willy. Als de anderen ook iets willen hebben, moeten zij hier maar heenrijden om de koe te halen.

—Als zij ten minste in dien tusschentijd niet door de gieren of andere wilde dieren is opgegeten.

—Zoo! wel, wat zijt ge weer verstandig. Het spreekt vanzelf, dat we het dier met takken bedekken en dan steenen er boven opleggen. Het moet al een beer of een ander groot roofdier zijn, dat er aankomt.

Ik sneed dus dikke takken uit het nabijzijnde kreupelhout en sleepte zware steenen aan. Wij legden deze op de koe en laadden toen het vleesch op mijn paard.

—Wat zullen we met den stier doen? kunnen wij er niets van gebruiken?—vroeg ik.

—Niets.

—Ook niet de huid?

—Zijt gij leerlooier? Ik niet.

—Ik heb echter toch gelezen dat de buffelhuiden in zoogenaamde cachés worden bewaard.

—Zoo, hebt gij dat gelezen? Welnu, als gij ’t gelezen hebt zal ’t wel waar zijn, want alles wat men over de Far-West leest is waar, onomstootelijk waar, hihihihi! Zeker, er zijn prairiejagers, die de dieren vangen om de huid, ik heb het ook wel eens gedaan, maar nu zullen wij ons wel wachten deze zware huid mee te sleepen.

Wij braken op en kwamen, hoewel wij moesten loopen, reeds na ongeveer een half uur in de legerplaats aan, want verder was deze niet verwijderd van de plaats, waarin ik mijn eerste of liever mijn eerste twee buffels had geschoten.

Allen zagen verbaasd op, dat wij te voet kwamen en Sam’s paard niet meebrachten.

—Wij zijn op de buffeljacht geweest en mijn paard is door een stier gedood geworden,—was Sam’s antwoord op de aan ons gedane vragen.

—Buffels, buffels?—klonk het uit aller mond.—Waar hebt ge ze gezien?

—Een klein half uurtje van hier; wij hebben een lende meegebracht, gij kunt ook wel een stuk vleesch gaan halen, als ge wilt.

—Dat zullen we doen,—riep Rattler, die deed alsof er tusschen hem en mij nooit iets was voorgevallen.—Waar ligt het dier?

—Rijdt terug op ons spoor dan komt gij vanzelf op de plaats, gij hebt zelf ook wel oogen als ik mij niet vergis.

—Hoeveel stuks waren er?

—Twintig.

—En hoeveel hebt gij geschoten?

—Een koe.

—Niet meer? Waar zijn de andere gebleven?

—Weg natuurlijk, ik heb niet gevraagd waar zij heengingen, hihihihi!

—Maar één koe. Twee jagers en dan maar één te schieten!—zei Rattler op een minachtenden toon.

—Doe het ons na, als gij kunt, gij hadt al zeker alle twintig geschoten en misschien nog eenige meer. Gij zult bovendien, als gij er komt, nog twee oude twintigjarige stieren zien liggen die deze jonge gentleman heeft neergelegd.

—Stieren, oude stieren, wie schiet daar nu op!—riepen allen,—dat kan alleen zulk een „greenhorn” doen.

—Lacht hem voor mijn part uit, maar ziet de dieren eerst eens goed aan. Ik zeg u, dat hij mij daardoor het leven gered heeft.

—Het leven gered? hoe zoo?

Zij waren nieuwsgierig het avontuur te hooren, maar Sam vervolgde:

—Ik heb geen lust daarover te praten. Laat het u door hem zelf vertellen, als gij het tenminste beter vindt, het vleesch eerst te halen als het donker is.

Hij had gelijk. De zon begon reeds onder te gaan. Allen stegen dus te paard en reden heen. Ik zeg met opzet allen, want geen enkele wilde achterblijven, omdat de een den ander niet vertrouwde. Onder fatsoenlijke jagers behoort elk stuk wild, dat in de wildernis wordt geschoten, aan al de leden van ’t gezelschap, maar hier waar de verhouding niet zeer vriendschappelijk was, eerbiedigde men deze wet niet. Toen zij terugkwamen, hoorde ik dan ook wel, dat zij zich als wilden op de koe hadden geworpen en ieder onder gevloek en getwist, zijn best had gedaan om een zoo groot mogelijk stuk voor zich zelf te bemachtigen.

