Chapter 34 of 43 · 3999 words · ~20 min read

Part 34

De visschen werden in twee porties verdeeld voor den middag en voor den avond, toen kreeg ieder wat hem toekwam. Fletcher kreeg evenveel als ieder ander en toen zijn deel gebraden was, had Dick Hammerdull er plezier aan hem als een kind te voeren. Winnetou zag wel dat hij gebonden was, maar het lag niet in zijn aard naar de reden daarvan te vragen.

Evenmin vroeg ik naar den afloop van zijn verkenningstocht, want ik wist dat hij te zijner tijd, zelf daarover zou beginnen, de beide anderen evenwel waren minder geduldig dan ik en nauwelijks had Dick dan ook den laatsten hap naar binnen geschoven of hij wischte zich met de mouw den mond af en zeide:

—Ziezoo, nu heeft men genoeg en kan men eens aan de Pa-Utes denken. Ik hoop dat zij nog niet zijn weggereden!—En toen Winnetou niet dadelijk antwoordde, vervolgde hij:

—Of vergis ik mij en zijn zij reeds weg?

Over de mannelijke schoone trekken van den Apache gleed een flauwe glimlach en hij antwoordde op goedhartigen toon:

—De dauw valt te zijner tijd en de zon schijnt eveneens te harer tijd. Waarom wacht mijn blanke broeder niet tot ook mijn tijd van spreken is gekomen?

—Heel eenvoudig, omdat ik nieuwsgierig ben,—antwoordde Dick met volkomen oprechtheid.

—Nieuwsgierig mag een oude vrouw zijn, maar niet de man, vooral niet wanneer hij een krijgsman is, zooals Dick Hammerdull. Maar ik zal mijn broeder vertellen, wat hij wil weten. De Pa-Utes zijn er nog.

—Waar?

In de legerplaats, welke zij gisteren hebben overvallen. Winnetou heeft ze allen geteld, er zijn tweehonderd en zesmaal tien. Hun aanvoerder is Pats-Avat (Groote Mocassin) het opperhoofd der Pa-Utes.

—En de gevangenen?

—Zij zijn gebonden, maar volkomen gezond. Wij zullen hen dezen nacht bevrijden.

—Bevrijden?—vroeg Dick verheugd.—Ik dacht dat het beter was, daarmee te wachten tot de Pa-Utes in handen der Navajos zijn, dan krijgen de blanken vanzelf hun vrijheid terug.

—Winnetou gelooft dat zijn blanke broeder zich daarin vergist. Wanneer wij de Pa-Utes in den canon opsluiten, terwijl zij hun gevangenen nog bij zich hebben, kunnen zij hun voorwaarden stellen en ons dreigen, de bleekgezichten te dooden. Zijn deze evenwel vrij, dan moeten de vijanden ingaan op alle voorstellen, welke wij hun doen.

—Juist ingezien! Mij is het ook veel aangenamer, dat wij reeds dezen nacht onze kameraden verlossen, want dat zal me een vreugde geven. Maar hoe zullen wij dat aanleggen?

—Dat zal mijn broeder hooren als de tijd daarvoor gekomen is. Winnetou heeft geluisterd en vele Pa-Utes hooren spreken, hij heeft vernomen, waarom ze nog niet weg zijn en hoe de overrompeling van de legerplaats in zijn werk is gegaan. Van de twee gedooden is de een de zoon van het opperhoofd, wiens begrafenis niet voor morgen kan plaats hebben, daar het graf uit steenen moet worden opgebouwd. Het opperhoofd is zeer verbitterd over den dood van zijn zoon en het is zeer wel mogelijk, dat hij de gevangenen doodt, opdat hun zielen die van zijn zoon in de eeuwige jachtvelden moeten bedienen.

—All devils, dat zou verschrikkelijk zijn!

—Het zou niet anders zijn dan een wraakneming, welke zij van de bleekgezichten hebben afgezien. En deze straf zou daarom rechtvaardig zijn, omdat zij daardoor den moordenaar, wiens zoon en neef zich onder de gevangenen bevinden, dubbel zou treffen.

