Part 11
—Ja, maar gij niet en kan ik dus niet met u duelleeren. Hoor eens, ik zal u een andere voldoening geven!
—En die is?
—Ik zal u mijn Grizzlyberenvel schenken!
Zijn oogen begonnen te fonkelen.
—Maar, dat hebt ge zelf noodig!
—Neen, ik geef het u!
—Is dat waar?
—Ja.
—Heigh-day, dat neem ik dadelijk aan! Dank sir, duizendmaal dank. Och, wat zullen de anderen zich daarover ergeren. Weet ge, wat ik er van maak?
—Wat dan?
—Een nieuwe jachtrok, een jachtrok uit Grizzlyleder! Wat een bezitting! Ik zal hem zelf maken, ik ben een uitstekend kleermaker. Zie maar eens, hoe knap ik dezen heb opgelapt.
Het was werkelijk een kunststuk, die oude jas, maar door het telkens oplappen en verstellen, was zij zoo dik en stijf geworden, als een plank.
—Maar,—voegde hij er verheugd bij:—de ooren, de klauwen en de tanden krijgt gij, die heb ik niet noodig en gij hebt ze met levensgevaar veroverd. Ik zal u daarvan een ketting maken, dat kan ik heel goed doen, vindt ge dat goed?
—Uitstekend.
—Goed zoo, dan heeft ieder wat. Gij zijt werkelijk een flinke kerel, gij geeft Sam Hawkins een berenvel! Nu moogt ge voor mijn part beweren, dat ik niet alleen veldmuizen, maar ook ratten eet, ik geef er geen sikkepit om. En wat de boeken betreft.... ik zie nu wel in, dat zij niet zoo kwaad zijn, als ik eerst dacht, men kan er toch wel veel uit leeren. Zult gij er werkelijk een schrijven?
—Misschien meer dan een.
—Over wat gij alzoo beleefd hebt?
—Juist.
—En kom ik daar ook in voor?
—Zeker, alleen mijn beste vrienden, die wil ik daarin, om zoo te zeggen, vereeuwigen.
—Hm, hm, dat klinkt wel mooi. Dus ik kom er ook in?
—Als gij het ten minste wilt.
—Hoor eens sir, dat wil ik graag, ik verzoek er u zelfs om.
—Goed, dan zal het gebeuren.
—Maar doe mij dan één plezier. Vertelt gij alles, wat wij met elkaar beleefd hebben?
—Ja.
—Och, schrijf dan niet, dat ik dit spoor niet heb gevonden; Sam Hawkins en zoo iets niet vinden! Ik moet mij immers voor al uw lezers schamen! Als gij zoo goed wilt zijn, dit te verzwijgen, moogt gij dat van de ratten en muizenvreterij er voor mijn part wel inzetten. Wat de menschen over mij denken, kan mij niets schelen, maar als zij mij voor een prairiejager aanzien, die een Indiaan laat wegrijden, zonder dit aan het spoor te zien, dat zou mij toch zeer hinderen.
—Maar dat gaat niet, beste Sam.
—Niet, waarom niet?
—Omdat ik iederen persoon beschrijven moet, zooals hij is. Dan laat ik u maar liever heelemaal weg.
—Neen, neen, ik wil in ’t boek! Nu, zeg dan maar de waarheid, dat is misschien ook beter. De lezers, die even dom zijn als ik, kunnen er van leeren, en nu ik weet, dat het gedrukt wordt, wat ik gedaan heb, zal ik mij voortaan alle moeite geven, om dergelijke fouten niet weer te maken. Dus daarover zijn we ’t eens?
—Ja.
—Laat ons dan verder gaan.
—Welk spoor zullen we nu volgen? Het enkele?
—Neen, het andere.
—Dat zal wel van Winnetou zijn.
—Waaruit maakt ge dat op?
—Deze zal met de slede langzaam rijden, de andere zal vooruit zijn gegaan, om zijn krijgers te verzamelen, dat zal dus wel het opperhoofd zijn.
