Part 36
—Kom dan mee! Ik wil daarheen, waar hij gestaan heeft. Misschien kan men, ondanks de duisternis, nog een spoor ontdekken.
Wij gingen. Vele anderen volgden ons, maar weldra hoorden wij ver vooraan de bevelende stem van Winnetou, die een verder vooruitdringen verbood, omdat daardoor de sporen der vluchtelingen vernietigd werden. Men gehoorzaamde, ik evenwel ging verder. Toen ik bij hem kwam, zeide hij:
—Mijn broeder zal gehoord hebben, wat er gebeurd is. Wij moeten....
Hij hield op en luisterde. Duidelijk hoorden wij den hoefslag van een paard dat langzaam naderde. Wij gingen het tegemoet, met de hand aan den trekker van onze revolver. Deze voorzichtigheid bleek overbodig te zijn, want er zat niemand op het paard. Het was dat van den jongen Fletcher. Toen wij het bij het weder opgeporde legervuur brachten, zagen wij, dat het van achteren geheel bebloed, maar toch ongedeerd was. Een van de ruiters moest dus door een kogel van den schildwacht getroffen zijn geworden. Het paard had toen de beide ruiters afgeworpen en was teruggekeerd. Nu konden wij dus zeker zijn, de beide vluchtelingen te vinden en gerust wachten tot de morgen aanbrak. Bij de eerste morgenschemering begonnen wij te zoeken, maar wij behoefden niet ver te gaan. Van de plaats waar de beide Fletchers voor het laatst waren gezien, voerde ons het spoor eerst niet verder dan hoogstens duizend pas. Hier lag de zoon dood, reeds geheel verstijfd. De kogel was hem van achteren in den rug gedrongen, hij had zich dus slechts enkele minuten meer op het paard kunnen houden. Dit was met den ouden Fletcher verder gereden. Tengevolge van zijn blindheid had hij verkeerd gestuurd, namelijk naar een rotswand, welke wel dertig meter diep naar de rivier afhelde. Hier had het paard niet verder gewild en den ruiter afgeworpen. Toen wij over den kant heen, naar beneden zagen, zagen wij hem liggen. Hij leefde nog, want wij zagen, dat hij zich bewoog en hoorden een zacht gejammer.
Ik ben nooit duizelig geweest, maar nu duizelde het mij bij de gedachte dat ook het tweede deel van zijn godslastering in vervulling was gegaan. „Ik wil blind worden en verpletterd!” had hij gezegd en nu lag hij daar zoo beneden in de diepte!
Wij daalden aan den anderen kant, waar het niet zoo gevaarlijk was, naar beneden. Toen wij bij hem kwamen, lag hij nog steeds op dezelfde plaats, jammerend en met gesloten oogen. Ik knielde bij hem neer en vroeg:
—Mr. Fletcher, hoort ge mij?—verstaat ge mij? Hij opende langzaam de oogleden en staarde mij met zijn verglaasde oogen aan, maar een antwoord kreeg ik niet.
Ik herhaalde mijn vraag, maar wederom zonder eenig gevolg. Zijn hoofd toonde geen bijzondere verwonding, maar de beide armen en beenen waren gebroken.
—Verpletterd, zooals hij wilde!—fluisterde Winnetou mij toe.
In elk geval was hij ook inwendig zwaar gekwetst, want toen wij een poging deden om hem op te beuren, gilde hij onafgebroken door. Onder de vreeselijke pijnen welke hij leed, scheen zijn bewustzijn terug te keeren, want toen ik hem nu weer vroeg of hij mij hoorde of verstond, hield hij op te jammeren en antwoordde:
—Wie is dat?—Wie zijt gij?
—Old-Shatterhand en Winnetou.
—Waar is mijn zoon?
—Hij is dood.
—Doodgeschoten?
—Ja.
—Dood.... ge.... scho.... ten!—stamelde hij,.... dat.... is mijn.... schuld!
