Chapter 39 of 43 · 4000 words · ~20 min read

Part 39

De Indianen spraken met elkander, wel is waar op gedempten toon, maar toch zoo, dat ik ieder woord kon hooren. Helaas verstond ik het niet. Van welk belang zou het zijn geweest wanneer ik had kunnen verstaan wat zij zeiden! Hoe dikwijls moet ik vertellen dat ik op mijn zwerftochten in het Westen legerplaatsen heb beslopen en de zich daar bevindende Indianen heb beluisterd. Wie dat leest, denkt er niet aan of heeft er geen begrip van hoe moeilijk en gevaarlijk zulk besluipen is. En deze moeilijkheid betreft niet alleen lichamelijke geschiktheid, kracht en volhardingsvermogen, maar ook en dat vooral, de oefening van den geest, de noodzakelijke intelligentie en de kennis, welke men moet bezitten. Wat geeft het mij of ik een Indianen-, Bedouinen- of Koerden-legerplaats of een Zuid-Amerikaansche Gauchoplaats kan besluipen, maar de taal niet machtig ben en dus niet kan verstaan wat er gesproken wordt! En de inhoud van de gesprekken is juist het voornaamste! Daarom is het altijd mijn streven geweest de taal der menschen, met wie ik te doen had, te leeren kennen. Winnetou kende zestien Indiaansche dialecten en is ook hierin mijn voornaamste leermeester geweest! Het is mij later dan ook nooit weer overkomen, dat ik een legerplaats besloop, zonder te verstaan wat er werd gesproken.

Ik mocht ongeveer tien minuten op den steen hebben gelegen toen ik een schildwacht hoorde roepen, daarop volgde het mij zeer welkome antwoord:

—Ik ben het, Santer. Gij zijt dus naar het dal gegaan?

—Ja. Mijn blanke broeder kan verder gaan, hij zal zoo meteen de roode krijgers zien.

Deze woorden kon ik verstaan, daar er met Santer in een uit Indiaansche en Engelsche woorden samengesteld dialect werd gesproken.

De aanvoerder riep hem reeds tegemoet:

—Mijn blanke broeder is veel langer weg geweest dan vooraf bepaald was. Hij heeft daarvoor zeker gewichtige redenen?

—Gewichtiger dan gij vermoedt. Sedert wanneer zijt gij hier?

—Sedert den tijd dien de bleekgezichten een half uur noemen.

—Hebt gij mijn paard gevonden?

—Ja, want wij zijn uw spoor gevolgd. Wij maakten halt op de plaats waar gij het hadt vastgebonden en toen wij hierheen reden, hebben wij het meegenomen.

—Gij hadt beter gedaan, buiten op de prairie te blijven, het is hier niet pluis.

—Wij zijn daar niet gebleven, omdat het hier een betere legerplaats is en omdat wij meenden dat er geen gevaar te duchten is, anders zoudt gij wel terug zijn gekomen om ons te waarschuwen!

—Het omgekeerde is het geval. Ik bleef zoolang weg, omdat wij ons hier in groot gevaar bevinden en ik langen tijd noodig had om te ontdekken, waarin dit bestond. Old-Shatterhand is hier.

—Dat dacht ik wel. Heeft mijn broeder hem gezien?

—Ja.

—Wij zullen hem vangen en aan onzen aanvoerder brengen, wiens knieën hij verpletterd heeft. Hem wacht de dood aan den martelpaal. Waar is hij?

De Kiowa’s hadden ons dus niet naar hun dorp willen lokken, maar aangenomen dat wij naar Winnetou zouden terugkeeren.

—Of gij hem zult vangen is nog zoo zeker niet,—antwoordde Santer.

—Daaraan behoeft gij niet te twijfelen, want deze honden hebben slechts dertig krijgers bij zich en wij vijfmaal zooveel, bovendien weten zij niet dat wij hier zijn, wij kunnen hen dus overrompelen.

