Part 8
—Wees toch wijzer, hebt gij hem met het mes aangevallen?
—Ja, ik had mijn geweer niet bij mij.
—Wat een echte „greenhorn” zijt gij toch nog! Die heeft me een extra zwaren berendooder meegenomen en nu de beer komt, doodt hij hem met het mes, in plaats van met het lood. Hoe is ’t mogelijk, hoe kwam dat toch?
Ik vertelde hem hoe alles gebeurd was, en ook dat ik weer eens voor een enkelen keer ruzie met Rattler had gehad.
—Mensch, gij zijt werkelijk ongelooflijk lichtzinnig!—riep hij uit.—Heeft nog nooit een Grizzlybeer gezien en gaat er op los, alsof ’t een oude poedelhond was. Ik moet dat dier dadelijk eens in oogenschouw gaan nemen, komt mee Dick en Will, gij moet toch ook eens zien, wat voor dommen streek die „greenhorn” weer uitgehaald heeft. Hij wilde weggaan, maar daar Rattler intusschen weer bijgekomen was, wendde hij zich eerst tot dezen:
—Hoor eens, Mr. Rattler ik heb u iets te zeggen, gij hebt weer ruzie gemaakt met mijn jongen vriend. Als dit nog eens gebeurt, zal ik zorgen dat het voorgoed gedaan is. Mijn geduld is ten einde, onthoud dat!
Hij verwijderde zich met Stone en Parker. Rattler zette een woedend gezicht maar zeide niets.
De beide Indianen en Kleki-Petra waren intusschen in het gras gaan zitten. De hoofd-ingenieur zat tegenover hen, maar het gesprek scheen niet te willen vlotten, zij wachtten blijkbaar op de terugkomst van Sam. Toen deze na eenige oogenblikken verscheen, riep hij reeds van verre:
—Wat dom om op den Grizzlybeer te schieten en dan te vluchten, als men hem niet aandurft, doet men beter in ’t geheel niet te schieten en hem met rust te laten, dan doet hij niets. Die Rollins is vreeselijk toegetakeld. En wie heeft nu eigenlijk de beer gedood?
—Ik!—riep Rattler haastig.
—Gij, waarmee dan?
—Met mijn kogel.
—Wel, dat komt uit, dat is waar.
—Zoo, dat dacht ik ook.
—Ja, de beer is door een kogel gestorven.
—Dus behoort hij mij. Hoort ge ’t nu kameraden. Sam Hawkins heeft mij gelijk gegeven,—schreeuwde Rattler triomfantelijk.
—Dat wil zeggen. Uw kogel is zijn kop voorbijgegaan en heeft een puntje van zijn oor meegenomen. En aan zulk een wondje sterft zoo’n Grizzly zeker dadelijk, hihihihi! Als er meer zijn geweest die geschoten hebben, dan zijn hun kogels hem eveneens voorbijgegaan, want er is anders geen spoor van een kogelwond te vinden. Maar wel zie ik vier geduchte messteken, twee naast het hart en twee er juist in. Wie heeft die steken gedaan?
—Ik,—was mijn antwoord.
—Gij alleen?
—Ik alleen.
—Dan behoort de beer aan u. Dat wil zeggen, daar wij één gezelschap vormen, is de pels voor u en het vleesch behoort aan ons allen te zamen, maar gij hebt te zeggen, hoe het verdeeld zal worden. Zoo is het gebruik in de Far-West. Wat zegt gij nu daarvan, Mr. Rattler?
—Loop naar den duivel!
Hij liep bij deze woorden al vloekend naar den wagen, waarop het brandewijnvat lag, ik zag dat hij den brandewijn in den beker liet loopen en wist dat hij nu zoolang zou drinken, tot hij niet meer kon.
Deze aangelegenheid was dus geregeld en nu noodigde Bancroft het Opperhoofd der Apachen uit, zijn wenschen kenbaar te maken.
—Ik kom niet met wenschen maar met bevelen,—antwoordde Intschu Tschuna trotsch.
