Chapter 25 of 43 · 3830 words · ~19 min read

Part 25

—Het is Kleki-Petra’s laatste woord en laatste wensch geweest, dat Old-Shatterhand zijn opvolger zou zijn bij de krijgers der Apachen en Old-Shatterhand heeft hem beloofd, dezen wensch te zullen vervullen. Daarom zal hij worden opgenomen in den stam der Apachen en als opperhoofd worden aangesteld. Het zal zijn, alsof hij evenals wij, met een roode huid ware geboren; opdat dit van kracht zou zijn, zou hij met elken volwassen krijgsman der Apachen, het calumet moeten rooken, maar dit is onnoodig want hij zal Winnetou’s bloed drinken en deze wederkeerig het zijne, dan is hij bloed van ons bloed en vleesch van ons vleesch. Vinden de krijgers der Apachen dit goed?

—Howgh, howgh, howgh!—klonk het driemaal op verheugden toon.

—Dan kunnen Old-Shatterhand en Winnetou naderbij komen en broederschap drinken.

Een bloedbroederschap dus waarvan ik zoo dikwijls gelezen had! Zij komt bij vele wilde of halfwilde volken voor en wordt daardoor gesloten, dat beide partijen enkele droppels van elkanders bloed drinken, zij zijn voortaan vaster en inniger aan elkaar gehecht, dan wanneer zij van geboorte broeders waren geweest.

Winnetou en ik plaatsten ons aan weerszijden van de kist en Intschu Tschuna ontblootte den arm van zijn zoon om hem met een mes een kleine wonde toe te brengen. De enkele bloeddruppels, welke daaruit vloeiden, werden in een schaal met water opgevangen. Toen onderging ik dezelfde operatie en eenige druppels van mijn bloed vielen in een andere schaal. Winnetou kreeg deze, ik de andere in de hand. Nu sprak Intschu Tschuna.

—De ziel leeft in het bloed. De zielen dezer beide jonge krijgers mogen in elkander overgaan, opdat zij een enkele ziel vormen. Wat Old-Shatterhand denkt, zal ook Winnetou’s gedachte zijn en wat Winnetou denkt, zij ook Old-Shatterhands wil. Drinkt!

Ik ledigde mijn schaal en Winnetou de zijne. Aangezien in het water slechts enkele droppels bloed waren gemengd proefde men dit volstrekt niet. Daarop reikte het opperhoofd mij de hand en zeide:

—Gij zijt nu even als Winnetou mijn zoon, een krijgsman van ons volk. De roem van uw daden zal weldra overal bekend zijn en geen ander krijgsman zal u overtreffen. Gij zult voortaan een opperhoofd der Apachen zijn en alle stammen van ons volk zullen u als zoodanig erkennen!

Dat was een snelle promotie! Nog kort geleden was ik huisonderwijzer in St. Louis, daarna landmeter en nu reeds opperhoofd van een wilden volksstam! Ik moet evenwel bekennen, dat deze wilden mij beter bevielen, dan de blanken, met wie ik in den laatsten tijd te doen had gehad.

Terwijl Intschu Tschuna zijn rede eindigde, waren alle Apachen opgestaan en hieven een luid Howgh! aan. Toen zeide Intschu Tschuna nog:

—Nu is de nieuwe, de levende Kleki-Petra bij ons en wij kunnen den doode dus ter ruste brengen. Mijn broeders mogen dit nu doen.

Hij gaf een wenk aan de mannen, die het grafmonument hadden gebouwd. Ik verzocht een oogenblik uitstel en riep Hawkins, Stone en Parker. Toen zij naast mij stonden, sprak ik enkele woorden bij de kist en eindigde met een kort gebed. Nu werd het overblijfsel van den vroegeren revolutionnair en lateren boeteling in het binnenste van het grafgewelf geschoven en begonnen de Roodhuiden de opening dicht te maken. Dit was mijn eerste lijkplechtigheid onder de wilden.