—Yes, ik ben ’t met u eens. Het opperhoofd gaat ons op ’t oogenblik niets aan, wij rijden dus den zoon achterna.
—Waarom dezen?
—Omdat ik weten wil, of hij naar de legerplaats gaat, vooruit dus!
Wij reden verder, zonder dat er iets bijzonders voorviel. Ook de beschrijving der landstreek, door welke wij reden, zou niet de moeite loonen. Eerst om één uur ’s middags hield Sam zijn paard in en zeide:
—Nu is ’t mooi genoeg, wij keeren terug. Ook Winnetou heeft den geheelen nacht doorgereden, zij hebben dus groote haast, wij kunnen hun aanval spoedig verwachten, misschien nog binnen de vijf dagen, die gij noodig hebt, om uw werk af te maken.
—Maar, dat zou niet aangenaam zijn.
—Neen, dat stem ik toe. Houdt gij op met werken en maakt u uit de voeten, dan blijft het werk onafgedaan, blijven wij, dan worden wij overvallen en het werk blijft eveneens liggen. Wij moeten de zaak ernstig met Bancroft bespreken.
—Misschien is er nog een uitweg te vinden.
—Ik zou niet weten welken.
—Dat wij ons tijdelijk terugtrekken en dan wanneer de Apachen weer vertrokken zijn, het werk afmaken.
—Dat zou misschien gaan, we moeten zien, wat de anderen er van zeggen. Zullen we voor den nacht weer in onze legerplaats terug zijn, dan moeten wij ons haasten.
Wij reden denzelfden weg terug, dien wij gekomen waren. Mijn roodschimmel was nog onvermoeid en de nieuwe Mary deed, alsof zij zoo pas van stal was gekomen. Wij legden in korten tijd een grooten afstand af, tot wij aan een stroomend beekje kwamen, waar wij onze dieren wilden laten drinken en een uurtje wilden uitrusten. Wij stegen dus af en strekten ons tusschen de boomen in het zachte gras uit.
Wij hadden elkander weinig nieuws te vertellen en bleven dus zwijgen. Ik dacht aan Winnetou en aan den strijd met hem en zijn Apachen, welke ons waarschijnlijk wachtte en Sam Hawkins had de oogen gesloten en.... hij sliep: ik zag het aan het regelmatig op en neer gaan van zijn borst. Hij had den laatsten nacht ook niet veel geslapen, en hier kon hij gerust een klein tukje nemen; ik waakte en er was niets te zien, dat aanleiding gaf tot bezorgdheid.
Nu zou ik voor ’t eerst ondervinden, hoe geoefend de zinnen van mensch en dier in ’t verre Westen zijn. Het muildier was midden tusschen ’t kreupelhout en knabbelde kalmpjes de bladeren van de twijgen, mijn schimmel liep dicht bij mij en maaide met zijn scherpe tanden het gras af. Sam sliep, zooals ik reeds gezegd heb.
Daar liet het muildier een kort, eigenaardig, ik zou haast zeggen, waarschuwend snuiven hooren, en in een oogenblik was Sam wakker en stond hij naast mij.
—Ik sliep, Mary snoof, dat heeft mij wakker gemaakt, er komt iemand. Waar is mijn muildier?—zeide hij.
—Daar in het kreupelhout, kom mee.
Wij kropen nu in het boschje en zagen hoe Mary, voorzichtig achter de takken verborgen, door de bladeren heen zag. Haar lange ooren bewogen zich en de staart ging op en neer. Toen zij ons zag, werd zij kalm, ooren en staart bleven in rust. Het dier was werkelijk vroeger in goede handen geweest en Sam mocht zich wel gelukkig achten in plaats van een paard deze Mary te hebben gevangen.
Toen wij zelf nu ook door de bladeren zagen, bemerkten wij zes Indianen, die achter elkaar van het noorden kwamen langs het spoor, dat wij gemaakt hadden. De voorste, een niet lange, maar gespierde gestalte, hield het hoofd gebogen en scheen zijn oogen niet van den grond af te wenden. Allen droegen lederen slobkousen en donkere wollen hemden. Hun wapens bestonden uit geweren, messen en tomahawks, hun gezichten glommen van vet, en waren geteekend met een blauwe en een roode streep.