—Wij nemen geen bevelen aan,—verzekerde de hoofd-ingenieur even trotsch.
Een oogenblik verduisterde het gezicht van den Apache, maar hij beheerschte zich en vervolgde op kalmen toon:
—Mijn blanke broeder moet mij eenige vragen naar waarheid beantwoorden. Heeft hij een huis, waarin hij woont?
—Ja.
—En een tuin daarbij?
—Ja.
—Wanneer nu een buurman een weg wil aanleggen door dien tuin, zou mijn broeder dit dulden?
—Neen.
—De landen aan gene zijde van het Rotsgebergte en ten oosten van den Mississippi hooren aan de blanken. Wat zouden zij er van zeggen, wanneer de Indianen kwamen en daar wegen wilden maken?
—Zij zouden ze wegjagen.
—Mijn broeder heeft de waarheid gesproken. Maar nu komen de blanken hier in het land, dat ons behoort, zij vangen onze mustangs, zij dooden onze buffels, zij zoeken bij ons goud en edelgesteenten. Nu willen zij zelfs een langen, langen weg aanleggen, waarop hun ijzeren ros zal gaan. Langs dezen weg komen dan telkens meer bleekgezichten, die ons overvallen en ons langzamerhand nog zullen berooven van het weinige, dat men ons nog gelaten heeft, wat zullen wij dan doen?
Bancroft zweeg.
—Hebben wij misschien minder rechten dan gij? Gij noemt u Christen en hebt den mond vol van Liefde. Daarbij echter besteelt en berooft gij ons, terwijl wij eerlijk moeten zijn tegenover u. Is dat Liefde? Gij zegt, uw God is de Vader van alle blanken en roodhuiden. Is hij nu onze stiefvader en uw eigen vader? Behoorde niet het geheele land aan ons? Men heeft het ons ontnomen, en wat heeft men er ons voor in de plaats gegeven? Ellende en nog eens ellende! Gij jaagt ons steeds verder, tot dat wij eindelijk nergens meer plaats zullen hebben. Waarom doet gij dat? Uit nood? Omdat gij zelf ruimte noodig hebt? Neen, enkel uit hebzucht, want in uw landen is nog plaats voor millioenen. Ieder van u zou wel een staat voor zich willen hebben, maar men gunt den Roodhuid wiens land dit is, geen plek, waar hij zijn hoofd rustig kan neerleggen. Kleki-Petra, die hier naast mij zit, heeft mij van uw heilig boek verteld. Daarin staat te lezen, dat de eerste mensch twee zonen had, van wien de een den ander versloeg. Hoe gaat het nu met den rooden en den blanken broeder? Zijt gij niet Kaïn en wij Abel, wiens bloed ten hemel schreit? En dan verlangt gij nog, dat wij ons zullen laten ombrengen, zonder ons te verweren. Neen, wij zullen ons verweren! Wij zijn verjaagd van de eene plaats naar de andere. Nu wonen wij hier. Wij meenden hier te kunnen uitrusten en rustig te kunnen ademen, maar daar komt gij weer, om een spoorweg aan te leggen. Hebben wij dan niet hetzelfde recht gelijk gij? Wilden wij naar onze wetten handelen, dan moesten wij u allen dooden, maar wij willen alleen, dat uw wetten ook voor ons zullen gelden. Doen zij dat? Neen, uw wetten zijn voor twee uitleggingen vatbaar, en men legt ze uit, zooals men wil. Gij wilt hier een weg maken, hebt gij ons om verlof gevraagd?
—Neen, want wij hebben uw permissie niet noodig.
—Waarom niet? behoort dit land aan u?
—Ik geloof van ja.
—Neen, het behoort ons, hebt gij het van ons gekocht?
—Neen.
—Hebben wij het u geschonken?
—Neen, niet aan mij ten minste.