Zij heeft mij diep getroffen. Ik wil geen oordeel uitspreken over de beschouwingen, welke Intschu Tschuna daarbij ten beste gaf. Er was veel waars en onwaars in, maar uit alles klonk toch een begeerte naar een verlossing, welke hij meende, dat van buiten zou komen, terwijl zij toch alleen een innerlijke, een geestelijke zijn kan.

Terwijl het graf gesloten werd, weerklonken wederom de lijkzangen der Indianen en eerst toen de laatste steen was ingemetseld, kon de plechtigheid als geëindigd worden beschouwd en ging ieder zijns weegs.

Intschu Tschuna noodigde mij uit het middagmaal met hem te gebruiken. Hij bewoonde het grootste vertrek der reeds zooeven genoemde étage. Het zag er zeer eenvoudig uit, alleen aan de wanden hing een rijke verzameling van Indiaansche wapenen welke in de hoogste mate mijn belangstelling opwekte. Nscho-Tschi bediende ons, dat wil zeggen, haar vader, Winnetou en mij, en ik bemerkte dat zij een meesteres was op het punt van Indiaansche kookkunst.

Er werd weinig, ja bijna in het geheel niet gesproken. De Roodhuid zwijgt gaarne en vandaag was er reeds zooveel gesproken, dat men alles, wat nog te bespreken viel, liever voor later bewaarde. De schemering was reeds gevallen, toen het maal geëindigd was.

—Wil mijn blanke broeder rusten of met mij gaan?—vroeg mij Winnetou.

—Ik ga mee,—antwoordde ik zonder te vragen, waar hij heen ging.

Wij daalden het Pueblo af en gingen naar de rivier. Ik had niet anders verwacht. Een zoo fijn besnaarde natuur als Winnetou moest behoefte gevoelen een bedevaart te doen naar het graf van den gestorven vriend en leermeester. Daar aangekomen, gingen wij naast elkander zitten. Winnetou nam mijn hand in de zijne, zonder een woord te zeggen en ik vond geen aanleiding zijn zwijgen te onderbreken.

Noodzakelijk is het hier op te merken, dat niet alle Apachen, die ik tot nu toe had gezien, in het Pueblo woonden. Dit zou daartoe ook veel te klein zijn. Het werd enkel bewoond door Intschu Tschuna en zijn voornaamste krijgers met hun gezinnen en was het middelpunt voor de met hun kudden rondtrekkende onderhoorigen van den stam der Mescalero-Apachen. Van hieruit regeerde het opperhoofd en van hieruit ondernam hij ook de verre tochten naar de andere stammen, die hem als hun oppersten hoofdman erkenden. Dit waren de Llanero’s, de Farkones en de anderen.

De Mescalero’s die niet in het Pueblo thuis behoorden, hadden zich na de begrafenis verwijderd en er waren alleen zooveel achtergebleven als noodig waren om toezicht te houden op de van de Kiowa’s ontvangen paarden, die in de nabijheid graasden. Daarom zat ik nu met Winnetou alleen en onopgemerkt bij het graf van Kleki-Petra.

Eindelijk verbrak Winnetou het stilzwijgen door te zeggen:

—Zal mijn broeder Old-Shatterhand ooit kunnen vergeten dat wij zijn vijanden zijn geweest?

—Het is reeds vergeten,—antwoordde ik.

—Maar één ding zult ge niet kunnen vergeven.

—En dat is?

—De beleediging welke mijn vader u heeft aangedaan.

—Wanneer?

—Toen wij u voor ’t eerst ontmoetten.

—O, dat hij mij in ’t gezicht spuwde?

—Ja.

—En waarom zou ik dat niet kunnen vergeven?

—Omdat speeksel slechts met bloed kan worden uitgewischt.

—Winnetou behoeft zich niet ongerust te maken, ook deze beleediging is reeds vergeten.