Ik begon reeds ongerust te worden, maar Sam zeide op luiden toon:
—Welk een ontmoeting sir, dat is onze redding!
—Redding, hoe zoo? Spreek toch wat zachter, die kerels zijn zoo dichtbij, dat zij ons best kunnen hooren.
—Dat is niets, het zijn Kiowa’s. Vooraan rijdt Bao, een naam, die in hun taal „vos” beteekent, een dapper en listig krijgsman. Het opperhoofd dezer lieden is Tangua, een ondernemend Indiaan en mijn vriend. Zij dragen de krijgsteekenen op hun gelaat en het zijn dus waarschijnlijk verkenners. Ik heb evenwel niet gehoord, dat er stammen met elkaar in onmin leven.
Het woord Kiowa wordt uitgesproken als Kiowé. Deze stam schijnt gesproten te zijn uit een vermenging van Schoschonen en Pueblo-Indianen; er is in het Indianengebied een bepaalde landstreek als woonplaats aangewezen, maar er zwerven nog vele benden in de Texaansche woestijnen rond. Deze benden zijn zeer goed gedrild en bezitten vele paarden. Door hun roofzucht zijn zij zeer gevaarlijk voor de nederzettingen der blanken in die streken. Ook met de verschillende Apachenstammen staan zij op slechten voet, daar zij ook het leven en de bezittingen hunner roode broeders niet schijnen te eerbiedigen. Het zijn, met één woord, echte rooverbenden. Waardoor zij dit zijn geworden, behoeft men niet te vragen.
De zes verkenners waren thans zeer dichtbij ons gekomen, hoe zij tot onze redding moesten dienen, begreep ik niet. Zes Indianen konden ons immers niet veel helpen. Ik zou evenwel spoedig zien, wat Sam had bedoeld. Voor ’t oogenblik verheugde ik er mij maar in, dat zij Sam kenden en wij dus waarschijnlijk van hen niets te vreezen hadden.
Zij hadden ons spoor gevolgd en zagen nu, dat dit in het boschje voerde. Daaruit besloten zij natuurlijk, dat zich daar menschen bevonden. Dadelijk wendden zij hun buitengewone sterke en beweeglijke paarden en joegen terug om buiten de draagkracht van onze geweren te komen. Nu trad Sam echter uit het kreupelboschje, hield beide handen aan den mond en stiet een schrillen verklinkenden kreet uit, die hun bekend scheen te zijn, want zij hielden hun paarden in en zagen om, Sam riep nogmaals en bukte toen. Zij zagen den ouden man, wiens eigenaardige gestalte gemakkelijk te herkennen was en kwamen in galop terug. Ik stond naast Sam. Zij stormden op ons toe, alsof zij ons wilden overrijden, maar op een el afstand van ons hielden zij met een ruk de paarden in en sprongen uit den zadel.
—Is dat onze blanke broeder Sam?—vroeg de aanvoerder.—Hoe komt hij op den weg zijner roode broeders en vrienden?
—Bao, de listige Vos, heeft mij gevonden, omdat hij mijn spoor heeft gevolgd.
—Wij meenden dat dit het spoor was van de roode honden, die wij zoeken,—meende de Vos in gebroken, maar tamelijk verstaanbaar Engelsch.
—Welke honden meent mijn roode broeder?
—De Apachen van den stam der Mescaleros.
—Waarom noemt gij ze honden? Is er een twist uitgebroken tusschen hen en mijn broeders, de dappere Kiowa’s?
—De krijgsbijl is tusschen ons opgegraven.
—Zoo, dat verheugt mij. Mijn broeders moeten naast ons plaats nemen, want ik heb hun iets gewichtigs mee te deelen.
