Chapter 37 of 43 · 3990 words · ~20 min read

Part 37

—O neen. Hun paarden staan daarginds in den stal en zij zijn op jacht om een stuk wild te schieten.

—En om waarschijnlijk meteen eens naar het gestolen goud te zien dat zij verborgen hebben. Jammer dat het zoo sneeuwt! Daardoor is het onmogelijk hen na te sluipen en te beluisteren. Deze sneeuw berooft ons van de bewijzen, welke noodig zijn om hen van de misdaad te overtuigen.

—Dat is mij tamelijk onverschillig, sir! Ik weet zeer goed dat gij beiden juist de menschen zijt om de bewijzen van onder de dikste sneeuw weg te halen.

De blokhut, in welke wij gedurende dit laatste gesprek binnengeleid waren, diende hem en den luitenant tot woning. Terwijl de jongste officier den grog gereedmaakte, wees de kapitein op twee zeer primitief in elkaar gespijkerde stoelen en zeide:

—Gaat zitten, heeren en zeg mij oprecht: niet waar, gij zijt Mr. Old-Shatterhand en Mr. Winnetou.

Ik antwoordde terwijl ik wees op onze geweren, welke wij natuurlijk mee naar binnen hadden genomen:

—Hier is de beroemde zilverbuks van het opperhoofd der Apachen en hier ziet gij mijn geweer en mijn berendooder. Nu weet gij precies, wie wij zijn.

—Juist. Het is een groote eer voor ons u bij ons te zien. Wij heeten u hartelijk welkom en zullen geloof hechten aan ieder woord, dat gij over de misdaad zegt.

—Dank voor uw vertrouwen, sir! Maar zulk een daad moet beoordeeld worden naar de wetten der prairiën en deze wetten eischen in de eerste plaats onwederlegbare bewijzen. Gij moogt geen vonnis vellen, alleen op ons zeggen.

Winnetou, die nooit alcohol gebruikte, bedankte ook voor den grog, maar ik proefde den warmen drank, teug voor teug en vertelde daarbij uitvoerig, wat wij van Grinder en Slack wisten en dachten. Nog waren wij niet geheel daarover uitgepraat of de deur ging open en de beide genoemden traden binnen.

—All devils!—riep Grinder, toen hij ons gewaar werd,—ik mag dadelijk blind worden, als dat niet Mr. Beyer met zijn Indiaan is.

—Hij is het!—antwoordde de kapitein, terwijl hij den luitenant een wenk gaf, waarop deze zich verwijderde.—Waarschijnlijk is het u niet aangenaam, deze beide gentlemen hier te zien?

—Niet aangenaam? De duivel mag mij halen of mij iets, wat deze mannen aangaat, aangenaam is of niet, zij zijn mij geheel onverschillig.

—Dat zal wel niet zoo zijn, als gij eerst weet, waarvoor zij naar fort Hillock zijn gekomen.

—Wat zou dat kunnen zijn? Wij hebben volstrekt niets met hen te maken! Wij zijn hier enkel gekomen om te vragen of uw manschappen reeds teruggekomen zijn. De roode schurken bengelen zeker reeds aan twee flinke touwen?

—Neen zij bengelen nog niet, Mr. Beyer heeft hen weer teruggebracht.

—Wie? Wat? Wat heeft deze Mr. Beyer en zijn Indiaan met deze zaak te maken!

—Zeer veel. Zij kennen de ware moordenaars en hebben hen tot hiertoe gevolgd.

—De ware moordenaars? Dat zijn toch de Caddo-Indianen!

—Neen, Mr. Beyer beweert integendeel, dat de ware moordenaars Slack en Grinder heeten.

—Slack en Grin.... all devils, wij?—stamelde Grinder verschrikt.

—Ja, gij!

—Ik mag dadelijk blind worden als die man zijn verstand niet heeft verloren. Slack, spreek dan toch, wat zegt gij daarvan?