—Mijn broeder zegt daar iets, dat ik onmogelijk kan gelooven.

—Geloof het gerust, ik heb immers reeds lang bewezen, dat ik het heb vergeven?

—Waardoor?

—Daardoor, dat ik het Intschu Tschuna, uw vader, niet kwalijk heb genomen. Of meent gij, dat Old-Shatterhand zich in het gezicht laat spuwen zonder deze beleediging te wreken, als hij dit als een zoodanige beschouwde?

—Ja, wij hebben ons er zeer over verwonderd, dat gij dit niet hebt gedaan.

—De vader van Winnetou kon mij niet beleedigen; ik wischte het speeksel af en daarmee was alles vergeten en vergeven, laat ons er dus niet meer over spreken.

—En toch wil ik dit doen, ik ben dit aan u verplicht.

—Waarom?

—Gij moet de zeden van ons volk nog leeren kennen. Geen krijgsman bekent gaarne zijn fouten en een opperhoofd allerminst. Intschu Tschuna weet, dat hij een fout heeft begaan, maar hij mag niet om vergeving vragen. Daarom heeft hij mij opgedragen met u te spreken, Winnetou spreekt dus voor zijn vader.

—Dat is niet noodig, wij staan gelijk, want ook ik heb u beleedigd.

—Neen.

—Zeker! Is een vuistslag niet een beleediging? En ik heb u toch met de vuist geslagen?

—Dat was in een eerlijken strijd. Mijn broeder is edel en grootmoedig, wij zullen dit niet vergeten.

—Laat ons nu over andere dingen spreken! Ik ben vandaag Apache geworden, maar hoe staat het met mijn kameraden?

—Zij kunnen niet in den stam worden opgenomen, maar zij zijn onze broeders!—Morgen zullen wij met hen de calumet rooken. Heeft men in het land van mijn blanken broeder geen calumet?

—Neen, Christenen zijn allen broeders!

—Allen broeders? is er nooit oorlog tusschen hen?

—Ja, dat wel.

—Dan zijn zij ook niet anders of beter dan wij. Zij prediken wel de Liefde, maar brengen haar niet in toepassing. Waarom heeft mijn broeder eigenlijk zijn vaderland verlaten?

Het is bij de Roodhuiden geen gewoonte dergelijke vragen te doen. Winnetou evenwel kon ik het niet kwalijk nemen, omdat hij mijn broeder was, die mij moest leeren kennen. Zijn vraag geschiedde niet enkel uit nieuwsgierigheid, hij had daarvoor nog een andere reden.

—Om hier het geluk te zoeken,—antwoordde ik.

—Geluk? wat is geluk!

—Rijkdom!

Hij liet bij dit woord mijn hand los en zweeg. Ik wist, dat hij een gevoel had, alsof hij zich toch nog in mij had vergist.

—Rijkdom!—fluisterde hij eindelijk.

—Ja, rijkdom!—herhaalde ik.

—Dus daarom.... daarom!

—Wat wilt ge zeggen?

—Daarom hebben wij u bij....

Het scheen hem toch moeite te kosten het woord uit te spreken. Ik zeide dus in zijn plaats:

—Bij de landroovers gevonden?

—Gij zegt het. Gij deedt het dus om rijk te worden. Meent gij dan werkelijk, dat rijkdom gelukkig maakt?

—Ja.

—Gij vergist u. Het goud heeft de Roodhuiden ongelukkig gemaakt, alleen ter wille van het goud verdringen ons de bleekgezichten en jagen ons van land tot land, van plaats tot plaats, zoodat wij langzaam en zeker onzen ondergang tegemoet gaan. Het goud is de oorzaak van al onze ellende. Mijn broeder moet niet naar het bezit daarvan verlangen.

—Dat doe ik ook niet.

—Niet! En toch zegt gij, dat gij het geluk in rijkdom zoekt.

