Part 16
—Zoo, gij zijt daardoor ook zoo’n bijzonder knappe kerel geworden. Maar ik zeg u, dat hier met al uw list niets te doen valt. De roodhuiden zullen doen wat zij verkiezen en er zich weinig om bekommeren, of wij list of geweld gebruiken.
—Welnu dan, ik zie, dat ik op uw steun niet behoef te rekenen en ik zal dus, wanneer de nood dringt, alleen handelen.
—Om Gods wil, doe geen dwaasheden! Gij behoeft niets alleen te doen. Ik heb immers niet gezegd, dat ik niet voor de Apachen in de bres wilde springen, maar het is nooit mijn gewoonte geweest, met den kop tegen den muur te loopen, ik zeg u, de muren zijn altijd harder dan de koppen.
—En ik heb evenmin gezegd, dat ik het onmogelijke mogelijk wil maken. Wij weten nog in ’t geheel niet, wat de Kiowa’s met hun gevangenen voorhebben en wij behoeven ons dus nog nergens ongerust over te maken. Laat ons afwachten en dan handelen, zooals ons het beste voorkomt.
—Een voorzichtig man stelt zich daarmee niet tevreden. Wij hebben deze bepaalde vraag te beantwoorden: wat zullen wij doen, indien de Apachen gedood zullen worden?
—Wij dulden dit niet.
—Dat beteekent niets, niet dulden. Gij moet u duidelijker uitdrukken.
—Wij verzetten ons daartegen.
—Dat zal niets baten.
—Dan dwing ik den hoofdman zich naar mijn wil te voegen.
—Hoe zult gij dat doen?
—Ik zal hem persoonlijk aanvallen en hem het mes op de borst zetten.
—En hem doorsteken?
—Als hij niet gehoorzaamt, zeker.
—Drommels gij zijt een dappere kerel!—riep hij verschrikt.—Zoudt gij zoo iets durven?
—Ik verzeker u, dat ik het zou doen.
—Dat is.... dat is....—Hij hield even op, zijn gezicht nam een geheel andere uitdrukking aan en toen vervolgde hij:—Hoor eens, dat is niet zoo kwaad bedacht, den hoofdman het mes op de keel te zetten, is de eenige manier, om hem te dwingen te doen, wat wij willen. Het is waar, een greenhorn kan ook nog wel eens een schrandere gedachte hebben.
Hij wilde verder gaan, maar Bancroft kwam op ons toe en drong er op aan, dat wij aan het werk zouden gaan. De man had gelijk, wij mochten geen uur verliezen, wilden wij met ons werk gereed zijn, voor Intschu Tschuna en Winnetou hier terug konden zijn.
Tot aan den namiddag waren wij druk bezig, toen evenwel kwam Sam op ons toe en zeide:
—Ik moet u helaas storen, sir, want de Kiowa’s schijnen iets voor te hebben met hun gevangenen.
—Iets? dat is zeer onbepaald, weet gij niet wat?
—Ik heb wel eenig vermoeden, zij schijnen de arme kerels aan den folterpaal te willen laten sterven.
—Wanneer? later of nu dadelijk?
—Natuurlijk nu, anders was ik niet bij u gekomen. Ik heb allerlei voorbereidselen zien maken.
—Maar dat mag niet gebeuren. Waar is het opperhoofd?
—Bij zijn krijgers.
—Wij moeten zien hem hierheen te lokken. Wilt gij dat op u nemen, Sam?
—Ja, maar hoe zal ik dat aanleggen?
Ik zag eens om mij heen. De Kiowa’s waren niet meer daar, waar zij gisteren gelegerd hadden. Zij waren ons gevolgd en hadden zich neergezet aan den rand van een klein boschje. Rattler en zijn lieden waren bij hen gebleven en Sam Hawkins had, om een oogje op hen te kunnen houden, tot nu toe in hun nabijheid rondgeloopen, terwijl Parker en Stone bij mij waren gebleven. Tusschen de roodhuiden en de plaats, waar ik op dit oogenblik stond, lag eenig kreupelhout, dat de Kiowa’s verhinderde te zien, wat bij ons gebeurde. Ik antwoordde op Sam’s vraag:
—Zeg hem eenvoudig, dat ik hem iets heb te zeggen, maar dat ik om mijn werk niet van hier kan, dan zal hij wel komen.
