Chapter 19 of 43 · 3995 words · ~20 min read

Part 19

Was het niet een vreemde positie waarin ik mij bevond? Ik was doodziek en werd goed verzorgd om krachten te verkrijgen voor het ondergaan van een langzamen, pijnlijken dood. Hij, die mijn dood eischte liet mij door zijn eigen zuster verplegen in plaats van door een oude, onzindelijke, leelijke Indiaansche squaw! Het behoeft niet gezegd te worden, dat mijn gesprek met Nscho-tschi niet zoo vlot ging als ik dit heb opgeschreven. Het spreken deed mij zeer veel pijn en ging met groote moeilijkheden gepaard; ik sprak zeer langzaam en moest meermalen een oogenblik wachten om nieuwe krachten te verzamelen. Het vermoeide mij niet weinig en ik viel dan ook in slaap zoodra het jonge meisje was heengegaan. Toen ik eenige uren later wakker werd, had ik een vreeselijken dorst en een waarlijk onuitstaanbaren honger. Ik beproefde het toovermiddel en blies op mijn fluitje. Onmiddellijk stak de oude vrouw, die voor de deur had gezeten, het hoofd naar binnen en vroeg of ik wilde eten of drinken. Ik knikte toestemmend. Eenigen tijd daarna kwam Nscho-tschi met een aarden schotel en een lepel. Zij knielde naast mijn bed en voerde mij met den lepel evenals een klein kind, dat nog niet alleen kan eten. De Indianen hebben anders geen dergelijke gereedschappen, Kleki-Petra had hun het gebruik hiervan geleerd.

De schotel bevatte een zeer dikke brij van vleesch met maïsmeel, dat de Indianen tusschen twee steenen fijn wrijven. Kleki-Petra had evenwel voor de huishouding van Intschu Tschuna een soort van handmolen gemaakt, die mij later als een groote bezienswaardigheid werd gewezen. Het eten viel mij natuurlijk nog veel moeielijker dan het drinken, ik kon het bij elken lepelvol wel van pijn uitgillen, maar de natuur eischte haar rechten en als ik niet wilde verhongeren moest ik wel eten. Ik liet dus zoo weinig mogelijk merken van de pijn die ik leed, maar kon niet verhinderen dat de tranen mij in de oogen kwamen. Nscho-tschi zag dit wel en zeide toen ik den laatsten lepel vol had opgehapt:

—Gij zijt doodelijk zwak, maar toch een sterke man, een held! Waart gij toch maar als Apache geboren en niet als een leugenachtige blanke!

—Ik lieg niet, ik lieg nooit; dat zult gij nog eenmaal inzien!

—Ik zou u zoo gaarne willen gelooven; maar ik heb nog maar één blanke gezien, die nooit loog en dat was Kleki-Petra dien wij zóó hoog vereerden. Zijn lichaam was misvormd, maar hij had een helderen geest en een eerlijk liefdevol hart. Gij hebt hem vermoord, zonder dat hij u iets kwaads had gedaan, daarom zult gij sterven en met hem begraven worden.

—Hoe? Is hij nog niet begraven?

—Neen.

—Maar zijn lijk kan toch onmogelijk zoolang bewaard blijven!

—Hij ligt in een stevige kist door welke geen lucht kan heendringen, gij zult deze kort voor uw dood te zien krijgen.

Na deze troostvolle verzekering verwijderde zij zich. Ik kon mij evenwel niet eigen maken met het denkbeeld, dat ik werkelijk zou sterven. Integendeel, ik was bijna overtuigd dat ik zou blijven leven; ik bezat immers een onfeilbaar middel om onze onschuld te bewijzen in de haarlok, die ik Winnetou had afgesneden, den nacht toen ik hem bevrijdde.

