Chapter 32 of 43 · 3952 words · ~20 min read

Part 32

Wij daalden den oever weer af, kwamen bij de Apachen terug en snelden nu naar onze legerplaats, waar wij evenwel alles in de beste orde vonden. De Kiowa’s konden evenwel ook later komen, daarom bestegen wij onze paarden en reden een flink eind de prairie in. Indien de Kiowa’s nu nog mochten komen, zouden zij ons niet meer vinden en in elk geval tot den ochtend moeten wachten om ons te zoeken. Den gevangene hadden zij natuurlijk niet laten liggen, maar meegenomen.

Nu bleef ons ook niets anders over, dan geduldig den volgenden morgen af te wachten. Wie slapen kon, sliep, wie dit niet kon bleef wakker. Zoo ging de nacht voorbij en toen de morgen begon aan te breken, stegen wij weer te paard en reden eerst weer naar onze legerplaats terug. Er was niemand geweest en onze bezorgdheid was dus onnoodig geweest, maar dit schaadde niet. Nu ging het over de rivier naar het boschje. De vuren waren uitgebrand en de aschhoopen alleen bewezen dat de Kiowa’s hier waren geweest.

Nu zochten wij de voetsporen op. Van de plaats waar ik de paarden had gezien, leidde het spoor der Kiowa’s in zuid-oostelijke richting. Het was duidelijk dat zij het plan om ons te overvallen hadden opgegeven.

En Sam? Dien hadden zij meegenomen, wat Dick Stone en Will Parker zeer aan het hart ging. Ook mij deed het leed, om het brave kereltje en ik was in staat alles te doen om hem te bevrijden.

—Als wij hem niet uit hun handen redden, zullen zij hem aan den folterpaal binden,—klaagde Dick Stone.

—Neen,—troostte ik hem.—Wij hebben immers ook een gevangene, een gijzelaar voor hen.

—Maar zullen zij dit weten?

—Zeker, Sam is wijs genoeg om hun dat te vertellen. Wat zij met hem doen, dat doen wij met onzen gevangene.

—Maar wij moeten deze Indianen na, wat er ook van kome.

—Neen.

—Wat? Wilt gij hem dan in den steek laten?

—Ook niet.

—Hoe rijmt ge dat nu samen?

—Wel, ik laat mij door die roode kerels niet voor gek de savanna rondvoeren.

—Wat bedoelt gij? Ik begrijp u niet!

—Welnu zie dan dit spoor eens: hoe oud is dit?

—Zij zijn reeds voor middernacht weggereden, schijnt mij toe.

—Dat denk ik ook, dat is dus nu ongeveer tien uur geleden en zoudt gij denken dat wij desniettegenstaande zoo gemakkelijk dezen voorsprong vandaag kunnen inhalen?

—Neen.

—Of morgen?

—Evenmin.

—En waarheen denkt gij dat ze gereden zijn?

—Naar hun dorp.

—Dan zijn zij dáár, voor wij ze hebben ingehaald. Meent gij nu werkelijk dat het verstandig is, dat wij, twaalf personen, ons wagen in het groote gebied der Kiowa’s om een van hun dorpen te overvallen en een gevangene te bevrijden?

—Dat zou krankzinnigenwerk zijn.

—Juist, dat is ook mijn meening, wij zijn het dus eens: wij rijden hen niet achterna.

Nu krabde hij zich achter de ooren en bromde geërgerd:

—Maar Sam, Sam! Onze oude Sam, wat zal er met hem gebeuren? Wij kunnen hem daar toch niet laten!

—Neen, natuurlijk niet, wij zullen hem integendeel bevrijden.

—Loop rond, sir! Ik kan zulke raadsels niet oplossen! Eerst zegt gij dat wij de roodhuiden niet moeten volgen en dadelijk daarop beweert gij, dat hun gevangene bevrijd zal worden. De drommel mag dat begrijpen, ik niet!

—Ik zeg u, dat de Kiowa’s niet naar hun dorp gaan!