—Gij vergist u zeer. Zij weten dat wij zullen komen, zij weten zelfs reeds dat gij hier zijt, want zij hebben verkenners uitgezonden.

—Oef! Weten zij dat?

—Ja.

—Dan kunnen wij hen natuurlijk niet overrompelen!

—Neen, dat gaat niet.

—Het moet dus, wanneer wij hen aangrijpen tot een gevecht komen, dat bloed zal kosten, want Winnetou en Old-Shatterhand zijn ieder voor geen tien krijgers vervaard.

—Ja, dat is waar, de dood van Intschu Tschuna en diens dochter heeft hen met woede vervuld, zij dorsten naar wraak en zullen zich als woedende roofdieren verdedigen. Maar wij moeten ze hebben. Winnetou moet ik in elk geval zien te krijgen.

—Waarom hem in de eerste plaats?

—Om de nuggets. Hij is nu waarschijnlijk de eenigste, die de plaats weet, waar die te vinden zijn.

—Hij zal die aan niemand verraden.

—Ook niet, wanneer wij hem gevangennemen?

—Neen.

—Ik zal hem zoolang pijnigen, tot hij mij het geheim mededeelt.

—Hij zal blijven zwijgen. Deze jonge hond der Apachen geeft niets om pijn. En wanneer hij weet dat wij komen, zal hij wel oppassen, niet in onze handen te vallen.

—O, ik weet wel, hoe wij het aan moeten leggen, hem in onze macht te krijgen.

—Als gij dat weet, moet gij het ons zeggen.

—Wij behoeven alleen gebruik te maken van de val, die zij ons hebben gesteld.

—Een val, welke?

—Zij willen ons in een nauwe kloof lokken, in welke wij ons niet zouden kunnen verdedigen en ons dan zoo gevangennemen.

—Oef! Weet mijn broeder Santer dit wel goed?

—Ja!

—Kent hij die kloof?

—Ik ben er in geweest.

—Vertel mij, wat gij er nog meer van weet.

—Ik heb veel, zeer veel gewaagd. Als men mij had opgemerkt, zou ik stellig en zeker den vreeselijksten marteldood hebben moeten sterven en ik ben wat blij dat alles zoo gelukkig is afgeloopen. Dit heb ik alleen te danken aan het feit, dat ik den weg naar den Nuggets-Hill reeds eens heb afgelegd en de plaats daarboven, waar de graven zijn, ken.

—De graven? Winnetou heeft dus zijn dooden daarginds begraven?

—Ja. Dat was mijn geluk, want daardoor werd de aandacht der Apachen afgeleid. Ik begreep natuurlijk dat zij boven op die open plek waren en was voorzichtig. Ik heb reeds veel doorgemaakt en kan er mij op beroemen een ervaren prairiejager te zijn, maar zoo voorzichtig als nu, ben ik nog nooit geweest. Natuurlijk ging ik niet naar het open dal, maar bleef aan den zoom van het woud. Daar, waar dit recht in de kloof opgaat, hadden de kerels hun paarden. Het was geen kleinigheid naar boven te komen, zonder in de kloof te gaan, maar het gelukte mij toch. Boven aangekomen, moest ik nog dubbel zoo voorzichtig zijn. Ik dacht niet, dat het mogelijk zou zijn, onopgemerkt tot aan de open plek te komen, maar de Apachen hadden slechts oor en oog voor de begrafenis en zoo waagde ik het vooruit te dringen tot aan een rotsblok, dat geheel aan den rand van het bosch ligt. Van achter dit steenblok kon ik alles zien.

—Mijn blanke broeder is zeer overmoedig geweest en dat hij nog leeft, heeft hij alleen aan de begrafenis te danken.

—Dat zeide ik u immers reeds! Toen de graven waren gesloten zond Winnetou zijn lieden heen om de paarden te halen.

—Wilde hij ze daarboven hebben? Ging dat niet moeilijk?

—Ja, zeer moeilijk.

—Dan moet hij daarvoor een bijzondere reden hebben gehad.