—En ook aan niemand anders. Als gij een eerlijk man zijt en hierheen zijt gezonden, om een weg voor uw ijzeren ros te leggen, dan moet gij eerst aan den man, die u zendt, vragen of hij het recht heeft dit te doen en u dat kan bewijzen. Dit hebt gij niet gedaan, ik verbied u dus verder te gaan met uw opmetingen!
Dit laatste zeide hij met zooveel nadruk, dat ik den Indiaan met verbazing aanstaarde. Ik had vele boeken gelezen over dat ras, en ook vele redevoeringen gelezen door Indianen gehouden, maar zoo één als deze nooit. Intschu Tschuna sprak tamelijk zuiver Engelsch, zijn wijze van redeneeren, was die van een beschaafd man. Zou hij dit alles van Kleki-Petra hebben geleerd?
De hoofdingenieur gevoelde zich zeer in het nauw gebracht. Als hij eerlijk en oprecht wilde zijn, kon hij tegen deze beschuldigingen niets inbrengen. Hij wilde weliswaar eenige tegenwerpingen maken, maar gevoelde dat dit eigenlijk maar nietswaardige praatjes waren. Toen de hoofdman nu weer begon en hem hoe langer hoe meer in ’t nauw dreef, wendde hij zich tot mij:
—Maar sir, hoort gij dan niet waarover gesproken wordt? Zeg toch ook eens een woordje.
—Dank u wel, Mr. Bancroft, ik ben hier als landmeter en niet als advocaat. Red u zelf er maar uit, ik heb met deze zaak niets te maken.
Toen vervolgde de hoofdman op zeer beslisten toon:
—Het is niet noodig verder over deze zaak te redetwisten, ik heb u gezegd, dat ik u niet hier duld. Ik eisch, dat gij nog vandaag van hier vertrekt, overlegt met elkaar of gij zult gehoorzamen of niet. Ik ga nu met mijn zoon Winnetou weg en zal terugkomen na den tijd, dien de blanken een uur noemen. Dan moet gij mij het antwoord geven. Gaat gij, dan zijn wij broeders, gaat gij niet, dan wordt de oorlogsbijl tusschen u en ons opgegraven. Ik ben Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, ik heb gezegd! Howgh!
Howgh is een Indiaansch woord, en beteekent zooveel als Amen. „basta” „daarbij blijft het,” „zoo zij het”, en anders niet.
Hij stond op en Winnetou volgde zijn voorbeeld, en weinige oogenblikken later waren zij uit het gezicht verdwenen. Kleki-Petra was blijven zitten en de hoofdingenieur wendde zich tot hem, om raad. De zonderlinge man gaf hem ten antwoord:
—Doe wat gij wilt, sir, ik ben het geheel met het opperhoofd eens. Er wordt een groot onrecht begaan aan het roode ras. Maar als blanke weet ik ook, dat de Indiaan zich tevergeefs tegen de overmacht verzet. Als gij vandaag weggaat, zullen er morgen anderen komen, die uw werk voortzetten, maar waarschuwen wil ik u toch, de hoofdman meent het ernstig.
—Waar is hij nu naar toe gegaan?
—Hij zal onze paarden zijn gaan halen.
—Hebt gij die dan bij u?
—Natuurlijk, wij hebben ze verborgen, toen wij bemerkten, dat er een beer in de nabijheid was. Men zoekt toch geen beer te paard op.
Hij ging opstaan en slenterde heen, klaarblijkelijk om verdere vragen te ontgaan.
Ik liep hem na en vroeg toch:
—Sir, staat gij mij toe, met u te gaan? Ik beloof u, niets te zullen zeggen of doen, wat u onaangenaam kan zijn, maar ik stel zoo oneindig veel belang in Intschu Tschuna en in zijn zoon Winnetou.
Dat ook hij mij groote belangstelling inboezemde, wilde ik niet zoo rechtuit zeggen.
—Ja, kom dan maar mee, sir,—antwoordde hij.—Ik heb mij van de blanken afgescheiden, ik wil niets meer met hen te maken hebben, maar gij bevalt mij en ik wil gaarne een wandeling met u doen. Gij schijnt mij de verstandigste van al deze menschen te zijn, heb ik gelijk?