—Dus toch Old-Cursing-Dry?

—Ja, hij is de moordenaar.

Fletcher lag dicht genoeg bij om alles te kunnen hooren. Sedert het middagmaal had hij de oogen open gehad. Nu riep hij:

—Ik ben het niet, ik ben het niet, ik weet er niets van! Deze.... schurken zijn de gemeenste.... die ik ben. Ik zweer bij.... dat ik de waarheid zeg!

Deze verdediging bevatte wederom drie vloeken, welke men onmogelijk weer kan geven. Winnetou deed, alsof hij ze niet hoorde en vervolgde:

—De Pa-Utes hebben eerst niet hier, waar zij zich nu bevinden, willen legeren, maar verder willen trekken. Zij zouden de bleekgezichten in het geheel niet hebben gezien, als de moord niet gepleegd was geworden. De zoon van het opperhoofd reed met nog twee krijgers den troep een eind vooruit, plotseling vielen twee elkaar opvolgende schoten en hij stortte dood van zijn paard en naast hem een der andere krijgers. Beiden zijn in het hoofd getroffen.

—Bewijst dat, dat ik het gedaan heb?—brulde Fletcher toornig.

Winnetou wendde zich tot Hammerdull en Holbers:

—Wanneer deze man het nog eens waagt zoo luid te spreken, mogen mijn broeders hem een prop in den mond duwen en hem krom binden, dan hangen wij hem in de rivier, dat hij langzaam en ellendig moet verdrinken.

Toen hernam hij den ouden toon en ging voort:

—De tweede ruiter, die niet getroffen was, heeft zijn paard gewend naar den kant van waar de schoten kwamen en heeft een ruiter zien wegrijden. Daar het nog niet geheel donker was, heeft hij den man en het paard nauwkeurig kunnen herkennen. De man had een stroohoed op het hoofd en daaronder een doek, zooals de vaqueros en cowboys soms dragen. Het paard was donker van kleur, maar had een lichte vlek op de rechterheup. Mijn broeders zullen wel weten wie zulk een hoed en zulk een doek draagt en wiens paard zulk een lichte vlek heeft. Winnetou heeft duidelijk gehoord hoe de eene Pa-Ute dit aan de anderen vertelde.

Natuurlijk was het Fletcher, op wien dit alles betrekking had. Hij waagde het evenwel toch nog alles te loochenen en riep wederom:

—Leugen, alles leugen! Wat zulk een roode... zegt, heeft geen... waarde. Ik zweer bij... dat ik zoo onschuldig ben, als een...

Dat waren wederom uitdrukkingen, waarvoor ik hem wel halfdood had kunnen ranselen. De Apache ging op koelen toon voort:

—Herinneren mijn broeders zich nog de vreeselijke woorden, welke de man, die daar ligt, gisteren, toen hij ons voor het eerst zag, met betrekking tot de Indianen heeft gesproken? Hij sprak ze uit, terwijl hij zelf zag, dat ik een roodhuid was. Zooveel woorden als hij heeft gesproken, zooveel getuigen zijn dit tegen hem, geen ander dan hij is de moordenaar, hoewel hij een eed heeft gedaan dat hij het niet is.

Nu richtte Old-Cursing-Dry zich half op en schreeuwde:

—En ik herhaal bij dezen mijnen eed bij allen.... Ik mag blind worden en verpletterd, als ik de moordenaar ben! Wanneer gij zoo dom zijt, een....

Hij kon den zin niet voltooien, want reeds lag ik naast hem neergeknield. Terwijl ik met mijn rechterhand hem de keel dichtkneep, scheurde ik met de linker een stuk van zijn jas en maakte daarvan een bal. Hij snakte naar adem, maar ik duwde hem de prop tusschen de tanden en Hammerdull zorgde voor een tweede lap, welken wij hem voor den mond bonden, zoodat hij de prop er niet meer met de tong kon uitwerken. Nu waren wij vrij van het aanhooren van zijn vloeken en keerden naar onze plaatsen terug.