—Niet? Waarheen dan?

—Raadt gij dat niet?

—Neen.

—Hm. Wat zijt gij toch oude, ervaren prairiejagers! Dan ben ik maar blij dat ik een greenhorn ben. Wel de roodhuiden gaan natuurlijk naar de Nuggetsbergen.

—Naar.... de.... bergen, zou dat werkelijk zoo zijn?

—Zeker, ik ben er vast van overtuigd!

—Zij zijn er werkelijk toe in staat. Maar zij mogen immers de begrafenis niet storen?

—Dat is ook niet hun doel. Zij zullen geduldig wachten tot deze voorbij is. Zij zijn onze vijanden en die van de Apachen en zinnen op wraak. Santer’s komst was hun zeer welkom. Zij vernamen van hem den dood van Intschu Tschuna en zijn dochter en verheugden zich daarover zeer. Toen zij van Santer hoorden, dat wij hem achtervolgden, hoopten zij ons te zullen vangen, maar alleen Sam is in de door hen gestelde val geloopen. Nu willen zij het op een andere wijze beproeven. Zij doen alsof zij naar hun dorp willen teruggaan en wij hen daarom niet zullen volgen, zij nemen dus aan dat wij naar Winnetou terug zullen keeren. Wanneer zij eenigen tijd in zuid-oostelijke richting zijn gereden en, wanneer het toeval dit wil, nog meer van hun krijgers hebben ontmoet, keeren zij om en gaan naar de Nuggetsbergen, waar wij, naar zij denken, ons zullen laten overvallen en slachten.

—Een mooi plan, ja wel, een mooi plan! maar wij zullen zorgen dat het niet zoover komt.

—Ja, dat zullen wij. Waarschijnlijk is dit plan door Santer geopperd, die van deze gelegenheid gebruik wil maken om goud te krijgen. Kortom ik ben overtuigd dat alles zal gaan zooals ik u dit heb uitgelegd. Wilt gij de Kiowa’s nu nog achterna?

—Ik denk er niet meer aan. Uw veronderstelling schijnt mij wel wat gewaagd, maar zoolang ik u ken, hebt gij u zelden vergist en bijna altijd gelijk gehad, daarom zal het ook ditmaal wel zoo zijn, vindt gij ook niet Will?

—Ik denk ook dat Old-Shatterhand volkomen juist heeft geraden. Wij moeten hier vandaan en wel dadelijk, om Winnetou bijtijds te kunnen waarschuwen. Zijt gij dat met mij eens, sir?

—Ja.

—Nemen wij den gevangene mee?

—Natuurlijk, wij binden hem op Sam’s Mary vast, wat hem wel niet erg zal bevallen. Als gij daarmee klaar zijt, breken wij op. Eerst echter willen wij ginds bij de rivier een waterpoel zoeken om de paarden te drenken.

Een half uur later waren wij onderweg, niet best tevreden over het succes van onzen tocht. In plaats van Santer te vangen, hadden wij Sam verloren, maar door zijn eigen schuld en wanneer mijn veronderstelling juist bleek te zijn, dan stond het bijna vast dat wij Sam Hawkins bevrijden en Santer vangen zouden.

Bij de vervolging van dezen laatste waren wij natuurlijk gedwongen geweest op zijn spoor te blijven en hadden daarom een omweg moeten maken, omdat hij van zijn oorspronkelijke richting afgeweken en in een boog was gereden. Ik besloot dezen boog af te snijden en het gevolg daarvan was, dat wij reeds kort na twaalf uur van den volgenden dag voor de kloof stonden, welke naar de open plek voerde, waar de overval en de dubbele moord hadden plaats gehad.

