Part 20
—Natuurlijk! als men u heeft verbrand, blijft gij er niet aanhangen.
—Ja, maar ik word losgemaakt voor men met martelen begint.
—Zoo? Welke reden hebt gij om dat te denken?
—Ik moet zwemmen.
—Zwemmen?—vroeg hij mij, terwijl hij mij weer aanzag als een dokter zijn krankzinnigen patiënt.
—Ja, zwemmen en dat kan ik toch aan dezen paal niet doen? Men moet mij dus wel losmaken.
—Zoo en wie heeft u gezegd dat gij moet zwemmen?
—Winnetou.
—En wanneer?
—Vandaag natuurlijk en wel zoo aanstonds.
—’t Is alsof er een zonnestraal door de wolken breekt, gij moet dus om uw leven kampen.
—Dat denk ik ook.
—Dan zullen wij dit eveneens moeten doen, want ik geloof niet, dat men u anders zal behandelen dan ons. In elk geval is onze toestand dan niet zoo hopeloos als ik vermoedde.
—Misschien kunnen wij ons nog redden.
—Oho. Verbeeldt u nu niet in eens zooveel! Als men ons om ons leven laat kampen dan zal men ’t ons zoo moeilijk mogelijk maken. Maar er zijn voorbeelden, dat in zulke gevallen blanken zich hebben weten te redden. Hebt gij zwemmen geleerd, sir?
—Ja.
—Maar hoe?
—Zoo, dat ik geloof door geen Indiaan te kunnen worden overtroffen.
—Verbeeldt u dat toch niet. Die kerels zwemmen als waterratten, als visschen.
—En ik als een vischotter, die de visschen vangt en opeet.
—Wat een pochhans!
—Neen, het zwemmen is een mijner liefhebberijen geweest, hebt gij wel eens gehoord van watertrappen?
—Ja.
—Kunt gij dat.
—Neen, ik heb het ook nog nooit gezien.
—Dan zult ge dat wellicht vandaag kunnen bijwonen. Geeft men mij werkelijk gelegenheid mijn leven door zwemmen te redden, dan ben ik vast overtuigd dat ik dezen dag zal overleven!
—Ik help het u wenschen, sir! Ik hoop dat men ook ons in de gelegenheid stelt; dat is ten minste altijd beter dan hier aan den paal te blijven hangen. Ik wil liever vallen in den strijd, dan mij dood laten martelen.
Wij hadden ongehinderd met elkander kunnen spreken; Winnetou stond met zijn vader en Tangua niet ver van ons af, maar scheen niet op ons te letten en de overige Apachen waren druk bezig de orde te bewaren in den kring van toeschouwers, welke zich om ons vormde. Binnen in dien kring zaten de kinderen en achter dezen de meisjes en vrouwen bij wie ook Nscho-tschi zich bevond, die naar ik bemerkte zelden den blik van mij afwendde.
Dan kwamen de jonge knapen en daarachter stonden de volwassen krijgers. Nu verhief Intschu Tschuna die met Winnetou en Tangua tusschen ons en de toeschouwers stond, zijn stem en zeide zoo luide dat allen het konden hooren:
—Mijn roode broeders, zusters en kinderen en ook de mannen van den stam der Kiowa’s mogen hooren, wat ik hun te zeggen heb!
Hij hield even op en toen hij zag dat aller aandacht op hem gevestigd was, ging hij voort:
—De bleekgezichten zijn de vijanden der roode mannen. Er is slechts zelden een onder hen, wiens oog als vriend op ons heeft gerust. De edelste onder deze weinige bleekgezichten kwam tot het volk der Apachen om voor hen een vriend en broeder te zijn. Daarom gaven wij hem den naam van Kleki-Petra (blanke vader). Mijn broeders en zusters hebben hem allen gekend en liefgehad. Laat hen dat getuigen!
—Howgh!—klonk het in den kring.