—Ja, dat is waar. Maar er zijn verschillende soorten van rijkdom, rijkdom aan goud, aan wijsheid en ervaring, aan gezondheid, aan eer en aan roem, aan genade bij God en bij de menschen!

—Oef, oef! Bedoelt gij het zoo. En waarnaar streeft gij dan wel?

—Naar het laatste!

—Naar genade bij God! Zijt gij dan zulk een vroom en goed Christen?

—Of ik werkelijk een goed Christen ben, dat weet ik niet, maar ik tracht het ten minste te zijn.

—Houdt gij ons voor heidenen?

—Neen, want gij gelooft aan den Grooten, Goeden Geest en aanbidt geen afgoden!

—Sta mij dan één verzoek toe.

—Gaarne.

—Spreek niet meer met mij over geloof! Tracht niet mij te bekeeren! Ik heb u zeer, zeer lief en zou niet gaarne willen, dat onze vriendschapsband werd verscheurd. Het is zooals Kleki-Petra zeide. Uw geloof mag het ware zijn, maar wij Roodhuiden begrijpen het niet. Als de Christenen ons niet verdrongen en uitroeiden, zouden wij hen voor goede menschen kunnen houden. Dan zouden wij wellicht ook tijd en gelegenheid vinden dat te leeren wat noodig is, om uw heilig boek en uw priesters te begrijpen. Maar hij, die langzaam en zeker ter dood wordt gebracht, kan niet gelooven, dat de godsdienst van hem, die hem doodt, de godsdienst der Liefde is.

—Gij moet onderscheid maken tusschen den godsdienst en de belijders, die niet altijd handelen naar de wetten van hun godsdienst.

—Zoo spreken alle bleekgezichten. Zij noemen zich Christenen, maar handelen niet daarnaar. Wij echter hebben onzen Grooten Manitou, die wil, dat alle menschen goed zullen zijn. Ik tracht een goed mensch te zijn en ben misschien meer Christen dan zij, die zich zoo noemen, maar geen liefde bezitten en steeds naar eigen voordeel jagen. Spreek mij dus nooit meer van geloof en tracht nooit van mij een man te maken, die een Christen genoemd wordt, zonder het in werkelijkheid te zijn. Dit is het verzoek, dat ik aan u heb.

Ik heb zijn wensch geëerbiedigd en nooit meer met hem over mijn geloof gesproken. Maar moet men dan altijd spreken? Is niet de daad een veel beter overtuigingsmiddel dan het woord. „Aan mijn daden zult gij mij kennen”, zegt de Heilige Schrift en door mijn leven, door mijn handelingen ben ik Winnetou’s leermeester geweest, tot hij eens op een onvergetelijken avond, mij zelf tot spreken uitnoodigde.

Ik gaf hem de hand ten teeken, dat ik zijn wensch wilde vervullen. Toen ging hij voort:

—Hoe is het toch gekomen, dat mijn broeder Old-Shatterhand zich bij de landroovers aansloot? Wist hij dan niet, dat hij daarmee een onrecht beging aan de Roodhuiden?

—Ik had dit wel kunnen bedenken, maar heb dit niet gedaan. Ik was blij, opzichter te kunnen worden, want ik werd goed betaald.

—Betaald? Gij zijt immers niet klaar gekomen. Betaalde men u, voordat het werk gereed was?

—Neen, ik kreeg alleen voorschot en geld voor de uitrusting. Dat, wat ik verdiend had, zou mij later worden uitbetaald.

—En nu krijgt gij er niets van?

—Neen.

—Was de som groot?

—Voor mij wel.

Hij zweeg een oogenblik, toen vervolgde hij:

—Het spijt mij, dat mijn broeder door ons zooveel schade heeft geleden, zijt gij niet rijk?

—Aan geld niet.

—Hoelang hadt gij nog moeten meten, om geheel gereed te zijn?

—Nog slechts eenige dagen.