—Die had hij ook. Wij moesten, wanneer wij zouden zien dat zij met de paarden naar boven zijn geklommen hen met de onze naklauteren, hun spoor verder volgen en zoo in de val loopen.

—Vermoedt gij dat?

—Ik vermoed het niet alleen, ik weet het, ik heb het gehoord.

—Van wien?

—Van Winnetou. Toen bij zijn lieden had weggezonden om de paarden te halen, bleef hij alleen met Old-Shatterhand, zij stonden niet ver van mijn schuilplaats en ik heb gehoord wat zij met elkander bespraken.

—Oef! Dan is er een wonder gebeurd. Winnetou beluisterd! Dat komt, omdat zijn gedachten niet bij ons waren, maar bij zijn vader en zijn zuster!

—Ja, zij waren toch ook bij ons. Hij had een verkenner geplaatst op den hoogsten bergtop en deze moest hem onze komst melden.

—Heeft hij ons gezien?

—Neen, dat denk ik niet. Gij ziet dus, hoe goed het geweest is, dat ik alleen ben vooruitgereden. Daar ik alleen was, ben ik aan het oog van dezen verkenner ontsnapt.

—Ja, gij hebt zeer wijs gehandeld. Vertel verder!

—Toen de roodhuiden de paarden hadden weggebracht, werd er niet lang meer getalmd, zij verlieten de open plek en daalden aan den anderen kant in het dal af. Is men dit dal door, dan komt men in een zeer smalle en lange kloof, welker wanden niet te beklimmen zijn; wij moesten in deze kloof worden gelokt.

—Had Winnetou dus plan, den in- en uitgang te bezetten?

—Ja, maar natuurlijk eerst dan, wanneer wij er in waren.

—Dan moet hij zijn lieden verdeelen. De eene helft rijdt door de kloof en wacht ons op, terwijl de andere helft achterblijft en zich verbergt, om ons later te volgen.

—Juist, dat heb ik ook bedacht.

—Is de bodem daar rotsachtig of niet?

—In de kloof wel, maar daarvoor groeit gras.

—Dan moet de tweede afdeeling der Apachen, wanneer zij zich verbergt, sporen nalaten welke wij kunnen zien. Wij zouden dus in geen geval in deze val zijn geloopen.

—Ja, maar deze kerels zijn slimmer dan gij denkt. De tweede afdeeling is namelijk niet achtergebleven, maar mee door de kloof gereden.

—Oef! Hoe konden zij ons dan voor en achter insluiten?

—Dat vroeg ik mij zelf ook af. Er is maar een mogelijkheid, namelijk deze, dat deze tweede afdeeling langs een omweg weer uit de kloof wil komen en ons in den rug wil aanvallen.

—Heeft mijn broeder dezen omweg gevonden?

—Ja. Ik ben ook in de kloof gegaan, hoewel dit zeer gevaarlijk was, maar ik moest haar toch leeren kennen. Natuurlijk kon ik niet tot aan het einde gaan, want dan zou ik op de Apachen zijn gestuit, die den uitgang bezetten. Ik keerde dus spoedig weer om en ik had nog nauwelijks de kloof verlaten of ik hoorde voetstappen achter mij. Gelukkig lagen verscheidene hooge steenen aan den kant, achter welke ik mij kon verbergen. Een Apache kwam voorbij, maar zag mij niet,

—Zou dat misschien de verkenner zijn geweest, die boven in den boom had gezeten?

—Waarschijnlijk.

—Dus heeft hij ons zien komen en haastte hij zich nu, dat aan Winnetou te melden.

—Het kan ook zijn dat Winnetou, toen hij zijn legerplaats bij de graven verliet, hem heeft laten zeggen terug te komen.

—Neen, want dan zou er iemand anders bij hem zijn geweest en hij was alleen. Het zal dus wel zijn zooals ik u heb verteld. Hij heeft onze komst gezien en dit Winnetou willen berichten. Hoe goed, dat gij tijd hadt u te verbergen. Wat deedt gij toen?