—Ik ben de jongste en volstrekt niet „smart,” en ik zal dit ook wel nooit worden.
—Niet? „Smart” dat is toch meer of minder ieder Amerikaan?
—Ik ben geen Amerikaan.
—Wat dan, als ik niet onbescheiden ben?
—Zeker niet. Ik heb volstrekt geen reden om den naam van mijn vaderland, dat ik zeer liefheb, te verzwijgen. Ik ben een Duitscher.
—Een Duitscher?—vroeg hij, terwijl hij mij even aanzag.—Dan heet ik u welkom, wij zijn landgenooten en dat was het dus, dat mij zoo in u aantrok. Wij Duitschers zijn eigenaardige menschen. Onze harten gevoelen zich verwant, nog vóór dat wij weten, dat wij tot één land behooren. Een Duitscher, die een echte Apache geworden is, lijkt u dat niet vreemd?
—Zoo heel vreemd niet, Gods wegen zijn somtijds zoo ondoorgrondelijk.
—Gods wegen? Waarom spreekt gij van God en niet van de Voorzienigheid, het Noodlot, Fatum of Kismet?
—Omdat ik een christen ben en mij mijn God niet laat ontnemen.
—Goed zoo, gij zijt een gelukkig mensch. Ja, gij hebt gelijk, God leidt ons soms langs vreemde wegen; maar altijd volgens natuurlijke wetten. Een Duitscher, een gestudeerde, een geleerde van naam, en nu een echte Apache, dat lijkt vreemd, maar de weg, die mij tot dit doel heeft gevoerd, was zeer geleidelijk.
Hoewel Kleki-Petra mij eerst, een weinig tegen zijn zin, had meegenomen, scheen hij nu blij te zijn, zich eens vrij te kunnen uitspreken.
Ik bemerkte weldra, dat hij een man van bijzonder karakter was, maar ik wachtte mij wel, ook maar de geringste toespeling te maken op zijn verleden. Hij evenwel was minder bescheiden dan ik, en met de grootste vrijmoedigheid, vroeg hij mij naar mijn omstandigheden. Ik antwoordde hem zoo uitvoerig mogelijk, en dit scheen hem zeer te bevallen. Wij waren intusschen niet ver van de legerplaats onder een boom gaan zitten. Ik kon zijn gezicht goed opnemen. Het leven had diepe voren in zijn voorhoofd gegrift, twijfel, zorg, armoede en ontbering waren hem niet gespaard gebleven. Hoe dikwijls moest hij niet somber, dreigend, toornig, angstig, misschien ook wanhopend om zich heen hebben gezien, nu evenwel was zijn oog helder en kalm als het meer, dat door geen windje wordt bewogen, maar toch zoo diep is, dat men niet kan zien wat op den bodem verborgen ligt. Toen hij alles, wat hij wilde weten, van mij had gehoord, knikte hij zachtjes en sprak:
—Gij staat aan het begin van het leven, dat ik heb doorgemaakt, maar gij zult niet den innerlijken strijd hebben, die ik gehad heb. Gij hebt God, den Heer, die u nooit zal verlaten. Ik had mijn God verloren, toen ik mijn vaderland verliet, en nam in plaats van een vast geloof, dat steunt en sterkt, het ergste mee wat een mensch kan bezitten een—kwaad geweten.
Hij zag mij bij deze woorden onderzoekend aan, maar toen mijn gezicht kalm bleef vroeg hij:
—Schrikt gij daar niet van?
—Neen.
—Maar een kwaad geweten, denk eens na!
—Wel, gij zijt toch geen dief, geen moordenaar geweest? tot lage daden waart gij niet in staat.
