Chapter 27 of 43 · 3959 words · ~20 min read

Part 27

—Neen wij hebben u geen goud ontnomen,—antwoordde het opperhoofd,—maar gij hebt door ons toedoen, niet gekregen wat gij anders hadt verdiend, daarom wil ik u schadevergoeding geven. Ik zeg u, in de bergen daarginds ligt veel goud. De roode mannen kennen de plaatsen, waar het is te vinden; zij behoeven slechts de moeite te doen, om het te halen. Wilt gij, dat ik het doe?

Honderd anderen in mijn plaats zouden dit aanbod hebben aangenomen en— —niets hebben gekregen; dat zag ik aan den eigenaardig loerenden blik zijner oogen. Daarom zeide ik:

—Ik dank u! Geld, dat zoo zonder verdienste wordt verkregen, geeft geen voldoening, eerst wanneer men het zelf verdiend heeft, krijgt het waarde. Al ben ik arm, ik behoef niet van honger te sterven, als ik terugkeer naar de blanken.

Zijn gezicht helderde op, hij stak mij de hand toe en zeide op werkelijk hartelijken toon:

—Deze woorden bewijzen mij, dat wij ons niet in u hebben bedrogen. De dorst naar goud heeft menig bleekgezicht ten onder gebracht. Jaag niet naar goud, het verlangen daarnaar doodt niet alleen het lichaam, maar ook de ziel. Ik wilde u op de proef stellen. Goud zou ik u niet hebben gegeven, maar ’t geld waarop gij hadt gerekend, zult gij hebben.

—Dat is niet mogelijk.

—Ik wil het en dus is het mogelijk. Wij zullen gaan naar de plaats waar gij hebt gearbeid. Gij zult uw werk ten einde brengen en hetgene krijgen, dat u is beloofd.

Ik zag hem verbaasd aan. Sprak hij in scherts? Neen, daarvoor kende ik hem te goed. Of zou hij mij wederom op de proef willen stellen? Ook dit was niet waarschijnlijk.

—Mijn jonge, blanke broeder zegt niets,—ging hij voort.—Is mijn aanbod hem niet welgevallig?

—Dat wel, maar ik kan bijna niet gelooven dat gij in ernst spreekt.

—Waarom niet?

—Ik zal het werk voltooien, dat gij eerst niet hebt willen dulden? Ik zal doen, wat gij, toen wij elkaar voor ’t eerst ontmoetten, zoo streng hebt veroordeeld?

—Omdat gij toen handeldet, zonder toestemming van degenen, aan wie dit land toebehoorde, maar die toestemming hebt gij nu verkregen. Mijn aanbod komt overigens niet van mij, maar van mijn zoon. Hij heeft mij gezegd, dat het ons geen schade kon doen, wanneer gij het begonnen werk voltooide.

—Dat is verkeerd ingezien. De weg zal worden aangelegd, de blanken komen zeker en gewis.

Hij zag somber voor zich heen en vervolgde na een kleine pauze:

—Gij hebt gelijk. Wij kunnen niet verhinderen dat zij ons telkens en telkens weer berooven. Eerst zenden zij kleinere troepen, zooals de uwe, deze kunnen wij verjagen maar het doet er niets toe, want later komen zij in grootere scharen, voor welke wij terug moeten wijken, willen wij ons niet laten vermoorden. Maar ook gij kunt niets daaraan veranderen, of denkt gij misschien, dat zij niet zullen komen als gij er van af ziet het land verder op te meten?

—Neen, dat denk ik niet. Wij kunnen doen of laten, wat wij willen, maar het ijzeren ros zal eenmaal door deze streken zijn weg vinden.

—Neem dan gerust mijn aanbod aan. Gij brengt u zelf daardoor voordeel en ons geen nadeel. Ik heb alles met Winnetou besproken! Wij beiden gaan met u, onder begeleiding van dertig krijgers. Dit aantal is voldoende om u te beschermen en u te helpen bij uw arbeid. Dan brengen ons deze dertig man zoover naar het Oosten, tot wij een weg vinden die naar St. Louis voert.