Lang zaten wij zwijgend bijeen, ieder wist wat de ander voelde en dacht, doch niemand sprak het uit. Uitvaagsel der menschheid, lager staande dan het redelooze dier! Zijn er werkelijk menschen op wie zulk een onmogelijk schijnende beschrijving van toepassing is? Tot nu toe zou ik deze vraag stellig ontkennend hebben beantwoord, thans moest ik toegeven dat zij werkelijk bestonden. Wat moesten wij met dezen man beginnen? Hem de vrijheid geven, hem, den schrik van al wat mensch was. Neen! Hem aan de Pa-Utes uitleveren? Ja, hij had het verdiend, want hij was in elk geval de moordenaar en kon slechts door den dood onschadelijk worden gemaakt.

Winnetou legde mij de hand op den arm en zeide, alsof hij mijn gedachten had gelezen:

—Mijn broeder denke niet te lang over dit alles na! Als het hem leed doet, zelf het leven van zulk een nietswaardig mensch te zien vernietigen, dan zal het opperhoofd der Apachen alleen als rechter optreden. Old-Cursing-Dry wordt aan de Pa-Utes overgeleverd, ik heb gezegd, Howgh!

—Houdt gij mij voor kleinmoedig?

—Neen, maar voor al te barmhartig!

—Ja, ik heb zelfs medelijden met dezen mensch, niet met zijn lichaam, maar met zijn ziel. Zoudt gij hem niet gelegenheid willen geven een enkel woord van berouw te spreken?

—Wat praat gij van berouw. Denkt gij dat het in uw macht staat zijn hart te openen voor zulke gevoelens? Neen, die macht bezit alleen de groote Manitou! Gij hebt mij geleerd op hem te vertrouwen en nu wilt gij het zelf niet doen. Wees niet bezorgd! Het aardsche leven van dezen moordenaar is vervallen aan de onverbiddelijke wetten der prairie, over zijn ziel zal Manitou richten. Hij is van nu aan niet meer een metgezel, dien wij dulden, maar een gevangene, dien wij aan de Pa-Utes uitleveren zullen. Daarom mag hij ook verder niet hooren, wat wij met elkander bespreken.

Na deze opmerking bleef hij eenigen tijd in gedachten verzonken en ging toen op gedempten toon voort:

—Winnetou zal u nu zeggen, op welke wijze het ons mogelijk zal zijn, de acht gevangenen te bevrijden.

Dick Hammerdull en Piet Holbers kennen de plaats, op welke de Pa-Utes, die ik besluipen wil, gelegerd zijn. Er is daar een klein schiereiland, dat door een smalle strook land met den oever is verbonden, naar dit schiereiland zijn de gevangenen gebracht, omdat zij daar veel gemakkelijker kunnen bewaakt worden en zij van daar onmogelijk kunnen vluchten.

—Ik ken dit schiereiland,—knikte Hammerdull,—wij hadden er over gedacht daar onze legerplaats op te slaan, maar zagen er van af, omdat er zooveel steekvliegen waren. De zoom van het eiland is met kreupelhout begroeid.

—Juist en dit feit zal onze pogingen om hen te bevrijden, gemakkelijker maken. De acht mannen zijn natuurlijk gebonden en er is voor hen geen denken aan, over het water te vluchten. Daarom is één enkele wachter voldoende en deze is geposteerd op de smalle strook land, welke den overgang vormt naar het eiland. En al was men zoo voorzichtig geweest twee of drie schildwachten uit te zetten, dan zou dit nog niet zulk een bezwaar zijn, want deze zijn in enkele minuten onschadelijk gemaakt.