Maar bezat ik die werkelijk nog? Had men haar mij niet afgenomen? Ik schrikte onwillekeurig toen ik mij zelf deze vragen stelde, ik had gedurende de weinige oogenblikken dat ik bij kennis was geweest er niet aan gedacht, dat de Indianen hun gevangenen geheel plegen uit te plunderen. Ik moest dus mijn zakken onderzoeken.

Men had mij mijn kleeren laten behouden en men kan zich voorstellen wat het wil zeggen, drie weken lang met een hevige wondkoorts te liggen in dezelfde kleeren welke men reeds eenigen tijd droeg. Er zijn dingen die men kan beleven en doorstaan, maar die men in een boek niet kan neerschrijven. De lezer van zulk een boek benijdt wel eens den man die zooveel heeft gereisd en beleefd, maar als hij alles eens wist, zou hij zich wel wachten zijn voorbeeld te volgen. Hoe dikwijls krijg ik brieven van lezers die mij vol geestdrift schrijven dat zij dergelijke reizen willen ondernemen. Zij vragen mij naar de kosten, naar de uitrusting, weinigen echter naar de kennis die men daarvoor noodig heeft, of de talen, welke men vooraf moet leeren. Deze jonge avonturiers genees ik dikwijls van hun plannen door oprecht allerlei dingen te vertellen, welke ik hier maar liever wil verzwijgen.

Ik doorzocht dus mijn zakken en vond tot mijn groote verbazing dat ik alles en alles nog bezat, men had mij alleen mijn wapens afgenomen. Ik deed mijn sardinendoos open, de papieren zaten er nog in en daartusschen lag de haarlok van Winnetou. Ik deed hem weer in de doos en legde mij kalm te slapen. Nauwelijks was ik tegen den avond weer ontwaakt of Nscho-tschi kwam zonder voorafgaand teeken bij mij met voedsel en frisch water. Ik at ditmaal zelf en deed haar intusschen verschillende vragen, welke zij naar haar beste weten beantwoordde. Er waren echter vele dingen, die ik niet mocht weten. Zoo vroeg ik haar ook, waarom men mij alles had laten behouden.

—Winnetou, mijn broeder heeft het bevolen,—antwoordde zij.

—Weet gij ook waarom?

—Neen, ik heb er niet naar gevraagd. Maar ik kan u iets anders vertellen.

—Wat dan?

—Ik ben bij de drie blanken geweest die met u gevangen zijn genomen.

—Gij zelf?—vroeg ik verheugd.

—Ja, ik heb hun gezegd dat gij u beter gevoelt en spoedig weer gezond zult zijn. Toen verzocht mij de oude man, die Sam Hawkins heet, u iets te geven dat hij gedurende de drie weken, waarin hij u verpleegde, voor u heeft gemaakt.

—Wat is dat?

—Ik heb Winnetou gevraagd of ik het u mocht geven en hij heeft het toegestaan. Hier is het. Gij moet een sterk en dapper man zijn, dat gij het waagt den grijzen beer enkel met een mes aan te vallen. Sam Hawkins heeft het mij verteld.

Zij gaf mij een ketting, door Sam gemaakt van de tanden en klauwen van den beer, ook de beide ooren waren er bij.

—Hoe heeft hij dat kunnen maken?—vroeg ik verwonderd.—Niet alleen met de handen. Heeft men hem zijn mes en zijn andere gereedschappen laten behouden?

—Neen, gij zijt de eenige dien men niet alles heeft afgenomen. Maar hij vertelde aan mijn broeder, dat hij dezen ketting wilde maken en verzocht de klauwen en tanden terug te mogen hebben. Winnetou voldeed aan dezen wensch en gaf hem ook de gereedschappen welke hij noodig had. Draag hem nu dadelijk, gij zult er niet lang pleizier van hebben.

—Omdat ik nu spoedig moet sterven?

—Ja.

Zij nam mij den ketting uit de hand en hing ze mij om den hals. Van dien dag af heb ik hem altijd gedragen. Daarop antwoordde ik de jonge Indiaansche:

—Dit aandenken hadt gij mij ook later kunnen brengen, want ik zal het naar ik hoop nog vele jaren dragen.