De gevraagde hield mij de gebalde vuist toe en schreeuwde:

—De duivel hale hem! Wat wil die kerel toch met ons! Het is een Duitscher, vertrouw hem niet. God mag mij krankzinnig maken als ik hem niet den mond stop, dat hij zijn gansche leven moet zwijgen! Kom Grinder! Voor zulk een kerel zijn wij veel te goed!

—Gij blijft!—beval de kapitein.

Zij wilden ondanks dit bevel heengaan, maar toen zij de deur openden, zagen zij den luitenant voor zich die met een half dozijn soldaten binnentrad, hen omringde en vasthield.

—Wat moet dat beteekenen?—schreeuwde Grinder, terwijl hij zich tevergeefs trachtte los te rukken.

—Dat beteekent, dat gij wegens moord wordt gearresteerd,—antwoordde de kapitein.

Nu volgde een tooneel dat niet te beschrijven is. Niet, dat deze beide menschen zich verzetten of zich trachtten te bevrijden, neen, daartoe waren zij te laf. Hun daden bestonden in woorden, welke zij tot hun verdediging aanvoerden, maar wat voor woorden en uitdrukkingen! Vloeken, eeden, bezweringen en verwenschingen, waarbij mij de haren te berge rezen. Ik gevoelde mij verlicht, toen deze godslasteraars eindelijk buiten de deur waren gezet, om opgesloten te worden. Zelfs mijn anders zoo kalme Winnetou, die door niets of niemand van zijn stuk was te brengen, legde mij den vinger op den arm en zeide:

—Charley, zou ooit een roode man zich zóó gedragen en zijn Manitou op zulk een wijze beleedigen? Wie zou nu nog durven beweren dat de bleekgezichten beter en beschaafder zijn dan de kinderen der savanne? Wanneer men spreekt van het „wilde” Westen, dan is dit enkel verwilderd geworden door de blanke indringers die wij eens als goden hebben behandeld! Howgh!

Na eenigen tijd kwamen de zes cavaleristen terug van de begrafenis der vermoorden. Zij brachten alles mede wat zij in de zakken hadden gevonden. Er was nog een notitieboekje bij, waarin de namen der bloedverwanten waren opgeschreven. Toen werd bevel gegeven het middagmaal gereed te maken. Ik werd, met Winnetou natuurlijk, aan de officierstafel genoodigd.

Daarna werden de leden van de rechtbank bijeengeroepen, die uit de officieren en drie onderofficieren bestond. Winnetou en ik hadden deze zitting als getuigen bij te wonen en ook de Caddo-Indianen moesten verschijnen om op mogelijke vragen te kunnen antwoorden. Toen al deze personen bijeen waren, werden Grinder en Slack gehaald. Zij verschenen geboeid en werden elk door twee soldaten bewaakt.

De beide aangeklaagden waren volstrekt niet onder den indruk van het oogenblik, integendeel, hun optreden was zoo brutaal mogelijk en zij verklaarden zelfs dat zij de rechtbank niet eens voor wettig samengesteld erkenden. Misschien begrepen zij, dat de versch gevallen sneeuw het ons onmogelijk zou maken voldoende bewijzen aan te voeren. Het eenige geldige bewijs zou nu hierin bestaan, het gestolen geld te vinden en te kunnen zeggen dat zij het verborgen hadden. Dat zij den Caddo-Indianen de paarden en geweren van de vermoorden hadden gegeven, konden wij niet bewijzen, want de getuigenis van deze beide roodhuiden was volgens de wetten der prairiën, van nul en geener waarde.