—Oef! Had ik u vroeger zoo goed gekend als nu, dan waren wij eenige dagen later gekomen.

—Opdat wij met het werk gereed waren?—vroeg ik, geroerd door zijn edelmoedigheid.

—Ja.

—Gij hadt ons dan gelegenheid gegeven, onzen diefstal te volbrengen?

—Den diefstal niet, maar de opmeting. De lijnen, welke gij op ’t papier brengt, doen ons geen schade, daarmee is de roof niet volbracht. Deze begint pas, als de arbeiders komen, om het pad voor het ijzeren ros te graven. Ik zou u....

Hij hield plotseling op, om na te denken over een gedachte welke bij hem opkwam, toen vervolgde hij:

—Moest gij om uw geld te krijgen, de papieren hebben van welke ik zooeven sprak?

—Ja.

—Oef! Dan zult gij het nooit krijgen, want alles is vernietigd geworden.

—En wat is er met onze instrumenten gebeurd?

—De krijgers, die ze vonden, wilden ze stukslaan, maar ik verhinderde het. Hoewel ik geen scholen heb bezocht, weet ik wel dat zulke voorwerpen groote waarde hebben en daarom gaf ik het bevel ze zorgvuldig te bewaren. Ik zal ze u teruggeven.

—Ik dank u, ik neem dit geschenk gaarne van u aan, hoewel ik er voor ’t oogenblik niets mee doen kan. Ik wil echter de instrumenten weer inleveren.

—Brengen zij u dus geen voordeel?

—Neen, dan zou ik de opmeting ten einde hebben moeten brengen.

—Maar dan ontbreken u toch de papieren.

—Neen, ik was zoo voorzichtig, de teekeningen tweemaal te maken.

—En bezit gij die tweede nog?

—Ja, ik heb ze hier in dezen zak; gij waart zoo goed bevel te geven, dat mij niets zou worden ontnomen.

—Oef, oef!—klonk het eenigszins verwonderd, daarop zweeg hij een oogenblik, stond toen op en zeide:

—Laat ons naar huis terugkeeren. Mijn blanke broeder heeft door onze schuld geldelijke schade geleden, ik zal zorgen dat hem dit vergoed wordt. Eerst evenwel moet hij bij ons goed uitrusten.

Wij keerden terug naar het Pueblo en dien nacht sliepen mijn kameraden en ik voor het eerst als vrije mannen te midden der wilden. Den volgenden dag werd onder tal van ceremoniën de vredespijp gerookt tusschen Sam Hawkins, Stone, Parker en de Apachen. Het spreekt vanzelf, dat het daarbij niet ontbrak aan lange redevoeringen, waaronder die van Sam Hawkins zeker de vermakelijkste was. Alles wat in den laatsten tijd was voorgevallen, werd nog eens ter sprake gebracht en toen men het ook had over den avond, waarop ik Intschu Tschuna en Winnetou had losgesneden, kon Sam niet nalaten mij een kleine boetpredikatie toe te dienen.