—Neen, maar kort, zeer kort.

—Dat geloof ik niet, uw krijgers zullen mij niet dooden.

—Zeker, het is in den raad der Ouden besloten.

—Maar zij zullen dit besluit veranderen als zij hooren dat ik onschuldig ben.

—Zij gelooven het niet!

—Zij moeten het gelooven, want ik kan het hun bewijzen.

—Bewijs het dan, bewijs het dan, ik zou er mij zoo over verheugen als ik hoorde, dat gij geen leugenaar en geen verrader zijt. zeg mij waarmee gij het kunt bewijzen, opdat ik het Winnetou, mijn broeder kan mededeelen.

—Hij kan hier komen om het te vernemen.

—Dat doet hij niet.

—Dan verneemt hij het ook niet. Ik ben niet gewend vriendschap af te smeeken of door een bode te onderhandelen met iemand, die zelf hier kan komen.

—Wat zijt gij krijgers toch stijfkoppige menschen. Ik zou u zoo gaarne Winnetou’s vergiffenis hebben willen brengen, maar zoo krijgt gij ze niet.

—Vergiffenis heb ik niet noodig, want ik heb niets gedaan wat moet worden vergeven. Maar ik wil wel een anderen dienst van u vragen.

—Welken dan?

—Wanneer gij weer eens bij Sam Hawkins komt, zeg hem dan dat hij geen zorg behoeft te hebben. Zoodra ik geheel genezen zal zijn, zullen wij vrij zijn.

—Geloof dat toch niet! Deze hoop kan niet worden vervuld.

—Het is niet enkel hoop, het is mijn vaste overtuiging. Gij zult later bekennen, dat ik gelijk heb gehad.

De toon, waarop ik dit zeide was zoo overtuigend, dat zij niet langer tegensprak en heenging.

Mijn gevangenis lag dus aan de Pecosrivier, of ten minste aan een zijtak daarvan, want wanneer ik door de deur zag, viel mijn oog op den tegenoverliggenden rotswand die niet ver van ons was verwijderd, terwijl het dal van de Rio Pecos veel breeder moest zijn. Gaarne had ik den Pueblo, in of op welken ik mij bevond gezien, maar ik kon niet van mijn legerstede opstaan en zelfs wanneer ik sterk genoeg was geweest om te loopen, wist ik nog niet of het mij geoorloofd zou zijn de ruimte te verlaten. Toen het donker werd, kwam de oude vrouw bij mij en zette zich in den hoek neer. Zij bracht een lamp mee, uit een uitgeholde kalebas gemaakt, die den geheelen nacht brandde. Deze oude vrouw had meer het grove werk te doen, terwijl Nscho-tschi om zoo te zeggen, als gastvrouw optrad.

Ik sliep dien nacht weer kalm en rustig en gevoelde mij den volgenden morgen weer sterker en gezonder dan den vorigen dag. Zesmaal werd mij dien dag eten gebracht, steeds dezelfde vleeschbrij met maïsmeel, een voedzame en lichtverteerbare kost. Mijn toestand werd van dag tot dag beter. Het skelet kreeg weer vleesch en het gevoel in den mond nam steeds af. Nscho-tschi bleef dezelfde voor mij, steeds vriendelijk bezorgd en daarbij vast overtuigd dat mijn einde naderde. Later bemerkte ik, dat haar oog, wanneer zij zich onopgemerkt waande met een weemoedigen stil vragenden blik op mij rustte. Het was alsof zij mijn lot begon te betreuren en ik had haar dus onrecht aangedaan, toen ik veronderstelde, dat zij geen gevoel had. Ik vroeg haar of het mij veroorloofd was, mijn kerker, waarvan de deur altijd openstond te verlaten, maar zij kon dit niet toestaan en vertelde mij, dat er dag en nacht twee wachters voor de deur waren gezeten, die mij ook nu nog bewaakten. Alleen aan mijn zwakheid had ik te danken dat ik niet gebonden was geweest en zij vreesde, dat men dit nu wel spoedig zou doen.