Wij lieten de paarden onder de hoede van een Apache beneden in het dal en stegen omhoog. Aan den rand van de open plek stond een wachter, die ons slechts met een lichte handbeweging begroette. Wij zagen bij den eersten blik, hoe druk de Apachen het gehad hadden met de voorbereidselen voor de begrafenis van hun opperhoofd en diens dochter. Ik zag een aantal dunne boomstammen liggen, welke met de tomahawks waren geveld en bestemd waren voor den brandstapel. Bovendien waren er groote hoopen steenen opeengestapeld. De Apachen die ik bij mij had, begonnen dadelijk mede te helpen en ik vernam dat de begrafenis was bepaald op den volgenden dag.

Aan den kant had men een soort van hut opgericht, waarin de beide lijken werden bewaard. Winnetou bevond zich hierin. Er werd hem gezegd dat wij waren aangekomen en onmiddellijk kwam hij naar buiten. Hoe zag hij er uit!

Hij was altijd zeer ernstig en slechts bij zeldzame gelegenheden gleed er een glimlach over zijn gelaat. Luid lachen heb ik van hem evenwel nooit gehoord, maar niettegenstaande dezen ernst, hadden zijn mannelijke trekken toch steeds een uitdrukking van goedheid en welwillendheid en zijn donker oog kon soms zelfs vriendelijk rondblikken. Vandaag evenwel, van dit alles geen spoor! Zijn gezicht scheen hard als steen te zijn geworden en zijn oog staarde somber voor zich uit. Zijn bewegingen waren langzaam en moeilijk. Hij kwam op mij toe, zag onderzoekend om zich heen, schudde mij de hand, zag mij aan met een uitdrukking, welke mij door de ziel sneed en vroeg:

—Wanneer is mijn broeder teruggekeerd?

—Zooeven.

—Waar is de moordenaar?

—Hij is ontkomen.

De oprechtheid gebiedt mij te erkennen dat ik bij dit antwoord de oogen neersloeg; ja, ik moet zeggen dat ik mij een weinig schaamde.

Ook hij zag naar den grond! Hoe gaarne zou ik in zijn binnenste hebben willen lezen. Daarop vroeg hij:

—Heeft mijn broeder het spoor verloren?

—Neen, ik heb het, hij zal hier komen.

—Old-Shatterhand kan verder vertellen.

Hij ging op een steen zitten, ik eveneens en nu deed ik hem een nauwkeurig verslag van alles, wat er gebeurd was. Hij hoorde mij zwijgend aan, dacht een poos na en vroeg eindelijk:

—Dus weet mijn broeder niet zeker of de moordenaar door de revolverkogels getroffen is geworden?

—Neen, maar ik vermoed, dat ik hem niet heb geraakt.

Hij knikte even, drukte mij de hand en zeide:

—Mijn broeder moet mij de vraag vergeven, welke ik zooeven heb gedaan, namelijk of hij het spoor had verloren! Old-Shatterhand heeft alles gedaan, wat hij doen kon en is ten slotte buitengewoon verstandig geweest. Sam Hawkins zal het zeer betreuren, zoo onverstandig te hebben gehandeld, maar wij zullen het hem vergeven en hem zien te bevrijden. Ik denk er over als mijn broeder: de Kiowa’s zullen komen, maar zij zullen ons bereid vinden. De gevangene mag niet hard behandeld worden, maar er moet nauwkeurig op hem worden gelet. Morgen zullen wij de graven boven Intschu Tschuna en Nscho-Tschi sluiten. Zal mijn broeder daar tegenwoordig zijn?

—Het zou mij zeer leed doen, indien Winnetou het mij niet veroorloofde!

—Ik veroorloof het niet alleen, maar ik verzoek u er om. Uw tegenwoordigheid zal wellicht aan honderden zonen der bleekgezichten het leven redden. De wet des bloeds eischt den dood van vele blanke menschen, maar uw oog is als de zon, wier warmte het harde ijs doet smelten en in water verandert. Gij weet, wat ik heb verloren. Wees gij mij vader en zuster te gelijk, ik bid er u om, Charley!

De tranen stonden hem in de oogen. Hij schaamde zich daarover, liep haastig weg en verdween in de hut. Hij noemde mij vandaag voor de eerste maal bij mijn voornaam Karl en heeft hem later ook nooit anders dan nu, namelijk als Charley, uitgesproken.

