Chapter 14 of 43 · 3998 words · ~20 min read

Part 14

—Ik heb ongeveer vijftig man geteld. De verkenners waren opgestaan en deelden hun ervaringen aan de opperhoofden mee. Daarop gingen zij wederom vooruit en de anderen volgden langzaam. Gij kunt begrijpen, heeren, dat Sam Hawkins achter hen aansloop. De regen had de gewone sporen uitgewischt, maar uw palen in den grond geslagen, dienden als wegwijzers. De Apachen kwamen echter langzaam vooruit, zij moesten zeer voorzichtig zijn, want bij iederen hoek en bij ieder boschje konden zij immers onverwachts op ons stuiten. Ik heb mij verbaasd over hun overleg en ben meer dan ooit tot de overtuiging gekomen, dat de Apachen ver boven de andere roode stammen staan.

Intschu Tschuna is een flinke kerel en Winnetou eveneens. Elke beweging was berekend, en er werd geen woord gesproken, men wisselde slechts blikken van verstandhouding. Toen de avond aanbrak, stegen allen af en verdwenen met hun paarden in het bosch, om daar den ochtend af te wachten.

—En hebt ge hen daar beluisterd?—vroeg ik.

—Ja. Als verstandige lieden maakten zij geen vuur aan, maar aangezien Sam Hawkins even verstandig is als zij, begreep ik ook dat zij mij daardoor minder gemakkelijk zouden ontdekken. Daarom kroop ik eveneens onder de boomen en schoof op mijn buik vooruit, tot ik zoo dicht in hun nabijheid was, dat ik alles kon hooren wat zij spraken.

—Verstondt gij alles?

—Wat een vraag! Ik kon toch hooren wat er gezegd werd?

—Ja, maar ik bedoel of zij hun eigenaardig Engelsch-Indiaansch gebruikten?

—Zij spraken in het dialect der Mescalero’s, dat ik tamelijk goed ken. De beide opperhoofden zeiden weinig, maar wat zij zeiden was kernachtig. Ik weet wat wij te wachten hebben.

—Vertel ons dat dan,—verzocht ik, toen hij een oogenblik wachtte.

—Welnu, zij hebben het op ons gemunt, zij willen ons levend vangen.

—En niet dooden?

—O ja, dooden willen zij ons ook, maar niet zoo dadelijk. Zij willen ons eerst gevangennemen en ons naar de dorpen der Mescalero’s aan den Rio Pecos brengen, waar wij aan den martelpaal gebonden en levend gebraden zullen worden. ’t Zal mij eens verwonderen wat lekker hapje Sam Hawkins zal opleveren, vooral wanneer men verzuimt mij mijn jachtrok uit te trekken, hihihihi!

Hij lachte op zijn eigenaardige wijze en ging toen voort:

—Zij hebben het vooral op Mr. Rattler begrepen, die daar nu zoo stil in ons midden zit en mij aanziet, alsof hij zoo naar den hemel zal varen. Ja, Mr. Rattler, gij hebt u zelf wat op den hals gehaald, ik zou niet graag in uw schoenen willen staan. Gij wordt gebraden, vergiftigd, doodgeschoten, geradbraakt en opgehangen, alles achter elkaar en van alles een beetje, zoodat ge in ’t leven blijft. En als gij dan dit alles hebt doorstaan, wordt gij met Kleki-Petra, dien gij doodgeschoten hebt, in één kuil gelegd en levend begraven.

—Mijn hemel! zeiden zij dat?—vroeg Rattler, wiens gezicht doodsbleek was geworden.

—Zeker, dat zeiden zij. Gij hebt dit alles verdiend en niemand kan u helpen. ’k Wil maar hopen, dat gij, wanneer gij uw straf hebt ondergaan, nooit weer zoo’n slechte daad zult doen. Maar dat zult ge ook wel laten. Het lijk van Kleki-Petra is door een medicijnman naar huis gebracht. Gij moet weten, dat de roodhuiden hun dooden zoo weten te behandelen, dat zij nog lang goed blijven; ik heb mummiën gezien, die na honderd jaar er zoo frisch uitzagen, alsof zij gisteren nog geleefd hadden. Als wij allen gevangen worden genomen, zal men ons het genoegen gunnen te zien, hoe zij Mr. Rattler in zulk een mummie veranderen.

—Ik wil hier niet blijven!—riep Rattler uit.—Ik ga weg, zij krijgen mij niet.

Hij wilde opspringen, maar Sam hield hem terug en waarschuwde:

—Doe dat niet, als uw leven u lief is. Ik verzeker u, dat de Apachen reeds den ganschen omtrek hebben bezet, gij zoudt onmiddellijk in hun handen vallen.

—Denkt ge dat werkelijk, Sam?—vroeg ik.

—Ja, het is geen valsche bedreiging, maar ik heb werkelijk reden om dit te veronderstellen. Ook in een ander opzicht heb ik mij niet vergist. De Apachen zijn werkelijk ook reeds tegen de Kiowa’s opgetrokken, en wel met een groot leger, waarbij de beide opperhoofden zich willen aansluiten, zoodra zij hier met ons hebben afgerekend. Alleen daardoor was het mogelijk, dat zij zoo spoedig weer tot ons terug konden keeren. Zij behoefden om krijgslieden te halen, niet geheel naar hun dorpen te rijden, maar zij ontmoetten de tegen de Kiowa’s opgetrokken scharen onderweg, gaven het lijk van Kleki-Petra aan den medicijnman en zochten vijftig ruiters uit om ons te overvallen.

—Waar zijn de troepen, die tegen de Kiowa’s optrekken?

—Dat weet ik niet, er is geen woord over gesproken, en dat kan ons ook tamelijk onverschillig zijn.

Ditmaal had de kleine Sam toch ongelijk. Het was ons lang niet onverschillig, waar deze talrijke schare zich bevond; dat werden wij eenige dagen later gewaar. Sam ging voort:

—Toen ik genoeg had gehoord, had ik wel dadelijk naar u terug kunnen gaan, maar het is moeielijk ’s nachts het spoor te verbergen. Ik bleef dus tot aan den morgen in het bosch en ging eerst heen, nadat ook zij opgebroken waren. Ik volgde hen tot op ongeveer zes mijlen van hier, toen maakte ik een omweg om ongemerkt hier bij u te komen. Dat is alles, wat ik u zeggen kan.

—Zij hebben u dus niet gezien?

—Neen.

—En ook uw spoor niet ontdekt?

—Neen.

—Maar gij zeidet toch, dat gij u wildet laten zien en....

—Ja, ja, dat weet ik wel, ik zou het ook hebben gedaan, maar ’t was niet meer noodig, want.... halt, hebt gij dat gehoord?

Duidelijk hoorde men driemaal het krijschen van een adelaar.

—Dat zijn de spionnen der Kiowa’s,—zeide Sam,—zij zitten daarboven in de boomen. Ik heb met hen afgesproken, dit teeken te geven, wanneer ze Apachen zagen aankomen. Volg mij, sir, wij zullen zien of gij goede oogen hebt!

Dit laatste was tot mij gericht. Hij stond op om heen te gaan en ik nam mijn geweer, en wilde hem volgen.

—Halt,—zeide hij,—laat dat geweer hier. De prairiejager moet zich wel is waar nooit van zijn geweer scheiden, maar elke regel heeft een uitzondering. Wij moeten doen alsof wij aan geen gevaar denken, en kalmpjes wat hout willen gaan zoeken. Daaruit zullen de Apachen opmaken, dat wij hier ons nachtverblijf willen opslaan.

Wij slenterden, schijnbaar geheel zonder eenig kwaad te vermoeden, tusschen de boomen en struiken door, naar de grasvlakte, welke op de savanna uitliep. Daar verzamelden wij de dorre takjes, welke op den grond lagen, terwijl wij onder de hand heimelijk om ons heen zagen, of wij ook den een of anderen Apache konden ontdekken. Waren zij in de nabijheid, dan moesten zij verborgen zijn tusschen de struiken en boomgroepen, welke min of meer van ons verwijderd, over de savanna verspreid stonden.

—Ziet ge er een? vroeg ik aan Sam.

—Neen,—antwoordde hij.

—Ik ook niet.

Wij spanden nogmaals onze oogen in, maar konden niets ontdekken. En toch hoorde ik later van Winnetou zelf, dat hij hoogstens vijftig pas van ons af, in een kreupelboschje had gelegen en ons had gadegeslagen. Het is niet genoeg, dat men goede oogen heeft, maar zij moeten ook geoefend zijn en dat waren de mijne destijds nog niet. Thans echter zou ik Winnetou dadelijk kunnen ontdekken, al zou mijn eenige aanwijzing zijn de muggen, die, door zijn persoon aangetrokken, dichter boven het boschje zwermden, dan ergens anders.

Wij keerden dus onverrichter zake naar de anderen terug en hadden nu meer hout voor het legervuur dan noodig was.

—Dat is uitstekend,—meende Sam,—wij moeten een hoopje laten liggen voor de Apachen, want zij moeten, wanneer zij ons willen vangen en bemerken dat wij verdwenen zijn, gauw een vuurtje kunnen maken.

—Intusschen was het donker geworden. Sam, als de oudste, strekte zich uit aan den uitersten grasrand, daar, waar de eigenlijke savanna een aanvang nam. Hij wilde de spionnen beloeren, die wij met zekerheid konden verwachten. Het vuur werd aangestoken, de vlammen stegen weldra op en verlichtten de savanna tot op grooten afstand. Hoe onvoorzichtig moesten de Apachen ons wel vinden! Dit vuur was immers een wegwijzer voor elken vijand!

Wij gebruikten ons avondeten en gingen toen liggen, hier en daar verspreid, alsof wij in ’t minst niet aan een overval dachten. De geweren lagen een eind van ons af, en wel naar den kant van het schiereiland, opdat wij ze later gemakkelijk konden meenemen. De toegang tot het schiereiland zelf, was op Sam’s aanwijzing, door onze paarden gebarricadeerd.

Er waren meer dan drie uur voorbijgegaan, toen Sam zoo stil als een schaduw bij ons terug kwam en zachtjes vertelde:

—Ik heb twee verkenners gezien, de een komt van dezen, de andere van dien kant. Ik heb hen zelfs hooren spreken.

Hij ging kalm bij ons zitten, en vroeg met luider stem naar iets, dat hem toevallig in den zin kwam. Wij antwoordden en zoo ontspon zich een gesprek, dat door zijn levendigheid er op berekend was, de verkenners op een dwaalspoor te brengen. Wij wisten, dat zij er waren en ons scherp gadesloegen, maar wij wachtten ons wel, ook maar een enkelen wantrouwenden blik in het kreupelhout te werpen.

Nu was het de eerste vraag, wanneer zij zich weder verwijderden! Hooren konden wij dit niet en zien evenmin, en toch mochten wij, wanneer zij eenmaal weg zouden zijn, geen oogenblik verliezen; want reeds spoedig daarop kon de geheele troep hier zijn. In dien tusschentijd evenwel moesten de Kiowa’s het schiereiland bezetten. Het was dus het beste, niet te wachten tot zij weggingen, maar hen daartoe te dwingen. Daarom stond Sam op, deed alsof hij hout wilde zoeken, en drong aan den eenen kant het kreupelboschje in, terwijl ik het van den anderen kant naderde. Wij konden nu zeker zijn, dat de verkenners zouden wegsluipen. Nu hield Sam de beide handen voor den mond en liet driemaal het geluid van een kikvorsch hooren. Dit was voor de Kiowa’s het teeken, dat zij konden komen. Daarop ging hij naar zijn eersten post terug, om ons de aankomst van den geheelen troep te kunnen melden.

Nauwelijks twee minuten later, kwamen de Kiowa’s aangeslopen, de een achter den ander aan. Zij hadden niet in het bosch het teeken afgewacht, maar waren reeds tot aan de beek vooruitgedrongen, om bij den eersten roep daarover te springen. Als slangen kropen zij over den bodem naar het schiereiland en zoo snel en handig ging dit, dat binnen drie minuten de laatste ons voorbij kroop.

Wij wachtten nu op Sam. Spoedig kwam deze en fluisterde ons toe:

—Zij komen en wel van twee kanten. Legt geen hout meer op het vuur; want wij moeten zorgen, dat, als de vlam dooft, er nog genoeg overblijft, waarmee de roodhuiden opnieuw het vuur kunnen doen opvlammen.

Wij stapelden onzen houtvoorraad zóó rondom het vuur, dat ons verdwijnen door het schijnsel niet kon worden verraden. Toen dit geschied was, moest ieder van ons meer of minder de rol van tooneelspeler op zich nemen. Wij wisten, dat er een vijftigtal Apachen in onze nabijheid was, doch wij mochten het niet laten merken. Het volgende oogenblik kon over veel, ja zelfs over ons leven beslissen. Wij hadden nu eenmaal uitgemaakt, dat zij zouden wachten, tot wij zouden zijn ingeslapen, maar hoe, wanneer zij dit nu eens niet deden? Dan hadden wij wel is waar tweehonderd Kiowa’s die ons te hulp zouden snellen, maar het zou tot een gevecht komen, waarbij zeker menig man van onze zijde het leven zou moeten inboeten. Het beslissende oogenblik was gekomen en ziet, wat ik had gedacht, bleek waarheid te zijn, ik was kalm, zóó kalm, alsof ik een partij schaak of domino zou spelen. ’t Was interessant de overigen gade te slaan. Rattler lag languit op den grond, met zijn gezicht naar de aarde, en deed alsof hij sliep. Zijn beroemde metgezellen zagen elkaar met doodsbleek gelaat aan en stamelden slechts eenige onverstaanbare klanken. Will Parker en Dick Stone zaten zoo gemoedelijk naast elkaar, alsof er in de geheele wereld geen Apache was. Sam Hawkins verkocht den eenen kwinkslag na den anderen en ik lachte luidkeels over zijn grappen. Toen er op deze wijze een half uur was verstreken, konden wij gerust zijn, dat de overval eerst zou geschieden, wanneer wij sliepen, anders was zij nu reeds lang gebeurd. Het vuur was bijna uitgedoofd en ik vond het dus geraden de beslissing niet langer uit te stellen. Daarom gaapte ik enkele malen, rekte mij uit en zeide:

—Ik ben moe en ’k zou wel willen slapen, gij ook niet, Sam Hawkins?

—Ik heb er niets tegen,—antwoordde hij.—Het vuur gaat uit, goeden nacht!

—Goeden nacht!—zeiden ook Parker en Stone, en nu schoven wij zoover mogelijk van het vuur af, en deden toen, alsof wij gingen slapen.

De vlam werd al kleiner en kleiner, tot zij eindelijk doofde, alleen de asch gloeide nog, maar door het rondom opgestapelde hout konden wij dit niet zien. Wij lagen allen in het donker, en nu was het de kunst, zoo zacht mogelijk verder te kruipen en ons op deze wijze in veiligheid te brengen. Ik greep mijn geweer en kroop langzaam verder. Sam bleef dicht bij mij en de anderen volgden. Het gelukte ons werkelijk de Kiowa’s te bereiken, die reeds als roofgierige panters op de loer lagen.

—Sam,—fluisterde ik,—als de beide hoofdmannen gespaard zullen worden, dan moeten wij er voor zorgen, dat geen Kiowa hen aanraakt. Zijt gij dat met mij eens?

—Ja.

—Ik neem Winnetou voor mijn rekening, gij, Stone en Parker moeten voor Intschu Tschuna zorgen.

—Gij één alleen en wij één met ons drieën? dat gaat niet, als ik mij niet vergis.

—Het is toch het beste, geloof mij. Ik ben met Winnetou spoedig klaar, maar gij moet met uw drieën zijn, want wanneer zijn vader tijd en gelegenheid krijgt, om zich te verdedigen, kan dit voor hem leelijke gevolgen hebben.

—Gij hebt gelijk! Maar, dan moeten wij de eersten zijn, laat ons dus een beetje vooruitgaan, kom mee!

Wij kropen iets nader bij het vuur en wachtten nu in de grootste spanning op het krijgsgeschreeuw der Apachen, want wij wisten, dat zij zonder dit geen aanval zouden doen.

Het is de gewoonte, dat de aanvoerder door een schreeuw het teeken geeft en de anderen vallen dan met een helsch lawaai in. Dit huilen geschiedt met het doel, de aangevallenen den moed te benemen, zich te verdedigen.

De Kiowa’s waren, evenals wij, in spanning. Ieder van hen, wilde ook gaarne de eerste zijn en daarom drongen zij naar voren, zoodat wij al verder en verder vooruitgeschoven werden. Dit was gevaarlijk en daarom hoopte ik vurig, dat de aanval niet te lang op zich zou laten wachten.

Deze wensch werd eindelijk vervuld. Daar weerklonk het bekende hiiiiiiih! op zoo luiden en doordringenden toon, dat het mij door merg en been ging en daarop volgde een gehuil, als uit duizend kelen tegelijk.

Wij hoorden, ondanks den zachten bodem, snelle schreden en sprongen. Toen was plotseling alles weder stil. Eenige oogenblikken bewoog zich niets, men had, om zoo te zeggen, een muis kunnen hooren loopen. Toen hoorden wij Intschu Tschuna het enkele korte woord „ko” roepen.

Dit woord beteekent vuur; er moest dus vuur aangemaakt worden. Onze asch gloeide nog, en het dorre hout dat er omheen lag, zou gemakkelijk branden. Het duurde dan ook maar enkele minuten of de vlam sloeg uit en de geheele omgeving was verlicht.

Intschu Tschuna en Winnetou stonden naast elkaar en er vormde zich spoedig een kring van krijgers om hen heen, toen de Apachen tot hun verwondering zagen, dat wij verdwenen waren.

—Oef, oef, oef!—riepen allen verbaasd.

Winnetou toonde toen reeds, ondanks zijn jeugd, die omzichtigheid, welke ik later zoo dikwijls in hem heb bewonderd. Hij maakte bij zich zelf ongetwijfeld de opmerking, dat wij ons nog in de nabijheid moesten bevinden en dat de om het vuur staande Apachen, zich bijzonder bloot gaven, en licht door ons geweervuur zouden worden getroffen. Daarom riep hij:

—Tatischa, tatischa!

Dit beteekent: „verwijdert u, verwijdert u.” Hij wilde zelf het voorbeeld geven, maar ik was hem te vlug af. Met vier of vijf schreden was ik bij den kring, welke zich om hem had gevormd. De mij in den weg staande Apachen wegduwend, snelde ik op hem toe, op den voet gevolgd door Hawkins, Stone en Parker. Juist toen Winnetou zijn luid: tatischa! had geroepen, stond ik voor hem en wij zagen elkander een oogenblik diep in de oogen. Zijn hand greep naar het mes, dat hij in den gordel droeg, maar reeds had mijn vuistslag zijn slaap getroffen en bewusteloos zonk hij neer. Tegelijkertijd hadden Sam, Will en Dick zijn vader vastgegrepen.

De Apachen huilden van woede, maar hun gehuil werd overstemd door het verschrikkelijke brullen der Kiowa’s, die zich nu op hen wierpen.

Ik stond, daar ik in de rij der Apachen was gedrongen, midden tusschen het kluwen van strijdende en huilende menschen, die met elkander worstelden. Tweehonderd Kiowa’s tegen vijftig Apachen, dus vier tegen een! De brave krijgers van Winnetou weerden zich dapper. Ik had heel wat moeite, ze van mij af te houden, en moest mij als een tol in het rond draaien. Daarbij gebruikte ik alleen mijn vuisten, want ik wilde, indien mogelijk, niemand verwonden of dooden. De overmacht was te groot; na vijf minuten was de strijd ten einde. De hoofdman Intschu Tschuna lag gebonden op den grond, naast hem lag Winnetou bewusteloos, en ook hem werden handen en voeten gebonden. Geen enkele Apache was ontkomen, vooral omdat het dezen dapperen lieden niet in het hoofd was opgekomen, hun beide aanvoerders in den steek te laten.

Velen van hen waren gewond en ook enkelen der Kiowa’s en jammer genoeg hadden deze drie en de Apachen vijf dooden. Dit had weliswaar niet in ons plan gelegen, doch tengevolge van den krachtigen tegenstand der Apachen, waren de slagen natuurlijk harder aangekomen.

De overwonnen vijanden werden allen gebonden, de lijken van de enkelen, die helaas gedood waren, werden weggebracht en wij begonnen de gewonde Apachen te onderzoeken en te verbinden. Wij ondervonden daarbij soms heftig verzet, want de meesten van hen, waren te trotsch om een dienst van den vijand aan te willen nemen. Toen dit werk was afgeloopen, overlegden wij, hoe de gevangenen den nacht zouden doorbrengen. Ik wilde het hen zoo gemakkelijk mogelijk maken, maar Tangua, het opperhoofd der Kiowa’s, voer mij tegemoet:

—Deze honden behooren niet u, maar mij, en ik alleen heb te beslissen, wat met hen zal gebeuren.

—En wat beslist gij dan?—vroeg ik.

—Wij zouden hen kunnen bewaken, tot wij in onze dorpen terugkomen, maar daar deze zoo ver af zijn, en wij eerst nog de rest van hun troep willen overvallen, zullen wij maar korte wetten met hen maken. Zij komen aan den folterpaal.

—Allen?

—Allen!

—Dat geloof ik niet.

—Waarom niet!

—Omdat gij u vergist, gij zegt dat de Apachen u toebehooren, dat is niet juist.

—Dat is juist!

—Neen.—Volgens de prairiewetten behoort de gevangene, aan hem, die hem gevangengenomen heeft. Houd dus de Apachen, die gij overwonnen hebt, daar heb ik niets tegen, maar die, welke wij gevangen hebben, behooren ons.

—Oef, oef, wat praat gij verstandig. Gij wilt dus Intschu Tschuna en Winnetou behouden.

—Natuurlijk.

—En als ik dat niet toesta?

—Dat moet gij!

Hij sprak op vijandigen toon, ik evenwel was kalm en bezadigd. Toen trok hij zijn mes, stak het tot aan het heft in de aarde en zeide terwijl hij mij met fonkelende oogen aanzag:

—Raakt gij met uw hand, ook maar een enkelen Apache aan, dan zal uw lichaam zijn als deze plaats waarin ik mijn mes steek. Ik heb gezegd! Howgh!

Hij sprak in vollen ernst, maar ik zou hem toch te kennen hebben gegeven, dat ik mij niet door hem liet bedreigen, indien Sam Hawkins niet zoo verstandig was geweest, mij een waarschuwenden blik toe te werpen, die mij tot kalmte en voorzichtigheid aanmaande. Ik vond het dus beter, te zwijgen.

De gebonden Apachen lagen rondom het vuur en het was dus het eenvoudigste geweest, hen stil daar te laten liggen, waar zij zonder eenige moeite bewaakt konden worden. Tangua evenwel, wilde mij bewijzen, dat hij hen werkelijk als zijn eigendom beschouwde en naar willekeur met hen kon handelen, daarom gaf hij bevel, hen staande aan de nabijzijnde boomen vast te binden.

Dat geschiedde en wel, naar te begrijpen is, op niet al te zachte wijze. De Kiowa’s waren ruw en spaarden de arme overwonnenen niet, maar wat leed hun ook geschiedde, geen der Apachen vertrok daarbij het gezicht. Het ruwst was men nog tegen de beide opperhoofden, wier banden zoo stijf werden aangesnoerd, dat het bloed uit het opgezwollen vleesch scheen te willen springen.