Ik diende dus voorzichtig te zijn. Wel vertrouwde ik op mijn haarlok, maar mocht het middel falen en men dit bewijs niet aannemen, dan moest mijn lichaamskracht mij redden en ik moest deze dus oefenen. Maar hoe?

Ik lag, alleen wanneer ik sliep, op de berenvellen, anders zat ik op of liep in het vertrek op en neer. Op een morgen vertelde ik aan Nscho-tschi, dat ik dat op de hurken zitten niet gewend was en vroeg haar of ik niet een steen mocht hebben, waarop ik kon zitten. Deze wensch werd aan Winnetou overgebracht en hij zond mij dadelijk steenen van verschillende grootte, de zwaarste woog ongeveer honderd pond. Met deze steenen oefende ik mij zoo dikwijls ik alleen was. Tegenover mijn verpleegsters wendde ik nog steeds zwakheid voor, in werkelijkheid evenwel viel het mij reeds na veertien dagen niet meer moeielijk den grooten steen eenige malen na elkander op te heffen. Langzamerhand ging dit nog beter en toen de derde week voorbij was, wist ik, dat ik mijn oude lichaamskracht weer geheel terug had gekregen.

Ik was nu zes weken hier en had nog niet gehoord dat de gevangen Kiowa’s ontslagen waren geworden. Het was een groote last voor de Apachen, ongeveer tweehonderd man zoolang te moeten voeden, maar ik vermoedde wel, dat de Kiowa’s daarvoor moesten betalen! Hun losgeld werd daardoor veel hooger.

Op een mooien zonnigen herfstmorgen bracht Nscho-tschi mij mijn ontbijt, maar in plaats van zich zooals zij in dien laatsten tijd steeds had gedaan, dadelijk te verwijderen, ging zij naast mij zitten terwijl ik at. Haar oog bleef met een vochtigen glans op mij rusten en eindelijk rolde een traan over haar wang.

—Gij weent?—vroeg ik,—wat is er gebeurd dat u zoo bedroefd maakt?

—Vandaag zal het gebeuren.

—Wat?

—De Kiowa’s worden vrijgelaten en gaan weg. Hun boden zijn vannacht aangekomen met al de voorwerpen die wij van hen hebben geëischt.

—En maakt u dat zoo bedroefd? Gij moest toch eigenlijk blij daarover zijn.

—Gij weet niet wat gij zegt en vermoedt niet, wat u wacht. Het afscheid der Kiowa’s zal hiermee gevierd worden, dat gij met uw drie blanke broeders aan den folterpaal wordt gebonden.

Ik had dit reeds lang aan zien komen en schrok toch, toen ik het hoorde. Dus vandaag was de beslissende dag, misschien mijn laatste! Wat zou er met mij gebeurd zijn, wanneer deze dag ten einde zou wezen? Ik huichelde onverschilligheid en at, schijnbaar kalm verder en toen ik klaar was, reikte ik haar den schotel over. Zij nam dien aan, stond op en ging heen. Bij de deur keerde zij zich om, kwam weer naar mij toe, reikte mij de hand en zeide, haar tranen niet langer bedwingend:

—Ik kan nu voor ’t laatst tot u spreken. Vaarwel! Gij wordt Old-Shatterhand genoemd en zijt een dapper krijgsman. Wees sterk wanneer zij u martelen! Nscho-tschi is zeer bedroefd over uw dood, maar zij zou zich zeer verheugen, wanneer geen pijn in staat was een enkele klacht over uw lippen te brengen. Doe mij dit genoegen en sterf als een held!