In den tijd dat zij weg waren, had ik het vleesch van mijn paard genomen, en bracht nu mijn schimmel in orde. Ik haastte mij daarbij volstrekt niet, ten einde Sam in de gelegenheid te stellen, ons avontuur aan Parker en Stone mede te deelen. Zij stonden zoo, dat de tent tusschen hen en mij lag en zij mij dus niet konden zien toen ik nader kwam.

—Gelooft mij, ’t is, zooals ik u zeg,—hoorde ik Sam zeggen— —Neemt me die kerel niet den grootsten en sterksten stier en schiet hem neer als een oude, ervaren buffeljager! Ik heb gedaan alsof ik ’t voor lichtzinnigheid hield en heb hem duchtig de les gelezen maar ik heb hem nu leeren kennen.

—Ik ook,—stemde Stone toe,—hij zal een uitstekende prairieman worden.

—En ook zeer spoedig,—hoorde ik Parker zeggen.

—Yes,—bevestigde Hawkins,—weet gij, makkers, hij is er als voor geboren! En dan die kracht! Heeft hij gisteren niet onzen zwaren ossenwagen geheel alleen voortgetrokken, ja, ja, hij kan er wat mee! Maar wilt ge me één ding beloven?

—Wat dan?—vroeg Parker.

—Laat hem nooit merken, hoe wij over hem denken.

—Waarom niet?

—’t Kon hem eens naar ’t hoofd gaan.

—Wel neen!

—Zeker. Hij is nu nog zeer bescheiden, maar men moet een mensch nooit prijzen, daarmee bederft men ’t karakter. Noemt hem maar gerust „een greenhorn”, hij is ’t ook nog werkelijk, want al bezit hij ook alle eigenschappen, welke een prairiejager moet bezitten, zij zijn nog niet ontwikkeld en hij moet nog veel leeren en zich nog oefenen.

—Hebt gij hem bedankt, dat hij u ’t leven heeft gered?

—Wel neen, ik heb er geen oogenblik aan gedacht.

—Niet? Wat moet hij dan wel van u denken.

—’t Is mij totaal onverschillig wat hij van mij denkt, als ik mij niet vergis. Natuurlijk houdt hij mij voor een ondankbaren schurk, maar dat is bijzaak, de hoofdzaak is, dat hij zoo bescheiden blijft als hij nu is. Ik had hem wel gaarne willen omarmen en willen kussen!

—Foei!—riep Stone uit,—u kussen! Omarmen is nog wat anders, maar kussen!

—Zoo, waarom niet?—vroeg Sam.

—Waarom? Hebt gij dan nog nooit een spiegel in de hand gehad of uw eigen conterfeitsel in het heldere water gezien? Dat gezicht, dien baard en dien neus! Mensch, wie op de onzinnige gedachte komt, om zijn lippen te plaatsen, waar men de uwe moet zoeken, heeft zeker zijn verstand verloren!

—Zoo, zoo, wel, dat klinkt vriendelijk! Ben ik zulk een leelijke kerel? Waarvoor ziet gij u zelf dan aan? Voor een knappen man? Nu verbeeldt u maar niet, dat ge dat zijt. Ik verzeker u, dat, wanneer wij beiden op een tentoonstelling zouden staan, ik een prijs zou krijgen en gij niet, hihihihi! maar laat ons daarover nu maar zwijgen. Wij spreken over onzen „greenhorn”. Ik heb hem niet bedankt en ik ben ook niet van plan het te doen, maar als zoo aanstonds onze lende gebraden is, krijgt hij het lekkerste en sappigste stuk, hij heeft het eerlijk verdiend. En weet ge, wat ik morgen doe?

—Nu?—vroeg Stone.

—Ik zal hem een plezier doen.

—Waarmee?

—Hij mag meegaan een mustang te vangen.

—Wilt gij op de jacht gaan?

—Ja, ik moet toch een ander paard hebben, gij zult mij voor morgen het uwe wel willen leenen. Vandaag hebben wij buffels gezien, de mustangs zijn dus ook op komst. Ik denk, dat ik niet verder behoef te rijden dan tot aan de prairie, welke wij eergisteren hebben opgemeten. Daar moeten zeker mustangs zijn.