—Wat zegt mijn roode broeder? Heb ik hem goed verstaan? Wil hij naar ’t Oosten?

—Ja, wij gaan met u, ik, Winnetou en Nscho-Tschi.

—Nscho-Tschi ook?

—Ja, mijn dochter ook. Zij zou gaarne de steden der bleekgezichten zien en zoolang daar blijven, tot zij geheel is geworden als een blanke vrouw.

Waarschijnlijk heb ik een zeer onnoozel gezicht gezet bij deze woorden, want glimlachend vervolgde het opperhoofd:

—Mijn jonge, blanke broeder schijnt verrast te zijn. Heeft hij er misschien iets tegen, dat wij hem begeleiden? Laat hem het dan gerust zeggen.

—Iets tegen? Wel neen! Ik verheug er mij integendeel zeer over. Onder uw geleide kom ik veilig en wel weer thuis, daarom alleen zou ik er blij om zijn, maar bovendien houd ik hen, die ik lief heb gekregen, zoolang bij mij.

—Howgh!—knikte hij tevreden.—Gij kunt uw werk afmaken en dan gaan wij naar het Oosten. Zal Nscho-Tschi daar menschen vinden bij wie zij kan wonen?

—Ja, daarvoor zal ik zorgen. Maar het opperhoofd der Apachen moet wel bedenken, dat de blanken niet zoo gastvrij zijn als de roodhuiden.

—Dat weet ik. Wanneer de bleekgezichten als vrienden tot ons komen, krijgen zij alles, wat zij noodig hebben zonder dat zij er ons iets voor behoeven te geven, maar komen wij bij hen dan moeten wij niet alleen betalen, maar wij moeten dubbel zooveel geven als de blanke gasten, terwijl wij alles veel slechter krijgen dan dezen. Nscho-Tschi zal dus ook moeten betalen.

—Dat is helaas waar, maar gij behoeft u daar over niet bezorgd te maken. Ten gevolge van uw edelmoedig aanbod, krijg ik veel geld uitbetaald en gij kunt dus mijn gasten zijn!

—Oef, oef, wat denkt mijn jonge, blanke broeder wel van Intschu Tschuna en van Winnetou, de opperhoofden der Apachen! Ik heb u immers gezegd, dat de roode mannen de plaatsen kennen waar veel goud is te vinden. Er zijn bergen welke met goud-aders doorploegd zijn en dalen waarin stofgoud onder de dunne aardlaag ligt. Wanneer wij naar de steden der blanken gaan, hebben wij wel geen geld maar goud, zooveel goud bij ons, dat niemand ons een teug water behoeft te schenken. En al moest Nscho-Tschi ook jaren daar blijven, dan zou ik haar meer goud meegeven, dan zij in al die jaren noodig had. Alleen de ongastvrijheid der bleekgezichten noodzaakt ons, het goud te verzamelen, anders zouden wij het stilletjes laten liggen. Wanneer is mijn jonge broeder gereed om te vertrekken?

—Zoodra gij maar wilt.

—Laat ons dan niet lang talmen, want het is reeds laat in den herfst en de winter kan spoedig invallen. Een roode krijgsman heeft zelfs voor den langsten tocht geen voorbereiding noodig, wij zouden dus reeds morgen kunnen vertrekken.

—Mij goed. Wij behoeven enkel te zeggen, wat wij mee moeten nemen, hoeveel paarden en....

—Daarvoor zal Winnetou zorgen,—viel het opperhoofd mij in de rede.—Hij heeft reeds aan alles gedacht.

Wij verlieten het vertrek, waar wij ons bevonden en keerden naar boven terug. Toen ik mijn kamer wilde ingaan, kwam Sam Hawkins mij tegemoet.

—Ik heb u iets nieuws te vertellen, sir,—begon hij stralend van vreugde.—Gij zult vreemd, zeer vreemd ophooren, als ik mij niet vergis.