De hoofdman vervolgde:
—Kleki-Petra heeft ons onderricht in alle dingen, welke wij niet kenden, maar goed en nuttig voor ons zijn; hij heeft ook gesproken van den godsdienst der bleekgezichten en van den Grooten Geest die de Schepper en Weldoener aller menschen is. Deze Groote Geest heeft bevolen, dat de roode en de blanke menschen elkander als broeders zullen liefhebben. Hebben de bleekgezichten dit gedaan, hebben zij ons liefdevol bejegend? Neen! Mijn broeders en zusters mogen dit getuigen!
—Howgh!—klonk het in koor.
—Zij zijn veel meer hier gekomen om ons eigendom te ontrooven en ons uit te roeien. Dit gelukt hun, omdat zij sterker zijn dan wij. Daar, waar de buffels en mustangs graasden, hebben zij groote steden gebouwd, van welke al het kwaad uitgaat dat over ons komt. Waar eens de roode jager door het woud en over de savanna zwierf, daar loopt nu het dampende vuurros met de groote wagens, waarin het onze vijanden naar hier brengt. En wanneer de roode man voor hem vlucht en zich terugtrekt in de gronden en oerwouden, die men hem nog heeft gelaten, dan duurt het niet lang of hij ontmoet er bleekgezichten die hem gevolgd zijn om nieuwe wegen aan te leggen op den rechtmatigen grond van den roodhuid. Wij hebben zulke bleekgezichten ontmoet en vriendschappelijk met hen gesproken. Wij hebben hun gezegd, dat dit land ons eigendom was en hun niet toebehoorde. Zij hebben niets daartegen kunnen inbrengen en hebben het moeten erkennen. Maar toen wij van hen eischten dat zij heen zouden gaan en er van afzagen door onze legerplaatsen een weg te maken voor het vuurros, toen hebben zij aan dezen wensch niet voldaan en Kleki-Petra, dien wij liefhadden en vereerden, doodgeschoten. Mijn broeders en zusters mogen bevestigen dat ik de waarheid heb gesproken.
—Howgh!—klonk het luid en eenstemmig.
—Wij hebben het lijk van den vermoorde hierheen gebracht en bewaard tot op den dag der wraak; deze dag is nu aangebroken. Kleki-Petra zal heden begraven worden en met hem degene, die hem vermoord heeft. Met dezen hebben wij ook hen gevangen genomen, die bij dezen daad tegenwoordig waren. Zij zijn zijn vrienden en bondgenooten en hebben ons in de handen der Kiowa’s overgeleverd, maar zij ontkennen dit. Bij alle andere roode mannen zou, wat wij van hen weten, voldoende zijn om hen den marteldood te doen ondergaan, maar wij willen de leer van Kleki-Petra volgen en rechtvaardige rechters zijn. Daar zij niet wilden toegeven, dat zij onze vijanden zijn geweest, willen wij hen in verhoor nemen en daarna hun lot bepalen. Mijn broeders en zusters mogen hun toestemming geven.
—Howgh!—klonk het rondom.
—Luister sir, dat klinkt nog al gunstig voor ons,—zeide Sam tot mij,—als zij ons willen verhooren, staan de zaken niet zoo slecht voor ons als wij dachten. Ik hoop dat het ons zal gelukken, onze onschuld te bewijzen. Ik zal dezen lieden alles zóó duidelijk maken, dat zij ons wel vrij zullen laten.
—Sam, dat gelukt niet,—antwoordde ik.
—Niet, waarom niet? Meent gij dat ik niet kan praten?
—O, het praten heeft men u als kind wel zoo wat geleerd, maar wij zijn nu al zes weken hier gevangen geweest en in al dien tijd is het u toch maar niet gelukt de Apachen tot andere gedachten te brengen.
—U ook niet, sir!
—Evenmin Sam; maar den eersten tijd kon ik niet spreken en sedert het mij weer mogelijk was de tong te bewegen, heb ik geen enkele roodhuid gezien. Gij zult dus wel moeten toegeven dat ik onmogelijk een poging heb kunnen doen om een van de aanvoerders te overtuigen.
—Doe het dan nu ook maar niet meer.
—Waarom niet?