Ik durf niet beweren dat de kapitein als voorzitter het verhoor op een zeer verstandige wijze leidde, maar ik moet eerlijk bekennen, dat het mij in zijn plaats ook zeer moeilijk zou zijn gevallen de misdadigers tot bekentenis te brengen. Het voornaamste bewijs, dat wij onder de bestaande omstandigheden konden bijbrengen, was dat zij de vermoorden met opzet niet waren voorbijgereden, maar hun rit zoo hadden geregeld, dat zij de broeders eerst na het invallen der duisternis konden bereiken. Wel waren ook deze sporen niet meer te zien, maar wij durfden dit met een eed bezweren. Helaas was hiermee de moord op de Burnings nog niet bewezen. Het verhoor bestond dus eigenlijk niet dan uit beschuldigingen van de zijde van den kapitein en tegenwerpingen van de zijde der aangeklaagden. Hun onbeschaamdheid werd telkens grooter, hun verwenschingen telkens ruwer, tot ik eindelijk den voorzitter verzocht het verhoor te sluiten of in elk geval te verdagen.

—Verdagen?—vroeg Grinder lachend, dat zal niet gebeuren. Wij verlangen of directe veroordeeling op grond van onomstootelijke bewijzen of onze oogenblikkelijke invrijheidstelling. Ik mag blind worden als ik iets anders wil.

—Ja,—voegde Slack er bij,—hangt ons op of laat ons vrij. Een van beide moet gebeuren. Wat die Mr. Beyer en zijn Indiaan ons voor de voeten werpen is zóó belachelijk dat ik er niet verder over spreken wil. Toch willen wij om onze onschuld te bewijzen, hun nog eens kans geven om ons ten onder te brengen. Brengt ons vanavond met hen in een donkere ruimte en geeft ons ieder een spits mes in de hand! Wanneer zij op deze ridderlijke wijze van verdediging ingaan, dan mag God mij krankzinnig maken, als wij hun onze onschuld niet zoo duidelijk maken dat er morgen niets meer van hen over is, dan een paar rottende lijken. Zijt gij met dat voorstel tevreden, Grinder?

—Zeker,—antwoordde deze.—Amerikaansche duels, man tegen man in het donker, dat is onze bijzondere liefhebberij, wij hebben reeds menigeen het mes door de ribben gejaagd en het zou mij groot genoegen doen, wanneer deze gentlemen op uw voorstel ingingen. Helaas ik vrees, dat zij daartoe niet den moed bezitten. Zij kunnen liegen, dat het gedrukt staat, maar vechten?....

Ik wierp een vragenden blik op Winnetou, hij antwoordde toestemmend met de oogen, Daarna zeide ik:

—Dat is grootsprekerij, anders niet! Indien wij dat voorstel aannamen, zouden zij zich dadelijk terugtrekken.

—Terugtrekken?—lachte Grinder.—Twee zulke beroemde en gevreesde vechtmeesters als wij, zich terugtrekken? De gedachte alleen is te dwaas om van te spreken!

De beide mannen gingen nog geruimen tijd voort, ons te hoonen en te bespotten tot ik eindelijk den voorzitter uitnoodigde zijn toestemming te geven, tot zulk een dubbel-duel, als Gods-oordeel. Het woord „Gods-oordeel” wekte wederom hun lachlust op, want zij waren er letterlijk trotsch op, niet aan een God te gelooven. Zij waren volkomen overtuigd, dat wij door den nood gedrongen, schijnbaar op het duel ingingen, maar voordat de avond aanbrak verdwenen zouden zijn. De kapitein evenwel, die wist, wie wij waren, verklaarde zich met mijn voorstel ingenomen en zoo werd bepaald, dat wij vier personen, ieder met een mes gewapend, van dienzelfden avond acht uur tot den volgenden morgen vroeg acht uur, in een ledige ruimte zouden worden opgesloten om de vraag of de aangeklaagden schuldig of wel onschuldig waren, uit te vechten. Terwijl de beide mannen weer werden weggeleid, wierpen zij ons schimpwoorden naar het hoofd die ik onmogelijk kan teruggeven. Zij vertrouwden er natuurlijk op, dat bij een nauwkeurig onderzoek geen spoor van goud bij hen was te vinden geweest en dat wij vreesachtige nieuwelingen waren, wien het niet zoude invallen van avond acht uur nog in het fort Hillock te zijn.