—Ja, ik ben overtuigd dat wij drie en nog meer schildwachten snel uit den weg ruimen, even spoedig hebben wij ook de banden van de gevangenen doorgesneden, maar wat dan? Aan den oever zijn nog meer dan tweehonderdvijftig Indianen gelegerd, die ons wel moeten opmerken!

—Wij komen evenwel niet langs hen heen, maar vluchten over het water.

—Hm, hm, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik ben wel overtuigd dat de kameraden allen tamelijk goed kunnen zwemmen, maar zij zullen de armen en beenen niet zoo gemakkelijk kunnen bewegen, daar zij zoolang gebonden zijn geweest. Het is ook niet te vermijden, dat de een vlugger zwemt dan de andere, en daardoor den een op den ander moet wachten. Hiermee gaat veel tijd verloren en wij geven den Indianen gelegenheid hen één voor één op te visschen en neer te schieten.

—Mijn blanke broeder heeft niet goed op mijn woorden gelet: ik heb niet gezegd, dat wij door het water, maar over het water wilden vluchten. Wij zullen een vlot bouwen. Mocht het noodzakelijk zijn in het water te gaan, dan zullen dit slechts twee van ons doen, namelijk Old-Shatterhand en ik.

—Zoo, een vlot! Maar een vaartuig waarmee acht personen kunnen worden vervoerd, moet zoo groot zijn dat de Indianen het zullen moeten zien, hoewel het vannacht zeer donker zal zijn, omdat het nieuwe maan is. Is dat niet ook uw meening, Piel Holbers, oude Coon?

—Als gij denkt dat het nieuwe maan is, dan hebt ge gelijk, oude Dick,—luidde het antwoord,—maar Winnetou zal wel weten wat hij wil.

—Of hij het weet of niet dat blijft hetzelfde, maar ik ben ook overtuigd dat hij het bij het rechte eind heeft. Wat zegt gij er van, Mr. Shatterhand?

Daar deze vraag tot mij gericht was, antwoordde ik:

—Ik raad de bedoeling van onzen rooden broeder. Het vlot moet onopgemerkt blijven, het zou evenwel gezien worden wanneer de Pa-Utes bij de legerplaats bleven, daarom vermoed ik dat Winnetou van plan is hen weg te lokken.

—Mijn blanke broeder heeft mijn bedoeling geraden,—knikte de Apache.—De Pa-Utes moeten weg van de legerplaats.

—Maar hoe kunnen wij hen daartoe noodzaken?—vroeg Dick Hammerdull.

—Door brand.

—Goed. Maar wat zullen wij in brand steken? Wij kunnen toch niet het bosch verbranden, dat zou zonde wezen, hier, waar zoo weinig bosschen zijn.

—Het bosch is het opperhoofd der Apachen heilig, het mag niet vernield worden. Maar wij moeten iets in brand steken dat den Pa-Utes ook heilig is, want om een kleinigheid zijn zij niet zoo onvoorzichtig de legerplaats te verlaten.

—Dan ben ik wel nieuwsgierig welk voorwerp Winnetou in brand wil steken!

—Het nieuwe grafmonument.

—Voortreffelijk. Dat denkbeeld is tien duizend dollars waard. Maar dit ding zal niet branden, want het is van steen.

—Het is ook niet noodig dat het verbrandt. Wij maken een grooten stapel van hout en droog gras, leggen dien boven op het graf, wanneer deze stapel brandt, zullen alle roodhuiden doodelijk schrikken en heensnellen om het vuur te blusschen.

—Maar dan zullen wij nog moeten wachten tot het gereed is. En dan nog zal het gevaarlijk zijn het te naderen, daar men in elk geval wachtposten zal uitzetten.

—Mijn broeder Dick Hammerdull moet zich de gebruiken der roode volkeren herinneren. Zoodra het graf voltooid is, zal men het lijk van den zoon van het opperhoofd daarin neerleggen en niemand dan zijn vader zal daar blijven; men moet hem alleen laten, opdat hij de lijkzangen, welke alleen de ziel van den afgestorvene mag hooren, kan aanheffen. Wij hebben dus alleen met hem te doen.