Hij drukte mij de hand en vervolgde:
—Ik dank u hartelijk! En toch vergist gij u, ik was een dief, want ik heb veel, zelfs zeer veel gestolen! en wel kostbare goederen! En moordenaar was ik ook! Hoevele zielen heb ik niet vermoord! Ik was leeraar aan een school, waar, dat doet er niet toe. Mijn grootste trots bestond hierin, een vrijdenker te zijn, God te hebben afgezworen, te kunnen bewijzen dat het geloof aan God onzin was. Ik was een uitstekend redenaar en sleepte mijn hoorders mee. Het onkruid, dat ik zaaide, groeide welig op, geen korreltje ging verloren en zoo werd ik de dief, de moordenaar, die aan de menigte haar geloof ontnam en in haar het vertrouwen op God doodde. Toen kwam de revolutie. Wie geen God meer erkent, dien is ook geen koning of overheid heilig. Ik wierp mij op als leider der ontevredenen, zij dronken mij letterlijk de woorden van de lippen, dat bedwelmende gif, dat ik helaas voor heilzame artsenij hield. Zij grepen naar de wapenen, ach, hoevelen zijn er in den strijd gevallen! Ik was hun moordenaar en niet alleen van dezen, maar nog van vele anderen die achter kerkermuren stierven. Natuurlijk vervolgde men mij, ik ontkwam. Ik verliet het vaderland, geen levende ziel weende om mij, ik had vader noch moeder meer, evenmin broeders of zusters of andere bloedverwanten. Den dag vóór ik de grenzen bereikte, zat de politie mij op de hielen. Ik bevond mij in een klein fabrieksdorpje en, op het toeval vertrouwend, liep ik door een klein tuintje een armoedig huisje binnen, bescherming vragend aan een oud moedertje en haar dochter. Zij gaven mij een schuilplaats, ter wille van hun mannen, wier kameraad ik geweest was en onder tranen vertelden zij mij, wat hun was overkomen. Zij waren arm maar tevreden geweest, de dochter was pas een jaar geleden getrouwd. Haar man hoorde een van mijn redevoeringen en kwam geheel onder den indruk daarvan. Hij nam zijn schoonvader mee naar de eerstvolgende vergadering en het gif werkte ook op dezen. Ik had dezen vier braven menschen hun levensgeluk ontnomen. De jonge man viel op het slagveld, dat geen veld van eer was, en de oude vader werd tot tuchthuisstraf veroordeeld. Dit vertelden de vrouwen aan mij, dien zij gered hadden en die de schuld droeg van hun ongeluk. Zij noemden mijn naam, als dien van den verleider. Ik zat naast hen, als door den bliksem getroffen, en van dit oogenblik af had ik geen rust meer. De vrijheid had ik behouden maar innerlijk leed ik, zooals zelden een mensch heeft geleden. Ik zwierf van het eene land naar het andere, maar zonder ergens rust te vinden. Mijn geweten pijnigde mij onophoudelijk en meermalen stond ik op het punt zelfmoord te plegen—een onzichtbare hand hield mij steeds terug,—Gods hand. Zij leidde mij na jaren van ellende en berouw naar een Duitschen predikant in Kansas, die mijn zielelijden begreep en mij overreedde, mijn hart voor hem uit te storten. Gelukkig deed ik dit en, eerst na langen tijd van twijfel, vond ik mijn geloof en vertrouwen terug. Mijn God, hoe zal ik U daarvoor danken!