—Ik hoop het. Maar wanneer hij anderen meebrengt?
—Die laat ik dan aan u, Stone en Parker over. Ik neem hem voor mijn rekening. Houd riemen gereed om hem te binden. De zaak moet vlug, maar zoo mogelijk zonder leven maken afloopen.
—Welnu, ik weet niet of wat gij voorhebt, goed is, maar ik weet niets beters en daarom moet gij uw zin maar hebben. Wij wagen ons leven, maar wij zullen het duur verkoopen, hihihihi!
Zoo op zijn eigenaardige wijze lachend, verwijderde hij zich. Mijne heeren collega’s bevonden zich niet ver van ons, maar zij hadden ons gesprek toch niet kunnen hooren. Ik dacht er ook niet aan, hun iets mede te deelen van mijn plannen, want ik wist, dat zij mij stellig zouden tegenwerken. Hun eigen leven was hen meer waard dan dat der Apachen.
Ik was mij hetgeen ik waagde volkomen bewust. Mocht ik Dick Stone en Will Parker aan zulk een groot gevaar blootstellen, zonder hen vooraf op de hoogte te brengen? Neen. Ik vertelde hen dus alles en vroeg, of zij misschien liever niet mee wilden helpen. Stone antwoordde evenwel dadelijk:
—Waar denkt gij aan, sir! Ziet gij ons aan voor schurken, die hun vriend in den steek laten, wanneer deze zich in nood bevindt? ’t Is een waagstuk wat gij voorhebt, en wij, als echte prairiejagers, verheugen er ons reeds op, niet waar, Will?
—Ja,—knikte Parker,—ik zou wel eens willen zien, of wij met ons vieren het niet tegen tweehonderd Indianen zouden kunnen houden. Ik verheug er mij reeds op, hen al brullend te zien aankomen, terwijl zij ons toch niets durven doen.
Ik werkte rustig door, tot Stone na eenigen tijd riep:
—Houd u gereed, sir, zij komen.
Nu keerde ik mij om. Sam kwam met Tangua, doch helaas gevolgd door drie roodhuiden.
—Ieder een man,—zeide ik—ik neem den aanvoerder, gij de anderen, maar neem hen bij de keel, opdat zij niet kunnen schreeuwen en wacht tot ik het voorbeeld geef.
Ik ging Tangua langzaam tegemoet, Stone en Parker volgden mij. Wij stonden zoo, dat de andere Kiowa’s ons door het kreupelhout niet konden zien. De aanvoerder zette een allesbehalve vriendelijk gezicht en zeide:
—Het bleekgezicht, dat Old-Shatterhand wordt genoemd, heeft mij laten komen. Heeft hij vergeten, dat ik de aanvoerder der Kiowa’s ben?
—Neen, dat weet ik zeer goed,—antwoordde ik.
—Dan hadt gij bij mij moeten komen, in plaats van ik bij u. Daar ik echter weet, dat gij nog maar kort in dit land zijt en dus nog moet leeren beleefd te zijn, zal ik u deze fout vergeven. Wees kort, want ik heb geen tijd.
—Wat hebt gij dan voor gewichtigs te doen?
—Wij willen die honden van Apachen eens laten kermen.
—Wanneer?
—Zoo aanstonds.
—Waarom nu reeds? Ik dacht, dat gij de gevangenen mee wildet nemen naar uw wigwams en ze daar, in tegenwoordigheid van uw vrouwen en kinderen, aan den folterpaal wildet laten sterven.
—Dat was ook ons plan, maar zij zouden ons maar hinderen bij den krijgstocht welken wij ondernomen hebben, daarom zal ik ze nu maar laten sterven.