—Ik dacht een oogenblik na. Als de vijand ons in den rug wilde aanvallen, ging dit het gemakkelijkst door ons op te wachten op een plaats waar wij voorbij moesten. Welke plaats zou daarvoor het meest geschikt zijn? In elk geval het dal, in hetwelk wij ons nu bevinden en wel het achterste gedeelte, daar, waar de kloof omhoog gaat. Wanneer de Apachen zich daar onder de boomen verschuilen, moeten zij ons zien aankomen en kunnen ons onopgemerkt tot aan de val achtervolgen en deze dan achter ons sluiten. Dat overlegde ik bij mij zelf en daarom keerde ik naar hier terug en sloop naar de plaats, waar ik dacht hen te zullen vinden, indien mijn berekening juist was.

—En vondt gij hen?

—Niet dadelijk, want ik was er voor hen, maar het duurde niet lang of ik zag hen komen.

—Wie waren het? Hebt gij ze duidelijk gezien en geteld?

—Het waren Old-Shatterhand met de beide andere blanken en een tiental Indianen.

—Dus heeft Winnetou het bevel over de afdeeling welke den uitgang van de kloof bezet houdt, op zich genomen?

—Zoo is het. De kerels gingen zitten. Ik had vandaag al zooveel gewaagd en alles was mij gelukt, ik waagde het dus ook nu weer om zeer dicht bij te sluipen, om te hooren wat zij tot elkander zeiden.

—Wat zeiden zij?

—Niets. Toen ik nog niet zoo heel dicht bij hen was, spraken de beide andere blanken met elkander, maar niet luid genoeg voor mij en toen ik dicht bij was, hielden zij zich stil. De Apachen zeiden niets en ook Old-Shatterhand zweeg. Ik lag zoo dicht bij hem, dat ik hem bijna met de hand kon aanraken. Hoe zou hij zich ergeren als hij dat wist!

Santer had gelijk. Ik ergerde mij niet weinig! Deze man was werkelijk even listig als moedig. Winnetou en mij te beluisteren, terwijl wij daarginds bij de graven met elkander spraken. Ons dan in de kloof te volgen, ons plan te raden en eindelijk ons op te wachten op de plaats, naar welke ik door Winnetou was gezonden. Hij had achter mij gelegen, ja ik had zelfs een tip van zijn jas beet gehad.

Een kleine voldoening was het voor mij dat ik nu hier weer zooveel hoorde, terwijl Santer bij ons niets had gehoord.

—Zijt gij zoo dicht bij dezen hond geweest?—riep de Kiowa.—Waarom hebt gij hem uw mes niet tusschen de ribben gestoken?

—Ik zou er wel voor oppassen!

—Waarom?

—Omdat ik daardoor alles zou hebben bedorven. Wat zou dat een lawaai hebben gegeven! De Apachen zouden naar Winnetou zijn geloopen en deze zou hebben vernomen dat zijn plan verraden was. Dan zou het mij onmogelijk zijn geweest hem te vangen en hoe zou ik dan aan de nuggets komen, welke ik hebben moet?

—Gij zult die ook niet krijgen. Bevindt Old-Shatterhand zich nog daar, waar gij hem hebt aangetroffen?

—Ik hoop het.

—Gij hoopt het slechts? Het is dus mogelijk dat hij weg is? Hij zal toch wel op ons wachten.

—Dat was zijn plan, maar het kan zijn, dat hij dit nu heeft opgegeven.

—Welke reden zou hij daarvoor hebben?

—Hij weet dat hij gezien is geworden.

—Oef! hoe kon hij dat weten?

—Door een gat, door een vervloekt gat dat in den grond was, misschien door een of ander dier gegraven.

—Kunnen gaten spreken?

