Chapter 17 of 43 · 3991 words · ~20 min read

Part 17

—Laat de strijd zoo kort mogelijk zijn, want als gij moe wordt zijt gij verloren. Hoe staat het met uw pols?

Hij voelde dien en ging voort:

—God zij dank, niet meer dan zestig slagen, dus zoo kalm mogelijk. Hebt gij geen angst?

—Dat zou niet best zijn. Angst in een oogenblik, waarin alles afhangt van een kalmen blik en een koel hoofd. De aanvoerder heeft mij voorgesteld met het mes te vechten, omdat hij wist, dat deze man onoverwinnelijk heette. Welnu, wij zullen zien of dit werkelijk zoo is.

Ik had mij onder het spreken eveneens ontkleed. Dit was wel is waar, niet tot voorwaarde gesteld, maar ik wilde niet, dat men aanmerkingen daarop zou maken. Ik gaf den berendooder en de revolver aan Sam, en ging toen in het midden van den kring staan. Den goeden Sam klopte het hart in de keel, ik zelf evenwel gevoelde in ’t geheel geen vrees.

Nu werd met den steel van een tomahawk een tamelijk groote acht in het zand getrokken en de aanvoerder noodigde ons uit, onze plaatsen in te nemen. Bliksemmes zag mij met een minachtenden blik aan en zeide toen met luider stem:

—Het lichaam van dezen zwakkeling beeft van angst. Zou hij het durven wagen deze figuur te betreden?

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of ik stapte in de zuidelijke helft van de acht. Daarvoor had ik twee redenen. Ik kreeg namelijk daardoor de zon in den rug, terwijl zij daardoor den roodhuid in het gezicht scheen. Men mag dit een oneerlijk voordeel noemen, maar hij had mij bespot en bovendien gelogen, toen hij beweerde dat mijn lichaam beefde van angst, en daarom was dit nu zijn straf. Het zou al te grootmoedig van mij zijn geweest, hem de plaats te laten kiezen. Ik zeg hier nog eens, het was verschrikkelijk op leven en dood te moeten vechten, maar de minste toegeeflijkheid kon mij zelf het leven kosten en ik was dus vast besloten dezen Goliath te doorsteken. Ondanks zijn herculische kracht en zijn ontzaginboezemenden naam gevoelde ik mij kalm, hoewel ik nu voor ’t eerst in mijn leven met het mes in de hand tegenover een medemensch stond.

—Waagt hij het werkelijk?—hoonde hij,—mijn mes zal hem treffen, de Groote Geest geeft hem in mijn macht!

Bij de Indianen zijn dergelijke redeneeringen gebruikelijk en ik zou voor laf uitgescholden worden indien ik zweeg, daarom antwoordde ik:

—Gij strijdt met den mond, ik echter sta hier met het mes. Neem uw plaats in, als gij niet bang zijt!

Nu was hij met één sprong in de andere helft der acht en schreeuwde:

—Bang zijn? Metan-akva bang? Hebt gij het gehoord, gij krijgers der Kiowa’s? Ik zal dezen blanken hond met den eersten stoot dooden!

—Mijn eerste stoot zal u dooden! Maar zwijg, gij moest eigenlijk niet Metan-akva, maar Avat-ya (grootspreker) heeten.

—Avat-ya, avat-ya! deze vervloekte hond waagt het, mij te beschimpen. Welaan, de gieren zullen zijn ingewanden vreten!

Deze laatste bedreiging was een groote onvoorzichtigheid, ja een groote domheid van hem, want ik werd daardoor opmerkzaam gemaakt op de wijze, waarop hij van plan was, zijn wapen te gebruiken. Mijn ingewanden! Dus waarschijnlijk niet een steek in ’t hart, maar een stoot van onderen op, om mij het lijf open te rijten.

Wij stonden zoo dicht bij elkander, dat wij ons slechts voorover behoefden te buigen, om dan elkaar met het mes te raken. De roodhuid scheen mij met zijn blik te willen doorboren. Zijn rechterarm hing langs zijn lichaam, hij hield het mes zóó in de hand, dat het heft op den pink rustte en het lemmet tusschen duim en wijsvinger met den scherpen kant naar boven gekeerd lag. Mijn vermoeden was dus juist, hij wilde een snede van beneden naar boven doen.

De richting van den aanval kende ik dus, nu was de hoofdzaak het oogenblik te weten, waarop deze zou geschieden. Ik moest dit aan zijn blik zien. Ik sloeg dus schijnbaar de oogleden neer, maar gluurde des te scherper naar hem.

—Steek dan, hond!—riep hij mij toe.

—Verspil niet zooveel woorden, maar doe zelf wat, roode kwajongen, antwoordde ik.

Dit was een grove beleediging, waarop of een toornig antwoord, of een aanval moest volgen, het laatste geschiedde. Een lichte opflikkering in zijn oogen bereidde mij daarop voor en in het volgende oogenblik hief hij den rechterarm op, om mij het lijf open te scheuren. Had ik den messteek van boven verwacht, dan ware ik verloren geweest, nu echter pareerde ik den stoot en trof hem met mijn mes in den bovenarm, welk ik geheel openreet!

—Schurftige hond!—brulde hij, terwijl hij den arm terugtrok en van den schrik en van pijn het mes liet vallen.