Ik luisterde niet verder, maar trok mij terug, om langs een omweg de jagers van een anderen kant te naderen. Zij behoefden niet te weten, dat ik gehoord had, wat niet voor mijn ooren was bestemd. Er werd een vuur aangelegd, naast ’t welk twee gevorkte takken in den grond werden gestoken. Zij vormden het onderstel voor een braadspit, dat uit een sterken rechten tak bestond. De lende werd daaraan bevestigd en nu begon Sam Hawkins het spit langzaam en met overleg te draaien. Ik moest inwendig lachen om het verheugde gezicht, dat hij daarbij trok.

Toen de anderen met het vleesch terugkwamen, volgden zij ons voorbeeld. Wel ging het bij hen niet zoo kalm toe, want daar ieder zijn eigen stuk op hetzelfde vuur wilde braden was er voor allen geen plaats genoeg en ’t gevolg was, dat zij hun voorraad half rauw opaten.

Ik kreeg werkelijk het beste stuk, ’t was wel drie pond zwaar en ik at het op. Men houde mij daarom niet voor een veelvraat, ik heb integendeel, altijd minder gegeten dan anderen in mijn omstandigheden zouden doen, maar het is voor iemand, die het zelf niet heeft gezien en mee doorleefd heeft, niet te gelooven, welk een vleeschmassa een prairieman eten kan en ook eten moet, wil hij gezond blijven.

De mensch heeft voor zijn voedsel, behalve de anorganische stoffen, een zekere hoeveelheid eiwit en koolstof noodig, en kan deze in de juiste verhouding tot zich nemen, wanneer hij in een beschaafde streek woont. De prairie-bewoner daarentegen, die maandenlang in geen bewoonde streek komt, leeft alleen van vleesch, dat weinig koolstof bevat, hij moet dus groote porties eten om de noodzakelijke hoeveelheid koolstof te krijgen. Dat hij daarbij onnoodig meer eiwit tot zich neemt dan zijn lichaam noodig heeft, daaraan kan hij zich niet storen. Ik heb een ouden Trapper acht pond vleesch achter elkaar zien opeten en toen ik hem vroeg, of hij genoeg had, antwoordde hij lachend:

—Ik moet wel genoeg hebben, want ik heb niet meer, maar als gij nog een stukje van ’t uwe overhebt, zal ik het nog met genoegen opeten.

Onder den maaltijd spraken de prairiejagers druk over onze buffeljacht, en ik merkte, dat zij, toen zij de groote stieren hadden zien liggen, toch nog wel eenig ontzag voor ons hadden gekregen.

Den volgenden morgen deed ik, alsof ik gewoon aan mijn werk wilde gaan, maar Sam kwam naar mij toe en zeide:

—Laat die instrumenten nu maar liggen, sir, wij hebben iets anders te doen.

—Wat dan?

—Dat zult ge wel zien. Zadel uw paard, wij gaan er op uit.

—Waarheen? ’t werk gaat toch voor!

—Neen, hoor, gij hebt genoeg gedaan, bovendien, ik denk, dat wij tegen den middag reeds terug zijn en dan kunt gij wat mij betreft, nog zooveel rekenen en meten, als gij maar wilt!

Ik deelde Bancroft mee, wat hij moest weten en wij reden weg. Sam deed onderweg zeer geheimzinnig en ik liet hem niet merken, dat ik iets van zijn plannen afwist. Na een korten rit, bereikten wij de prairie, waarover Sam gisteren gesproken had. Zij was ongeveer twee Engelsche mijlen breed, dubbel zoolang en omgeven door boschrijke heuvels. Een tamelijk breede beek gaf vochtigheid in overvloed en het gras was dientengevolge hoog opgeschoten. Van het noorden kon men, tusschen twee tamelijk hooge bergen door deze prairie bereiken, terwijl zij ten zuiden in een dal eindigde. Toen wij hier aangekomen waren, hield Hawkins zijn paard in en overzag de vlakte met een vorschend oog, daarna reden wij verder naar het noorden langs de oevers der beek. Plotseling pareerde hij zijn paard, dat van een der anderen geleend was, steeg af, sprong over de beek en ging naar een plek waar het gras was platgetreden. Hij onderzocht deze plaats nauwkeurig, kwam terug, klom weer in den zadel en reed verder, doch niet, zooals te voren, in noordelijke, maar nu in westelijke richting, zoodat we spoedig den rand der prairie bereikten. Hier steeg hij weer af en liet zijn paard grazen, evenwel niet zonder het vooraf goed vastgebonden te hebben. Sedert hij het spoor had onderzocht, had hij nog geen woord gezegd, maar zijn zonderling gezicht, toonde een uitdrukking van volkomen tevredenheid. Nu begon hij eindelijk:

—Stijg ook af, sir en bind uw paard stevig vast, wij zullen hier wachten.