—Ik verzoek u, dit niet te doen.
—Gij hebt niets te verzoeken,—was het antwoord.
—Wilt gij niet even beleefd jegens mij zijn, als ik tegen u? Ik deed slechts een verzoek. Had ik u een bevel gegeven, dan hadt gij misschien reden, om lomp tegen mij te zijn.
—Ik wil van u niets hooren, geen bevel en ook geen verzoek. Ik zal, ter wille van een bleekgezicht, geen verandering brengen in een eens genomen besluit.
—Misschien zult gij dit toch doen. Hebt gij het recht, de gevangenen te dooden? Ik wil uw antwoord niet hooren, want ik ken dit, maar men kan een mensch snel dooden en ook langzaam doodmartelen. Wij zullen niet toestaan, dat dit laatste in onze tegenwoordigheid geschiedt.
Nu rekte hij zich uit en zeide op minachtenden toon:
—Niet toestaan? Wat verbeeldt gij u! Gij zijt tegenover mij niet meer dan een pad, die tegen een beer wil vechten. De gevangenen behooren mij en ik zal met hen doen, wat ik verkies.
—Zij zijn in uw handen gekomen door onze hulp en wij hebben evenveel recht op hen, als gij. Wij wenschen, dat zij in leven zullen blijven.
—Wensch wat gij wilt, blanke hond, ik lach om uw woorden!
Hij spuwde op den grond en wilde zich omkeeren, maar terzelfder tijd trof hem mijn vuist, zoodat hij neerviel. Hij was evenwel niet geheel bewusteloos en wilde weer opstaan. Daardoor moest ik mij bukken, om hem nog een slag te geven en kon dus niet op de anderen letten. Toen ik hem den tweeden slag had gegeven, en mij weer oprichtte, zag ik Sam Hawkins op een der roodhuiden knielen, Stone en Parker worstelden met den tweede en de derde, liep luid schreeuwend weg.
Ik kwam Sam te hulp. Toen wij zijn Kiowa hadden gebonden, waren ook Dick en Will met hun gevangene gereed.
—Dat was niet heel handig van u,—zeide ik tot hen,—waarom hebt gij den derden laten ontkomen?
—Omdat ik toevallig juist op denzelfden los ging als Stone,—antwoordde Parker,—daardoor gingen niet meer dan twee seconden verloren, maar de schurk heeft ze gebruikt om te ontkomen.
—Het doet er niets toe,—troostte Sam Hawkins ons,—alleen verhaastten wij den loop der dingen wat. Binnen een paar minuten zullen de roodhuiden hier zijn, laat ons zorgen, dat wij ruimte hebben.
Terwijl wij den aanvoerder stevig bonden, kwam de hoofdingenieur, die met grooten schrik gezien had, wat er was gebeurd, op ons toeloopen:
—Wat begint ge toch,—schreeuwde hij—wat hebben de Indianen u gedaan? Zij zullen ons vermoorden.
—Zeker zal dat gebeuren, als gij u niet spoedig bij ons voegt,—antwoordde Sam.—Roept uw makkers en komt mee. Wij zullen u beschermen.
—Gij ons beschermen.—Dat is....
—Zwijg—viel de kleine Sam hem in de rede,—wij weten zeer goed wat wij willen, wanneer gij niet bij ons blijft, zijt gij verloren, vlug wat!
Wij namen de drie gebonden Indianen op, en droegen ze, zoo vlug wij konden, een eind de prairie in, waar wij hen nederlegden. Bancroft en zijn drie opzichters waren ons gevolgd. Wij hadden deze plaats uitgekozen, omdat wij op vrij terrein veiliger waren dan op een plaats, welke wij niet geheel konden overzien.
—Wie zal met de roodhuiden spreken, als zij komen, ik misschien?—zoo vroeg ik aan Sam.
—Neen sir,—was het antwoord,—laat dat aan mij over, gij zijt het half-indiaansche mengelmoes niet voldoende machtig. Kom mij echter op het geschikte oogenblik te hulp, door te doen, alsof gij den hoofdman wilt doorsteken.