—Wat is er dan?

—Ik breng u een goede tijding.

—Vertel dan op, beste Sam!

—Wij gaan van hier vertrekken.

—Zoo, ja, dat wist ik reeds.

—Wist gij dat reeds? Ik wilde u juist met dit nieuwtje verrassen, maar ik kom dus te laat.

—Ik heb er zooeven met Intschu Tschuna over gesproken. Wie heeft het u verteld?

—Winnetou. Ik ontmoette hem daarginds bij de rivier, waar hij bezig was de geschiktste paarden uit te zoeken. Zelfs Nscho-Tschi gaat mee! Wist gij dat ook reeds?

—Ja.

—Ik hoorde er vreemd van op. Zij zal, naar ’t schijnt naar een kostschool worden gebracht. Waarvoor dat noodig is, begrijp ik niet, of ’t moest zijn....

Hij hield midden in den zin op, zag mij met zijn kleine oogjes veelbeteekenend aan en vervolgde:

—Of ’t moest zijn.... ’t moest zijn.... hm, Nscho-Tschi zal misschien uw Kliuna-ai worden! Wat zegt gij daar wel van, sir Shatterhand?

—Mijn Kliuna-ai? Kom, Sam, wees niet zoo dwaas. Ik denk er niet aan, een Indiaansche tot vrouw te nemen.

—’t Is ook beter van niet, sir! Ook ik ben maar blij, dat het met mij niet zoover is gekomen. Alleen, één ding spijt mij geweldig.

—En dat is Sam?

—Dat ik mijn mooi Grizzlyberenvel er bij heb verspeeld. Had ik het zelf nu maar verwerkt, dan had ik nu ten minste een mooien jachtrok, nu echter is mijn rok en daarmede ook het vel weg.

—Dat is jammer, maar misschien kom ik nog wel eens weer in de gelegenheid een Grizzlybeer te vellen en dan zult gij de huid hebben.

—Werkelijk? Maar gij moet niet denken dat de grijze beren zoo maar rondloopen, om zich door den eersten den besten greenhorn te laten doodsteken. In elk geval hoop ik maar, dat wij er in de eerste dagen geen zullen ontmoeten. ’t Is toch een grootmoedig aanbod, om ons het werk te laten afmaken.

—Zeker, Sam, zeker.

—Ja, daardoor krijgt gij uw geld en wij ook het onze. Misschien.... ja, wie weet, of ik ’t niet geraden heb.

—Wat raadt gij?

—Dat gij al het geld alleen krijgt.

—Ik begrijp u niet.

—Wel, als het werk af is, moet het betaald worden, maar de anderen zijn weg, zij leven niet meer, dus moet hun aandeel aan u worden uitbetaald.

—Stel u dat maar niet voor, Sam, men zal er wel voor passen, dat te doen!

—’t Is toch mogelijk! Als gij nu de zaak maar goed aanpakt. Gij moet alles vragen, gij hebt toch ook het werk bijna geheel alleen gedaan. Wilt gij dat doen?

—Neen, ik denk er niet aan, meer te vragen, dan mij toekomt.

—Greenhorn, onverbeterlijke greenhorn. Ik zeg u, dat uw bescheidenheid hier in dit land volstrekt niet op haar plaats is. Ik meen het goed met u, luister daarom naar wat ik u zeg en laat het voornemen varen, om ooit een goed prairiejager te worden; daarvoor deugt gij in ’t geheel niet. Gij moet dus een ander baantje zoeken en daarvoor hebt gij geld noodig, zeer veel geld. Nu kunt ge een mooie som krijgen en ge zijt voor langen tijd geholpen. Luistert gij niet naar mijn raad, dan gaat het u als een visch op het droge.

—Dat zullen we dan maar afwachten. Ik ben niet over den Mississippi gekomen met het doel prairiejager te worden en dus is er niets verloren. Ware dit het geval geweest dan was het enkel jammer voor u.

—Voor mij? Waarom?