—Waarom moet ik het paard vastbinden?—vroeg ik, hoewel ik het zeer goed wist.

—Omdat gij het anders licht zoudt verliezen. Ik heb dikwijls genoeg gezien, dat de paarden er bij dergelijke gelegenheden van doorgingen.

—Welke gelegenheden?

—Vermoedt gij niet, wat ik bedoel?

—Hm!

—Raad dan eens!

—Mustangs?

—Hoe komt gij daaraan?—vroeg hij, terwijl hij mij verwonderd aanzag.

—Omdat ik daarvan wel eens iets gelezen heb.

—Wat dan?

—Dat de tamme paarden, wanneer zij niet goed zijn vastgebonden, er wel eens met de wilde mustangs van doorgaan!

—Loop naar den duivel, gij hebt ook alles gelezen en ’t is niet mogelijk u met ’t een of ander te verrassen. Neen, dan houd ik meer van menschen, die in ’t geheel niet kunnen lezen.

—Hadt gij mij dan willen verrassen?

—Natuurlijk.

—Met een jacht op mustangs?

—Ja.

—Maar gij hadt mij toch een en ander er van moeten vertellen, vóór de mustangs kwamen.

—’t Is waar, welnu, luister dan, de mustangs zijn er reeds geweest.

—Was dat daar zooeven hun spoor?

—Ja, zij zijn gisteren hierlangs getrokken, dat wil zeggen, een klein troepje, de verkenners, weet ge. Deze dieren zijn namelijk bijzonder verstandig. Zij zenden altijd kleine troepen vooruit. Zij hebben hun officieren, en de bevelhebber is altijd een ervaren, sterke en moedige hengst. Als zij weiden of zich in beweging stellen, altijd is de buitenste rij door hengsten gevormd, dan volgen verder naar binnen de merries en eindelijk de veulens. Dit gebeurt, opdat de hengsten de andere kunnen verdedigen. Ik heb u reeds herhaalde malen gewezen, hoe men een mustang met de lasso vangt, hebt gij dat nu goed begrepen?

—Zeker.

—Hebt gij lust er een te vangen?

—Ja.

—Dan zult gij vanmiddag daartoe in de gelegenheid zijn, sir!

—Dank u, ik zal er geen gebruik van maken.

—Niet? wat duivel waarom niet?

—Omdat ik geen paard noodig heb.

—Maar een prairiejager vraagt er niet naar of hij een paard noodig heeft of niet!

—Dan beantwoordt hij niet aan mijn ideaal van een prairiejager.

—Hoe moet hij dan zijn?

—Wel, gij hebt gisteren van aasjagers gesproken, van blanken, die de buffels in massa dooden, zonder dat zij het vleesch noodig hebben. Ik houd dat voor een onrecht, gepleegd aan de dieren en aan de roodhuiden, die daardoor van hun voedsel worden beroofd. Gij toch ook?

—Zeker.

—Nu zoo is het ook met de paarden. Ik wil geen van deze heerlijke dieren van zijn vrijheid berooven, zonder mij daarmee te kunnen verontschuldigen, dat ik een paard noodig had.

—Dat is braaf gezegd, sir, braaf gezegd. Zoo moest ieder Christen spreken en handelen. Maar wie heeft u gezegd, dat gij een mustang van zijn vrijheid zoudt berooven? Gij hebt u geoefend in het gebruik van de lasso, gij moet nu een proef leveren. Ik wil zien of gij door uw examen komt, weet ge?

—Dat is iets anders, ja, dan doe ik mee.