Nu moest ik eigenlijk vertellen van de begrafenis, welke met veel Indiaansch prachtvertoon plaats had, ik weet ook zeer goed dat een nauwkeurige beschrijving van deze plechtigheden zeker ieder belang zou inboezemen, maar, wanneer ik aan die treurige uren terugdenk, gevoel ik nog heden zulk een diepe smart, alsof alles eerst gisteren was gebeurd en de schildering van al deze tooneelen komt mij voor, als een ontwijding niet van de gedenkteekenen, welke wij voor de beide dooden destijds in de Nuggets-Hills hebben opgericht, maar van de herinnering, welke ik in mijn hart trouw heb bewaard. Intschu Tschuna’s lijk werd op zijn paard gebonden, waarop men op beide de aarde ophoogde, tot het dier zich niet meer kon bewegen, toen kreeg het een kogel door den kop. De aardhoop werd nu nog zooveel verhoogd, dat zij den ruiter, zijn wapenen en zijn medicijn geheel bedekte en dan rondom bedekt met groote steenen.

Nscho-Tschi kreeg op mijn verlangen, een ander graf. Ik wilde haar niet zoo onmiddellijk met aarde hebben bedekt. Wij zetten haar dus in zittende houding tegen den stam van een boom en bouwden als ’t ware een pyramide van steenen om haar heen, uit welker spits de top van den boom weder uitstak. Ik ben later eenige malen met Winnetou naar de Nuggets-Hills geweest, om de graven te bezoeken. Wij hebben ze altijd ongeschonden aangetroffen.... [4]

HOOFDSTUK VI.

OLD-CURSING-DRY.

Dit onverwachte en plotselinge verscheiden van Intschu Tschuna en van Nscho-Tschi brengt mij in herinnering twee andere treffende gebeurtenissen, welke ik hier even wil verhalen, ofschoon zij eerst vele jaren later dan deze geschiedenissen voorvielen.

Ik was toen in het geheel geen greenhorn meer en reeds langen tijd waren Winnetou en ik door innige vriendschap verbonden.

Ik bevond mij destijds met Winnetou bij de Navajos, die hem ook als hun opperhoofd-aanvoerder erkenden, daar zij in zekeren zin ook nog tot de stam der Apachen behoorden. Zij waren gelegerd tusschen de hoogte der Agua Grande en wilden van daar naar Colorado, doch niet, vóórdat een aantal blanke jagers die met hen mee wilden gaan, zouden zijn aangekomen.

Terwijl wij op de komst van deze lieden wachtten, brachten onze roode schildwachten twee vreemde Indianen, die zij onder zeer verdachte omstandigheden hadden opgepakt, in de legerplaats. Zij moesten natuurlijk dadelijk ondervraagd worden, maar weigerden eenig antwoord te geven. Er was geen woord uit hen te krijgen; hun gezichten waren niet geverfd en daar zij ook geen enkel teeken van hun afstamming bij zich droegen, was het bijna onmogelijk te bepalen tot welken stam zij behoorden. Wij wisten dat de Utahs in den laatsten tijd vijandelijk gezind waren tegenover de Navajos en daarom zeide ik tegen Winnetou:

—Ik voor mij denk dat het Utahs zijn, want deze stam heeft zich meer naar het Zuiden teruggetrokken en schijnt een aanval op de Navajos te willen doen. Misschien zijn deze beide kerels door hen vooruitgezonden om de verblijfplaats der Navajos op te sporen.

Winnetou kende evenwel de hoogerop wonende stammen beter dan ik en antwoordde:

—Het zijn Pa-Utes, maar mijn blanke broeder heeft gelijk, wanneer hij ze voor spionnen houdt.

—Zouden de Pa-Utes zich dan met de Utahs hebben verbonden?

—Winnetou twijfelt daaraan geen oogenblik, want anders zouden deze beide krijgers niet zoo stellig weigeren ons opheldering te geven.