Nauwelijks had hij dit gezegd, of wij hoorden het woedend gehuil van de Kiowa’s en eenige oogenblikken laten zagen wij hen bij het zooeven genoemde kreupelboschje. Zij sprongen er om- en doorheen, en kwamen eindelijk op ons toe, maar daar de een sneller liep dan de andere, vormden zij geen aaneengesloten troep, maar een lange rij van enkele personen. Dit was voor ons gemakkelijker, een geordende schaar zou niet zoo licht tot staan zijn gebracht.
De dappere Sam ging hun een eind weegs tegemoet en gaf hun met beide armen een teeken, te blijven staan. Ik hoorde, dat hij hun iets toeriep, maar verstond niet wat. Eerst schenen zij er geen acht op te slaan, maar toen hij zijn woorden herhaalde, bleven de voorste Kiowa’s staan en de anderen volgden hun voorbeeld. Toen wenkte ik Stone en Parker, om met mij, den aanvoerder overeind te helpen en toen hij stond, ging ik met een mes dreigend voor hem staan. De roodhuiden huilden van schrik en angst. Sam sprak tot hen en wij zagen, dat een die onderbevelhebber scheen te zijn, onder Sam’s geleide langzaam naar ons toe kwam. Zoodra hij bij ons was, wees Sam op de drie gevangenen en zeide tot hem:
—Gij ziet, dat ik u de waarheid heb gezegd, ze zijn geheel in onze macht.
De onderbevelhebber, die nauwelijks zijn woede kon verbergen, zag de drie gevangenen aan en antwoordde:
—Deze beide gebonden krijgers zijn nog in leven, maar het opperhoofd schijnt dood te zijn.
—Hij is niet dood. Old-Shatterhand heeft hem met zijn ijzeren vuist neergeveld, hij is bewusteloos, maar zijn bewustzijn zal weldra terugkeeren. Wacht maar een oogenblik en ga zoolang bij ons zitten. Zoodra de hoofdman weder tot zichzelf gekomen zal zijn, zullen wij met hem en u beraadslagen. Zoodra echter één der Kiowa’s een wapen tegen ons opheft, doorboort het mes van Old-Shatterhand Tangua’s hart, dat verzeker ik u.
—Durft gij uw hand opheffen, tegen ons, die uw vrienden zijn?
—Vrienden? gij meent zelf niet wat gij zegt.
—Hebben wij dan de vredespijp niet met u gerookt?
—Ja maar wij vertrouwen u niet.
—Waarom niet?
—Is het de gewoonte der Kiowa’s hun vrienden en broeders te beleedigen?
—Neen.
—Welnu, uw hoofdman heeft Old-Shatterhand beleedigd en daarom kunnen wij u niet als vrienden beschouwen. Zie, Tangua begint zich te bewegen!
Tangua, die door Stone en Parker weer was neergelegd, bewoog zich werkelijk, hij sloeg de oogen op, zag van den een naar den ander, als moest hij zich even bedenken wat er gebeurd was; langzamerhand scheen het bewustzijn terug te keeren en hij riep uit:
—Oef, oef, Old-Shatterhand heeft mij neergeveld, wie heeft mij gebonden?
—Ik,—antwoordde ik.
—Neem mijn riemen af, ik beveel het.
—Zooeven wildet gij niet hooren naar mijn verzoek, nu let ik niet op uw bevel; gij hebt ons niets te bevelen!
Hij zag mij woedend aan en zeide knarsetandend:
—Zwijg knaap, of ik verpletter u!
—Het zwijgen past u beter dan mij. Gij hebt mij zooeven beleedigd en ik heb u daarom tegen den grond geslagen. Old-Shatterhand laat zich niet ongestraft een pad en een hond noemen. Als gij niet beleefd zijt, zal ik u nog beter straffen.
—Ik wil vrij zijn. Als gij mij niet gehoorzaamt, laat ik u door mijn krijgers van de aarde verdelgen.