—Goed. Bij mij evenwel is ’t natuurlijk ernst. Ik heb een paard noodig en zal er een nemen. Ik heb het u reeds zoo dikwijls gezegd, let er dus op: ga recht in den zadel zitten en houd uw paard in, op het oogenblik dat de lasso aantrekt en de ruk volgt. Als gij dat niet doet, wordt gij omvergehaald; de mustang vliegt weg en sleurt uw paard aan de lasso mee. Dan hebt gij geen paard meer en kunt te voet gaan, evenals ik nu.

Hij wilde verder gaan, maar wees eensklaps met de hand naar de reeds genoemde twee bergen aan den noordkant van de prairie. Daar verscheen een paard, een enkel paard. Het liep langzaam en zonder te grazen voort, wierp den kop dan eens naar deze, dan eens naar gene zijde en snoof de lucht in.

—Ziet gij het?—fluisterde Sam zacht, hoewel het paard ons op dezen afstand onmogelijk had kunnen hooren:—heb ik u niet gezegd, dat zij zouden komen? Dit is de spion, die rondziet, of de streek veilig is. Wat een slim dier! Zie eens, hoe hij zich naar alle richtingen keert en wendt. Hij zal ons niet bemerken, want de wind komt van zijn kant, daarom heb ik deze plaats gekozen.

Nu begon de mustang te draven, nu naar rechts dan naar links, keerde eindelijk om en verdween in de richting, van waar wij hem hadden zien komen.

—Hebt gij goed opgelet? vroeg Sam.—Hoe verstandig, nietwaar, om elk kreupelboschje tot dekking te nemen. Een Indiaansche verkenner zou het hem niet kunnen verbeteren.

—Werkelijk, ik sta er verbaasd van.

—Nu is hij heengegaan om zijn vierbeenigen generaal te melden, dat het terrein veilig is. Hij heeft zich evenwel vergist, hihihihi! Ik wed, dat zij binnen tien minuten hier zijn, let er eens op. Weet ge, wat wij doen?

—Nu?

—Gij rijdt vlug tot aan den uitgang der prairie en wacht daar. Ik echter rijd tot dicht bij den ingang en verberg mij in het bosch. Komt de kudde, dan laat ik haar voorbijtrekken, en jaag achter haar aan. Zij vlucht dan natuurlijk naar uw kant, gij komt te voorschijn en zij keert terug. Zoo drijven wij haar heen en weer, tot wij de twee beste paarden hebben uitgekozen, die vangen wij en van die twee behoud ik het beste en het andere laten wij loopen. Vindt gij dat goed?

—Hoe kunt gij dat vragen? Ik weet niets van de paardenjacht, waarin gij een meester zijt en zal mij dus geheel naar uw aanwijzingen gedragen.

—Wel, gij hebt gelijk. Ik heb reeds menigen wilden mustang getemd, en gij zijt dus niet zoover mis, als gij mij een „meester” in de kunst noemt. Dus, vooruit maar, anders zijn wij niet op tijd op de juiste plaats.

Wij stegen weer op en reden ieder een verschillenden kant uit, hij naar ’t noorden en ik tot daar, waar wij de prairie hadden betreden. Daar mijn zware berendooder mij wel wat hinderen zou, had ik grooten lust hem zoolang ergens neer te leggen, maar ik had gelezen en gehoord, dat een voorzichtig prairiejager alleen dan het geweer neerlegt, wanneer hij zeker weet, dat hij veilig is en het niet noodig zal hebben. Dit was echter nu niet het geval, ieder oogenblik kon hier een Indiaan of een roofdier te voorschijn komen en ik bevestigde dus het oude geweer maar stevig aan den zadelknop. Nu wachtte ik vol spanning op de komst der paarden. Ik stond tusschen de eerste twee boomen van het bosch, dat aan de prairie grensde, bond het ééne einde van de lasso eveneens aan den zadelknop en legde den riem opgeschoten zóó voor mij, dat ik dien gemakkelijk kon grijpen.