Toen zij weg waren, spraken wij nog even met den kapitein. Voor hem was de afloop van een duel tusschen Winnetou en Old-Shatterhand en twee zulke schelmen, niet twijfelachtig en de geheele bezetting van de plaats vond het hoogst interessant, dat zulk een gebeurtenis zich hier af zou spelen. Wij bezagen de aangewezen ruimte, een soort hut. Zij stond onder een boom en was uit ruwe planken samengetimmerd. Aan den buitenkant van de deur was een lange, zware houten grendel aangebracht. Binnenin was niets dan een weinig stroo, dat in den rechterachterhoek lag.

Wij bleven bijna tot acht uur bij de officieren, zonder dat er veel over het duel werd gesproken. Herhaalde malen evenwel vertelde ons de gevangenbewaarder dat Grinder en Slack gevraagd hadden of wij beiden nog aanwezig waren. Precies om acht uur werden zij naar de hut gebracht en kregen zij hun messen. Toen gaven wij al onze wapenen met uitzondering natuurlijk van onze messen, aan den kapitein, namen onze warme dekens mee en lieten ons naar het tooneel van den strijd brengen. Een soldaat ging ons vooruit met een fakkel. Grinder en Slack leunden tegen den achterwand met hun messen in de hand.

—Daar zijn zij!—riep Grinder.—Zij vliegen in hun verderf als muggen in de kaars. Waarom tot morgen vroeg te wachten? De deur kan in een kwartier weer geopend worden, want dan hebben wij de kerels reeds ter helle gezonden.

Dit moest zeer uitdagend klinken, maar wij hoorden wel dat zijn stem beefde. Nu het bleek dat wij niet, zooals hij had verwacht, verdwenen waren, werd hij toch wel angstig. Terwijl wij onze dekens in den hoek rechts uitspreidden, alsof wij daar wilden gaan liggen, zeide de kapitein tot hen:

—Het is wel mogelijk, dat het zoo gauw beslist is, als gij denkt, maar hoogstwaarschijnlijk is de uitslag anders dan gij vermoedt. Gij weet immers niet, wie deze Mr. Beyer en zijn Indiaan eigenlijk zijn?

—Wie zouden het zijn!—lachte Slack.—Menschen die nog niet eens droog zijn achter de ooren. God mag mij vandaag nog krankzinnig maken als deze kerels na verloop van een uur nog een enkelen druppel bloed in de aderen hebben!

—Houdt nu eindelijk eens op met uw gezwets! Als uw woorden bewaarheid worden, verlaat gij deze hut niet anders als de een blind en de ander krankzinnig. Gij zult nu eindelijk weten met wien gij te doen hebt. Deze heeren namelijk zijn Old-Shatterhand en zijn vriend Winnetou en wij zijn overtuigd dat zij deze hut geheel ongedeerd zullen verlaten.

—Old-Shatt.... Winn....!—klonk het van den achterwand. Van schrik konden zij de namen niet verder uitspreken en het duurde geruimen tijd voor Grinder er bijvoegde:—Ik mag dadelijk blind worden als dat niet een verdomde leugen is!

Nu trad ik op hem toe, greep hem met de rechterhand bij den gordel, hief hem op en wierp hem tegen den wand dat de planken kraakten; toen ging ik zonder een woord te zeggen weer naar mijn plaats terug. De kapitein nam voor mij het woord, terwijl Grinder zuchtend en kermend opstond.

—Dat was een bewijs dat ik de waarheid sprak,—zeide hij. Zulk een kunststuk kan alleen Old-Shatterhand uitvoeren. Wilt gij nu gelooven dat hij het is?

—Loop naar den duivel!—zeide Slack.—Dat is bedrog. Waarom werd ons niet eerder meegedeeld, wie het waren! Zij zullen ons hier langzaam en zeker slachten en in het donker neersteken. Dat is nog erger dan gewoon gevonnist worden. Wij willen weg, wij willen nogmaals verhoord worden.

—Wilt ge den moord bekennen?

—Neen en nog eens neen! Wij zijn onschuldig.