—Gij zijt eigenlijk een slechte kerel, sir!—zeide hij.—Men dient toch oprecht te zijn tegenover zijn kameraden, vooral wanneer men zooveel aan hen te danken heeft, als gij aan ons! Wie en wat waart gij, toen wij u in St. Louis voor ’t eerst zagen? Een onderwijzer, die den kinderen het A B C leerde. En zulk een stumper zoudt gij gebleven zijn, als wij u niet met bewonderenswaardige edelmoedigheid mede hadden genomen naar de Savanna. Wij hebben over u gewaakt, als een teedere moeder over haar jongste baby, of als een hen over de door haar uitgebroede jonge eenden. Bij ons is langzamerhand uw verstand tot ontwikkeling gekomen. Kortom, wij zijn vader en moeder over u geweest, wij hebben u op de handen gedragen, hebben uw lichaam met voedzame vleeschspijzen en uw geest met wijsheid en ervaring gevoed en hadden nu mogen verwachten, dat gij achting, eerbied en dankbaarheid voor ons zoudt toonen en niet als een jonge eend in het water zoudt loopen, waarin wij, oude hennen, wel moesten verdrinken. Maar neen, gij hebt juist gedaan wat u verboden was. Het doet mij werkelijk pijn te moeten ondervinden, dat zooveel liefde en opoffering met zooveel ongehoorzaamheid en ondankbaarheid worden beloond. Ik wil niet alle slechte daden opsommen, de allerslechtste was, dat gij de beide opperhoofden bevrijd hebt, zonder er ons iets van te zeggen. Dat kan ik nooit vergeven, noch vergeten. Maar gij hebt zelf de gevolgen van uw handelingen ondervonden. In plaats van aan den martelpaal gestoofd en gebraden te worden, om in de heerlijke jachtvelden der Indianen te ontwaken, zitten wij hier nu in het Pueblo en bederven onze magen met allerlei lekkernijen, terwijl men bovendien druk bezig is een greenhorn tot een afgod te verheffen. Maar de liefde is onder alle omstandigheden vergevensgezind en daarom willen wij zelfs ondanks dit alles, u niet uit ons hart bannen, maar integendeel gloeiende kolen op uw hoofd laden, door u alles te vergeven in de vaste hoop en verwachting, dat gij u voortaan beter zult gedragen. Hier is mijn hand, wilt gij mij dat beloven?

—Ja,—antwoordde ik, terwijl ik hem de hand drukte,—ik zal het edele voorbeeld dat gij mij geeft, zóó goed trachten na te volgen, dat men mij voor den echten Sam Hawkins aanziet!

—Laat dat maar blijven, mijn jongen, dat zou vergeefsche moeite zijn. Hoe zou een greenhorn als gij zijt, ooit op Sam Hawkins kunnen gelijken! Dat zou zijn, alsof....

—Houd nu maar eens op, oude zeurpot!—viel Dick Stone hem in de rede.—’t Is niet meer om aan te hooren. Als ik Old-Shatterhand was geweest, ik zou niet zooveel geduld met u hebben gehad en mij dat eeuwige greenhorn niet meer laten welgevallen.

—’t Is immers waar, hij is toch een echte greenhorn?

—Onzin! Wij hebben ons leven aan hem te danken, als hij ons niet had beschermd, zat gij hier niet zoo vroolijk te babbelen onder uw valsche pruik.

—Wat, valsche pruik? Zeg dat nog eens! het is een echte pruik, bezie haar maar eens goed!—Schaam u, Dick, den spot te drijven met mijn hoofdsieraad, dat had ik van zulk een goeden kameraad niet verwacht. Neen, neen, gij waardeert geen van allen den ouden Sam. Ik ga weg en zoek mijn Mary op, ik moet eens gaan zien of zij even gezond is als haar meester.

Wij lachten, want het was onmogelijk, hem iets kwalijk te nemen.

Den volgenden dag keerden de verkenners, die de Kiowa’s in stilte gevolgd waren, terug en meldden, dat deze waren weggetrokken en dus klaarblijkelijk niet van plan waren, in de eerste dagen eenige vijandelijkheden uit te voeren of wraak te nemen.

Hierop volgde een tijdperk van rust althans voor Dick en Will, die zich de gastvrijheid der Apachen kalm lieten welgevallen, ik evenwel liet dezen tijd niet ongebruikt voorbijgaan. Winnetou nam mij dagelijks mee op zijn tochten en deed zijn best mij in te wijden in de gebruiken en gewoonten der Indianen. Geheele dagen waren wij afwezig om lange ritten te maken; uren kropen wij in de bosschen rond, waarbij ik grondig onderricht kreeg in het „sluipen”. Dikwijls verwijderde hij zich van mij en gaf mij de opdracht hem te zoeken. Hij deed dan zijn best, om zijn voetspoor uit te wisschen en ik spande mij in om het weer te vinden. Hoe dikwijls stond hij dan in een of ander boschje of in overhangend struikgewas, in het water van den Pecos en zag toe, hoe ik naar hem zocht. Hij maakte mij opmerkzaam op mijn fouten en wees mij, door zijn voorbeeld, hoe ik mij moest gedragen en wat ik doen en laten moest. Nooit kwam een woord van lof, maar ook evenmin een woord van afkeuring over zijn lippen.