—Omdat het u niet zal gelukken. Gij zijt als greenhorn veel te onervaren in zulke dingen en kunt er van overtuigd zijn dat gij ons niet zult helpen, integendeel, ons verder achteruit zult brengen. Gij zijt wel sterk, maar dat helpt ons niet veel, het komt nu vooral op scherpzinnigheid en listigheid aan en deze bezit gij niet. Gij kunt het niet helpen dat gij nu eenmaal zonder deze eigenschappen geboren zijt, maar daarom moet gij er u niet mee bemoeien en de verdediging aan mij overlaten.
—Dan wensch ik u beter succes dan gij tot nu toe gehad hebt, Sam.
—Gij zult hooren dat ik de zaak tot een goed einde breng!
Deze woordenwisseling had ongestoord kunnen plaats vinden, omdat ons verhoor niet dadelijk begon. Intschu Tschuna en Winnetou onderhielden zich zacht met Tangua en zagen ons daarbij nu en dan aan. Zij spraken dus over ons. De blikken der beide eersten werden hoe langer hoe duisterder en strenger en uit de houding van den Kiowa bleek duidelijk dat hij zijn best deed om ons bij de anderen verdacht te maken. Wie weet wat hij voor leugens van ons vertelde, om ons in ’t verderf te storten! Eindelijk kwamen zij op ons toe. De beide Apachen gingen rechts van ons staan terwijl Tangua zich links van mij posteerde. Nu zeide Intschu Tschuna tot ons met luider stem, zoodat allen het konden hooren:
—Gij hebt gehoord, wat ik zooeven heb gesproken, gij moet ons nu de waarheid zeggen en moogt u verdedigen. Beantwoordt dus de vragen welke ik tot u richt! Behoort gij tot de bleekgezichten die den nieuwen weg voor het ijzeren ros aanleggen?
—Ja, maar toch moet ik u zeggen dat wij drieën den weg niet hebben opgemeten, maar enkel zijn meegekomen om de anderen te beschermen,—antwoordde Sam—en wat de vierde van ons betreft, Old-Shatterhand genoemd, zoo....
—Zwijg!—viel de hoofdman hem in de rede. Gij hebt alleen mijn vragen te beantwoorden en behoeft verder geen woord te spreken. Doet gij dit toch, dan laat ik u geeselen, tot u de huid openspringt! Dus, gij behoort tot deze bleekgezichten? Antwoord kort met ja of neen.
—Ja,—zeide Sam, bang voor de slagen die hem anders wachtten.
—Heeft Old-Shatterhand mee opgemeten?
—Ja.
—En gij drieën beschermdet deze lieden?
—Ja.
—Dan zijt gij nog meer strafbaar dan zij, want wie dieven en moordenaars beschermt, heeft een dubbele straf verdiend. Was Rattler de moordenaar, een van uw kameraden?
—Ja, maar toch moet ik u zeggen, dat wij nooit vrienden van hem zijn ge....
—Zwijg, hond!—begon Intschu Tschuna weer,—gij hebt mij alleen te zeggen, wat ik wil weten, en meer niet. Kent gij de wetten van de Far-West?
—Ja.
—Hoe wordt een paardendief gestraft?
—Met den dood.
—Wat is meer waard een paard of het groote land, dat aan de Apachen toebehoort?
Sam antwoordde niet om niet zelf zijn doodvonnis uit te spreken.
—Spreek, anders laat ik u met de lasso tot bloedens toe geeselen!
Toen bromde de kleine moedige Sam:
—Sla dan maar toe! Sam Hawkins laat zich niet tot spreken dwingen, als hij dit nu eenmaal niet wil!
Nu zag ik hem aan en verzocht:
—Spreek Sam, het is beter voor ons!
—Welnu,—antwoordde hij,—als gij het wilt, zal ik spreken, waar ik eigenlijk wilde zwijgen.
—Dus wat is meer waard, een paard of dit land?
—Het land.