—Dan is het zaak voorzichtig te zijn! In een streek als deze, kan men gerust aannemen dat verkenners zich niet meer dan drie dagreizen van hun makkers verwijderen. Wij kunnen dus nu wel uitrekenen, hoe nabij de vijand is!

—Oef! Wij zullen hen zoeken!

—Wie zal dat doen?

—Gij en ik.

—Verder niemand?

—Vier goede oogen zien meer dan honderd slechte en hoe meer krijgers wij meenemen, hoe eerder wij worden ontdekt.

—Dat is waar, maar misschien komen wij in de noodzakelijkheid een bode te moeten zenden.

—Laat ons dan ook nog een Navajo meenemen, maar anders ook niet. Howgh!

De laatste uitroep diende bij hem altijd om kracht bij te zetten aan zijn woorden en beteekende zooveel als: afgesproken, uitgemaakt.

Ik zag er dus van af, hem verdere voorstellen te doen.

De Navajo-afdeeling, bij welke wij ons bevonden, telde, behalve de oude mannen, vrouwen en kinderen ongeveer driehonderd krijgers, die onder bevel stonden van Nitsas-Kar (Groote Pijl), een zeer bekwaam krijgsman. Hun aantal was dus groot genoeg om een vijand te weren, van wien men kon aannemen dat hij niet in groote troepen zou verschijnen, maar toch waren wij zoo voorzichtig een bode te zenden naar de naastbijzijnde afdeeling, om haar voor het naderende gevaar te waarschuwen. Een korte bespreking met Nitsas-Kar had het door Winnetou gewenschte gevolg. Winnetou, ik en een jong, maar zeer bekwaam krijgsman reden heen om de verblijfplaats van den tegenstander te ontdekken en de Navajos bleven met verdubbelde wachtposten op de plaats legeren om op onze terugkomst of op onzen bode te wachten.

Het was nog vroeg in den morgen en wij hadden dus den geheelen dag voor ons. In het algemeen wisten wij dat de Utahs in het zuiden van het gebied van dien naam legerden, terwijl de Pa-Utes ongeveer daar waren te zoeken, waar de staten Utah, Colorado, Arizona en Nieuw-Mexico aan elkander grenzen. Deze gegevens nu waren zeer onbepaald, vooral daar wij konden aannemen dat de roodhuiden, ingeval zij van plan waren een aanval te doen, die streken reeds zouden hebben verlaten. Waarheen dus te gaan? Deze vraag zou een onervaren prairiejager hebben gesteld; wij evenwel hadden een uitgangspunt, waarop wij ons konden verlaten, namelijk: het spoor van de beide verkenners, dat wij vonden, zoodra wij de legerplaats hadden verlaten.

Wij bevonden ons in een van de vruchtbaarste streken van Arizona, wat evenwel niet veel zegt. Het regent in dit land zelden, de weinige rivieren hebben hun beddingen in zeer diepe kloven; de hoofdrivier namelijk de Colorado, vloeit tusschen twee rotswanden, welke hier en daar bijna twee duizend meter hoog, loodrecht opstijgen en daarboven breidt zich een hoog plateau uit, dat, kaal en arm aan planten, is blootgesteld aan de gloeiende zonnestralen en de over haar heen strijkende stormwinden. Slechts zelden ziet men een beek welke men zou kunnen volgen, zonder in een schier peillooze diepte te moeten afdalen en hier vindt men dan een rijkdom van groen en gras van struiken en boomen, waaraan het oog zich des te meer verkwikt, omdat het zoo zelden voorkomt. Daar waar kleine riviertjes in elkaar vloeien, vindt men wouden, tusschen welke zich sappige prairiën uitstrekken. Op zulk een punt bevonden wij ons nu en er was niet veel scherpzinnigheid toe noodig om het spoor van de beide gevangengenomen verkenners te vinden.