—Ja, gij zijt schuld aan alles, aan uw vreeselijken dood en ook aan het treurig uiteinde van uw zoon!
Hij zuchtte diep en sloot de oogen. Zoo bleef hij een langen tijd onbewegelijk liggen.
—Zijt gij nog wakker?—vroeg ik hem,—hoort gij mij?
—Ja,—zuchtte hij.
—Gij hebt nog slechts weinige minuten te leven, denk aan uw zonden en aan het eeuwige gericht! Denk evenwel ook aan Gods barmhartigheid, welke zonder einde is.
—Gods.... barm.... hartigheid!—klonk het zacht.
—Zeg nu eindelijk de waarheid! Hebt gij de beide Pa-Utes vermoord?
—Ja,—bekende hij.
—Hebt gij berouw over dezen moord en over alle, welke gij vroeger hebt begaan?
—Berouw.... berouw! Bid.... voor mij een Onze Vader!
—Luister eerst, wat ik u ga zeggen! Als gij berouw hebt, kunt gij gerust sterven in de overtuiging dat de barmhartige God een genadig Rechter zal zijn. Laat ons nu bidden!
Hij deed een poging om zijn handen te vouwen, welke evenwel mislukte. Ik hielp hem en bad toen luide het Onze Vader en nog meer, dat mij op het hart lag. Op zijn gelaat kwam langzaam een vredige uitdrukking, een beweging met het hoofd, als wilde hij slapen gaan, toen was alles gedaan: Old-Cursing-Dry was dood.
Winnetou wenkte mij op te staan.
—Nu heeft mijn broeder Charley toch nog zijn zin gekregen,—zeide hij.—De ziel van dezen man is tot den grooten Manitou teruggekeerd. Zijn lichaam mag met dat van zijn zoon in de aarde rusten, tot eens aan den eeuwigen dag de ziel weer tot hem keert. Howgh!....
HOOFDSTUK VII.
DE BLIZZARD.
De tweede gebeurtenis, waarop ik in het vorige hoofdstuk doelde, was niet minder treffend.
Ik was met Winnetou, het fiere opperhoofd der Apachen, aan gindsche zijde van het rotsgebergte bij de bevriende Indianen op de buffeljacht geweest en daarna met hem, ondanks het late jaargetijde, dwars door Wyoming naar fort Niobrara in Nebraska gereden, waar de winter ons overviel. Daar op dit fort dikwijls Sioux kwamen, die ons ten onrechte voor hun doodsvijanden hielden, was het geraden, onze namen niet bekend te maken. Het was voor alle gevallen beter, dat niemand wist, dat Winnetou en Old-Shatterhand hier aanwezig waren. Aangezien onze jachtkleeren geheel versleten waren en wij naar het beschaafde Oosten wilden gaan, kochten wij in het fort nette kleeren, uit warme wollen stoffen vervaardigd en dikke paardedekens. In deze kleeding zag ik er dan ook niet als een prairiejager uit en daar ik mij Mr. Beyer liet noemen en Winnetou geen oogenblik van mijn zijde week, zoo waren wij weldra niet anders bekend dan als Mr. Beyer en zijn Indiaan.
Nauwelijks waren wij in het fort Niobrara aangekomen of het begon zoo hevig te sneeuwen, dat wij ons wel gedwongen zagen de geheele December- en Januari-maanden daar te blijven vertoeven. Gezelschap hadden wij niet anders dan enkele officieren, van wie ik ook niet kan zeggen dat zij mij zoo erg sympathiek waren; met de overige soldaten bemoeiden wij ons niet meer dan strikt noodzakelijk was en wat de anderen betreft, die met ons op het fort waren ingesneeuwd, er waren er eigenlijk maar twee, die wij zoo nu en dan eens spraken. Het waren de beide broeders Burnings uit Moberly in Missouri, die in de Blackhills naar goud hadden gezocht en zich nu met de opbrengst van hun zwaren arbeid op weg naar huis bevonden. Beiden waren getrouwd, verlangden erg naar de hunnen en vonden het daarom vreeselijk onaangenaam, door deze sneeuw zoolang te worden opgehouden.