—Onder zekere omstandigheden, ja. Ik wilde wegsluipen en keerde mij om. Daarvoor moest ik mijn geheele lichaamsgewicht op de handen leggen en viel met de rechterhand door den zachten bodem, in een zich daaronder bevindend gat, wat een gedruisch maakte, dat door Old-Shatterhand gehoord werd. Hij keerde zich oogenblikkelijk om en moet mij gezien hebben, want toen ik opsprong en weg wilde, was hij ook achter mij. Bijna had hij mij gepakt; ik scheurde mij echter los en vluchtte. Hij riep wel dat ik moest blijven staan, dat hij anders wilde schieten, maar natuurlijk deed ik dit niet. Ik drong integendeel nog dieper het bosch in, waar het veiliger was en wachtte tot ik zonder gevaar verder kon gaan.

—Wat deden zijn kameraden?

—Zij wilden waarschijnlijk met hem naar mij zoeken, maar hij verbood dit. Hij beval hen, daar te blijven tot hij terug zou komen. Ik hoorde nog enkele voetstappen, toen werd alles stil.

—Hij is dus weggegaan?

—Ja.

—Waarheen?

—Dat weet ik niet. Hij zal niet ver zijn geloopen en is, toen hij inzag, dat ik niet te vinden was, stellig teruggekeerd.

—Heeft hij u herkend?

—Dat geloof ik niet, het was te donker.

—Misschien is hij wel hier gekomen en zit nu ergens om ons te beluisteren?

—Onmogelijk! Hij kon niet zien waar ik heen wilde. Hij is zeker naar zijn post teruggekeerd. Toen ik lang genoeg had gewacht, begaf ik mij naar het open veld, waar ik vlugger vooruit kon komen. Daar hoorde ik uw schildwacht roepen en ik vernam dus, dat gij u hier bevondt.

Er volgde een pauze. De aanvoerder had gehoord, wat hij wilde weten en scheen nu daarover na te denken. Na eenigen tijd hoorde ik hem vragen:

—Wat denkt mijn blanke broeder nu te doen?

—Ik denk eerst te hooren, wat gij zult besluiten.

—De zaken zijn veranderd. Als het ons gelukt was de Apachen te overrompelen, dan waren zij dood of levend in onze handen gevallen, zonder dat het ons veel bloed had gekost. Nu echter wachten zij ons op. Old-Shatterhand heeft u gezien, hij weet dus, dat zijn plan is verraden en zal nu de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht nemen. Het zal nu wel het beste zijn dat wij deze streek verlaten?

—Verlaten? Wilt gij weg? Wat valt u in? Zijt gij bang voor dat handjevol Apachen?

—Mijn blanke broeder zal mij niet willen beleedigen. Ik ben niet bang, maar als ik een vijand evengoed zonder als met bloedvergieten in mijn macht kan krijgen, dan kies ik het eerste; dat doet ieder verstandig krijgsman, ook al is hij nog zoo dapper.

—Meent gij misschien dat wij, door deze streek te verlaten deze blanken en deze Apachen kunnen vangen?

—Ja.

—Oho! Ik zou wel eens willen weten, hoe?

—Zij zullen ons achtervolgen.

—Dat is nog zoo zeker niet.

—Dat is zeker. Winnetou wil zich op u wreken en hij weet, dat gij bij ons zijt, hij zal ons spoor dus volgen. Wij zullen dit met opzet zeer duidelijk maken en rijden naar ons dorp, waarheen ik het gevangene bleekgezicht, Sam Hawkins, heb gezonden.

—En zijt gij van meening dat de Apachen ons tot daartoe zullen volgen?

—Ja, zij zullen zich haasten.

—Oho! Om mij te vangen? Ik zal mij dus weer door hen heen en weer laten jagen, terwijl ik hier met weinig moeite mijn doel kan bereiken?

—Gij zult uw doel hier in het geheel niet bereiken en zijt althans gedurende onzen rit naar huis, veilig.

—Maar als zij ons inhalen, is het gevaar des te grooter voor mij.