De Vos zag mij vragend aan en zeide:
—Ik heb dezen jongen blanke nog nooit gezien, behoort hij tot de krijgers der blanken? Heeft hij zich reeds een naam verworven?
Had Sam mijn Duitschen naam genoemd, dan had dit geen indruk gemaakt. Hij herinnerde zich evenwel gelukkig den naam dien Wheeler mij eens gegeven had en antwoordde:
—Deze, mijn liefste vriend en jongste broeder, is eerst kort geleden over het groote water gekomen en is een groot krijgsman onder zijn volk. Hij had nog nooit in zijn leven een buffel of een beer gezien, en toch heeft hij eergisteren met twee oude buffelstieren gestreden en ze overwonnen, om mij het leven te redden, en gisteren heeft hij den grijzen Grizzlybeer in het rotsgebergte met een mes doodgestoken, zonder dat hij zelf een enkele schram heeft gekregen!
—Oef, oef!—riepen de roodhuiden, terwijl zij mij vol bewondering aanzagen, en Sam ging op overdreven wijze voort:
—Zijn kogel mist nooit het doel, en in zijn hand heeft hij zooveel kracht, dat hij iederen vijand met zijn vuist terneerslaat. Daarom hebben de blanke mannen van het Westen hem den naam van Old-Shatterhand [3] gegeven.
Daar had ik nu in eens, zonder dat ik daartoe mijn toestemming had gegeven, een krijgsnaam gekregen, dien ik sinds dien tijd steeds behouden heb. Dat is nu eenmaal zoo het gebruik in de Far-West. Dikwijls kennen de beste vrienden wederkeerig elkanders werkelijke namen niet.
De „Vos” reikte mij de hand en zeide op vriendelijken toon:
—Als Old-Shatterhand het goedvindt, zullen wij zijn vrienden en broeders zijn. Wij houden van mannen, die hun vijanden met één slag neervellen, daarom zult gij hartelijk welkom zijn in onze tenten.
Dit wilde dus met andere woorden zeggen: wij hebben schelmen noodig, sterk als gij zijt, kom daarom bij ons. Als gij met ons wilt stelen en rooven, zult gij het tamelijk goed bij ons hebben.
Ik antwoordde evenwel, met een waardigheid, welke ik mij later geheel eigen heb gemaakt:
—Ik houd van de roode broeders, want ze zijn de zonen van den grooten Geest, die ook de blanken tot zijn kinderen rekent. Wij zijn broeders en zullen elkander bijstaan tegen alle vijanden, die ons bedreigen.
Een welgevallig lachje plooide zijn met vet en kleursel besmeerd aangezicht, toen hij mij daarop verzekerde:
—Old-Shatterhand heeft goed gesproken, wij willen de vredespijp met hem rooken.
Hierop gingen zij met ons bij de beek zitten. Bao haalde een pijp te voorschijn, welke hij met een mengsel van gestampte roode rapen, gesneden eikels en zuring stopte, stak er den brand in, stond op, deed een trek en blies de rook ten hemel, zeggende:
„Daarboven woont de goede Geest, en hier op de aarde groeien de planten en dieren, die hij voor de krijgers der Kiowa’s bestemd heeft.”
Hierop deed hij vier trekken aan zijn pijp, blies den rook naar het noorden, zuiden, oosten en westen en vervolgde:
„In deze vier windstreken wonen de roode en blanke mannen, die zich deze dieren en planten onrechtmatig hebben toegeëigend. Wij zullen hen echter opzoeken en nemen, wat ons toebehoort. Ik heb gezegd, Howgh!”
Wat een toespraak! Hoe geheel anders, dan die ik tot nog toe had gelezen of later nog zou lezen of hooren. Deze Kiowa toch, zeide hier met ronde woorden, dat hij de gezamenlijke voortbrengselen der dieren- en plantenwereld als het eigendom van zijn stam beschouwde en daarom het stelen en rooven niet alleen zijn recht maar zijn plicht moest rekenen. En ik zou de vriend van deze lieden worden! Maar men moet wel eens met de wolven in ’t bosch huilen!