Het was bepaald onmogelijk, dat een der gevangenen zich zelf los kon maken of ontvluchten, maar toch zette Tangua wachten om de legerplaats heen.

Ons vuur, dat intusschen weer was aangewakkerd, brandde zooals reeds gezegd, aan het verste einde van de grasstrook, welke naar het water voerde. Wij gingen daar liggen en hadden afgesproken geen Kiowa in onze nabijheid te dulden, daar hun tegenwoordigheid de bevrijding van Winnetou en zijn vader onmogelijk zou kunnen maken, maar deze afspraak was overbodig, want het scheen hun in ’t geheel niet in den zin te komen, zich bij ons te voegen. Reeds van den aanvang af waren zij allesbehalve vriendelijk tegen ons geweest, en na mijn laatste woordenwisseling met hun hoofdman werd het er niet beter op. De koele, bijna minachtende blikken, welke zij ons toewierpen, zeiden ons, dat wij blij mochten zijn, indien wij zonder verderen twist van elkander konden scheiden.

Zij ook hadden vuren aangelegd, een weinig verder de savanna in, en lagen kalm daaromheen, terwijl zij met elkander spraken, niet in de taal, welke gebruikelijk is tusschen blanken en roodhuiden, maar in de taal van hun volk. Wij moesten hen niet kunnen verstaan en ook dit was een ongunstig teeken. Zij beschouwden zich hier als meester van het terrein en de houding welke zij aannamen, geleek op die van een leeuw, die een hondje bij zich duldt.

Het was daarom juist zoo moeielijk, ons plan ten uitvoer te brengen, omdat slechts vier personen daarvan mochten weten, namelijk Sam Hawkins, Dick Stone, Will Parker en ik. De anderen wilden en mochten wij niet in ’t geheim nemen, want waarschijnlijk zouden zij zich tegen ons voornemen verzetten, ja ’t kon zelfs mogelijk zijn, dat zij dit aan de Kiowa’s zouden verraden. Wij hoopten dus maar, dat zij spoedig in slaap zouden vallen en daar wij daarop toch moesten wachten, ried Sam ons aan, zelf ook maar eens een uiltje te knappen. Wij gingen dus liggen, en ik was, ondanks den opgewonden toestand waarin ik verkeerde, weldra ingeslapen. Een poos later wekte Sam mij. Ik wist destijds nog niet den tijd te bepalen naar den stand der sterren, maar het moet kort na middernacht zijn geweest. Onze metgezellen sliepen en het vuur was uitgedoofd. De Kiowa’s brandden ook slechts één vuur. Wij konden zachtjes met elkaar spreken en Sam fluisterde mij toe:

—Wij moeten een keus doen uit ons vieren, allen kunnen wij niet weg.

—Ik ga natuurlijk!—antwoordde ik zeer beslist.

—Oho, niet zoo haastig, sir, ’t kan u uw leven kosten!

—Dat weet ik.

—En wilt gij dit wagen?

—Ja.

—Komaan, gij zijt een brave kerel. Maar er is iets anders; het welslagen van ons plan hangt af van den persoon, die het uitvoert.

—Natuurlijk.

—’t Verheugt mij, dat gij dit ook inziet, en daarom, denk ik, zult gij er wel van afzien, dit op u te nemen.

—Ik denk er niet aan!

—Wees verstandig, sir! laat mij met Dick Stone gaan.

—Neen.

—Gij zijt er niet voor berekend, gij weet nog niet, hoe men dat besluipen doet.

—’t Is mogelijk, maar laat mij vandaag u dan eens bewijzen, dat men ook wel eens tot een goed einde kan brengen, wat men nog nooit van te voren heeft gedaan, als men er maar lust in heeft.

—En handig is, sir, vergeet dat niet, en gij zijt niet geoefend.

—Mag ik een proef leveren?