Behalve deze beiden, waren er nog enkele anderen, meest slecht bekendstaande sujetten, met wie de Burnings zich niet bemoeiden.
Er werd veel kruit vermorst, veel gespeeld, veel gewed en nog veel meer gedronken en er heerschte onder dit volkje een toon, welke mij zoo tegenstond, dat ik de algemeene gezelschapskamer niet dan hoogst noodig betrad. Het aller ruwste gedroegen zich twee kerels, die Grinder en Slack heetten. Zij waren valsche spelers, dronkaards en woestelingen, zonder dat zij evenwel werkelijk moed bezaten. Er had geen bijeenkomst plaats, zonder dat zij een vechtpartij uitlokten; vooral hielden zij van zoogenaamde Amerikaansche duels, maar altijd wisten zij het zoo te leiden, dat niet zij, maar anderen de kastanjes uit het vuur moesten halen. Het meest van alles hinderde het mij, dat beiden zich een stopwoord hadden aangewend, dat men wel honderdmaal daags kreeg te hooren. Grinder zeide, waar hij het maar te pas kon brengen: „Ik mag dadelijk blind worden,” terwijl zijn kameraad: „God mag mij krankzinnig maken,” vooraan in den mond had.
Met deze beide menschen kwam ik slechts een enkele maal in botsing. Zij hadden vernomen dat ik een Duitscher was en wierpen mij, toen ik op hun uitnoodiging om mee te spelen een weigerend antwoord gaf „verdomde mof” naar het hoofd. Daarvoor kregen beiden zulk een geduchten oorvijg van mij, dat zij van hun stoelen tuimelden. De anderen dachten natuurlijk niet anders, of er zou een geweldige vechtpartij volgen, maar zij vergisten zich, want de beide kerels bezaten feitelijk niet den moed het tegen Mr. Beyer en zijn Indiaan op te nemen.
Er waren nog twee Indianen, die door den sneeuwstorm naar het fort waren gedreven. Zij beweerden te behooren tot den stam der Caddos, maar waren waarschijnlijk uitgestootenen van een anderen stam, arme kerels, die nauwelijks hun naaktheid konden bedekken en niet eens wapenen bezaten, daar zij kort geleden door de Sioux geheel waren uitgeplunderd. Zij wilden naar Kansas gaan en sneden pijlen en bogen om onderweg niet te moeten verhongeren. Wij gaven hun zooveel wij konden missen, maar konden hen helaas geen paarden en geweren verschaffen, daar deze niet te verkrijgen waren.
In het begin van Februari begon het weer zachter te worden en kregen wij regen. De sneeuw verdween en wij konden er aan beginnen te denken, onzen tocht te vervolgen. Eerst vertrokken de beide Indianen, te voet natuurlijk, wij gaven hun een goeden voorraad levensmiddelen mede, voldoende om tot fort Hillock te komen, waar zij opnieuw halt konden houden. Twee dagen later reden de broeders Burnings weg en den volgenden dag Grinder en Slack. Toen ze ons voorbijgingen, riep Slack ons toe:
—Kom ons niet in den weg! God mag mij dadelijk krankzinnig maken, als ik u de oorvijgen niet terugbetaal, welke gij ons hebt gegeven.
En Grinder voegde er woedend bij:
—Ja, onthoudt dat, schurken! Ik mag dadelijk blind worden, als wij bij onze eerste ontmoeting uw levenslamp niet als een kaars uitblazen!
Wij deden natuurlijk alsof wij deze woorden niet gehoord hadden. Zulke menschen maakten ons in het geheel niet bang.