De „Vos” reikte Sam de vredespijp, deze deed zes trekken en zeide:
„De Groote Geest let niet op de verschillende huidskleur der menschen, want die kunnen met kleursel besmeerd zijn, om hem om den tuin te leiden, maar hij ziet alleen naar het hart. De harten der krijgers van den beroemden stam der Kiowa’s zijn dapper en trouw, mijn hart hangt hen aan als mijn muildier den boom, waaraan het is vastgebonden. Ik heb gezegd. Howgh!”
Dit was juist iets voor den kleinen, slimmen Sam Hawkins, die van alles de beste zijde wist op te zoeken. Zijn toespraak werd met een herhaald „oef, oef,” beloond. Nu evenwel bood hij mij de vredespijp aan. Ik moest dus wel in den zuren appel bijten en nam mij voor, mijn waardigheid op te houden en mijzelf te beheerschen. Ik rook graag, en geen sigaar is mij ooit in mijn leven te zwaar geweest. Ik heb zelfs de zoogenaamde „driemanstabak” gerookt. Wie ze gebruikt heeft, moet, wil hij niet omvallen, door drie mannen worden vastgehouden, ik had dus alle reden te verwachten, dat deze Indiaansche vredespijp mij ook niet van mijn stuk zou brengen. Ik stond dus op en deed den eersten trek. Ja, waarlijk, ik proefde duidelijk de rapen, den hennep, de eikels en de zuring, maar een vijfde stof was nog daaraan toegevoegd, namelijk een stukje van een oude slof. Ik blies den rook naar den hemel en naar de aarde en zeide toen:
„Van den hemel komt de zonnestraal en de regen, van daar komt elke goede gave. De aarde ontvangt de warmte en den regen en geeft daarvoor den buffel, den mustang, den beer en het hert, den kalebas, de maïs en bovendien de edele plant, uit welke de geleerde roode mannen den kinnikinnik bereiden, welks heerlijke geur ons uit de vredespijp tegemoet stroomt.”
Ik had namelijk gelezen, dat de Indianen hun tabaksmengsel kinnikinnik noemen, en geurde hier een weinig met mijn kennis. Toen zoog ik den mond vol rook, blies dien naar alle vier windstreken en vervolgde:
„In het westen verheft zich het Rotsgebergte, in het oosten strekken zich onafzienbare vlakten uit, in het noorden schitteren de meren en in het zuiden klotsen de golven der groote zee. Was al het land, dat tusschen deze vier grenzen ligt, het mijne, ik zou het schenken aan de krijgers der Kiowa’s, want zij zijn mijn broeders. Mogen zij in dit jaar tienmaal meer buffels en vijftig maal zooveel Grizzlyberen doen vallen dan zij zelf sterk zijn. Mogen de korrels van hun maïs, zoo groot zijn als kalebassen en hun kalebassen zoo groot, dat men uit een enkele twintig kan snijden. Ik heb gesproken! Howgh!”
Het kostte mij niet veel moeite, hen al deze heerlijkheden toe te wenschen, maar zij verheugden er zich over, alsof zij ze werkelijk reeds gekregen hadden. Mijn sierlijke rede werd met luid gejubel beantwoord. Zooveel had nog geen mensch, en wel allerminst een blanke, hun willen schenken en er kwam geen einde aan het telkens herhaalde: „oef, oef!” De „Vos” drukte mij de hand, verzekerde mij, dat hij mijn vriend was en sperde bij zijn luid oef, oef, den mond zoo wijd open, dat ik van deze gelegenheid gebruik maakte, om hem de vredespijp in den mond te duwen. Hij zweeg onmiddellijk, om zwijgend te genieten van de heerlijke geuren.