—Dus heeft een landroover nog eerder den dood verdient dan een paardendief en gij hebt ons het land willen ontrooven. Daarbij komt nog, dat gij metgezel zijt van den man, die Kleki-Petra heeft vermoord. Dit maakt uw straf zwaarder. Als landroovers zoudt gij doodgeschoten worden, zonder vooraf martelingen te ondergaan, nu gij evenwel moordenaars zijt, zult gij voor uw dood aan den martelpaal worden geslagen. Wij zijn echter nog niet gereed met de opsomming van uw misdaden. Hebt gij ons in de handen der Kiowa’s, onze vijanden overgeleverd?
—Neen.
—Gij liegt!
—Ik zeg de waarheid.
—Zijt gij ons niet met Old-Shatterhand gevolgd nadat wij u hadden verlaten?
—Ja.
—Dat is toch een bewijs van vijandschap?
—Neen. Gij hadt ons gedreigd en nu moesten wij weten of gij u werkelijk hadt verwijderd of niet. Gij hadt u ergens kunnen verbergen en op ons willen schieten. Daarom alleen reden wij u na.
—Waarom ging gij dan niet alleen? Waarom naamt gij dien Old-Shatterhand mee?
—Om hem te onderrichten in het lezen van sporen, hij is nog een nieuweling.
—Als gij zulke vreedzame bedoelingen hadt en ons enkel uit voorzichtigheid volgdet, waarom riept gij dan de hulp der Kiowa’s in?
—Omdat wij zagen, dat gij weggegaan waart en uw krijgers wildet halen om ons te overvallen.
—Was het dan noodig, u tot Kiowa’s te wenden?
—Ja.
—Was er geen andere uitweg?
—Neen.
—Gij liegt alweer. Om ons te ontkomen, hadt gij niet anders te doen dan wat ik u bevolen had, namelijk ons gebied te verlaten. Waarom hebt gij dat niet gedaan?
—Omdat wij niet konden gaan, vóór ons werk geëindigd was.
—Gij wildet dus den roof, dien ik u had verboden, geheel volvoeren en riept daarom de hulp der Kiowa’s in. Wie echter onze vijanden op ons afstuurt, is zelf ook onze vijand en moet gedood worden. Dat is een tweede reden, om u het leven te benemen. Maar gij hebt het niet aan de Kiowa’s alleen overgelaten, om ons te ontvangen, aan te vallen en te overwinnen, gij hebt hen daarbij geholpen. Stemt gij dit toe?
—Wat wij gedaan hebben, dat hebben wij alleen gedaan, om bloedvergieten te voorkomen.
—Wilt gij, dat ik u zal uitlachen? Zijt gij niet op ons afgegaan, toen wij kwamen?
—Ja.
—Hebt gij ons beluisterd?
—Ja.
—En een geheele nacht in onze nabijheid doorgebracht? Is dit zoo of niet?
—Het is zoo.
—Hebt gij de bleekgezichten niet naar het water gebracht, om ons daarheen te lokken, en toen de Kiowa’s in het bosch verborgen, opdat zij ons gemakkelijk konden overvallen?
—Dat is waar, maar ik moet....
—Zwijg! Ik wil een kort antwoord, maar geen lange redevoeringen. Wij werden in een val gelokt, wie heeft die uitgedacht?
—Ik.
—Ditmaal zegt gij de waarheid. Velen van ons werden gewond, enkelen gedood, de overigen gevangengenomen. Dat is uw schuld, dit vergoten bloed komt over u en is een derde reden om u te laten sterven.
—Ik was van plan, om....
—Zwijg, ik heb u niets meer gevraagd. De Groote, Goede Geest zond ons een onbekenden, onzichtbaren redder. Ik kwam met mijn zoon Winnetou vrij. Wij slopen naar onze paarden, namen alleen die mee welke wij noodig hadden, opdat onze gevangen makkers, wanneer wij ze zouden hebben bevrijd, dadelijk hun paarden terug konden krijgen. Wij reden heen, om onze krijgers te halen, die tegen de Kiowa’s waren opgetrokken. Zij hadden hun spoor gevonden en waren hen gevolgd, vandaar, dat ik hen op mijn weg ontmoette en reeds den volgenden dag weer terug kon zijn. Toen is er wederom veel bloed vergoten, wij hebben in ’t geheel zestien dooden, nog daargelaten het groote aantal gewonden, al weer een reden om u te doen sterven. Gij hebt noch genade noch erbarmen te verwachten en....