—Gij zelf zoudt daarbij het slechtst er aan toe zijn, want luister: daar staan uw mannen, zoodra een van hen ook maar den voet opheft, om ons te naderen, stoot ik u dit mes in het hart. Howgh!
Ik zette hem de punt van het mes op de borst. Hij moest wel inzien, dat hij zich in onze macht bevond en begrijpen, dat ik mijn bedreiging waar zou maken; hij gaf zich dus moeite, zijn toorn te beheerschen en vroeg op kalmeren toon:
—Wat wilt gij dan eigenlijk van mij?
—Niets anders, dan wat ik u zooeven reeds gezegd heb, ik wil niet dat de Apachen aan den folterpaal zullen sterven.
—Gij verlangt misschien, dat zij in ’t geheel niet gedood zullen worden?
—Doe later met hen wat ge wilt, maar zoolang wij hier zijn, mag hun geen leed geschieden.
Hij zag een tijdlang zwijgend voor zich. Ondanks de kleuren, waarmee zijn gezicht beschilderd was, zag ik dat het afwisselend rood en bleek werd, daarom verwonderde het mij niet weinig, dat hij zoo spoedig met zijn antwoord gereed was.
—Uw wensch zal vervuld worden,—zeide hij,—ja, ik zal nog meer doen, als gij het voorstel aanneemt, dat ik u ga doen.
—En welk voorstel is dat?
—Eerst wil ik u nog zeggen, dat ik volstrekt niet bang ben voor uw mes. Gij zult u wel wachten, mij te doorsteken, want als gij dit deedt, zoudt gij door mijn krijgslieden in stukken worden gescheurd. Gij moogt nog zoo dapper zijn, tegen tweehonderd man zijt gij niet opgewassen. Ik lach dus om uw bedreiging. Ik kan gerust zeggen, dat ik niet aan uw verzoek voldoe en toch zoudt gij mij niets doen. Maar de honden van Apachen zullen niet aan den folterpaal sterven, ik beloof u zelfs, dat wij in ’t geheel niet zullen dooden, als gij voor hen op leven en dood wilt vechten.
—Met wien?
—Met een mijner krijgers, dien ik zal uitkiezen.
—Met welk wapen?
—Het mes. Als hij u doorsteekt, moeten ook de Apachen sterven, doorsteekt gij hem, dan blijven zij leven.
—En zijn vrij?
—Ja.
Ik begreep zeer goed, dat hij de een of andere bijbedoeling had met dit voorstel. Waarschijnlijk hield hij mij voor den gevaarlijkste onder de aanwezige blanken en wilde hij mij onschadelijk maken, want natuurlijk zou hij een der uitnemendste vechtersbazen als tegenpartij voor mij kiezen. Zonder mij evenwel lang te bedenken, antwoordde ik:
—Ik neem uw voorstel aan; wij zullen de verschillende voorwaarden bespreken en onder het rooken van een pijp ons plan bezweren en dan kan de strijd dadelijk een aanvang nemen.
—Wat begint gij, sir?—viel nu Sam Hawkins in.—Ik kan onmogelijk toestaan, dat gij zulk een dwaasheid begaat.
—Het is geen dwaasheid, beste Sam.
—De grootste dwaasheid, welke gij bedenken kunt. Bij een eerlijken strijd moeten de kansen gelijk staan, maar dit is hier niet het geval.
—Zeker wel.
—Neen, zeker niet. Hebt gij dan wel ooit te voren met iemand gevochten op leven en dood en enkel met het mes als wapen?
—Neen.
—Welnu, gij krijgt natuurlijk een tegenstander, die een meester is in het snijden en steken. En bedenk dan toch de gevolgen, wanneer hij overwinnaar wordt. Dan worden de Apachen vermoord. En als uw tegenstander valt, wie sterft dan? Niemand?
—Maar dan worden de Apachen in vrijheid gesteld.
—Gelooft gij dat werkelijk?