Dit was de eerste echt Indiaansche plechtigheid, welke ik bijwoonde, want het rooken van de vredespijp wordt werkelijk als een „heilige handeling”, beschouwd. Hoe dikwijls heb ik na dien tijd weder de calumet gerookt en telkens was ik mij dan volkomen bewust van den ernst en de beteekenis dezer handeling. Nu evenwel stond ze mij tegen en ik was wat blij dat ik de pijp nu in den mond van den hoofdman zag bengelen. Mijn hand stonk letterlijk en om den smaak te verdrijven, nam ik een sigaar uit mijn zak en stak die aan. De oogen der roodhuiden zagen mij begeerig aan. De „Vos” opende zelfs den mond zoo ver, dat zijn pijp eruit viel, maar hij ving haar spoedig weer op en stak haar tusschen de lippen, hoewel het duidelijk was te zien, dat één enkele sigaar hem op dit oogenblik liever was geweest dan duizend pijpen.
Daar wij met Santa-Fé in verbinding stonden en van daar met ossenwagens onze levensmiddelen kregen, was het mij niet moeilijk gevallen een voorraad sigaren op te slaan. Zij waren tamelijk goedkoop en ik veroorloofde mij deze weelde, terwijl de anderen zich aan brandewijn bedronken. Dezen morgen had ik ook weer eenige meegenomen, en daar het mogelijk was, dat wij eerst den volgenden morgen terug zouden keeren, had ik mij dadelijk voor twee dagen voorzien, ik bood dus den roodhuiden ieder een aan. De „Vos” stak de zijne dadelijk aan, de overigen echter, staken haar geheel in den mond en kauwden er lustig op los. Smaken verschillen. De formaliteiten waren nu afgeloopen en de roodhuiden waren door dit alles recht in hun schik. Sam begon dus met te vragen:
—Mijn broeders zeggen, dat de krijgsbijl is opgegraven tusschen hen en de Mescalero-Apachen. Ik weet daarvan niets. Sedert hoelang is dit zoo?
—Sedert den tijd, dien de bleekgezichten twee weken noemen. Mijn broeder Sam heeft zich zeker in een zeer afgelegen streek opgehouden, dat hij dit niet weet.
—Dat is waar, maar uw stammen leefden toch altijd in vrede, wat is de reden, dat mijn broeders de wapenen ter hand hebben genomen?
—De honden van Apachen hebben vier van onze krijgers gedood.
—Waar?
—Aan den Rio Pecos.
—Daar staan niet uw tenten?
—Neen, maar die van de Mescalero’s.
—Wat deden uw krijgers dan daar?
De Kiowa dacht een oogenblik na, en vervolgde toen:
—Er trok een schare van onze krijgers uit, om des nachts de paarden der Mescalero’s te halen. Deze honden echter waakten goed, zij verweerden zich en doodden onze dappere mannen. Daarom is tusschen ons de krijgsbijl opgegraven.
De Kiowa’s hadden dus paarden willen stelen, waren verrast en verdreven. Dat eenigen van hen hun leven daarbij hadden verloren, was dus hun eigen schuld; maar de Apachen moesten daarvoor natuurlijk boeten. Het liefst had ik den schelm dit eerlijk in zijn gezicht gezegd, maar Sam zag mij waarschuwend aan en vroeg verder:
—Weten de Apachen, dat uw krijgers tegen hen zijn uitgetrokken?
—Denkt mijn broeder, dat wij hun dit hebben gezegd? Wij overvallen hen, dooden zooveel van hen, als wij maar kunnen en nemen dan alle dieren en verder alles mee, wat wij maar kunnen gebruiken.
Dat was eenvoudig verschrikkelijk! Ik kon dan ook niet nalaten te vragen:
—Waarom wilden mijn dappere broeders de paarden der Apachen hebben? Ik heb gehoord, dat de rijke stam der Kiowa’s, veel meer paarden bezit, dan hij noodig heeft.
De Vos zag mij glimlachend aan en antwoordde:
—Mijn jonge broeder Old-Shatterhand is over de wijde zee gekomen, en weet dus misschien nog niet, hoe de menschen aan deze zijde van het water denken en leven. Ja, wij hebben vele paarden, maar er kwamen blanke mannen bij ons, die paarden wilden koopen. Wij konden niet zooveel missen, als zij wilden hebben, maar zij vertelden ons van de kudden der Apachen en boden ons voor een Apachenpaard evenveel brandewijn en koopwaren, als voor een Kiowapaard! Toen gingen onze krijgers heen om Apachenpaarden te halen!