Daar men hen dadelijk bij hun aankomst had gevangengenomen, waren hun sporen nog zoo versch dat het gras door de hoeven hunner paarden platgereden, zich nog niet weer had opgericht en wij in galop konden rijden, zonder de indrukken uit het oog te verliezen. De verkenners schenen den geheelen nacht onder weg te zijn geweest, want wij vonden geen plek, waar zij gelegerd konden hebben. Later kwamen wij aan rotsachtig terrein en wij waren nu genoodzaakt langzamer te rijden, daar wij nauwkeuriger moesten toezien, maar in de duisternis hadden zij niet zóó voorzichtig kunnen zijn of wij vonden duidelijke teekenen welke ons den weg aanwezen, waarlangs zij gereden waren.

Eerst tegen den avond bereikten wij een beekje, waar zij den vorigen dag halt hadden gemaakt. Hier vonden wij hun „medicijn” en krijgsteekenen verborgen, waaruit wij konden zien dat zij Pa-Utes waren en zich op het oorlogspad bevonden. Wij rustten hier gedurende den nacht uit en reden den volgenden morgen verder. Jammer genoeg waren de sporen van hieraf niet meer te onderscheiden, maar wij maakten ons hierover niet ongerust, want wij behoefden slechts de richting naar den Rio San Juan te houden, om zeker te zijn ze te vinden. Wij reden dus oost-noord-oost, eerst over een savanna, waarvan het gras steeds spaarzamer werd en dan over een rotsvlakte welke zoo glad en naakt was, alsof zij van cement was gemaakt.

Het was tegen den middag toen wij aan den horizon drie stippen zagen, welke naderbij kwamen. Daar wij nergens konden schuilen, en wij niet wisten of wij met blanken of met roodhuiden te doen hadden, stegen wij af, lieten onze paarden knielen en gingen zelf naast hen op de steenen liggen; op deze wijze werden wij niet zoo spoedig opgemerkt.

De stippen werden grooter, naarmate zij dichterbij kwamen en nu zagen wij, dat het drie ruiters waren. Winnetou legde de hand boven de oogen, zag nauwkeurig toe en riep toen:

—Oef, Dick Hammerdull, Piet Holbers [5] en een derde blanke, dien ik niet ken!

Hammerdull en Holbers behoorden tot de jagers, die wij verwachtten. Ook ik herkende ze nu en stond op. Daar Winnetou en de Navajo mijn voorbeeld volgden, werden wij nu door hen gezien; en de drie ruiters hielden de paarden in. Wij lieten onze paarden opstaan, stegen op en reden naar hen toe. Hammerdull en Holbers herkenden ons nu ook en galoppeerden met luid gejuich ons tegemoet.

Het moet gezegd worden dat de beide mannen zulke typen waren als men zelden in de Far-West ontmoet. Hammerdull was klein en wat in ’t Westen weinig voorkomt, dik met een gladgeschoren, door allerlei schrammen en litteekenen ontsierd gelaat. Zijn list en overmoed was groot en ieder mocht hem gaarne, hoewel hij mij dikwijls onbedachtzaam was. Hij had allerlei eigenaardige uitdrukkingen als: „.... of niet”.... „dat is ’t zelfde”.

Piet Holbers daarentegen was zeer lang en zeer dun. Zijn mager gezicht was—bijna zou ik zeggen, omgeven door een vollen baard en dit zou een groote onwaarheid zijn, want deze baard bestond uit een honderdtal spaarzame haartjes, welke over beide wangen, kin en bovenlip verstrooid stonden. Het was of de ratten hem negen-tiende van zijn baard hadden afgevreten. Piet was buitengewoon zwijgzaam en bedachtzaam een zeer bruikbaar man, die alleen sprak als men iets vroeg.

Den derden ruiter kenden wij niet. Hij was bijna nog langer dan Holbers en daarbij mager om van te schrikken. Ik gevoelde bij den eersten blik dat ik niet met hem zou kunnen opschieten, zijn gezicht was grof gevormd en zijn blik brutaal en uitdagend.

Terwijl wij naar elkaar toereden, riep Dick Hammerdull:

—Winnetou, Old-Shatterhand? Ziet ge ze wel, Piet Holbers, oude Coon?

Coon is een verkorting van racoon, waschbeer, den naam waarmede Hammerdull zijn vriend placht aan te spreken. Deze antwoordde op zijn kalme wijze:

—Als gij denkt, Dick dat ik hen zie, dan zal dit wel zoo zijn.

Zij namen onze handen en schudden die uit alle macht, terwijl Hammerdull riep:

—Eindelijk, eindelijk, hebben wij u dan!

—Eindelijk?—vroeg ik.—Gij had toch niet kunnen verwachten ons nu reeds te ontmoeten, daar wij u aan de Agua Grande hadden besteld, welke nog wel drie dagreizen van hier is. Was uw verlangen naar ons zoo groot?

—Natuurlijk, oneindig groot!

—Waarom? Waar zijn de anderen?

—Dat is het juist! Daarom verlangden wij zoo naar u, daarom joegen wij onze paarden bijna halfdood. Wij moeten dadelijk naar de Agua Grande, om een geduchte schaar Navajos te halen.

—Waarvoor?

—Om de Pa-Utes te overvallen, die onze makkers gevangen hebben genomen. Vooruit dus heeren, vooruit, anders komen wij te laat.

Hij wilde ons doen terugkeeren, maar ik greep zijn teugels en zeide:

—Niet zoo haastig, Dick! Voor alles moeten wij weten wat er gebeurd is. Stijg dus af en vertel ons alles!

—Afstijgen? geen sprake van! Ik kan het u onder het rijden wel vertellen!

—Ik wil het echter kalm aanhooren, gij kent mij in dit opzicht. Men kan door overijling licht alles bederven en moet alles wat men onderneemt, vooraf overwegen.

—Maar wanneer er geen tijd is om te overwegen?

—Ik zeg u dat wij tijd genoeg hebben! In elk geval moet gij ons eerst zeggen wie de man is, dien gij daar bij u hebt.

Winnetou was reeds afgestegen, ik volgde zijn voorbeeld en ging naast hem zitten, de drie anderen konden dus ook wel niet anders.

—Welnu, Piet Holbers, oude beer, dan moeten wij den kostbaren tijd maar laten verloren gaan,—bromde Hammerdull verdrietig,—wat zegt gij er wel van?

—Als Old-Shatterhand en Winnetou het beter vinden, zal het wel zoo zijn,—antwoordde vriend Piet.

—Beter of niet, dat is hetzelfde; er moet zoo snel mogelijk gehandeld worden, maar als zij het zoo willen hebben, moeten wij ons wel schikken.

Zij gingen naast ons op den grond zitten. De onbekende had mij de hand toegestoken, alsof wij elkaar reeds van jaren her kenden, maar ik had deze slechts even gedrukt, daar het niet mijn gewoonte is, iemand, die ik nog nooit van te voren heb gezien, de hand te drukken. Toen hij ook Winnetou zijn hand toestak, deed deze alsof hij dit in het geheel niet zag. De Apache had dus op den eersten blik even weinig sympathie voor dezen man, als ik.

—Gij wildet weten, wie deze gentleman is?—vroeg Dick Hammerdull.—Hij heet Mr. Fletcher, is reeds bijna dertig jaar in het Westen en heeft zich met vier kameraden bij ons aangesloten om Winnetou en Old-Shatterhand te leeren kennen.

—Ja, heeren, wat Mr. Hammerdull zegt, is waar,—viel Fletcher hem op gewichtigen toon in de rede.—Ik zwerf reeds dertig jaar in de Far-West rond en heb het mij tot taak gesteld, deze verd.... roodhuiden te toonen, dat zij op onzen.... aardbodem naar den duivel kunnen loopen. Zulke.... canailles, als dat zijn, zal de.... verslaan en daar ik hoop dat gij van dezelfde gevoelens zijt als ik, zult gij erkennen dat deze.... schepsels, door den satan tot.... brij moesten worden gestampt!