—Moet hij gedood worden?

—Neen. Old-Shatterhand en Winnetou dooden geen mensch, wanneer zij daartoe niet door hen zelf worden gedwongen. Hij zal van mijn broeder Shatterhand een vuistslag krijgen opdat hij zwijgt, zoolang hij niet spreken mag, verder mag hem niets kwaads geschieden.

—Maar wij kunnen niet tegelijkertijd bij het graf en op het vlot zijn! De roodhuiden zullen het vuur hebben uitgebluscht voor wij gereed zijn en dan zal het zeer de vraag wezen of ons plan zal gelukken.

—Dick Hammerdull behoeft niet ongerust te wezen. Wij zullen ons in twee groepen verdeelen en den tijd zóó nauwkeurig afmeten dat de kans op slagen zeer groot is. Laat ons nu aan het werk gaan en het vlot bouwen, want het moet gereed zijn voordat de avond invalt.

—Zijn wij zeker dat wij niet gezien zullen worden?

—Winnetou weet zeker dat de Pa-Utes niet in deze streek zullen komen.

—Of zij komen of niet, dat blijft hetzelfde maar het is in elk geval beter dat zij niet te weten komen dat wij hier zijn en wat onze plannen zijn. Meent gij ook niet, Piet Holbers, oude Coon?

—Als gij meent dat dit beter is, beste Dick, zal het mij niet invallen er iets tegen te hebben!—antwoordde Piet op zijn droge manier.

Wij gingen nu aan het vellen van dunne boomen, een werkje, dat, daar wij geen bijlen hadden, slechts langzaam vorderde. Versche, buigzame takjes, om de stammen aan elkaar te binden, waren er genoeg en zoo hadden wij eindelijk na twee uur een vlot gereed. Het had twee roeren, één voor en één achter en bovendien vier roeiriemen, voor het geval wij meer haast moesten maken. Nu werden vier groote bundels hout en gras verzameld en op het vlot gebracht.

Toen wij daarmee gereed waren, moesten de paarden worden weggebracht. Wij bevonden ons, zooals reeds gezegd is, stroomopwaarts van de legerplaats der Pa-Utes en moesten dus met het vlot stroomafwaarts varen en eveneens konden de gevangenen, indien ons plan gelukte, ook slechts stroomafwaarts landen en wel op den anderen oever, opdat onze vervolgers genoodzaakt zouden zijn eerst over de rivier te steken, vóór zij ons konden achtervolgen. Daarom was het noodzakelijk de paarden eerst op een daartoe geschikte stroomafwaarts gelegen plaats te verbergen. Old-Cursing-Dry moest natuurlijk ook mee.

Wij zetten dus de paarden aan den anderen oever af en bonden Fletcher op zijn zadel vast. Piet Holbers moest bij het vlot wacht houden, wij anderen reden stroomafwaarts, maar niet te dicht langs den oever, om geen kans te loopen gezien te worden.

Wij reden in galop en waren reeds na een half uur zoover gekomen, dat wij ons ongeveer een halve Engelsche mijl beneden het Indianenleger bevonden. Hier was een kleine, nauwe kloof, waarin boomen stonden en aan deze bonden wij de paarden vast. Old-Cursing-Dry werd van het paard genomen en eveneens aan een boom vastgemaakt. Hij was woedend en toonde ons dat, door ons, terwijl wij bezig waren hem vast te binden, eenige flinke schoppen te geven. Als hij geen prop in den mond had gehad, zouden wij zeker een menigte vloeken naar het hoofd hebben gekregen.