—Omdat gij u zooveel moeite hebt gegeven, iets goeds van mij te maken. Ik hoor de menschen al zeggen dat ik zeker een leermeester heb gehad, die er zelf niets van wist.

—Niets van weten? Ik? Sam Hawkins, niets van weten? Ik weet alles!

Hij keerde zich op zijn hielen om en ging met deftige passen heen, terwijl hij mij nog toeriep:

—Dit zeg ik u, als gij het geld niet wilt hebben, steek ik het in mijn zak! Howgh!

Wat Intschu Tschuna mij gezegd had, was waar. Een roode krijger heeft zelfs voor den langsten tocht maar weinig voorbereidselen te maken. Het leven in het Pueblo ging ook dien dag zijn gewonen gang, aan niets was te bemerken, dat wij morgen zouden afreizen.

Ook Nscho-Tschi, die ons zooals altijd aan tafel bediende, liet niets bijzonders merken. Hoe geheel anders gedraagt zich een blanke dame, die een uitstapje gaat maken. Deze Indiaansche had een langen en gevaarlijken tocht voor zich om al de heerlijkheden der beschaafde wereld te leeren kennen en men bemerkte aan haar niet het minste teeken van opgewondenheid. Ik werd met geen enkele vraag lastig gevallen, het eenige wat men mij vroeg, was wel te willen zorgen voor het inpakken der instrumenten, waarvoor Winnetou mij de noodige wollen dekens gaf. Wij zaten als gewoonlijk den geheelen avond bij elkander, zonder dat men over de voorgenomen reis sprak, en toen ik ten laatste slapen ging, had ik volstrekt niet het gevoel dat ik zulk een reis voor mij had. Den volgenden morgen werd ik gewekt door Sam die mij vertelde, dat alles voor den tocht gereed was.

Wij namen een eenvoudig ontbijt, daarna deden alle bewoners van het Pueblo ons uitgeleide tot aan de rivier, waar een plechtigheid zou plaats hebben, welke ik nog nooit had bijgewoond. De medicijnman zou namelijk verklaren of de reis gelukkig of ongelukkig zou wezen.

Voor deze plechtigheid waren ook de zich in de nabijheid van het Pueblo bevindende Apachen aangekomen. Onze ossewagen stond nog bij de rivier, wij konden dezen niet meenemen, daar hij veel te zwaar was en nu had de medicijnman hem in beslag genomen, en er zijn Tempel van gemaakt. Om dezen wagen heen werd een wijde kring gevormd en nu begon de voor de roodhuiden „heilige handeling” met een gebrom en geknor in den wagen, juist alsof een aantal honden en katten op ’t punt waren te gaan vechten. Ik stond tusschen Winnetou en diens zuster. De groote gelijkenis tusschen deze beiden viel des te meer op, daar Nscho-Tschi, niet haar gewone vrouwen- maar mannenkleeren droeg. Haar kleed was volkomen gelijk aan dat van haar broeder. Ook zij had geen hoed op en heur haar was in een pluimvormigen knoop opgestoken. Aan haar gordel hingen verscheidene buidels, een mes en een pistool en over den rug hing een geweer. Haar kleed was nieuw en met bonte franjes en stiksels versierd.

Zij zag er zeer krijgshaftig en toch zoo meisjesachtig en bekoorlijk uit, dat aller oogen op haar gericht waren. Daar ik het kleed droeg, ’t welk ik gekregen had, waren wij drie bijna gelijk.

Ik zette, toen ik het gebrom en geknor in den wagen hoorde, zeker een niet zeer ernstig gezicht, want Winnetou zeide:

—Mijn broeder kent dit gebruik nog niet, hij zal in zichzelf om ons lachen.

—Ik vind geen enkel godsdienstig gebruik, ook al begrijp ik de bedoeling er niet van, belachelijk,—antwoordde ik.