—Ja, want wij rooken eerst een pijp samen, en dit geldt voor een eed.
—Vertrouw dien eed toch niet, de schelmen hebben allerlei bijbedoelingen. En zelfs al was die eed eerlijk gemeend, gij zijt een greenhorn en....
—Houd u toch stil met uw greenhorn, beste Sam!—viel ik hem in de rede,—gij hebt nu reeds meermalen ondervonden dat deze greenhorn zeer goed weet, wat hij wil.
Hij bleef nog geruimen tijd in zichzelf brommen; ook Dick en Parker rieden mij af het te doen, maar ik bleef bij mijn eensgenomen besluit en Sam riep dan ook eindelijk mismoedig uit:
—Welnu dan, loop dan voor mijn part met den kop tegen den muur, ik zal er geen woord meer van zeggen, ik zal evenwel zorgen, dat bij dit gevecht alles eerlijk toegaat en wee dengene die u of ons wil bedriegen! Dien schiet ik met mijn Liddy in de lucht, dat hij in duizend stukken in de wolken blijft hangen!
Nu werd het volgende afgesproken: op een kale ruimte, welke in de nabijheid lag, werd in het zand een acht (8) getrokken, dus twee cirkels op elkaar. De beide tegenstanders zouden elk in een van deze cirkels gaan staan en gedurende het gevecht deze plaats niet mogen verlaten. De strijd zou niet beslist zijn, voor een van beiden gedood was, doch de doode mocht niet door zijn makkers gewroken worden.
Toen wij het over deze voorwaarden eens waren geworden, werd de aanvoerder van zijn banden ontdaan en ik rookte met hem de calumet. Daarop werden ook de beide anderen vrijgemaakt en de vier roodhuiden begaven zich nu naar hun makkers terug, om hen voor te bereiden op het schouwspel dat hen wachtte.
De hoofdingenieur en de andere opzichters deden mij het eene verwijt na het andere, ik stoorde er mij niet aan. Ook Sam, Dick en Will keurden mijn besluit af, maar spraken er verder niet met mij over. Hawkins alleen zeide op bezorgden toon:
—Gij hadt wel iets anders kunnen bedenken, sir! Maar ik heb het altijd gezegd en zeg het ook nu weer: gij zijt een lichtzinnig mensch. Wat hebt ge er eigenlijk aan te worden doodgestoken, vertel mij dat eens!
—Wat ik er aan heb? Den dood natuurlijk, meer niet!
—Meer niet? Maak daar toch geen gekheid over. De dood is ’t laatste wat een mensch kan overkomen, als men eenmaal gestorven is, is ’t uit.
—Toch niet.
—Zoo? wat gebeurt er dan?
—Dan wordt men nog begraven!
—Houd uw mond, sir, als gij niets beters weet, dan mij ook nog te plagen, wou ik wel dat ik mijn vriendschap aan een waardiger persoon had verspild.
—Plaag ik u werkelijk, beste Sam?
—Ja, natuurlijk, wees toch niet zoo dom! Het is zoo goed als zeker, dat gij zult sterven. Wat zal ik dan doen op mijn ouden dag? Ik moet zoo’n greenhorn hebben, met wien ik zoo nu en dan eens kan redetwisten. En als gij er nu niet meer zijt, wat zal ik dan doen?
—Wel, dan neemt gij een anderen greenhorn.
—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want zulk een onverbeterlijken greenhorn als gij zijt, vind ik mijn leven lang niet weer. Maar ik zeg u, als u iets kwaads overkomt, zullen de roodhuiden nog lang aan mij denken. Ik vlieg als een razende Roland op hen aan. Maar vertel mij eens, waar blijft uw gevoel van menschelijkheid waarover gij ’t altijd zoo druk hebt? Ik weet dat gij een goed hart hebt en niet gaarne een mensch doodt. Gij zijt toch niet van plan, den kerel met wien gij moet vechten te sparen?
—Hm, hm.
—Hm, hm? doe dat toch niet, het gaat op leven en dood!!