Hij hield even op, vouwde de handen en sloeg de oogen ten hemel, toen vervolgde hij:
—Om mij zelf op de proef te stellen, nam ik afscheid van de wereld en de menschen en ging in de wildernis. Maar geloof alleen maakt niet zalig, de daden moeten daarvan een uitvloeisel zijn. Ik wilde werken. Toen zag ik het roode ras zich wanhopig verzetten tegen den ondergang; ik zag zijn moordenaars aan het werk, en het hart vloeide mij over van toorn, medelijden en erbarmen. Zijn lot was beslist; ik kon het niet redden, maar één ding was mij mogelijk: ik kon zijn dood verzachten en zijn laatste oogenblikken verhelderen met het licht der Liefde en der Verzoening. Ik sloot mij aan bij de Apachen en leefde en werkte onder hen. Het is mij gelukt hun vertrouwen te verwerven. Ik wilde dat gij Winnetou kondet leeren kennen, hij is, om zoo te zeggen, het resultaat van mijn werk. Deze jongeling is bijzonder begaafd, ware hij de zoon van een Europeesch staatshoofd, hij zou een groot veldheer en een nog grooter vredevorst zijn; als erfgenaam van een Indiaansch Opperhoofd, zal hij ondergaan, evenals zijn geheele ras ondergaat! Mocht ik toch den dag beleven waarop hij zich een Christen zal noemen! En mocht ik dat niet beleven, dan wil ik toch tot aan mijn dood bij hem blijven, om hem te steunen in oogenblikken van gevaar en verleiding. Hij is mijn geesteskind, ik heb hem lief meer dan mij zelf, en mocht mij het geluk beschoren zijn, den kogel, die voor hem bestemd was, in mijn hart op te vangen, dan zou ik met vreugde voor hem sterven en denken, dat deze dood tegelijk een laatste boetedoening was voor mijn vroegere zonden!
Hij zweeg en boog het hoofd. Ik was diep geroerd en zeide niets, want ik had het gevoel, dat elke opmerking na zulk een bekentenis triviaal moest klinken, maar ik nam zijn hand in de mijne en drukte die hartelijk. Hij begreep mij en knikte mij toe.
Eerst na geruimen tijd ging hij voort:
—Hoe het komt, dat ik u dit alles heb verteld? Ik zie u vandaag voor het eerst van mijn leven en zal u waarschijnlijk nooit weerzien. Of is het Gods wil, dat ik u hier ontmoet? Ge ziet het, de vroegere godloochenaar wil nu alles op dien Hoogeren Wil terugbrengen. Ik ben zoo zonderling te moede, ik gevoel iets van de stemming welke over iemand komt wanneer in den herfst de bladeren vallen. Hoe zal het blad mijns levens vallen? Of zal het afgescheurd worden, nog voor de natuurlijke tijd is gekomen?
Hij zag als in stil verlangen naar beneden in het dal. Van dien kant zag ik Intschu Tschuna en Winnetou komen. Zij zaten te paard en voerden dat van Kleki-Petra aan den teugel mee. Wij stonden op om naar de legerplaats te gaan, waar wij tegelijk met hen aankwamen. Rattler stond met een vuurrood opgezet gezicht bij den wagen en staarde ons verwoed aan. Hij had zooveel gedronken, dat hij nauwelijks op de beenen kon staan, een type van een verdierlijkt mensch. Zijn blik was schuw en verradelijk en ik besloot hem in ’t oog te houden.
De hoofdman en Winnetou waren van hun paarden gestegen en kwamen nu op ons toe.
—Welnu, hebben mijn blanke broeders overlegd, of zij weg willen gaan of niet?—vroeg Intschu Tschuna.
De hoofdingenieur, die te midden der zijnen stond, antwoordde:
—Al wilden wij zelf ook weggaan, zoo moeten wij toch wel hier blijven, tot de bode, dien ik vandaag nog naar Santa-Fé zal zenden, terug is, dan kan ik u antwoord geven.
Dat was zoo kwaad niet bedacht, want tegen den tijd dat de bode terug kon komen, zouden wij reeds met ons werk gereed zijn.
De hoofdman zeide evenwel op beslisten toon:
—Zoolang kan ik niet wachten. Mijn blanke broeders moeten dadelijk zeggen wat zij willen.
Rattler had intusschen een beker met brandewijn gevuld en kwam op ons toe. Ik dacht, dat hij ’t op mij begrepen had, maar hij wendde zich tot de beide Indianen.
—Wanneer gij beiden met mij wilt drinken, zullen wij uw zin doen en van hier gaan, anders niet. De jongste mag eerst proeven, hier hebt gij vuurwater, Winnetou!