Na deze bede snelde zij heen. Ik ging in de deur staan om haar na te zien, maar onmiddellijk werden de loopen van twee geweren op mij gericht, de wachters deden hun plicht. Had ik één schrede verder gedaan, dan was ik neergeschoten geworden of ten minste zoo verwond dat ik niet verder kon. Aan vluchten behoefde ik dus niet te denken en snel trok ik mij in mijn gevangenis terug.

Wat zou ik doen? Het beste was in elk geval kalm af te wachten en in het gegeven oogenblik de uitwerking van de haarlok te beproeven. De blik dien ik zooeven naar buiten had geworpen was voldoende geweest om mij te overtuigen dat elke gedachte aan vluchten een dwaasheid was. Ik had wel is waar van Indiaansche Pueblos gelezen, maar er nog nooit een gezien. Zij zijn gebouwd ter verdediging en beantwoorden volkomen aan hun bestemming. Gewoonlijk vullen zij diepe rotsspleten, bestaan doorgaans uit vast muurwerk en vormen verschillende verdiepingen. Ieder hoogere verdieping springt een stuk achteruit, zoodat er een platvorm voor ligt, dat weer de zolder is van een lagere verdieping. Het geheel geeft den indruk van een pyramide met trappen. Het parterre springt dus het verst vooruit en is het breedst, terwijl de volgende étages telkens smaller worden.

Deze étages zijn niet, gelijk bij ons van binnen door trappen verbonden, maar men bereikt ze van buiten door middel van ladders, welke neergezet en weer weggenomen kunnen worden. Nadert de vijand dan worden deze ladders verwijderd en ook al had deze zelf ladders meegebracht, dan nog zou hij die verdieping afzonderlijk moeten bestormen en zich blootstellen aan de geweerschoten der op een hooger platvorm staande verdedigers, die van hun kant volkomen veilig zijn voor de wapens der aanvallers.

Op zulk een pyramide-achtigen Pueblo bevond ik mij nu en wel zooals ik nu gezien had, op de achtste of negende verdieping daarvan. Hoe zou men hieruit kunnen vluchten, daar zich op alle lager gelegen platformen Indianen bevonden! Neen, ik moest blijven! Ik ging dus op mijn legerstede liggen en wachtte.

De uren die nu volgden waren verschrikkelijk, de tijd scheen niet voorbij te gaan en het werd middag voor er iets gebeurde van wat de Indiaansche mij had voorspeld. Ik hoorde buiten naderende voetstappen en Winnetou kwam binnen met vijf Apachen. Ik bleef kalm liggen. Hij zag mij lang en onderzoekend aan en zeide toen:

—Old-Shatterhand moet mij zeggen of hij zich nu weder geheel gezond gevoelt.

—Nog niet geheel, antwoordde ik.

—Maar gij kunt nu weer spreken, naar ik hoor?

—Ja.

—En ook loopen?

—Dat denk ik wel.

—Hebt gij leeren zwemmen?

—Een weinig.

—Dat is goed, want gij zult moeten zwemmen. Herinnert gij u nog, op welken dag gij mij zoudt weerzien?

—Op den dag van mijn dood.

—Gij hebt het goed onthouden. Deze dag is aangekomen. Sta op; gij zult worden gebonden.

Het zou onzinnig geweest zijn aan dezen eisch niet te gehoorzamen. Er stonden zes roodhuiden voor mij en ik alleen kon dus niets tegen hen doen. Ik had wel eenigen van hen kunnen neerslaan, maar ik zou hiermede niets anders hebben bereikt dan dat men mij nog strenger zou behandelen. Ik stond dus van mijn legerstede op en stak mijn handen uit, zij werden gebonden en bovendien kreeg ik twee riemen om de beenen en wel zoo, dat ik slechts langzaam kon gaan, maar onmogelijk in snelle sprongen kon ontkomen. Toen bracht men mij naar buiten op het platform.