—Zij zullen ons echter niet inhalen, want wij zijn hen een heel eind vooruit. Wij breken zoo dadelijk op en zij kunnen eerst dan volgen wanneer zij bemerken, dat wij weg zijn en dit zal niet voor morgenmiddag zijn.

—Nu weg, nu dadelijk? Dat wil ik niet. Wat zal uw opperhoofd zeggen als hij verneemt, dat gij deze mooie gelegenheid om zijn vijanden te vangen, voorbij laat gaan, zonder dat gij daartoe wordt gedwongen! Bedenk dat!

De aanvoerder antwoordde niet op deze waarschuwing, zij maakte dus blijkbaar indruk op hem.

—Ja, dit is zulk een mooie gelegenheid,—ging Santer voort,—wij hebben niets anders te doen dan de zaak om te keeren en hen te lokken in de val, die zij ons hebben gesteld.

—Oef! Hoe zullen wij dat doen?

—Wij vallen de beide afdeelingen, die ons in de kloof willen insluiten, een voor een aan, zoodat wij in het geheel niet worden ingesloten!

—Dan zouden wij eerst Old-Shatterhand’s afdeeling moeten aanvallen. Was dat uw bedoeling?

—Ja.

—Wij trekken haar dus morgen voorbij en doen, alsof wij niet weten, dat zij ons volgen.

—Neen. Zoolang behoeven wij niet te wachten, wij vallen haar vandaag nog aan.

—Oef! Mijn blanke broeder moet mij vertellen, hoe hij dat wil aanleggen.

—Het is zoo eenvoudig, dat het eigenlijk onnoodig moest zijn, het u uit te leggen. Ik weet de plaats, op welke Old-Shatterhand zich met zijn krijgers bevindt en breng u daarheen. De oogen der Kiowa’s zijn gewend aan de duisternis en hun bewegingen zijn zacht als die der slangen. Wij omsingelen de blanken met hun Apachen en vallen hen op een gegeven oogenblik aan. Er zal geen enkele van hen ontkomen, wij steken ze neer, voor zij er aan kunnen denken zich te verweren.

—Oef, oef, oef!—riepen eenigen der toehoorders, zeer ingenomen met Santers voorstel.

Hun aanvoerder was niet zoo snel met zijn oordeel gereed, maar na een korte pauze zei hij toch:

—Het kan gelukken, als wij zeer voorzichtig zijn!

—Het kan en het moet gelukken! Het komt er maar op aan, dat wij hen geheel onopgemerkt omsingelen en dat is toch zoo moeilijk niet. Dan nog eenige zekere messteken en de zaak is afgeloopen. De buit, die wij den kerels afnemen, behoort u, ik wil er niets van hebben. Dan maken wij ons meester van Winnetou....

—Ook nog in den nacht?

—Neen, den volgenden morgen. Zijn persoon is voor mij zooveel waard, dat ik hem goed wil zien; dit is echter des nachts te moeielijk. Wij doen, zooals de Apachen hebben gedaan, wij verdeelen ons. De eene helft van ons breng ik nog dezen nacht in de kloof, in welke wij gevangen moesten worden. Zij blijft daar tot het aanbreken van den dag en dringt dan verder vooruit, tot zij bij den uitgang door Winnetou wordt aangevallen, want deze zal denken, dat Old-Shatterhand met zijn kameraden achter hen is. De andere helft zoekt met mij bij de eerste morgenschemering den weg op, langs welken Old-Shatterhand hier in het dal is teruggekeerd, ik weet, dat ik dien zal vinden. Ik ben overtuigd dat die weg eerst recht door het bosch leidt en dan om den voet van den berg naar den uitgang van de kloof, waar Winnetou zich bevindt. Deze zal al zijn opmerkzaamheid richten op de kloof zelf en onze eerste afdeeling opmerken. Daardoor zal het hem ontgaan, dat wij hem van achteren eveneens naderen. Hij wordt dus zóó ingesloten als hij ons dacht in te sluiten en daar hij slechts vijftien man bij zich heeft, moet hij zich wel overgeven, wil hij niet met al de zijnen gedood worden. Dat is mijn plan.