—Genade verlangen wij niet, maar alleen rechtvaardigheid,—viel Sam hem in de rede,—ik kan....
—Wilt gij wel eens zwijgen hond!—riep Intschu Tschuna,—gij hebt alleen te spreken wanneer ik u iets vraag. Ik ben met u klaar. Daar gij echter van rechtvaardigheid spreekt, zal ik u niet naar uw eigen getuigenis veroordeelen, maar zal ik anderen tegenover u stellen. Tangua, de hoofdman der Kiowa’s mag in deze zaak meespreken. Zijn deze bleekgezichten onze vrienden?
—Neen,—antwoordde de Kiowa, wien men duidelijk aanzag dat hij blij was, dat de zaak zulk een slecht verloop voor ons nam.
—Hebben zij ons willen sparen?
—Neen, integendeel, zij hebben ons eerder tegen u opgehitst en mij verzocht geen medelijden met u te hebben, maar u allen te dooden.
Deze onwaarheid maakte mij zóó boos, dat ik mijn zwijgen verbrak en zeide:
—Dat is zulk een groote, onbeschaamde leugen, dat ik u dadelijk met mijn vuist zou neerslaan als ik slechts één hand vrij had.
—Hond!—riep hij.—Zal ik u neerslaan?—Hij hief de vuist op maar ik antwoordde:
—Sla toe, als gij u niet schaamt, u te vergrijpen aan iemand, die zich niet kan verdedigen. Gij spreekt van een verhoor en van rechtvaardigheid? Is dat een verhoor en is dit rechtvaardigheid, als men niet mag zeggen wat men te zeggen heeft? Wij zouden ons mogen verdedigen! Kunnen wij dat, als wij tot bloedens toe worden geslagen, zoodra wij maar één woord meer zeggen, dan gij wilt hooren? Intschu Tschuna handelt als een onrechtvaardig rechter. Hij stelt de vragen zóó, dat de antwoorden, welke hij ons veroorlooft te geven, ons in ’t verderf moeten storten: andere antwoorden mogen wij niet geven en wanneer wij de waarheid willen zeggen, welke ons kan redden, valt hij ons in de rede, laat ons niet uitspreken en dreigt ons met mishandeling. Zulk een verhoor en zulk een rechtvaardigheid hebben wij niet noodig. Begint dan maar dadelijk met de martelingen, welke gij ons hebt toegedacht. Gij zult geen kreet van smart van ons hooren.
—Oef, oef!—hoorde ik een vrouwelijke stem vol bewondering roepen. Het was die van Winnetou’s zuster.
—Oef, oef!—riepen vele Apachen haar na, want moed is iets, dat de Indiaan steeds hoogacht, zelfs bij zijn vijanden, vandaar deze uitroepen van bewondering. Ik vervolgde:
—Toen ik Intschu Tschuna en Winnetou voor de eerste maal zag, zeide mij mijn hart, dat zij dappere en rechtvaardige mannen waren, die ik kon waardeeren en hoogachten. Ik heb mij vergist. Zij zijn niet beter dan alle anderen, want zij luisteren naar de stem van een leugenaar en laten de waarheid niet aan ’t woord komen. Sam Hawkins heeft zich bang laten maken, ik evenwel geef niet om uw bedreigingen en veracht iedereen, die een gevangene onderdrukt, omdat deze zich niet kan verdedigen. Als ik vrij was, zou ik u wel anders te woord staan.
—Hond, gij maakt mij uit voor leugenaar!—schreeuwde Tangua,—ik zal uw beenderen stukslaan!
Hij hief zijn geweer op, keerde zich om en wilde met de kolf naar mij slaan, nu evenwel kwam Winnetou tusschenbeide en sprak:
—De hoofdman der Kiowa’s moet kalm blijven. Deze Old-Shatterhand is zeer overmoedig, maar ik geef hem in vele opzichten gelijk. Intschu Tschuna, mijn vader de opperhoofdman aller Apachen, moet hem verlof geven te zeggen, wat hij te zeggen heeft!