Nu legde Winnetou met een beweging van zijn hand allen het zwijgen op en zeide op zijn kalmen, indrukmakenden toon:

—Hier staat Winnetou, het opperhoofd der Apachen en hier staat zijn vriend Old-Shatterhand, dien niemand nog ooit heeft kunnen weerstaan. Ik heb nog geen woord gesproken en nu evenwel zal ik zeggen wat er moet gebeuren. Men moet ons nu alleen laten en den grendel op de deur doen. Ondanks de duisternis zullen onze messen de kelen der misdadigers weten te vinden, want onze oogen zijn gewend de duisternis te doorboren. Wij zijn als de slangen welke men ook niet hoort kruipen. Er zijn vandaag genoeg onnutte woorden gesproken, nu zullen de daden volgen en men zal niet anders hooren dan de doodskreten der moordenaars, die onder onze messen zullen vallen als de Burnings onder de hunne. Laat ons beginnen!

De manier waarop Winnetou sprak, maakte een verpletterenden indruk op de schurken. Zij vroegen op sidderenden toon genade, zij dreigden, zij vloekten, alles tevergeefs. Toen de fakkeldragers de ruimte verlieten, balden zij de vuisten en brulden van blind worden en krankzinnig maken. Eerst toen de deur was dichtgegrendeld, zwegen zij en vermeden zelfs het minste gedruisch om ons niet opmerkzaam te maken op de plaats waar ze zich bevonden.

Wat ons betreft het was niet ons doel hen te vermoorden, maar wel om hen door doodsangst tot bekentenis te brengen. Wij waren vast overtuigd dat zij niet den moed hadden ons aan te vallen, maar toch trokken wij onze dekens zacht van den eenen hoek naar den anderen en gingen met uitgestrekte beenen zoo liggen, dat ieder die ons wilde naderen niet bij ons kon komen, zonder onze voeten aan te raken. Toen wachtten wij met de messen in de hand wat er verder zou gebeuren.

Ik denk dat wij ongeveer een half uur zoo hebben gelegen, zonder dat wij eenig gedruisch vernamen. Toen werd het plotseling buitengewoon koud, zoo koud, dat het was alsof we zouden bevriezen, en kort daarop begon een hol, dof gebruis als van een hevigen wind welke over het dak streek. Slechts weinige minuten later hoorden wij buiten roepen:

—Ziet gij het St. Elmusvuur aan alle punten en hoeken? De Blizzard (sneeuwstorm) komt! Redt u, redt u in de blokhutten!

Blizzard, zoo heet in het westen van het Mississippi-gebied de vreeselijke sneeuwstorm, welke steeds uit het noorden komt, zich kenmerkt door een plotselinge daling van de temperatuur, doch tamelijk snel voorbijgaat. Dikwijls komen bij zulk een sneeuwstorm electrische verschijnselen voor en ondanks de felle vorst zijn bliksem en donderslagen geen zeldzaamheid. Wee dengene, wien deze Blizzard in het vrije veld, of in een niet te stevig gebouwde woning overvalt. De storm sleurt alles met zich mee en bedekt ieder voorwerp met een lijkwade van voetenhooge sneeuw.

Het roepen buiten hield op, de wachters waren in de blokhuizen gevlucht. Daar kwam de eerste windstoot, welke alles van de aarde scheen te willen vegen, alles uit de voegen te scheuren. En nu huilde, kraste, siste, steunde en brulde het om en boven ons als een onzichtbare vloed, welke geen oevers kent en geen erbarmen. De donder ratelde, de bliksemschichten volgden elkander op. Het binnenste der hut vulde zich met dichte stuifsneeuw, welke door de luiken naar binnen werd gedreven. Wij beefden van kou, wij klappertandden, hoewel wij de dekens stevig om ons toe hadden getrokken. De aarde beefde, de hut wankelde. Dit duurde wel meer dan een half uur, toen traden korte tusschenpoozen in, waarin wij Grinder en Slack hoorden steunen en kermen, misschien uit angst? Dat konden wij nu niet weten. Toen was het of de orkaan nog eens in een geweldigen windstoot zijn kracht wilde toonen. De bodem onder ons beefde, de hut kraakte, zij wankelde van rechts naar links, toen bezweek de achterste helft. En alsof de storm hiermee tevreden was, trad nu de kalmte in, even plotseling als zooeven de storm was opgekomen. Het gevaar was voorbij!