Wij waren genoodzaakt hem alleen en zonder toezicht hier achter te laten en den weg dien wij te paard gekomen waren, te voet terug te gaan. Nauwelijks waren wij op weg, of de duisternis viel in, maar behouden en wel kwamen wij wederom bij Piet Holbers aan. Wij gingen op het vlot, maakten het los en vingen den niet ongevaarlijken tocht aan. Ik stond aan het achterroer. Winnetou aan het voorste en zachtjes fluisterde hij mij zijn bevelen toe. Het was zóó duister, dat iemand die geen ervaren prairiejager was, geen hand voor oogen had kunnen zien, ik echter kon elken boom aan den oever herkennen en Winnetou zag stellig nog scherper dan ik. Dick Hammerdull en Piet Holbers zaten in het midden van het vlot en vertrouwden geheel op ons beiden.

De Pa-Utes waren aan den linkeroever van de rivier gelegerd, daarom hielden wij zooveel mogelijk den rechteroever. Het water had tamelijk veel verval en wij kwamen dus flink vooruit. Toen Winnetou dacht, dat we dicht genoeg bij de legerplaats waren, legden wij aan den linkeroever aan en wel op een plek, waar het vlot veilig onder overhangende twijgen verborgen kon liggen. Ik zeg aan den linkeroever, want wij wilden wel later langs den rechteroever ontvluchten, maar moesten toch eerst hier afstappen om de noodige voorbereidselen te maken.

Eerst sloop Winnetou weg om het terrein te verkennen. Na ongeveer twee uur keerde hij terug en meldde, dat hij alles gunstig had bevonden; het grafmonument zou ongeveer tegen middernacht gereed kunnen zijn en dan zou het opperhoofd zich stellig daarheen begeven. Het monument stond in het bosch, ongeveer driehonderd schreden van de legerplaats af. De dappere Apache was tot bijna in de onmiddellijke nabijheid van het schiereiland gekropen om te weten in welke richting hij later het vlot moest sturen.

Wij lagen tot middernacht stil en zwijgend onder het dichte struikgewas. Toen fluisterde Winnetou mij in:

—Mijn broeder mag de lont uit de patroongordel halen.

Ons werk zou dus beginnen. Ieder voorzichtig prairieman draagt een kluwen lont bij zich, want hij komt dikwijls in de noodzakelijkheid die te moeten gebruiken. Ik sneed dus een voldoend eind af en stak het los in den zak om het dadelijk bij de hand te hebben. Toen stapten wij allen van het vlot op den oever en namen de groote bundels takken en gras mee. Winnetou ging vooraan.

Wij liepen in schuinsche richting door naar het bosch. De Apache koos den weg tusschen de boomen, welke niet al te dicht bij elkaar stonden en weldra zagen wij rechts van ons, het schijnsel van het legervuur en links dat van een kleiner, dat bij het grafmonument brandde. Toen wij dichterbij kwamen herkenden wij Pats-Avat, het opperhoofd der Pa-Utes, die geheel alleen bij het lijk van zijn zoon zat. Nog nader gekomen hoorden wij hem zijn klaagzangen prevelen en legden wij onze bundels op den grond. Dick en Piet kregen bevel hier te blijven staan; ik sloop met Winnetou tot bijna achter den rug van het opperhoofd en nu ging Winnetou plotseling voor hem staan. Pats-Avat zag op. Toen hij het opperhoofd der Apachen herkende, stond hij onmiddellijk op en mompelde verschrikt:

—Oef, Winnetou, het opperhoofd der Apachen!

De aangesprokene hief den arm op en wees naar mij en antwoordde:

—Ja, ik ben het. En daar staat mijn blanke vriend en broeder Old-Shatterhand!

De Pa-Ute keerde zich om en zag mij met wijd geopende oogen aan. Reeds opende hij den mond om hulp te roepen, maar toen kreeg hij van mij tegen het hoofd een slag welke hem bewusteloos deed neervallen. Nu droegen Dick en Piet de groote bundels hout aan en gezamenlijk stapelden wij deze boven op het grafmonument, staken den brand er in en verwijderden ons zoo haastig dat wij slechts enkele minuten later weer op het vlot stonden.

Wij maakten het los en lieten ons stroomaf drijven, evenwel zorgende dicht bij den oever te blijven.