Tangua moest zich wel schikken en Intschu Tschuna besloot den wensch van zijn zoon te vervullen. Hij kwam naar mij toe en zeide:
—Old-Shatterhand is als een roofvogel, die zelfs nog bijt, als men hem heeft gevangen. Hebt gij Winnetou niet tweemaal neergeveld? Hebt gij ook mij niet met uw vuist geslagen zoodat ik bewusteloos neerviel?
—Heb ik dit vrijwillig gedaan? Hebt gij mij daartoe niet gedwongen?
—Gedwongen? vroeg hij verbaasd.
—Ja, wij wilden ons zonder tegenstand overgeven, maar uw krijgers luisterden niet naar wat wij zeiden. Zij vielen ons aan en wij moesten ons verdedigen. Vraag echter eens of wij één van uw mannen hebben gewond, ofschoon wij ze gemakkelijk hadden kunnen dooden. Wij zijn gevlucht om geen van hen te moeten treffen. Toen kwam gij en greep mij aan, zonder op mijn woorden te letten. Ik moest mij wel verweren en had u kunnen doorsteken of doodschieten, maar ik sloeg u neer omdat ik uw vriend ben en u wilde sparen. Toen kwam Tangua, de hoofdman der Kiowa’s en wilde u den scalp ontnemen, daar ik dit niet duldde, vocht ik met hem en overwon hem. Ik heb dus niet alleen uw leven, maar ook uw scalp gered. Toen....
—Die vervloekte hond liegt, alsof hij honderd tongen had!—schreeuwde Tangua woedend.
—Is het werkelijk leugen?—vroeg Winnetou hem.
—Ja, mijn roode broeder twijfelt niet hoop ik, aan de waarheid van mijn woorden?
Winnetou vervolgde:
—Ik kwam op dit oogenblik juist aangeloopen. Tangua lag onbeweeglijk en mijn vader ook, dat stemt dus. Old-Shatterhand kan verder gaan.
—Ik had dus Tangua overwonnen, om Intschu Tschuna te redden, toen kwam Winnetou. Ik zag hem niet, maar kreeg van hem een kolfslag, die voor mijn hoofd bestemd was, maar mijn schouder trof. Winnetou stak mij met zijn mes in den mond en door de tong, ik kon dus niet spreken anders zou ik hem hebben gezegd, dat ik gaarne zijn vriend en broeder wilde zijn. Ik was gewond, mijn arm was verlamd en toch heb ik hem overwonnen, een oogenblik later lag hij bedwelmd voor mij, evenals Intschu Tschuna, ik had beiden kunnen dooden, heb ik het gedaan?
—Gij zoudt het misschien hebben gedaan,—antwoordde Intschu Tschuna,—maar een krijgsman der Apachen kwam te rechter tijd en sloeg u met de kolf van zijn geweer op het hoofd.
—Neen, ik zou het niet hebben gedaan. Zijn deze drie blanken, die met mij hier zijn vastgebonden, niet vrijwillig bij u gekomen, om zich aan u over te geven? Zouden zij dit hebben gedaan, wanneer zij u als vijanden beschouwden?
—Zij hebben het gedaan omdat zij wel inzagen, dat er voor hen van geen ontkomen sprake was. Daarom vonden zij het verstandiger zich over te geven. Ik stem toe, dat er wel eenige waarheid schuilt in uw woorden, maar toen gij mijn zoon Winnetou voor de eerste maal neerveldet, waart gij daartoe niet gedwongen.
—Zeker.
—Waardoor?
—Ik deed het uit voorzichtigheid, wij wilden u en hem redden. Gij zijt dappere lieden, gij zoudt u verzet hebben en waart dan zeker gewond geworden, misschien zelfs gedood. Dat wilden wij verhinderen, daarom sloeg ik Winnetou neer en gij werdt door mijn drie blanke vrienden overweldigd. Ik hoop, dat gij mijn woorden wilt gelooven!
—Het zijn leugens, niets dan leugens!—riep Tangua,—ik kwam er juist aan, toen hij u had overwonnen. Niet ik, maar hij wilde u den scalp ontnemen. Ik wilde dit verhinderen, maar toen trof mij zijn ijzeren vuist, waarin de groote, booze geest schijnt te wonen.
Toen wendde ik mij tot hem en zeide op dreigenden toon:
—Ja, niemand kan die vuist weerstaan, ik gebruik haar alleen, om bloedvergieten te voorkomen, maar als ik met u vecht, zal ik niet mijn hand, maar mijn wapen gebruiken, gij komt er niet weder met een onschuldige verdooving af. Onthoud dat!
—Gij met mij vechten?—hoonde hij.—Wij zullen u verbranden en uw asch naar alle windstreken strooien!
—Denk dat maar niet, ik ben eerder vrij, dan gij vermoedt en dan zal ik met u afrekenen!
—Dat is goed, ik verwacht u. Ik wilde, dat uw wensch vervuld werd, want gaarne zou ik met u vechten, ik weet, dat ik u zou verpletteren.
Intschu Tschuna maakte aan dit twistgesprek een einde door te zeggen:
—Old-Shatterhand is wel wat overmoedig, met te beweren dat hij vrijkomt. Hij moet bedenken, dat er vele grieven tegen hem zijn, valt er al een weg, dan verandert dit toch weinig aan zijn lot.
—Heb ik dan niet nog andere bewijzen? Heb ik Rattler niet geslagen toen hij op Winnetou schoot en Kleki-Petra trof? Is dat soms geen bewijs?
—Neen, gij kunt dit ook om andere redenen hebben gedaan. Hebt gij nog meer te zeggen?
—Nu niet, misschien later nog.
—Zeg het nu, want later zult gij niet veel meer kunnen zeggen.
—Neen, nu niet. Als ik het later wil doen zult gij wel naar mij moeten luisteren. Old-Shatterhand is er de man niet naar, om zich zoo te laten behandelen. Ik zwijg nu, omdat ik nieuwsgierig ben, het oordeel te hooren dat gij over ons zult vellen.
Intschu Tschuna wendde zich van mij af en gaf een wenk. Nu traden verschillende andere krijgslieden uit den kring naar voren en zetten zich met de drie hoofdmannen neer om te beraadslagen. Natuurlijk gaf Tangua zich alle moeite het vonnis zoo zwaar mogelijk te maken. Intusschen hadden wij gelegenheid en tijd verschillende opmerkingen te doen.
—Ik ben nieuwsgierig te weten, wat zij daar besluiten,—zeide Dick Stone,—’t zal wel niet veel goeds zijn.
—Ik ben vast overtuigd dat onze kop er aangaat,—meende Will.
—Ik ook,—stemde Sam toe;—die kerels gelooven niets van wat wij zeggen! Ge hebt de zaak anders kranig aangepakt, sir! Ik heb mij over Intschu Tschuna verwonderd.
—Waarom—vroeg ik.
—Dat hij u zoo liet kletsen. Mij snoerde hij dadelijk den mond.
—Kletsen, is u dat ernst Sam?
—Ja.
—Dank u voor dat compliment.
—Kletsen noem ik alle praten, dat niets geeft. En ’t heeft u toch even weinig geholpen als mij.
—Ik denk er anders over!
—Zoo en welke reden hebt gij daarvoor?
—Een zeer gegronde. Winnetou heeft namelijk over zwemmen gesproken, dat is dus reeds besproken geweest, daarom denk ik dat zij ons enkel bang hebben willen maken. Het vonnis zal wel niet al te streng zijn.
—Sir, stel u dat toch niet voor! Meent gij misschien dat men u gelegenheid zal geven u door zwemmen te redden?
—Ja.
—Onzin, klinkklare onzin! Ja, als ’t eenmaal zoo is bepaald zal men u wel laten zwemmen, maar weet gij waarheen?
—Neen, waarheen dan?
—Rechtstreeks in den muil des doods. En wanneer gij dan gestorven zult zijn, denk er dan eens aan, dat ik gelijk heb gehad! Hihihihi!