Werkelijk voorbij? Voor Winnetou en mij, zeker, maar ook voor de anderen? Onder de puinhoopen der ingestorte hut lag een gestalte, die zich met moeite daaruit werkte en toen onder luid gebrul wegliep. Uit den anderen hoek klonken onverstaanbare geluiden, alsof iemand wilde roepen en niet kon. Wij wierpen onze dekens af en liepen naar den hoek toe. Hier lag Grinder tusschen gebroken planken onder een balk, welke hem bijna de borst indrukte. Ik hief den balk op en Winnetou trok den zwaar gewonde er uit, die in onmacht viel, zoodra hij van zijn last was bevrijd. Wij droegen hem naar de officierswoning, waar de kapitein ons reeds bij de deur tegemoet kwam om na te zien, welke schade de storm in en om het fort had aangericht. Toen wij Grinder binnenbrachten en bij het vuur nederlegden, konden wij zijn verwondingen zien en uitten allen een kreet van schrik. Een plank was met den scherpen kant over zijn gezicht gevallen en had hem den neuswortel verbrijzeld en de oogen ingedrukt.

—Blind, blind!—riep de kapitein.—Hoe dikwijls heeft hij gezegd dat hij blind mocht worden. Dat is Gods oordeel!

Ik zeide geen woord, zoo diep was ik getroffen, ook Winnetou stond zwijgend naast mij. Toen verbonden wij den man en legden hem op een legerstede van een der luitenants. Hierop gingen wij naar buiten om te zien, wat er verder was gebeurd. De eenige schade welke de orkaan had aangebracht, bestond hierin, dat de hut was ingestort. Nu moesten wij nog zoeken naar den verdwenen Slack. Zijn spoor leidde naar de planken omheining, waarover hij was geklommen en verder naar het nabijzijnde bosch. De sneeuw lag hoog, ook zonder licht konden wij het spoor duidelijk zien. Aan den zoom van het bosch gekomen hoorden wij een menschelijke stem. Wij drongen door het kreupelhout en vonden Slack, die onder een boom de sneeuw had omgewoeld en languit op den grond liggend de eene hand onder de wortels hield, terwijl hij als een kind zong:

—Stofgoud, nuggets.... stofgoud, nuggets,.... acht buidels vol.... acht buidels vol!

Hij liet zich niet, dan met geweld wegsleuren en nu vonden wij, onder het mos, acht leeren buidels vol goud. Dit kwam geheel overeen met wat de Burnings hadden genoteerd, het was dus het goud, dat hun den dood had bezorgd.

Slack werd naar het fort gebracht. Daar zagen wij, dat er bloed in zijn haren kleefde. Toen wij zijn hoofd onderzochten, bleek het, dat ook hij door neervallende balken zwaar gekwetst was geworden. Of ten gevolge daarvan zijn geest was beneveld of dat reeds van te voren door angst, zijn verstand was verloren gegaan, dat kan ik niet zeggen! Dus Grinder blind en Slack krankzinnig. Juist zooals zij het in hun godslastering hadden gezegd!

Zonderling genoeg, volgde op dezen verschrikkelijken dag een tijd van zacht weer, zoodat wij onzen tocht konden vervolgen. Grinder en Slack bleven op het fort achter. Hun lot hing nu af van de daar geplaatste officieren, die ons een eind weegs uitgeleide deden. De beide Caddo-Indianen kregen Grinder’s en Slack’s paarden ten geschenke, zij konden dus met ons vertrekken. Wij brachten hen tot aan de Platterivier, waar zij afscheid van ons namen, vol dankbaarheid, dat wij hen van een zekeren dood hadden gered.