Als ervaren prairiejagers wachtten wij nog een dag om te zien of het zachte weer standhield; toen braken wij ook op. Men kan zich voorstellen dat de weg door dit doorweekte land geen gemakkelijke was, maar onze sterke hengsten hadden nu wekenlang uitgerust en overwonnen alle hindernissen. Nebraska heeft bijna alleen prairieland, dat, door hetwelk wij reden, was vlak en in den weeken bodem zagen wij duidelijk de sporen van allen, die fort Niobrara hadden verlaten. Alleen de twee Indianen, de Burnings, Grinder en Slack, schenen zonder uitzondering, evenals wij, naar fort Hillock te willen gaan. Dat maakte mij een weinig ongerust. Men had mij verteld dat Grinder en Slack in de laatste dagen ongelukkig in het spel waren geweest en alles hadden verloren. Zij wisten hoogst waarschijnlijk evengoed als wij dat de Burnings stofgoud en Nuggets bij zich hadden en hoewel ik hen voor veel te laf aanzag, om een openlijken strijd aan te durven, achtte ik hen laag genoeg, om een sluipmoord te begaan. Toen ik mijn gedachten daaromtrent aan Winnetou toevertrouwde, zeide hij niets, maar drukte zijn paard de sporen in de zijde, wat voor mij even duidelijk was alsof hij tegen mij gezegd had: gij hebt gelijk, wij moeten zien de kerels in te halen!
Over dezen verderen rit, welke meer dan drie dagen duurde, behoef ik niet te spreken; de sporen bleven duidelijk zichtbaar en voerden over de Loux Fork, waarvan het ijs hier en daar nog zoo dik was, dat het gemakkelijk paard en ruiter kon dragen. Van hier kon men fort Hillock in een dag bereiken. Daar het evenwel nu reeds laat in den namiddag was, konden wij eerst den volgenden voormiddag daar aankomen.
De diep uitgetreden sporen lagen duidelijk voor ons. Winnetou kon zelfs bepalen hoe oud zij waren. De twee Indianen hadden een voorsprong van twee dagen op de Burnings, maar daar zij te voet waren, hadden de beide broeders hen nu reeds ingehaald, Grinder en Slack waren een dag na de Burnings van Niobrara vertrokken; zij hadden echter naar de sporen te zien hun paarden zoo aangejaagd, dat zij dicht achter de Burnings moesten zijn. Dit maakte mij nog ongeruster. Waarom hadden deze beide menschen zoo vlug gereden? Om de Burnings in te halen en te overvallen, of om des te eerder op fort Hillock aan te komen? Dit laatste was zeer wel mogelijk maar ik kon er geen vrede mee hebben. De volgende uren zouden ons zekerheid brengen. Zeiden ons die sporen, dat Grinder en Slack de Burnings hadden ingehaald en leidden hun sporen verder, dan waren mijn vermoedens ongegrond geweest.
Wij joegen dus in galop over de vlakte, steeds het oog houdend op de drie sporen. Zoo verliepen twee uur, tot Winnetou eensklaps zijn paard inhield en tot mij zeide:
—De beide blanke mannen, die Burnings heeten, zijn verloren, zij zullen vannacht vermoord worden.
Ik knikte, want ik was geheel dezelfde meening toegedaan. Hij vervolgde:
—Van deze beide sporen is het eene een uur ouder dan het andere, het is gedurende een rit van acht mijl niet anders geworden. Grinder en Slack willen dus de Burnings niet inhalen, maar hen, als het donker is geworden, vermoorden.
—God in den hemel!—riep ik,—en het is ons onmogelijk hen te redden?
—Howgh!—stemde hij toe.—Het is ons onmogelijk hen zoo snel in te halen, want binnen twee uur is het nacht en dan kunnen wij het spoor niet meer lezen. Laat ons evenwel het nog volgen en laat ons intusschen bidden tot den Grooten Manitou, dat hij de beide broeders bescherme!
Ik heb dien namiddag, dien avond en den daaropvolgenden nacht doodsangsten uitgestaan. Verbeeld u, zeker te zijn dat er een moord zal worden gepleegd en dat niet te kunnen verhoeden! Dezen nacht, dien wij in het kreupelhout nabij een zijriviertje van de Loux-Fork doorbrachten, zal ik nooit vergeten. Wanneer er sneeuw had gelegen, zou zij geschitterd hebben, de sporen zouden te zien zijn geweest en wij hadden de misdaad kunnen voorkomen, maar nu waren de sporen onzichtbaar; wij moesten ondanks het ongeduld, dat ons verhinderde te slapen, wachten tot eindelijk de dag aanbrak. Zoodra het in het Oosten slechts eenigermate licht werd, stegen wij te paard en reden verder. Wij hadden nog een flauwe hoop, dat de Burnings geen legervuur hadden aangemaakt en daardoor door Grinder en Slack niet gezien en gevonden waren geworden, maar deze hoop werd steeds zwakker en zwakker, toen wij bemerkten dat de beide sporen langzamerhand dichter bij elkaar kwamen. Grinder en Slack hadden dus gisteravond zoo dicht mogelijk de broeders trachten te naderen. Ieder oogenblik kon ons dus nu de treurige zekerheid brengen dat twee menschenlevens vernietigd waren geworden.
Wij reden, de sporen volgend, om een kreupelboschje heen. Plotseling stonden onze paarden stil, voor hen lagen de beide Burnings, badende in hun bloed. Wij sprongen van onze paarden om de lichamen te onderzoeken. Er was geen leven meer in, de dood was reeds gisteravond ingetreden. Een mensch te doorsteken, daartoe behoort meer moed dan hem op zekeren afstand dood te schieten. Waren de moordenaars misschien niet zoo laf, als ik had gedacht? Of hadden zij er een bepaalde bedoeling mede gehad, het mes te gebruiken in plaats van het geweer?
Wat wij te doen hadden was gemakkelijk in te zien. Wij mochten niet bij de lijken blijven treuren, maar moesten de moordenaars vervolgen, die naar wij zagen, hun slachtoffers niet geheel hadden uitgeplunderd, maar hun alleen het goud en de geweren hadden afgenomen en daarop met de twee buitgemaakte paarden verder waren gereden. Wij galoppeerden dus verder op hun spoor dat tot onze verbazing naar fort Hillock voerde. Na ongeveer een half uur zagen wij dat de ruiters halt hadden gehouden. Hier waren niet enkel hoefsporen, maar ook voetsporen en van deze plaats af verdeelde zich het eene spoor van vier paarden, in twee van twee paarden.
Wat moest dat beteekenen? Wij bleven even staan tot Winnetou riep:
—Oef, hier liepen de roode Caddo-mannen en waarschijnlijk hebben zij de gestolen paarden ten geschenke gekregen.
Met welk een zekerheid raadde de onvergelijkelijke scherpzinnigheid van Winnetou hier wederom het rechte. De moordenaars hadden de arme roodhuiden hier ingehaald en hun de paarden geschonken, om de verdenking van zich af te schuiven. Daarom ook hadden zij hun slachtoffers niet doodgeschoten, maar doodgestoken, omdat de Caddo-Indianen slechts pijl en boog en mes, maar geen geweren hadden. De beklagenswaardige roodhuiden waren dus reeds gisteravond uitgekozen geworden, om de schuld van anderen op zich te zien laden. Hoe weinig erg-denkend zij in deze val geloopen waren, zagen wij hieruit dat de sporen allen naar Hillock leidden met dat onderscheid, evenwel dat Grinder en Slack een omweg hadden gemaakt, waarschijnlijk om hun buit in veiligheid te brengen en om na de Indianen op het fort aan te komen en ze daar te kunnen aanklagen.
Terwijl wij verder reden, schudde Winnetou zijn lange, blauw-zwarte haren uit het gezicht en zeide toornig:
—Nu ziet mijn broeder Charley weer, wie beter zijn, de blanken of de rooden. En toch des ondanks is het geluk aan de zijde der bleekgezichten en wij moeten ondergaan! Oef, oef, oef!