—Als ik hem nu alleen verwond?
—Dat geldt niet, zooals gij hebt gehoord.
—Ik bedoel, dat ik hem zoo verwond, dat hij niet meer kan vechten.
—Dat geldt evenmin, dan wordt gij niet als overwinnaar beschouwd en moet weer opnieuw den strijd met een ander beginnen. Gij hebt wel gehoord, dat de overwonnene moet sterven, hoort gij ’t wel, dat moet! Gij moet hem dus dooden! Maak daarover geen bezwaar. Voor gij een goed prairiejager zult worden, zal uw mes nog menigmaal met een stuk menschenvleesch in aanraking moeten komen. Bedenk toch, dat al deze Kiowa’s roovers en moordenaars zijn, dat zij alleen schuld dragen aan alles, wat thans geschiedt, want zij hebben het eerst de paarden der Apachen gestolen. Als gij zulk een schurk doodt, redt gij het leven van vele brave Apachen, spaart gij hem, dan zijn zij verloren. Beloof mij dus, dat gij u zult gedragen als een echte prairiejager, die niet van schrik in onmacht valt bij den eersten den besten druppel bloed, welke hij ziet vloeien!
—Als u dat gerust kan stellen, wil ik u wel beloven, dat ik hem niet zal sparen, hij zal het mij ook niet doen. Het is een tweegevecht op leven en dood en ik heb niet te doen met een nobel en eerlijk mensch, maar met een spitsboef en moordenaar.
—Goed zoo, nu ben ik weer gerustgesteld, maar toch heb ik een gevoel, alsof een zoon van mij ter slachtbank wordt gevoerd. Het liefst zou ik in uw plaats willen vechten. Wilt gij mij dat niet toestaan, sir?
—Neen, beste Sam. Ten eerste heeft, dunkt me het leven van een greenhorn minder waarde dan dat van zulk een flinke prairiejager als gij zijt en ten tweede....
—Houd toch uw mond, aan zoo’n ouden kerel als ik, ligt niet veel gelegen, maar zoo’n jonge, veelbelovende....
—Kom, houdt gij nu ook uw mond!—viel ik hem in de rede—en ten tweede zou het laf en eerloos zijn, als ik mij terugtrok en een ander voor mij liet vechten. Trouwens, de aanvoerder zou daarmee geen genoegen nemen, want hij heeft het juist op mij voorzien.
—Dat is het juist, wat ik mij niet kan verklaren, hij heeft het op u gemunt, juist op u, ik hoop, dat alles anders uitvalt, dan hij het zich voorstelt. Pas op, daar komen ze aan!
De Indianen naderden langzaam. Zij waren niet zoo talrijk, want velen waren als bewakers van de Apachen achtergebleven. Tangua voerde ze aan ons voorbij, tot aan de plaats, welke ik zooeven beschreef. Daar aangekomen, gingen zij staan in een driekwartcirkel, het laatste kwart moest door de blanken worden aangevuld. Wij deden dit. Op een wenk van den aanvoerder trad nu uit de rijen der krijgers een roodhuid naar voren, van werkelijk herculische gestalte. Hij legde al zijn wapenen af en behield alleen het mes. Toen ontkleedde hij zich tot aan de heupen. Wie zijn spieren zag, moest wel beven van angst en vrees voor zijn leven. De aanvoerder begon nu, met een stem, welke getuigde van de zekerheid der overwinning.
—Hier staat Metan-akva (Bliksemmes), de sterkste krijger der Kiowa’s, wiens mes niemand nog heeft weerstaan, de vijand stort neer onder zijn steek, als door den bliksem getroffen. Hij zal vechten met het bleekgezicht, genaamd Old-Shatterhand.
—Drommels!—fluisterde Sam mij toe,—hij is een ware Goliath! Mijn beste sir, het is met u gedaan!
—Kom, kom!
—Werkelijk, ik heb weinig hoop. Er is maar één mogelijkheid om dezen kerel te overwinnen!
—En die is?