Van hier voerde een ladder naar de étage daarbeneden, het was niet een ladder zooals wij hebben, maar een sterke houten paal met diepe inkervingen, die als treden dienst doen. Eerst gingen drie roodhuiden naar beneden, dan moest ik volgen, wat mij, ondanks mijn banden niet moeielijk viel, dan kwamen de anderen. Op deze wijze ging het van de eene verdieping naar de andere, steeds naar beneden. Op alle platformen stonden vrouwen en kinderen die mij zwijgend, maar met nieuwsgierige blikken aanstaarden en dan achter ons aankwamen. Zij telden te zamen, toen wij eindelijk beneden waren, zeker wel honderd personen en vormden ook later het publiek, dat van het schouwspel van onzen dood zou genieten.

Het was zooals ik had vermoed: de Pueblo lag in een smal zijdal, dat op het breede dal van den Rio Pecos uitliep.

Naar dit dal werd ik heengevoerd. De Pecos is over ’t geheel geen waterrijke rivier en heeft in den zomer en in den herfst nog minder water dan in den winter en in het voorjaar, maar er zijn diepe plaatsen, waar men in het warme jaargetijde bijna geen verschil van waterstand kan zien. Bij deze plaatsen vindt men grasrijke weiden, welke de Indianen er toe doen besluiten hier hun tenten op te slaan. Zulk een plek zag ik voor mij liggen.

Het dal was wel een goed half uur breed en aan beide oevers, links en rechts van ons met bosch en kreupelhout begroeid, waaraan groene weiden grensden. Juist voor ons evenwel was een plek waar geen boom was te zien, maar ik had geen tijd over de oorzaak hiervan na te denken. Daar, waar het zijdal uitliep in het groote dal, was op beide oevers een strook zand, en wel vijfhonderd pas breed, het geleek in de verte een lichte streep, welke dwars over het groene dal van den Rio Pecos was getrokken. Op deze breede, zandige vlakte was geen gras, geen boom, geen struik te zien, behalve een reusachtige ceder, welke aan den overkant midden op deze onvruchtbare vlakte stond.

Hij stond op geruimen afstand van den oever, en was door Intschu Tschuna bestemd een rol te spelen bij de gebeurtenissen van dezen dag.

Aan den eenen oever heerschte leven en beweging. Hier zag ik den ossenwagen, dien de Apachen hadden buitgemaakt en meegenomen. Aan den anderen kant van de zandvlakte weidden de paarden, door de Kiowa’s meegebracht om de gevangenen los te koopen. Daar waren ook de tenten opgeslagen en de verschillende wapens neergelegd, welke eveneens als losprijs dienst deden. Daartusschen zag ik Intschu Tschuna met enkelen van zijn lieden, die deze oorlogsschatting hadden te taxeeren. Tangua was bij hen, want men had hem en de overige gevangenen reeds vrijgelaten. Een enkele blik op het gewoel van deze roode, fantastisch gekleede gestalten zeide mij, dat hier zeker meer dan zeshonderd Apachen bijeen waren. Toen zij ons aan zagen komen, vormden zij snel een half cirkelvormigen kring om den ossenwagen, waarheen ik gevoerd werd. De Kiowa’s plaatsten zich bij hen.

Toen wij den wagen hadden bereikt, zag ik Hawkins, Stone en Parker, die daar gebonden stonden, niet evenwel aan den wagen, maar aan palen, welke vast en stevig in den grond waren geslagen. Een vierde paal was nog onbezet en aan dezen werd ik vastgebonden. Dit waren dus de folterpalen, aan welke wij ons leven op een ellendige, pijnlijke en schandelijke wijze zouden eindigen! Zij waren naast elkander geplaatst en wel met zulke kleine tusschenruimten, dat wij gemakkelijk met elkander konden spreken. Sam was naast mij, dan volgden Stone en Parker. In onze nabijheid lagen hoopen droog hout, bestemd om ons heen te worden gestapeld, wanneer wij na allerlei martelingen te hebben doorstaan ten slotte verbrand zouden worden.