Wat moest, wat kon ik hem antwoorden? Niets! Bovendien, wij zouden nu ook geen tijd hebben gehad, deze kwestie te bespreken, want wij zagen voor ons een schare ruiters, die ons tegemoet reden. Weldra stonden wij tegenover elkaar. Het was een deel der bezetting van fort Hillock, onder geleide van een luitenant. Deze cavaleristen hadden in hun midden de beide Caddo-Indianen stevig geboeid en aan hun paarden vastgebonden. Toen de officier het bevel had gegeven om halt te maken, vroeg hij ons:
—Van waar komt gij, heeren?
—Van fort Niobrara,—antwoordde ik.
—Langs dit spoor?
—Ja.
—Hebt gij vandaag ook iets bijzonders gezien?
—Zeker, wij zagen de lijken van twee mannen, die vermoord en uitgeplunderd zijn geworden.
—Dat komt uit! Hoe ver is die plaats van hier verwijderd?
—Drie kwartier ongeveer. Ik zie daar twee Indianen, die gebonden zijn. Waarom is dit gebeurd?
—Omdat zij de moordenaars zijn van de twee mannen, wier lijken gij gezien hebt. Wij brengen hen naar de plaats, waar de moord is geschied om hun slachtoffers te begraven en hen boven de graven op te hangen. Gij weet wel, dat men hier in het Westen korte wetten maakt.
—Dat weet ik, sir, maar weet gij wel zeker dat deze Indianen de schuldigen zijn?
—Natuurlijk zijn zij het. Zij hebben zelfs de paarden en de geweren der vermoorden bij zich.
—Hoe weet gij, dat deze paarden en deze geweren aan de dooden hebben toebehoord?
—Man, wie geeft u het recht, mij zoo uit te vragen? Gij zijt een onbekende, die er niet uitziet alsof hij hier in het Westen thuis hoort; ik echter ben officier en ben u in elk geval geen rekenschap schuldig!
Na deze terechtwijzing keerde hij zich om, om het commando „verder op rijden,” te geven, maar ik voorkwam hem:
—Halt, sir, nog één woord! Er bevinden zich twee personen in het fort en het is zeker op hun aandringen dat gij het bevel hebt gegeven deze beide Indianen op te knoopen, niet waar?
—Ja en houd nu uw mond maar! Ik heb geen tijd, verdere onnoodige vragen aan te hooren en....
—Onnoodige?—viel ik hem in de rede.—Ik heb niet alleen alle reden, maar het is zelfs mijn heilige plicht deze vragen te doen, want deze Indianen zijn onschuldig en hun aanklagers zijn de moordenaars!
—Hallo! Hoe komt gij hierbij?
—Wij wisten reeds gisteren van den moord, maar konden hem helaas niet verhinderen. Brengt ons naar den commandant van het fort, wij zullen dat wat wij beweren, ook bewijzen.
—Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij denkt. Ik heb bevel de lijken te begraven en de moordenaars aan de halzen zoo hoog te binden, dat hun voeten den bodem niet kunnen raken.
—Daar zal niemand iets tegen hebben, als het eerst maar is bewezen dat het werkelijk de moordenaars zijn die worden opgeknoopt.
Hij deed mij, ondanks het ontvangen bevel, het genoegen mij verder aan te hooren. Toen ik geëindigd had, zag hij ons met een verbaasden blik aan en zeide:
—Hm! Gij ziet er uit als een gentleman, die hier in de Far-West zoo groen zijt als gras, maar uit uw woorden spreekt een opmerkingsgave, waarvoor ik alle respect heb. Zouden deze Grinder en Slack ons werkelijk hebben voorgelogen! Zij zagen er niet erg gentleman-like uit, dat moet ik zeggen. Welnu, het eene gedeelte van het bevel, namelijk het begraven der lijken moet ik ten uitvoer brengen, maar het andere deel, zal ik op uw aandringen achterwege laten. Maar wee u, sir, als gij ons wat op de mouw hebt gespeld! Ik laat mij niet voor den gek houden!