—Godsdienstig gebruik, juist, dat is het ware woord. Wat gij hier zult zien en hooren, is geen heidensche aanstellerij, maar iedere beweging, ieder geluid, heeft een zekere beteekenis. Dat, wat gij nu hoort zijn de tegen elkaar strijdende stemmen van de goede en slechte geesten!

Op deze wijze verklaarde hij mij ook het verdere verloop der plechtigheid. Op het gebrom en geknor volgde een telkens wederkeerend gehuil, dat afgewisseld werd door zachtere klanken. Het gehuil weerklonk in de oogenblikken, dat de in de toekomst ziende medicijnman, booze voorteekenen waarnam, de zachtere geluiden, wanneer hij goeds voorzag. Toen dit zoo eenigen tijd had geduurd, kwam hij plotseling uit den wagen, rende als een razende, brullend in den kring rond. Langzamerhand begon hij minder vlug te loopen, het brullen hield op, de zoo goed voorgestelde „angst”, welke hem zoo had doen ronddraven, begon te bedaren en nu begon een statige dans, waarbij hij zijn gezicht achter een afschuwelijk masker verborg en zijn lichaam met allerlei zonderlinge voorwerpen behing. Deze dans werd begeleid door een eentonig gezang. Beide, gezang en dans, waren eerst heftig maar werden langzamerhand kalmer, tot eindelijk de medicijnman zich neerzette en met het hoofd tusschen de knieën een langen tijd zwijgend bleef zitten. Toen sprong hij plotseling op en verkondigde met luide woorden:

—Hoort, hoort, gij zonen en dochteren der Apachen, hoort, wat de Groote Manitou mij heeft laten weten. Intschu Tschuna en Winnetou, de opperhoofden der Apachen en Old-Shatterhand, die onze blanke hoofdman is, zullen met Nscho-Tschi, de jonge dochter van onzen stam onder geleide van dertig krijgers, naar de steden der bleekgezichten gaan. De groote Manitou is bereid hen te beschermen. Zij zullen eenige avonturen beleven, zonder daarbij schade te lijden en gezond en wel tot ons terugkeeren. Ook Nscho-Tschi, die langen tijd bij de blanken blijft, zal terugkomen, maar er is een die wij niet terug zullen zien.

Hij hield even op en liet het hoofd op de borst zinken, om uiting te geven aan zijn droefheid over dit feit.

—Oef, oef!—riepen de roodhuiden, nieuwsgierig wie dat kon zijn, zonder evenwel te vragen.

Daar de medicijnman een geruimen tijd in gebogen houding bleef staan, werd mijn kleine Sam ongeduldig en vroeg:

—Wie zal niet terugkeeren? Laat de medicijnman dat toch zeggen.

De aangesprokene maakte een afwerende beweging, wachtte eerst weer eenigen tijd, hief toen het hoofd op, richtte zijn oog op mij en zeide:

—Het ware beter, dat er niet naar hem gevraagd was geworden. Ik wilde hem niet noemen, maar nu heeft Sam Hawkins, het nieuwsgierige bleekgezicht mij gedwongen het te zeggen. Het is Old-Shatterhand, die niet zal terugkeeren. De dood zal hem binnenkort treffen. Zij, aan wie ik een gelukkige terugkomst heb voorspeld, moeten er op rekenen niet te lang bij hem te blijven, willen zij niet zijn lot deelen! Bij hem zijn zij in gevaar, ver van hem zijn zij veilig. Zoo heeft de Groote Geest gezegd!—Howgh!

Na deze woorden keerde hij naar den wagen terug. De roodhuiden zagen mij wantrouwend aan, van dit oogenblik was ik voor hen een persoon, met wien men zich niet te veel moest inlaten.

—Wat mankeert die kerel?—meende Sam.—Gij sterven? Hoe komt hij op die gedachte.

—Vraag liever, welke bedoeling hij heeft, met dit te zeggen. Geen Indiaansche medicijnman zal ooit de vriend worden van een Christen. Deze heeft nog nooit een woord tot mij gericht en ik natuurlijk evenmin tot hem. Hij vreest mijn invloed op de opperhoofden en heeft nu deze gelegenheid te baat genomen om mij tegen te werken.

—Zal ik naar hem toegaan en hem eenige oorvijgen geven, sir?

—Bega geen dwaasheden, Sam. De zaak is immers van geen beteekenis.

Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi hadden bij de waarschuwing van den medicijnman elkaar verlegen aangezien. Of zij aan de voorspelling geloofden of niet, dat deed er niet toe, maar zij kenden de uitwerking daarvan op de menigte. Er zouden dertig man met ons meegaan, als deze nu geloofden dat mijn tegenwoordigheid verderf aanbracht, dan waren allerlei onaangenaamheden niet te vermijden. Dit was alleen te voorkomen, door aan hun ondergeschikten te toonen, dat zij, ondanks de voorspelling van den medicijnman, dezelfde voor mij zouden blijven. Daarom grepen beide mijn handen, en Intschu Tschuna zeide, zoo luid, dat allen het konden hooren:

—Mijn roode broeders en zusters mogen mijn woorden vernemen! Onze medicijnman kan een blik werpen in de geheimen der toekomst en zeer dikwijls is dat, wat voorspeld is, uitgekomen, maar wij hebben ook wel gezien dat hij zich kan vergissen. Hij heeft in den tijd van groote droogte, regen voorspeld die nooit is gekomen. Voor onzen laatsten tocht tegen de Comanchen verkondigde hij, dat wij met grooten buit terug zouden keeren, maar de overwinning, welke wij behaalden heeft ons niets gegeven dan een paar oude paarden en eenige slechte geweren. Toen hij ons in den voorlaatsten herfst zeide, dat wij naar de rivier Tugah moesten gaan, wilden wij veel buffels schieten, hebben wij naar zijn woorden geluisterd, maar wij schoten er zoo weinig, dat wij in den winter bijna van honger moesten omkomen. Ik zou u nog meer zulke voorbeelden kunnen opnoemen, welke bewijzen, dat zijn oogen niet altijd helder in de toekomst zien. Daarom is het ook nu zeer wel mogelijk, dat hij zich wat onzen broeder Old-Shatterhand betreft, vergist. Ik doe dus, alsof ik zijn woorden niet heb gehoord en noodig mijn broeders en zusters uit dit eveneens te doen. Wij willen kalm afwachten, wat ons lot zal zijn.

Nu trad mijn kleine Sam Hawkins uit den kring der omstanders naar voren en riep:

—Neen, wij willen niet afwachten, wij behoeven niet te wachten, want er is een middel om dadelijk te weten, of de medicijnman waarheid heeft gesproken of niet.

—Welk middel bedoelt mijn blanke broeder?—vroeg het opperhoofd.

—Ik zal het u vertellen. Niet alleen de roodhuiden, maar ook de blanken hebben hun medicijnmannen, die de kunst verstaan in de toekomst te lezen en ik, Sams Hawkins, ben de beroemdste van allen.

—Oef, oef!—riepen de Apachen verbaasd.

—Ja, verwonder er u maar over! Gij hebt mij tot nu toe voor een gewonen prairiejager aangezien, omdat gij mij nog niet kende, maar wacht maar, ik ben veel meer dan gij meent! Eenigen van mijn roode broeders moeten hun tomahawks nemen en een gat in de aarde graven.

—Wil mijn blanke broeder in het binnenste der aarde zien?—vroeg Intschu Tschuna.

—Ja, want de toekomst ligt verborgen in den schoot der aarde, soms ook in de sterren, maar daar er op klaarlichten dag geen sterren te zien zijn, moet ik mij wel tot de aarde wenden.

Eenige Indianen voldeden aan zijn verzoek en maakten met hun krijgsbijlen een gat in den grond.

—Geen humbug, Sam,—fluisterde ik hem toe.—Als de roodhuiden bemerken dat gij dwaze dingen gaat doen, maakt gij de zaak veel erger in plaats van haar beter te maken.