Mijn drie metgezellen schenen gedurende hun gevangenschap ook geen gebrek te hebben geleden, want zij zagen er wel doorvoed uit. Hun gezichten stonden echter niet erg opgewekt.

—Zoo sir, zijt gij daar ook?—zeide Sam.—’t Is een mooie operatie, welke zij met ons voorhebben en ik vrees, dat wij ze wel niet zullen doorstaan. Het sterven en doodgeslagen worden, grijpt het lichaam zóó aan dat men het maar zelden overleeft. Wij zullen ook nog verbrand worden, als ik mij niet vergis. Wat zegt gij daarvan, sir?

—Hebt gij hoop op redding, Sam?—vroeg ik hem.

—Ik zou niet weten waar redding vandaan moest komen. Ik heb drie weken lang mijn hoofd er mee gebroken, maar ik heb geen enkele mogelijkheid kunnen bedenken. Wij zaten in een duister rotshol, waren stevig gebonden en werden bovendien goed bewaakt. Hoe zal men dan vluchten? Hoe hebt gij het gehad?

—Zeer goed.

—Ik geloof het, gij ziet er goed uit. Gij zijt zeker gevoed als een gans, die op St. Martinus gebraden moet worden.

—Spreken kan ik gelukkig weer en het gezwel in den mond zal ook wel spoedig geheel genezen zijn.

—Daarvan ben ik overtuigd. Dat gezwel zal vandaag radicaal genezen worden, er zal niets van overblijven, evenmin als van u, zelf niets dan een hoopje asch. Ik zie nergens uitkomst en toch heb ik een gevoel alsof ik niet zal sterven. Gij moogt het gelooven of niet, maar ’t is mij alsof er plotseling de een of andere redder zal komen opdagen.

—’t Is mogelijk! Ook ik heb alle hoop nog niet opgegeven. Ik zou zelfs durven wedden dat wij ons vanavond in den besten welstand zullen bevinden.

—Dat kunt gij alleen zeggen, zoo’n greenhorn! In den besten welstand bevinden! Ik zal blij zijn als ik nog besta en niet reeds ter ziele ben!

—Ik heb u immers dikwijls gezegd en ook bewezen dat ik wel weet wat ik zeg.

—Zoo? Wat wilt ge daarmee zeggen? Gij zegt dat op zulk een eigenaardigen toon. Is u misschien de een of andere gelukkige gedachte ingevallen.

—Ja.

—En welke? en wanneer?

—Op den avond dat het Winnetou en zijn vader gelukte te ontvluchten.

—Kwam u toen een gedachte in den zin? Zonderling. Dat zal ons nu niet veel helpen, want toen wist gij nog niet, dat wij binnenkort hier terecht zouden komen. En wat zou dat dan zijn? Vertel ons dat eens.

—Haarlok.

—Haarlok?—herhaalde hij verbaasd.—Zeg mij eens, sir, hoe staat het met uw bovenverdieping? Is het daar niet pluis?

—Ik geloof van wel.

—Maar wat bazelt gij dan van een haarlok? Heeft een vroeger liefje u misschien eens een vlecht gegeven en wilt gij die nu den Apachen aanbieden?

—Neen, zij is van een man.

Hij zag mij aan als twijfelde hij aan mijn verstand, schudde het hoofd en zeide:

—Luister eens, het is werkelijk niet pluis in uw bol, dat is zeker het gevolg van uw ziekte. Waarschijnlijk zit die haarlok in uw hoofd en niet in uw zak, want ik zou niet weten, hoe wij door een haarlok van den folterpaal vrij zouden kunnen komen.

—Hm ja, misschien is het ook maar een dwaasheid van een „greenhorn” en wij moeten kalm afwachten of het iets geeft of niet. Wat het vrijkomen van den martelpaal betreft, ik ben vrij zeker dat ik voor mijn persoon er niet aan zal blijven hangen.