Dus wederom! Wie droegen de schuld van den dood der gevallenen en van den strijd, die nu nog te wachten was? Blanke paardenhandelaars, die met brandewijn wilden betalen en de Kiowa’s tot paardendieven hadden gemaakt. Ik kon mij nauwelijks goed houden, maar Sam zag mij wederom aan en vroeg:
—Is mijn broeder, de Vos, als verkenner uitgegaan?
—Ja.
—En wanneer komen uw krijgers?
—Zij zijn een dagrit achter ons.
—Door wien worden zij aangevoerd?
—Door Tangua, den dapperen hoofdman zelf.
—Hoeveel krijgers heeft hij bij zich?
—Tweehonderd.
—En denkt gij de Apachen te overvallen?
—Wij zullen hen overvallen gelijk de adelaar de kraaien.
—Mijn broeder vergist zich, de Apachen weten, dat zij door de Kiowa’s zullen worden overvallen.
De Vos schudde ongeloovig het hoofd en antwoordde:
—Hoe zouden zij dit weten? Reiken hun ooren tot aan de tenten der Kiowa’s?
—Ja.
—Ik begrijp mijn broeder Sam niet, hij moet mij zeggen, wat hij bedoelt.
—De Apachen hebben ooren, die kunnen loopen en rijden. Wij hebben gisteren een paar ooren gezien, die bij de tenten der Kiowa’s geweest waren om hen af te luisteren.
—Oef, dus twee bespieders?
—Ja.
—Dan moet ik oogenblikkelijk terug naar den hoofdman, wij hebben slechts tweehonderd krijgers meegenomen, omdat wij dachten, dat de Apachen niets van onze komst wisten, maar nu hebben wij veel meer noodig.
—Mijn broeders hebben alles niet rijpelijk overwogen. Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, is een wijs man. Toen hij zag, dat zijn lieden vier Kiowa’s hadden gedood, heeft hij begrepen, dat de Kiowa’s zich zouden wreken en hij ging heen, om hun plannen af te luisteren.
—Oef, oef! deed hij dit zelf?
—Ja, met zijn zoon Winnetou.
—Oef, was deze er ook bij? Hadden wij dat geweten, dan zouden wij deze beide honden gevangen hebben genomen. Nu zullen zij hun krijgers hebben verzameld en ons opwachten. Ik moet dit aan mijn opperhoofd zeggen. Gaan Sam en Old-Shatterhand met mij mee?
—Ja.
—Haalt dan dadelijk uw paarden?
—Niet te haastig! Ik heb vooraf nog meer met u te bespreken!
—Dat kunt gij onderweg doen.
—Neen. Ik zal met u meerijden, maar niet naar uw opperhoofd: ik zal u naar onze legerplaats brengen.
—Dat kan mijn broeder Sam niet meenen.
—Ja, luister, naar wat ik u ga zeggen. Wilt gij Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, levend in handen krijgen?
—Oef!—riep de Kiowa en zijn lieden spitsten de ooren.
—En zijn zoon Winnetou eveneens?
—Oef, oef, is dat mogelijk?
—Het is zeer gemakkelijk.
—Ik ken mijn broeder Sam, anders zou ik denken, dat hij in scherts sprak.
—Wel neen, het is mij ernst, gij kunt den hoofdman en zijn zoon levend in handen krijgen.
—En wanneer?
—Ik dacht in vijf, zes of zeven dagen, maar ik geloof nu, dat het veel eerder kan gebeuren!
—En waar dan?
—Bij onze legerplaats.
—Ik weet niet waar die is.
—Gij zult haar zien, want ik denk, dat gij mij gaarne zult vergezellen, wanneer gij hebt gehoord, wat ik u nu ga vertellen.