—Als het uitgevoerd kan worden, zooals gij het hebt ontworpen, is het goed.

—Gij geeft dus uw toestemming?

—Ja, ik wil Winnetou levend in handen hebben om hem aan het opperhoofd uit te leveren en wanneer uw plan ten uitvoer kan worden gebracht, behoeven wij niet langer te wachten.

—Laat ons dan niet talmen!

—Old-Shatterhand in de duisternis van het bosch te omsingelen is een moeilijk ding. Ik zal dus krijgers kiezen die ook des nachts goede oogen hebben en geoefend zijn in het sluipen.

Hij begon de namen te noemen van degenen, welken hij deze taak wilde opdragen en het werd dus voor mij hoog tijd terug te keeren naar mijn makkers, die ik anders niet zou kunnen waarschuwen. Ik liet mij dus van den hoogsten steen op den laagsten en van dezen op den grond glijden en sloop weg. Toen ik het vroeger genoemde kreupelboschje achter mij had, ging ik uit het woud in het open veld en liep zoo hard ik kon, het dal door, tot ik evenwijdig met mijn makkers was. Nu ging ik dwars door het bosch en trof hen aan in spanning op mij wachtend.

—Wie komt daar aan?—vroeg Dick Stone, toen hij mijn voetstappen hoorde.—Zijt gij het, sir?

—Ja,—antwoordde ik.

—Waar zijt gij zoolang geweest? Niet waar, het was een Kiowa, die ons toevallig in den weg kwam?

—Neen, het is Santer geweest.

—Wel drommels! Hij? En wij hebben hem niet gesnapt? Daar komt me die kerel in onze nabijheid en wij pakken hem niet! Hoe is ’t mogelijk!

—Er is nog veel meer gebeurd, dat eigenlijk niet mogelijk moest zijn. Ik heb evenwel geen tijd, om u dat alles uit te leggen; wij moeten zoo spoedig mogelijk van hier. Later zult gij alles hooren.

—Van hier? Waarom?

—De Kiowa’s komen zoo aanstonds om ons te overvallen.

—Spreekt gij in ernst, sir?

—Ja. Ik heb hen beluisterd. Zij willen ons hier eerst vermoorden en dan morgen Winnetou aanvallen. Zij weten van onze plannen. Daarom moeten wij zoo spoedig mogelijk van hier.

—Waarheen?

—Naar Winnetou.

—Midden door het donkere woud? Dat zal een moeilijke taak zijn.

—Dat komt er niet op aan. Voorwaarts dus!

Een tocht des nachts door het oerwoud, is niet zeer bevorderlijk voor de schoonheid van eens menschen gelaat, daar er natuurlijk geen begaande wegen zijn en men door takken en twijgen heen moet breken. Zien kan men niet, men moet dus geheel op het gevoel vertrouwen. Twee van ons tastten met de handen vooruit en de anderen volgden op deze wijze, dat de achterste, den voorste steeds vasthield. Het duurde wel een uur, vóór wij het bosch achter ons hadden, het moeielijkste was de goede richting te houden. Toen wij eerst in het open veld waren, ging het sneller. Wij liepen om den berg heen op de kloof toe, aan welks uitgang Winnetou gelegerd was.

Deze had, althans van den kant van welken wij kwamen, geen onraad verwacht, maar voorzichtigheidshalve toch een wachtpost uitgezet, die ons nu met luider stem aanriep. Ik antwoordde even luid, de Apachen herkenden deze stem en sprongen op.

—Komt mijn broeder Old-Shatterhand?—vroeg Winnetou op een toon van verwondering—dan moet er iets gebeurd zijn. Wij hebben tevergeefs op de Kiowa’s gewacht.

—Zij willen eerst morgen vroeg komen, maar niet alleen door de kloof, maar ook van dezen kant, om u te overvallen.