Het werd lichter voor ons, reeds zagen wij het legervuur en bij het schijnsel daarvan het schiereiland voor ons liggen. Daar verhief zich plotseling een vuurgloed, welke wel de aandacht der Pa-Utes moest trekken.

Wij hoorden geroep en zagen velen naar het grafmonument snellen.

—Het gelukt!—zeide Winnetou.—Houdt de wapens gereed voor mogelijken tegenstand en de messen om de banden der gevangenen los te snijden.

Daar klonk van uit het woud een luide kreet van: „Neav-äkve, neav-äkve,—het opperhoofd is dood, het opperhoofd is dood!” Nu sprongen allen, die nog waren achtergebleven op en snelden naar het bosch. Wij zagen zeer duidelijk dat ook twee roodhuiden van het schiereiland naar den oever kwamen en naar het bosch liepen.

—Aan de riemen en naar het eiland!—gebood ik.—Holbers blijft op het vlot om het vast te houden.

Het vlot schoot even snel als een boot vooruit. Toen het tegen het land stiet, sprongen Winnetou, Hammerdull en ik er af.

Er stond evenwel een derde wachter, die achtergebleven was, maar hij keerde ons den rug toe en zag naar het bosch. Toen hij eenig gedruisch hoorde, wat wij niet konden vermijden, keerde hij zich om. Ons zien, om hulp roepen en zijn geweer aanleggen, was het werk van een oogenblik. Ik sprong op hem toe, nam hem het geweer af, maar kon niet verhoeden dat het schot afging. In het volgend oogenblik evenwel gaf ik hem zulk een geduchten slag met de kolf, dat hij bewusteloos ineenzonk. Nu liep ik met het mes in de hand naar de gevangenen en eenige minuten later waren allen vrij en veilig op het vlot.

Wij snelden hen na, grepen de riemen en stuurden allereerst naar den overkant.

Alles was veel spoediger in zijn werk gegaan dan wij gedacht hadden en toch was het meer dan tijd, dat wij wegkwamen. Want het schot en het geroep om hulp waren gehoord en de roodhuiden kwamen terug om te zien wat er gebeurd was. Zij zagen ons, want wij gleden juist door den lichten vuurgloed en hieven een woedend gehuil aan. Winnetou’s forsche stem evenwel klonk boven dit geschreeuw uit.

—Pats-Avat, het opperhoofd der Pa-Utes,—zeide hij,—is niet dood, hij zal weder ontwaken, want Old-Shatterhand heeft hem slechts bewusteloos geslagen. En hier staat Winnetou, het opperhoofd der Apachen. Wij hebben de blanke gevangenen bevrijd en geen duizend Pa-Utes zullen in staat zijn het ons weer af te nemen. Howgh!

Bij deze woorden verdubbelde zich het gehuil en vele schoten knalden, maar zij troffen geen doel, daar wij ons reeds weder in de duisternis bevonden. Nog langen tijd daarna evenwel hoorden wij de stemmen der vijanden, die als dwazen langs den oever liepen, zonder dat zij kans zagen ons in te halen.

De uit de gevangenschap verloste en van een waarschijnlijken dood geredde mannen, hadden uit de woorden van den Apache vernomen, wie wij waren. Zij wilden in luide woorden lucht geven aan hun blijdschap en dankbaarheid, maar Winnetou legde hun het zwijgen op door te zeggen:

—Zwijgt! Nog zijn wij niet in veiligheid! En wie weet of wel allen zich mogen verheugen aan de Pa-Utes te zijn ontkomen. Weldra wordt gij voor een gerecht gedaagd en wie weet, wat het einde daarvan zal zijn. Howgh!

Winnetou stond, evenals zoo straks, aan het voorste roer en stuurde het vlot naar den rechteroever, want wij waren in de nabijheid van de plaats waar wij Fletcher en onze paarden hadden achtergelaten. De acht bevrijden meenden hier te kunnen uitstappen, maar Winnetou beduidde hen: