Part 10
—Goed en wat kost een bevervel? Hebt ge daar eenig begrip van? Wanneer gij pelsjager wordt, kunt gij veel, veel meer verdienen. Geld, dat kan men eerst hier in ’t Westen verdienen, het ligt hier in de prairie, in de bosschen, tusschen de rotsen en op den bodem der rivieren! En wat voor een leven krijgt gij, als boekenschrijver! Gij moet, in plaats van het heerlijke bronwater, zwarten inkt drinken en op een ganzeveder kauwen in plaats van op een heerlijke buffellende of berenklauw. Boven u ziet ge een afgebrokkelden kalkmuur in plaats van den mooien blauwen hemel en uw voeten rusten, in plaats van op het zachte mos, op een harden vochtigen, houten vloer, waarvan ge rheumatiek krijgt. Hier hebt ge een paard, daar een wrakken leuningstoel, om op te zitten. Hier kunt ge bij iederen regen, Gods heerlijk water in uw handen opvangen, daar steekt ge bij den eersten druppel die valt, een rood of groen scherm boven uw hoofd. Hier zijt ge een vroolijke, gezonde, vrije man met het geweer in de hand, daar zit ge aan de schrijftafel en verspilt uw krachten aan een pennehouder, die.... maar laat mij uitscheiden en mij niet meer opwinden. Maar, wanneer gij werkelijk van plan zijt boeken te schrijven, dan beklaag ik u met geheel mijn hart!
Zijn oogen fonkelden, en zijn wangen gloeiden, ik vermoedde, wat hem zoo opgewonden maakte, en daar ik dit uit zijn eigen mond wilde hooren, wierp ik nog meer olie in het vuur, door te zeggen:
—Maar, beste Sam, ik weet zeker, dat gij u zeer zoudt verheugen, wanneer ik mijn plan ten uitvoer bracht!
—Ik? Praat er niet van, gij moest nu toch eindelijk ook weten, dat ik niet van gekheden houd.
—’t Is geen gekheid, maar ernst.
—Ernst? Loop naar den drommel, hoe zou ik er mij nu over verheugen?
—Wel, gij zoudt ook in mijn boeken staan.
—Ik.... ik?—vroeg hij, terwijl zijn oogen al grooter en grooter werden.
—Ja gij, ik zou natuurlijk ook over u schrijven.
—Over mij? wat ik doe, en wat ik zeg?
—Ja, ik vertel, wat ik beleefd heb en daar ik een tijdlang met u samen ben geweest, komt gij natuurlijk ook in mijn boeken voor.
Toen greep hij zijn geweer, wierp de ham, die hij bezig was te braden weg, sprong op, ging in dreigende houding voor mij staan en riep:
—Ik vraag u in allen ernst en in bijzijn dezer getuigen, of gij dit werkelijk doen zult.
—Natuurlijk!
—Zoo, dan eisch ik van u, dat gij zweert, het na te zullen laten.
—En waarom?
—Omdat ik u anders oogenblikkelijk neerschiet of doodsla met mijn oude Liddy, die ik hier in mijn handen heb. Dus, wilt ge of wilt ge niet?
—Neen.
—Dan sla ik toe!
—Ga uw gang!—antwoordde ik kalm.
De kolf zweefde eenige oogenblikken boven mijn hoofd, toen liet Sam den arm zinken, wierp het geweer in het gras, sloeg wanhopig de handen in elkaar en jammerde:
—Die man is gek, volkomen gek geworden. Ik dacht dadelijk wel, dat hij boeken wilde schrijven en nu is ’t werkelijk zoo. Slechts een gek blijft zoo kalm en koelbloedig zitten, wanneer mijn Liddy hem boven ’t hoofd zweeft. Wat moet men toch met zoo’n mensch beginnen. Ik geloof, dat er geen genezing voor hem is.
—Maar ik ben volkomen bij mijn verstand—, antwoordde ik.
—Waarom doet gij dan niet, wat ik van u vraag! Waarom laat gij u dan liever doodslaan?
—Kom, Sam Hawkins slaat mij niet dood, dat weet ik wel beter.
—Weet gij dat? Zoo, zoo, weet ge dat, en ik moet zeggen, ’t is waar ook, ik zou liever mij zelf doodslaan, dan u een haartje krenken.
—En bovendien, zweren doe ik niet. Mijn woord is zoo goed als een eed. Die boekenschrijverij is niet zoo erg, als gij denkt. Ik zal u dat later, als wij meer tijd hebben, wel eens beter uitleggen.
—Dank u!—zeide hij, terwijl hij de ham weer opnam,—ik heb verder geen verklaring noodig. Belachelijk! Geld verdienen met boeken schrijven!
—En dan de eer, Sam!
—Welke eer?—vroeg hij, mij even aanziende.
—De eer, van door zooveel menschen gelezen te worden en beroemd te worden.
Hij hief de rechterhand, waarin hij de ham had, op en riep:
—Sir, houd nu asjeblieft dadelijk op, of ik werp u deze twaalf ponds berenham naar het hoofd! Gij zijt nog dommer dan de domste Grizzlybeer. Door boeken schrijven beroemd worden! Heeft men wel ooit zoo’n dwaze bewering gehoord? Wat weet gij van beroemdheid! Weet ge, hoe men beroemd wordt? Daar ligt de berenhuid, snijd de ooren af en steek ze op uw hoed, neem de nagels uit de klauwen en de tanden uit den muil en maak daarvan een ketting, dien gij om uw hals hangt. Dat doet iedere prairiejager en iedere Indiaan, die een Grizzlybeer heeft neergeveld. Dan ziet ieder naar u en uw naam wordt overal genoemd. Zoo wordt men beroemd, begrepen? Steek nu eens uw boeken op uw hoed en maak een ketting van boeken, wat zal men dan zeggen? Dat gij een gekke kerel zijt, dat is ’t eenigste, wat gij er van hebt.
—Maar Sam, waarom windt gij u zoo op? ’t Moet u toch volkomen onverschillig zijn wat ik doe.
—Zoo? Onverschillig? Mij? wat een kerel! Ik heb hem lief als een zoon en ’t zou mij onverschillig zijn, wat hij doet? De kerel heeft kracht als een buffel, spieren als een mustang, een gehoor als van een muis, een oog als een valk en tamelijk veel hersenen in zijn hoofd. Hij schiet als de beste, rijdt als de geest der savanna [2] en gaat, hoewel hij er nog nooit een gezien heeft, op den buffel en op den Grizzly los, alsof hij met een varkentje te doen heeft. En zulk een mensch, zulk een prairiejager, zulk een kerel, die nu reeds meer beteekent dan menig jager, die twintig jaar lang in de prairie heeft rondgezworven, ik zeg, zulk een mensch wil boeken schrijven! Is dat niet om gek te worden? Moet men zich verwonderen, dat een eerlijke prairiejager woedend wordt?
Hij zag mij bij deze woorden uitdagend aan. Natuurlijk verwachtte hij een antwoord, maar ik zweeg, trok mijn zadel naar mij toe, ging languit liggen en sloot de oogen.
—Wel, wat zijn dat nu weer voor kuren?—vroeg hij,—ben ik dan geen antwoord waard?
—O ja,—antwoordde ik.—Goeden nacht, beste Sam, slaap wel.
—Wilt gij gaan slapen?
—Ja, gij hebt mij dit immers aangeraden!
—Dat was zooeven, maar nu zijn we nog niet met elkaar klaar.
—O zeker!
—Neen, ik moet nog met u spreken.
—Ik echter niet met u, want ik weet nu, wat ik weten wilde.
—Weten wilde, wat dan?
—O verder niets, dan dat ik voor prairiejager geboren ben en reeds meer beteeken, dan menig jager, die twintig jaar op de prairie heeft rondgezworven.
Toen liet hij de hand met de berenham zinken, hoestte eenige malen zeer verlegen, en zeide:
—Alle.... duivels....! Deze jonge kerel, deze greenhorn.... heeft mij.... hm, hm!
—Goeden nacht, Sam Hawkins, slaap wel!—herhaalde ik en keerde mij om.
Toornig wendde hij zich tot mij en begon:
—Ja, ga maar slapen, leelijkerd, dat is beter voor u, dan waken, want zoolang gij de oogen open hebt, is geen eerlijk man zeker, niet door u voor den gek te worden gehouden. ’t Is uit tusschen ons, hoort ge, ik heb u leeren kennen, gij, gij zijt een schelm, voor wien men zich in acht moet nemen.
Naar zijn toon te oordeelen, had ik werkelijk moeten denken, dat het hem volkomen ernst was en de vriendschap tusschen ons voorgoed uit was, maar reeds een halve minuut later, hoorde ik er hem met een zachte vriendelijke stem bijvoegen:
—Goeden nacht, sir, slaap wel, opdat gij uitgerust zijt, als ik u roep!
Het was toch een eerlijke, brave man, die oude Sam Hawkins!
Ik sliep werkelijk vast, tot hij mij wekte. Parker en Stone waren reeds gereed; de andere sliepen nog, zelfs Rattler. Wij aten een stuk vleesch, dronken water, voorzagen onze paarden en reden heen, nadat Sam onzen beiden kameraden de noodige instructies had gegeven voor mogelijke ongevallen. De zon was nog niet opgegaan toen wij dezen rit, die zeer gevaarlijk kon worden, aanvaardden. Mijn eerste verkenningstocht! Hoevele van die tochten heb ik later nog gemaakt!
Wij sloegen natuurlijk de richting in, welke de beide Apachen genomen hadden. De sporen waren in het gras nog duidelijk te zien, zij voerden naar ’t noorden, terwijl wij de Apachen toch in ’t zuiden moesten zoeken. Toen wij achter de kromming van het dal gekomen waren, zagen wij in het bosch, dat tegen de hoogte opgroeide, een opening, waarschijnlijk gemaakt door een kudde buffels. Het spoor liep daar doorheen. Daarna kwamen wij op een prairie, welke als een regelmatig, langzaam stijgend dak naar ’t zuiden voerde. De Apachen waren, naar wij bemerkten, om ons heen gereden. Toen wij ons boven op de nok van dit dak bevonden, lag om ons een groote, met gras begroeide vlakte, welke naar den zuidkant geen grenzen scheen te hebben. Hoewel er sedert het verdwijnen der Apachen meer dan een halve dag was verloopen, zagen wij hun spoor als een rechte lijn over de vlakte. Sam, die tot nu toe geen woord gezegd had, schudde het hoofd en bromde:
—’t Bevalt mij niets dit spoor; ’t bevalt mij niets!
—En mij des te beter,—zeide ik.
—Omdat gij een greenhorn zijt, al wildet gij ’t mij gisteravond ook bestrijden! Verbeeldt me zich dat jonge mensch, dat ik hem heb willen prijzen en met een prairiejager heb willen vergelijken! Dat is immers niet mogelijk! Men behoeft u maar te hooren spreken, om te weten, wat men aan u heeft! Bevalt u dit spoor? Ja, dat wil ik wel gelooven, omdat het zoo mooi, duidelijk voor u ligt. Maar mij, ouden prairielooper, komt dat zeer verdacht voor!
—Mij niet.
—Houd uw mond, sir, ik heb u niet meegenomen, opdat gij mij met uw opmerkingen ’t land zoudt opjagen. Als twee Indianen hun spoor zoo laten zien, is dit zeer bedenkelijk, vooral wanneer ze, zooals hier ’t geval is, vijandschap hebben gezworen. Het is mij duidelijk dat zij ons in een val willen lokken, want zij hebben natuurlijk wel begrepen, dat wij hen zouden volgen.
—En waarin bestaat die val?
—Dat kan men nu nog niet weten.
—En waar zou die dan moeten liggen?
—Natuurlijk, daarginds in ’t zuiden. Zij hebben het ons zeer gemakkelijk gemaakt, hen tot daartoe te volgen. Als zij daarmee geen bepaalde bedoeling hadden, zouden zij hun spoor hebben uitgewischt.
—Hm!—bromde ik.
—Wat?—vroeg hij.
—Niets.
—O zoo, het was, alsof gij iets wildet zeggen!
—Ik zal er wel voor oppassen!
—Waarom?
—Omdat gij anders misschien weer zoudt gaan denken, dat ik u ’t land wil opjagen, waartoe ik, eerlijk gezegd, niet den minsten lust gevoel.
—Praat toch niet zoo onverstandig. Onder vrienden moet men de woorden niet zoo nauw nemen. Gij wilt toch iets leeren, en daarom moet gij ook spreken. Dus, wat beteekende dat gebrom van zooeven?
—Ik was van een geheel andere meening dan gij, ik geloof niet, dat zij ons in een hinderlaag willen lokken.
—Zoo, waarom niet?
—De beide Apachen willen hun kameraden opzoeken. Zij willen met hen zoo spoedig mogelijk tegen ons optrekken, en hebben bij deze warmte een doode bij zich. Dit zijn twee redenen, welke hen nopen, zich zooveel mogelijk te haasten en daarom ook hebben zij zich niet den tijd gegund, hun spoor uit te wisschen.
—Hm!—bromde Sam nu op zijn beurt.
—En al had ik geen gelijk,—vervolgde ik,—wij kunnen hen toch gerust volgen, want in deze groote vlakte kunnen wij elken vijand reeds van verre zien aankomen en ons dus tijdig terugtrekken.
—Hm!—bromde hij opnieuw, terwijl hij mij van ter zijde aanzag. —Gij spreekt daar over dien doode, denkt gij, dat ze dien in deze warmte meenemen?
—Ja.
—Niet onderweg begraven?
—Neen, de doode stond bij hen in hoog aanzien en hun gewoonten eischen, dat zij hem met Indiaansch prachtvertoon begraven. Op deze plechtigheid zou de kroon worden gezet, indien het mogelijk was, de moordenaars op datzelfde oogenblik te laten sterven. Zij zullen zich dus wel haasten, om Rattler en ons allen, in handen te krijgen; als ik ze goed ken, kunnen we ons daarop voorbereiden.
—Zoo, gij ze kennen? Zijt ge dan in dit land geboren?
—Dat niet!
—Hoe zoudt ge ze dan kennen?
—Wel uit de boeken, waarvan gij niets wilt weten.
—Kom,—knikte hij,—laat ons verder rijden!
Hij zeide niet, of hij ’t met mij eens was, maar een zekere trek om den mond, zeide mij, dat hij moeite deed, zich stil te houden. Wij joegen nu in galop over de vlakte, een van die savannas, met kort gras begroeid, welke men tusschen het brongebied van de Canadarivier en dat van den Rio Pecos vindt. Het spoor liep in drie rijen, alsof het met een grooten drietand was getrokken. De paarden hadden dus hier nog steeds zoo naast elkaar geloopen, als wij ze hadden zien vertrekken. Nu achtte Sam den tijd gekomen, om mij iets te leeren. Hij verklaarde, uit welke teekenen men kon opmaken, of de ruiters stapvoets, in draf of in galop hadden gereden.
Een half uur verder was het of er een bosch vlak voor de prairie lag, maar dit was slechts schijn, want de vlakte maakte hier een bocht en weldra hadden wij het bosch weer links van ons. De boomen waren zoover van elkaar, dat een ruiter alleen er doorheen kon komen, de Apachen evenwel met de drie paarden dicht naast elkaar, waren genoodzaakt geweest, een omweg te maken.
Een weinig verder vernauwde zich de vlakte tot een smallere, niet geheel open weide, waarop enkele boomgroepen stonden. Bij een van deze boomgroepen hadden de Apachen klaarblijkelijk een oogenblik halt gehouden, en zeer voorzichtig onderzochten wij, wat ze hier hadden kunnen uitvoeren. Wij kwamen daarbij tot de overtuiging, dat zij het lijk van het paard hadden genomen en in het gras hadden gelegd en vervolgens in het boschje waren gegaan, om eiketakken af te snijden. Kleinere takjes lagen nog op den grond.
—Wat denkt gij, dat ze met deze takken hebben gedaan?—vroeg Sam, terwijl hij mij aanzag als een schoolmeester zijn leerling.
—Een draagbaar of slede gemaakt voor den gestorvene,—antwoordde ik kalm.
—Hoe weet gij dat?
—Uit mij zelf. Ik had reeds verwacht, dat zij zoo iets zouden doen. Het lijk zoolang rechtop te houden, is geen kleinigheid geweest, en ik vermoedde dus wel, dat zij bij de eerste halt er iets anders op zouden trachten te vinden.
—Niet slecht bedacht. Staat zoo iets ook in uw boeken te lezen, sir?
—Niet woordelijk en juist van toepassing op dit bijzonder geval, maar ’t hangt er van af, hoe men een boek leest. Men kan werkelijk veel daaruit leeren, en dan in de werkelijkheid op andere gevallen toepassen.
—Hm, zonderling, die zoo iets kunnen schrijven, moeten toch zelf wel in ’t Westen zijn geweest! Overigens, ik geloof, dat gij gelijk hebt, wij zullen zien.
—Ik denk, dat zij eerder een slede, dan een draagbaar hebben gemaakt.
—Waarom?
—Om een doode, of in ’t algemeen iets op een baar te dragen, heeft men twee paarden noodig, die òf naast, òf achter elkaar loopen, bij een slede kan men met één paard volstaan.
—Goed, maar de slede maakt een verduiveld breed spoor, dat zeer gevaarlijk voor hen kan worden. We kunnen overigens gerust aannemen, dat zij gisteravond hier zijn geweest, en dus zal ’t wel spoedig blijken, of zij hier gelegerd hebben, of ’s nachts door zijn gereden.
—Ik zou denken, dat dit laatste het geval was, omdat zij zoo’n haast hadden.
—Juist, dat denk ik ook.
Wij waren afgestegen, en volgden, met onze paarden achter ons, langzaam het spoor. Dit zag er nu geheel anders uit dan te voren, want de middelste, breede streep was gemaakt door paardenhoeven en de beide zijsporen moesten door de slede zijn veroorzaakt. Deze slede moest dus wel bestaan uit twee hoofdstangen, welke door dwarshouten aan elkaar bevestigd waren, en daarop was zeker de doode neergelegd.
—Van hier zijn de beide ruiters achter elkander aan gereden,—meende Sam.—Dat moet zijn reden hebben, want er was plaats genoeg om naast elkaar te rijden, laat ons hen volgen.
Wij stegen weer op en reden in draf verder, ik kon niet nalaten er over te denken, wat de reden kon zijn, maar eindelijk meende ik het gevonden te hebben. Ik zeide daarom:
—Sam, zie eens goed toe! Dit spoor zal weldra een verandering ondergaan, welke wij niet gemakkelijk zullen opmerken.
—Wat, een verandering?—vroeg hij.
—Ja, zij hebben de slede gemaakt, niet alleen om het hun zelf gemakkelijk te maken, maar ook, om ongemerkt van elkander te kunnen gaan.
—Hoe bedenkt ge het? van elkaar gaan? dat zullen ze nooit probeeren.
—Waarom niet?
—Zeg mij toch, hoe gij op dat denkbeeld komt, is dat ook weer de schuld van uw boeken?
—Ja, werkelijk zij brachten mij op het denkbeeld.
—Hoe dan?
—Tot nu toe zijt gij mijn leermeester geweest, nu zal ik u eens wat vertellen.
—’t Zal wel der moeite waard zijn!
—Luister, waarom plegen de Indianen heel veel achter elkaar te rijden? Toch niet voor de gemakkelijkheid of voor de gezelligheid?
—Neen, maar opdat degene, die achter hen komt, niet zou kunnen weten, hoeveel ruiters er voor hem waren.
—Juist; nu, ik geloof dat dit ook hier ’t geval is.
—Dwaasheid!
—Maar waarom rijden ze dan zoo in een ganzenmarsch, terwijl er plaats genoeg is voor drie paarden naast elkaar?
—Wel, toeval of om den doode. De eene rijdt voor als wegwijzer, dan komt het paard met het lijk en achteraan de andere, die moet oppassen dat de slede niet uit elkaar valt.
—’t Kan zijn, maar vergeet niet, dat zij haast hebben en dat het vervoeren van het lijk op deze manier zeer tijdroovend is, een van hen zal dus wel vooruitrijden, om hun kameraden te waarschuwen.
—Kom, dat is fantasie van u, ik zeg u, dat vader en zoon niet van elkaar zullen scheiden—
Waarom zou ik verder met mijn ouden vriend redetwisten? ’t Kon zijn, dat hij gelijk had, hij was een ervaren prairiejager en ik nu eenmaal een „greenhorn”. Ik zweeg dus, maar lette nauwkeurig op het spoor, dat wij in draf volgden.
Niet lang daarna kwamen wij aan een niet diepe, maar breede, op dit oogenblik geheel uitgedroogde rivierbedding, een van die, welke in het voorjaar ’t water van de bergen tijdelijk opnemen en verder in den zomer droog blijven. De bodem van deze bedding bestond uit door het water fijngeslepen steengruis en zand. Het spoor liep dwars daar doorheen.
Terwijl wij langzaam verder reden, bezag ik het gruis en het zand zeer nauwkeurig. Als ik zooeven goed geraden had, dan moest dit voor de Apachen het meest geschikte punt zijn, om zich van elkander te scheiden. Wanneer zij hun paarden niet op het zand, maar steeds op het steengruis lieten stappen, dan kon een van hen verdwijnen, zonder een spoor achter te laten. Reed dan de andere verder, met de slede achter zich aan, dan kon men het spoor van deze twee paarden, nog altijd voor dat van drie houden.
Ik reed achter Sam Hawkins. Reeds was ik bijna over de beek, toen ik in een zandlaag, die onmiddellijk naast een gruislaag lag, een rond gat zag, ongeveer zoo groot als een schoteltje. Ik had destijds nog niet die scherpzinnigheid en ervaring, die ik later kreeg, maar wat ik achteraf beweerd en bewezen heb, dat vermoedde ik toen, namelijk dat dit kleine gat, met ingevallen randen, van een paardenhoef afkomstig was, welke van de hooge gruislaag in het zand was afgegleden. Toen wij den anderen oever hadden bereikt, wilde Sam verder rijden, maar ik riep:
—Kom eens even hier aan den linkerkant, Sam!
—Waarom?—vroeg hij.
—Ik wil u iets laten zien.
—Wat dan?
—Kom maar mee!
Ik reed langs den met gras begroeiden oever van de droge bedding en wij waren geen honderd pas verder of wij zagen een paardenspoor uit het zand opkomen en verdwijnen in zuidelijke richting.
—Wat is dat, Sam?—vroeg ik met trots op deze ontdekking.
Zijn kleine oogen schenen in hun holten te willen verdwijnen en zijn gezicht werd steeds langer.
—Paardenhoeven—antwoordde hij verbaasd.
—Waar komen die vandaan?
—Uit de bedding natuurlijk.
—Juist, en wie zou de ruiter zijn?
—Weet ik dat?
—Neen, maar ik weet het wel.
—Nu, wie dan?
—Een van de beide Apachen.
Zijn gezicht werd zoo mogelijk nog langer en half boos riep hij uit:
—Een van die beiden, niet mogelijk!
—Zeker, zij zijn van elkaar gegaan, zooals ik reeds had vermoed. Kom nu weer mee naar het vorige spoor, dan zult ge zien dat het slechts dat van twee paarden is.
—Dat zou toch vreemd zijn, maar wij zullen zien, ik ben verbazend nieuwsgierig.
Wij reden terug en keken nog eens opmerkzaam toe, werkelijk er konden slechts twee paarden geweest zijn. Sam hoestte eenige malen, zag mij met een wantrouwenden blik aan en vroeg:
—Hoe zijt ge eigenlijk op het denkbeeld gekomen, dat dat spoor uit de droge bedding moest komen?
—Ik heb den indruk van een hoef in het zand gezien en heb daaruit mijn gevolgtrekkingen gemaakt.
—Kom, wijs mij dien indruk dan eens.
Ik deed wat hij verlangde, maar nu zag hij mij nog wantrouwender aan en vroeg:
—Sir, wilt gij mij de waarheid zeggen?
—Zeker, hebt gij mij ooit op een leugen betrapt?
—Hm, gij schijnt wel een waarheidlievend en eerlijk man te zijn, maar in dit geval vertrouw ik u toch niet. Zijt gij nooit te voren in de prairie geweest?
—Neen.
—Ook niet ergens anders in ’t Westen?
—Neen.
—Ook niet in de Vereenigde Staten?
—Nooit.
—Of is er misschien ook een ander land, waar men savannen of prairiën vindt, zooals deze en waart ge daar dan soms?
—Neen, ik ben vroeger nooit buiten mijn vaderland geweest.
—Loop dan naar den duivel, gij onbegrijpelijk wezen.
—Oho, Sam Hawkins, is me dat nu een wensch van een vriend, zooals gij beweert te zijn?
—Och, neem me ’t niet kwalijk, dat mij soms de gal overloopt. Daar komt me zoo’n greenhorn voor ’t eerst in ’t westen, heeft nog geen gras zien groeien en geen aardvloo hooren zingen, en jaagt, op zijn eersten verkenningstocht, den ouden Sam een blos van schaamte naar de wangen. Als men daarbij kalm kan blijven, moest men wel visschenbloed in zijn aderen hebben. Toen ik zoo jong was als gij, was ik vrij wat knapper dan gij, en nu op mijn ouden dag, ben ik wel tienmaal zoo dom. Is dat niet treurig voor een prairielooper, die nog een weinig eergevoel heeft?
—Nu gij behoeft het u niet zoo erg aan te trekken.
—Hoe zou ik niet, want ik moet bekennen, dat gij gelijk hebt, hoe komt dat toch?
—Wel omdat ik logisch gedacht heb, en goede gevolgtrekkingen heb gemaakt, daar komt het maar op aan.
—Dat begrijp ik niet.
—Wel ik heb zoo gedacht: als Indianen achter elkaar aanrijden, willen zij hun spoor verbergen, de beide Apachen zijn achter elkaar aangereden, dus wilden zij hun spoor verbergen, begrijpt ge dat?
—Natuurlijk.
—Door deze gevolgtrekking ben ik tot de ontdekking gekomen. Een prairieman moet vóór alles, juist kunnen denken. Wil ik u nog zulk een gevolgtrekking opnoemen?
—Ja, waarom niet?
—Gij heet Hawkins, dat woord beteekent „valk”, niet waar?
—Yes.
—Luister dan: de valk eet veldmuizen, is ’t niet zoo?
—Ja, als hij ze vangt eet hij ze op.
—Nu, de gevolgtrekking is dus: de valk eet veldmuizen, gij heet „valk”, dus gij eet veldmuizen.
Sam sperde zijn mond en oogen wijd open, zag mij een tijdlang sprakeloos aan en begon toen:
—Sir, steekt ge den gek met mij? Dat duld ik niet! Ge hebt mij beleedigd, zwaar beleedigd, door te beweren, dat ik muizen eet, en nog wel veldmuizen. Daarvoor eisch ik voldoening. Wat denkt gij van een duel!
—Uitstekend.
—Ja wel, gij hebt gestudeerd, niet waar?