Hoe dikwijls kwam ik vermoeid en als met gebroken ledematen thuis! Maar ook dan nog nam ik geen rust, want ik wilde de taal der Apachen leeren en kreeg daarin onderricht. Daarbij had ik twee leermeesters en één leermeesteres. Nscho-Tschi leerde mij het dialect der Mescalero’s, Intschu Tschuna dat der Llanero’s en Winnetou dat der Navajo’s. Daar deze dialecten onderling weinig verschilden en de woordenschat niet groot was, maakte ik reeds spoedig goede vorderingen.

Wanneer Winnetou en ik slechts kleinere uitstapjes maakten, gebeurde het wel, dat Nscho-Tschi zich bij ons aansloot en ik zag, dat zij zich van harte verheugde, wanneer ik een goede leerling bleek te zijn.

Eens op een dag waren wij gezamenlijk naar het bosch gegaan en Winnetou stelde mij voor op eenigen afstand te blijven en eerst na een kwartier naar hen te komen omzien. Broeder en zuster zouden dan beiden verdwenen zijn en ik moest trachten Nscho-Tschi terug te vinden. Ik deed, wat hij verlangde. Toen het kwartier verstreken was, begon ik te zoeken. De sporen van beiden waren eerst tamelijk duidelijk zichtbaar, maar op een zeker punt gekomen, ontbraken die der Indiaansche. Ik wist wel, dat zij een buitengewoon lichten gang had, maar de bodem was week en er moest dus toch een kleine aanwijzing van haar spoor te vinden zijn. Hoe ik echter ook zocht, ik vond niets, zelfs geen enkel klein platgetreden plantje, hoewel juist op deze plaats een zeer zachte mossoort groeide. Alleen Winnetou’s voetspoor was duidelijk te zien, maar dit hielp mij niet, want ik moest niet hem, maar zijn zuster zoeken. Hij was waarschijnlijk in de nabijheid, om heimelijk te zien of ik ook fouten maakte.

Ik zocht nog eens en nog eens, maar vond niet de minste aanwijzing. Dit was vreemd. Ik overlegde. Zij moest een spoor hebben nagelaten, dit stond vast, want geen voet kon hier den bodem betreden, zonder door het zachte mos verraden te worden. Een voet den grond betreden? Kon het zijn, dat Nscho-Tschi den grond niet had aangeraakt? Ik onderzocht Winnetou’s voetstappen. Zij waren diep, dieper dan te voren. Zou hij zijn zuster op de armen hebben gedragen? Dat kon toch het geval zijn en dan was de zaak voor mij zoo moeilijk niet meer. Ten gevolge van den last was de indruk zijner voetstappen dieper; maar waarheen had hij zijn zuster gebracht? Was hij alleen door het bosch gegaan, dan had hij de armen vrij gehad en kon hij zonder moeite, door het kreupelhout komen. Had hij evenwel zijn zuster door het bosch gedragen, dan moesten er hier en daar afgebroken takjes en twijgen te vinden zijn. Ik volgde dus de voetstappen, maar zag nu niet zoozeer naar den grond, dan wel naar de struiken. Juist! Hij had de takken niet voorzichtig uit elkaar kunnen buigen en ook Nscho-Tschi scheen daaraan niet te hebben gedacht, althans ik vond overal beschadigde bladen en afgevallen takjes, een bewijs dus, dat mijn vermoeden juist was.