Hij koos zes man uit, die met de meegebrachte spaden verder moesten rijden om de lijken te begraven, toen nam hij Winnetou en mij met de beide geboeide Indianen in het midden en zoo reden wij naar het fort Hillock. Hij had, ondanks het gewicht mijner woorden niet er aan gedacht naar onze namen te vragen. De Caddo-Indianen mochten niet met ons spreken, maar de blikken, welke zij ons toewierpen zeiden even duidelijk, als woorden dit konden, hoe dankbaar zij ons waren.
Slechts weinige minuten nadat wij wederom op weg waren, begon het eerst zacht en toen steeds harder te sneeuwen en de sneeuw smolt niet, daar de temperatuur plotseling daalde. Winnetou zag met een somberen blik naar de lucht en den horizon en toen wij het fort voor ons zagen opdoemen, was de geheele omtrek reeds eenige duimen hoog met sneeuw bedekt.
Fort Hillock had wel den naam, niet evenwel het aanzien van een fort. Op een met planken omringd vierkant, waren blokhutten opgericht. Lange, houten gebouwtjes gaven de nederzetting meer het aanzien van een winkelgalerij dan van een vestingwerk en slechts de nauwelijks meer zichtbare, vuil-witte overblijfselen bewezen dat de plaats door een hoogen en sterken sneeuwval omgeven was geweest, welke nu in de laatste dagen was weggesmolten. Voor Indianen scheen men niet bang te zijn, want de poort stond wijd open toen wij binnentrokken. Naar wij aan de bezig zijnde soldaten zagen, schenen de zooeven genoemde winkeltjes dienst te doen als stalling voor de paarden en als voorraadschuren. Opmerkzaam gemaakt door het hoefgetrappel van onze paarden kwamen uit een der blokhutten twee officieren, een luitenant en een kapitein, welke laatste een zeer streng gezicht zette, toen hij ons zag. De aanvoerder van onzen troep steeg van zijn paard en trad op hem toe om hem alles te vertellen. Ook wij stegen af.
De kapitein luisterde slechts met een half oor naar het verhaal van zijn ondergeschikte, want zijn oogen waren het meest op onze paarden gericht. Hij kwam naderbij en riep:
—Wel, wat zijn dat voor prachtige dieren! Die wil ik u wel afkoopen. Wat moeten ze kosten?
Eerst nu zag hij ons aan. Winnetou scheen niet bijzonder veel indruk op hem te maken, maar toen hij mij goed aanzag, zag ik, dat hij mij herkende.
—All devils! riep hij.—Wien zie ik daar? Is het waar? Wie zijt gij, sir?
—Ik heet Beyer,—antwoordde ik.
Nu schudde hij het hoofd, pakte mij bij de kin, draaide mijn hoofd naar rechts om de linkerzijde van mijn hals te zien en zeide toen op triomfantelijken toon:
—Ik heb het dadelijk wel gedacht! Dat litteeken daar is van dien beroemden messteek. Laat anderen u voor groen aanzien, ik laat mij door uw kleeding niet foppen, heeren. Gij beiden zijt....
—Als ik u verzoeken mag, geen namen kapitein,—viel ik hem in de rede.
—Waarom niet?—vroeg hij.
—Om de Sioux, door wier gebied wij nog moeten trekken. Als gij ons werkelijk hebt herkend, dat weet gij ook wel, dat de onderhoorigen van deze natie niet behoeven te weten, dat wij ons in hun gebied bevinden.
—Zooals gij wilt, sir! Ik was van plan mijn luitenant een geduchten uitbrander te geven, dat hij zich heeft laten overreden terug te keeren, maar nu zie ik wel in, dat hij goed gehandeld heeft Komt binnen, ik zal uw paarden goed laten verzorgen en gij kunt een flinken grog krijgen en mij meteen vertellen wat gij op die Grinder en Slack tegen hebt.
—Waar zijn de kerels, kapitein? Ik zie hen niet! Zij zijn toch niet reeds weg?