Deze ging echter met een afwerend gebaar achteruit.
—Wat? wilt gij geen dronk met mij wisselen, dat is een grove beleediging. Hier, daar hebt gij den brandewijn in ’t gezicht, vervloekte roodhuid; lik het af, als gij het dan niet wilt drinken!
Eer een van ons het kon verhinderen, wierp hij den jongen Apache den beker met den inhoud in ’t gezicht. Dit was naar Indiaansche begrippen een doodelijke beleediging, die ook onmiddellijk werd gestraft, want Winnetou sloeg den valschaard met de vuist op het hoofd, dat hij op den grond viel. Met moeite stond deze weer op. Reeds maakte ik mij gereed, om tusschenbeide te treden, want ik dacht, dat men tot verdere handtastelijkheden zou overgaan, maar Rattler zag den jongen Apache slechts dreigend aan, en waggelde toen weer naar den wagen terug.
Winnetou droogde zich af en toonde, evenmin als zijn vader, iets van hetgeen in zijn binnenste moest omgaan.
—Ik vraag nog eens, en nu voor de laatste maal,—zeide het opperhoofd—zullen de blanken nog vandaag dit dal verlaten?
—Wij mogen niet,—luide het antwoord.
—Dan verlaten wij het, en is er geen vrede meer tusschen ons.
Ik deed nog een poging om een bemiddeling tot stand te brengen, tevergeefs; de drie mannen gingen zwijgend naar hun paarden.
Daar klonk opeens Rattler’s stem:
—Weg met u, roode honden! Maar dien slag in ’t gezicht zal ik dien jongen betaald zetten!
Tienmaal vlugger, dan men ’t van hem in dezen toestand zou hebben verwacht, had hij een geweer uit den wagen genomen en legde op Winnetou aan. Deze stond op dat oogenblik vrij en zonder dekking. De kogel moest hem treffen, want alles ging zoo snel in het werk, dat geen beweging hem kon redden. Eensklaps echter schreeuwde Kleki-Petra in doodsangst:
—Weg, Winnetou, weg!
Meteen stond hij voor den jongen Apache. Het schot knalde, Kleki-Petra greep met beide handen naar zijn borst, wankelde en viel. In hetzelfde oogenblik evenwel viel ook Rattler, door mijn vuist getroffen, neer. Een kreet van ontzetting weerklonk, alleen de beide Apachen hadden geen enkel geluid geuit. Zij knielden naast hun vriend, die zich had opgeofferd, neer, en onderzochten zwijgend zijn wond. De kogel zat dicht bij ’t hart, het bloed kwam met kracht te voorschijn. Kleki-Petra had de oogen gesloten, zijn gezicht werd vaalbleek.
—Neem zijn hoofd in uw schoot,—verzocht ik Winnetou,—als hij de oogen opent en u ziet, zal dit zijn dood verzachten.
Winnetou voldeed zwijgend aan mijn verzoek, zonder een spier te vertrekken, maar zijn blik bleef rusten op het aangezicht van den stervende. Langzaam opende deze de oogen, hij zag Winnetou aan, en terwijl een gelukkige glimlach over zijn lippen gleed, fluisterde hij:
—Winnetou, schi ija Winnetou!—Winnetou! O, mijn zoon Winnetou!
Toen was het of zijn brekend oog nog iemand anders zocht; het bleef op mij rusten en in het Duitsch verzocht hij mij:
—Blijf bij hem... hem trouw... mijn werk voltooien...
Hij hief zijn hand op, ik nam die in de mijne en antwoordde:
—Ik zal het doen, zeker, ik zal het doen.
Toen kreeg zijn gelaat een bijna bovenaardsche uitdrukking en met stervende stem bad hij:
—Daar valt mijn blad... afgescheurd... niet zacht... het is de laatste boete... ik sterf zooals... als ik het... gewenscht. Mijn God, vergeef... vergeef!... Genade... Genade... Ik kom... ik kom... genade!...