Vier jaar later stapte ik in Baton Rouge uit den Mississippi-steamer, daar ik op de stoomboot naar Natchez moest wachten. Aan de landingsplaats zaten twee bedelaars, ellendig, mager en in lompen gekleed. Hun gezichten kwamen mij bekend voor. De een miste de oogen en op de plaats waar de neuswortel moest zitten had hij een diep breed litteeken. De andere hield mij met een smeekend gebaar den hoed toe. Toen ik er een zilverstuk in wierp, stak hij het haastig in zijn zak en prevelde:

—Stofgoud, nuggets... acht buidels vol.... acht buidels vol!

Nu wist ik wie ik voor mij had. De moordenaars hadden dus op fort Hillock niet den welverdienden dood gevonden, maar het leven dat zij nu leidden, was erger dan de dood.

In hetzelfde jaar kwam ik toevallig in Mobery in Missouri. Daar vroeg ik naar de familie van de gebroeders Burnings. Ik kreeg de geheele geschiedenis van den moord te hooren en wel met allerlei uitweidingen over de groote daden van Old-Shatterhand en Winnetou. Ik zeide niet, wie ik was, maar was tevreden toen ik vernam, dat de kapitein aan de bloedverwanten van de vermoorden de acht buidels vol goud had doen toekomen.

HOOFDSTUK VIII.

SAM’S BEVRIJDING.

Laat mij thans met mijn verhaal terugkeeren naar vriend Sam, die door de Kiowa’s gevangen was.

Men kan zich voorstellen dat Winnetou’s smart over het verlies van zijn vader en zijn zuster groot was. Gedurende de begrafenis mocht hij zich vrij overgeven aan zijn droefheid, daarna evenwel moest hij alles in zijn binnenste verkroppen. Dit werd hem geboden, deels door de Indiaansche gewoonten, deels doordat hij al zijn aandacht moest schenken aan de vermoedelijke komst der Kiowa’s. Hij was thans niet meer de door het droevige verlies bijna verpletterde zoon en broeder, maar de aanvoerder van een schare krijgers, waarmede hij den aanval der vijanden had af te wachten en den moordenaar wilde vangen. Hij scheen met zijn plannen gereed te zijn, want dadelijk na de begrafenis beval hij den Apachen de paarden die in het dal graasden te halen.

—Waarom geeft mijn broeder daartoe het bevel?—vroeg ik.—Het terrein is zoo moeilijk, dat het bijna niet mogelijk is de dieren daarheen te brengen.

—Dat weet ik—antwoordde hij,—maar toch moet het gebeuren. Ik wil de Kiowa’s overrompelen, zij hebben den moordenaar in hun midden opgenomen en moeten allen sterven,—allen zonder uitzondering!

Zijn gezicht had op dit oogenblik een uitdrukking van vastberadenheid en indien hij zijn voornemen ten uitvoer bracht, waren de Kiowa’s verloren. Ik dacht er anders over dan hij. Zij waren wel is waar onze vijanden, maar droegen toch geen schuld aan den dood van Intschu Tschuna en van zijn dochter. Zou ik wagen hem tot andere gedachten te brengen? Misschien haalde ik mij daardoor zijn ongenoegen op den hals, maar de gelegenheid tot zulk een verzoek was gunstig, daar wij geheel alleen waren. De Apachen hadden zijn bevel dadelijk opgevolgd en zich verwijderd en Stone en Parker waren met hen meegegaan. Niemand kon ons dus hooren, wanneer hij mij in toorn een antwoord gaf, dat mij in tegenwoordigheid van anderen zou hebben kunnen krenken. Ik deelde hem dus mijn zienswijze over een en ander mede en tot mijn verbazing was de uitwerking mijner woorden een geheele andere dan ik verwacht had. Hij zag mij wel is waar met groote sombere oogen aan, maar antwoordde op kalmen toon:

—Ik moest dit wel van mijn broeder verwachten, hij vindt het geen zwakheid den vijand uit den weg te gaan.