—Humbug? Dwaasheden? Wat doet de medicijnman dan anders? Wat hij doet, kan ik toch ook doen als ik mij niet vergis. Als er van onzen kant niets wordt gedaan, krijgen wij de dertig krijgers niet mee, daar kunt ge op aan!

—Dat weet ik wel, maar ik verzoek u toch, niets belachelijks te doen.

—Wees maar niet bezorgd, ’t is een zeer ernstige zaak!

Ik gevoelde mij, ondanks zijn geruststelling, volstrekt niet op mijn gemak. Ik kende hem wel, hij was een spotvogel. Daarom zou ik hem gaarne nog eens hebben gewaarschuwd, maar hij liet mij alleen staan en ging naar de Indianen om hun te zeggen, hoe diep het gat moest zijn.

Toen zij gereed waren, zond hij hen weg en trok zijn ouden lederen jachtrok uit. Nadat hij dezen had dichtgeknoopt en op den grond had neergezet, waar zij stijf bleef staan, plaatste hij het oude ding juist boven het gat en begon met een air van gewicht:

—De krijgers, vrouwen en kinderen der Apachen zullen zien wat ik doe en daarover zeer verbaasd staan. De aarde zal mij, als ik mijn tooverwoorden heb uitgesproken haar schoot openen, op dat ik alles kan zien wat in den eerst volgenden tijd met ons zal gebeuren.

Hierop verwijderde hij zich eenige schreden van het gat en liep met een deftig gebaar om den rok heen, terwijl hij tot mijn groote ontzetting de tafel van vermenigvuldiging prevelde. Gelukkig deed hij dit zoo haastig, dat de roodhuiden hem onmogelijk konden verstaan. Toen hij hiermede gereed was, verhaastte hij zijn schreden en liep eindelijk op een draf om den rok heen, terwijl hij luid huilde en schreeuwde en met zijn armen zwaaide. Buiten adem, stond hij eindelijk stil, liep op den rok toe, maakte sierlijke buigingen en stak nu zijn hoofd in de halsopening om naar beneden in het gat te zien.

Ik was doodsbang, wat het gevolg zou zijn van deze aanstellerij en zag schuw om mij heen. Tot mijn geruststelling zag ik dat alle roodhuiden al zijn bewegingen met de grootste spanning volgden. Ook de gezichten der beide opperhoofden stonden ernstig, hoewel ik overtuigd was, dat Intschu Tschuna zeer wel begreep dat Sam’s kunsten, niets dan aanstellerij waren.

Wel vijf minuten lang bleef Sam’s hoofd in de halsopening van zijn rok, maar hij zwaaide van tijd tot tijd met zijn armen, alsof hij iets zeer bijzonders en gewichtigs zag. Eindelijk richtte hij het hoofd op, zag met een ernstig gezicht om zich heen en gebood:

—Mijn roode broeders kunnen nu het gat wel weer dichtmaken, want zoolang het open is, mag ik niets zeggen!

Toen aan dit verzoek was voldaan, haalde hij diep adem, alsof hij zeer geschokt was en riep:

—Uw roode medicijnman heeft verkeerd gezien, want juist het tegendeel van wat hij heeft voorspeld, zal gebeuren. Ik heb alles vernomen wat in de eerste weken zal geschieden, maar het is mij verboden er iets van te vertellen. Alleen dit mag ik u zeggen: ik heb geweren in het gat gezien en schoten gehoord, wij zullen dus gevechten hebben te doorstaan. Het laatste schot dat ik hoorde kwam uit den berendooder van Old-Shatterhand. Wie het laatste schot lost, kan niet dood of verslagen zijn, maar moet overwinnaar zijn. Er dreigt onzen rooden broeders onheil. Zij kunnen dit enkel ontgaan door in Old-Shatterhand’s nabijheid te blijven. Wanneer zij evenwel den raad van den medicijnman opvolgen, gaan zij hun ondergang tegemoet. Ik heb gezegd. Howgh!