Het benedeneinde van de prairie was zoover van mij verwijderd, dat ik de paarden, wanneer ze daar verschenen, niet kon zien. Eerst wanneer Sam ze zou hebben opgejaagd, zouden ze voor mij zichtbaar worden. Ik was nog geen kwartier op mijn plaats, toen ik daarbeneden een menigte donkere stippen zag, welke, naarmate zij dichter bij kwamen, al grooter werden. Eerst geleken het musschen, toen katten, honden, kalveren, totdat ik eindelijk duidelijk hun vorm kon onderscheiden. Het waren de mustangs, die in een wilde jacht naar mij toe kwamen! Welk een heerlijk gezicht! De manen zwierden om hals en schouders, de staarten wapperden als vederbossen in den wind. Er waren niet meer dan driehonderd stuks en toch scheen de grond onder hun hoeven te dreunen. Vooraan draafde een schimmelhengst, een prachtig dier, dat ik gaarne had willen vangen, maar het zal geen prairiejager in ’t hoofd komen, een schimmel te berijden. Zoo’n lichtgekleurd dier zou hem reeds van verre aan elken vijand verraden!

Nu was het voor mij tijd, te voorschijn te komen. Ik sprong tusschen de boomen uit: de leidende schimmel deinsde achteruit, alsof hij een kogel in zijn lichaam had gekregen, de kudde bleef staan; een luid, angstig snuiven, toen was het, of het bevel luidde: „omgekeerd marsch”, en onmiddellijk vlogen de dieren terug, vanwaar zij gekomen waren.

Ik volgde hen zonder de minste haast, want ik wist dat Sam Hawkins ze weer dezen kant uit zou drijven. Daarbij had ik een oogenblik tijd te denken aan een omstandigheid, welke mij was opgevallen. Hoewel de paarden slechts één oogenblik voor mij hadden stilgestaan, had ik toch meenen te zien, dat een van de dieren geen paard, maar een muildier was. Ik kon mij vergist hebben maar ik meende goed gezien te hebben. De tweede maal wilde ik beter oppassen. Dit muildier bevond zich in de voorste rij, en wel dadelijk achter den schimmel, het werd dus door de paarden niet alleen als een van huns gelijken aangezien, maar bekleedde zelfs een bijzonderen rang.

Na eenigen tijd kwam de kudde terug en keerde bij mijn verschijnen andermaal om. Dit herhaalde zich eenige malen en zoo had ik gelegenheid te zien, dat ik mij niet vergist had; er was een muildier onder hen, een lichtbruin muildier met een donkere streep over den rug. Het was een mooi dier, niettegenstaande zijn grooten kop en zijn lange ooren. Muildieren hebben dit boven gewone paarden voor, dat zij ’t langer kunnen volhouden, een zekerder tred hebben en bij afgronden niet duizelig worden. Dit zijn voordeelen, welke niet over ’t hoofd dienen te worden gezien. Wel is waar zijn die dieren ook koppig. Ik heb muildieren gezien, die zich liever dood lieten ranselen, dan dat zij een stap verder gingen en toch had men geen te zwaren last opgeladen en was de weg prachtig.

Het kwam mij voor, dat dit muildier fier en moedig was, dat zijn oogen helderder en verstandiger rondzagen, dan die van de andere paarden en ik besloot dit dier te vangen. Het was zeker bij ’t voorbijjagen van een kudde wilde paarden, aan zijn meester ontvlucht, en zoo bij de mustangs gebleven.

Sam en ik waren intusschen zóó dicht bij elkaar gekomen, dat wij elkander konden zien en in deze beperkte ruimte konden de mustangs noch voor noch achteruit, zij weken dus naar den kant. Wij volgden hen, de kudde deelde zich nu in tweeën, ik zag, dat het muildier bij de hoofdafdeeling bleef, en steeds naast den schimmel galoppeerde. Ik bepaalde mij dus tot dezen troep, en Sam scheen het op denzelfden te hebben gemunt,

—Tusschen ons in nemen, ik links, gij rechts,—riep hij mij toe.

Wij gaven onzen paarden de sporen, en hadden de mustangs ingehaald, vóór zij het bosch bereikten. Hier keerden zij om en wilden tusschen ons door vluchten. Om dit te verhinderen joegen wij naar elkander toe, toen stoven zij uit elkaar als een troep jonge kuikens, waarop de havik is neergestreken. De schimmel en het muildier werden van de andere gescheiden, wij joegen hen achterna. Daarbij riep Sam, die zijn lasso reeds gereed had, mij toe:

—Een „greenhorn” zijt ge, en dat zult gij wel eeuwig blijven!

—Waarom?

—Wie jaagt er nu op een schimmel, hihihihi.