—Niet spreken, maar vechten! antwoordde ik, wederom mijn arm opheffend en meteen.... zat mijn mes hem tot aan het heft in het hart. Ik trok het oogenblikkelijk terug.

Een warme roode bloedstraal spoot uit de diepe wonde. De reus waggelde heen en weer, wilde schreeuwen, maar bracht alleen een kermenden zucht uit, daarop stortte hij dood ter aarde.

De Indianen hieven een woedend gehuil aan, alleen Tangua stemde hiermee niet in. Hij kwam naderbij, bukte zich over den doode, betastte de wond, richtte zich weer op en zag mij aan met een blik, dien ik niet licht zal vergeten.

Er lag daarin een mengsel van woede, ontzetting, angst, bewondering en goedkeuring, en zonder een woord te spreken wilde hij zich verwijderen.

Ik hield hem evenwel tegen en zeide:

—Ziet gij, dat ik nog op mijn plaats sta? Metan-akva heeft de zijne verlaten en ligt buiten de figuur! Wie is overwinnaar?

—Gij—antwoordde hij woedend en wilde heengaan, maar nauwelijks had hij vijf of zes passen gedaan, of hij keerde terug en zeide:—Gij zijt een blanke zoon van den boozen zwarten geest. Onze medicijnman zal u uw toovermiddel ontnemen en dan zult gij ons uw leven moeten geven.

—Doe wat gij wilt, maar houd de belofte welke gij mij gedaan hebt.

—Welke belofte?—vroeg hij hoonend.

—Dat de Apachen niet gedood zullen worden.

—Wij zullen hen niet dooden, ik heb het eenmaal gezegd en zal mijn woord houden.

—Dus zullen zij vrij zijn?

—Ja, zij zullen hun vrijheid terug hebben. Wat Tangua de hoofdman der Kiowa’s zegt, dat doet hij.

—Dan zal ik nu met mijn vrienden heengaan, om de gevangenen hun boeien af te nemen.

—Dat zal ik zelf doen, als de tijd daartoe gekomen is.

—Die is gekomen, want ik ben overwinnaar.

—Zwijg! Hebben wij ooit over den tijd gesproken?

—Niet bepaald, maar het spreekt toch vanzelf, dat....

—Zwijg!—klonk het opnieuw. Den tijd heb ik te bepalen. Wij zullen de honden van de Apachen niet dooden, maar wat kunnen wij er aan doen, als zij sterven, indien zij niets te eten of te drinken krijgen? Kan ik helpen dat zij verhongeren en verdorsten, vóór ik hen vrijlaat?

—Schurk!—siste ik hem tegemoet.

—Hond, zeg nog één woord en anders....

Hij hield plotseling stil, want hij zag op mijn gezicht een uitdrukking welke hij niet vertrouwde. Ik daarentegen ging voort,—en anders sla ik u met mijn vuist ter aarde, gij schandelijke bedrieger!

Hij week eenige schreden achteruit, trok zijn mes en dreigde:

—Kom mij niet weer te na met uw vuist, want voor gij mij met uw hand kunt bereiken, zal ik u doorsteken.

—Dat heeft het Bliksemmes ook gezegd, en toch ligt hij daar. Het zou u ook zoo vergaan. Ik zal met mijn blanke broeders overleggen, wat met de Apachen zal geschieden, maar ik zeg u, als gij hen een haar krenkt, dan zijt gij allen verloren. Gij weet, dat wij u allen in de lucht kunnen laten springen.

Eerst na deze woorden keerde ik mij om en ging naar Sam. Deze had, door het geschreeuw der roodhuiden, niet kunnen hooren wat er tusschen mij en den hoofdman werd verhandeld. Hij kwam mij haastig tegemoet, greep mijn beide handen en riep, vol vreugde en bewondering.

—Welkom, welkom, sir! Dat roep ik u toe, want gij komt terug uit het doodenrijk. Mensch, vriend, schat, jongeling, greenhorn, wat zijt gij toch voor een schepsel! Dat heeft nog nooit een buffel gezien en schiet den sterkste uit de kudde neer. Heeft nog nooit een Grizzly gezien en doodt hem met het mes. Heeft nog nooit een mustang gezien, en haalt het beste paard uit de horde. En nu staat hij tegenover den sterksten roodhuid en steekt hem het mes in het hart, zonder zelf een druppel bloed te verliezen! Dick en Will komt toch eens hier en ziet dezen kerel eens aan. Wat moeten wij met hem doen.

—Wij benoemen hem tot gezel,—lachte Stone.

—Gezel?—wat bedoelt ge daarmee?

—Hij heeft nu bewezen, dat hij geen „greenhorn” meer is, geen leerling. Wij willen hem gezel maken, later kan hij opklimmen tot den rang van „meester”.

—Geen greenhorn meer? Hem gezel maken? Vertel toch niet zulke dwaasheden. De kerel is groen van top tot teen, anders zou hij het niet gewaagd hebben met zulk een reus, als deze Indiaan te vechten, maar Hans komt door zijn domheid voort, dat ziet ge weer aan hem! Mijn hart stond stil van angst toen de strijd begon, ik kon geen adem krijgen en ziet, een houw, een stoot en de roodhuid valt ter aarde. Nu hebben wij ten minste ons doel bereikt, de Apachen zullen vrij zijn!

—Dat kondt ge wel eens mis hebben,—antwoordde ik, zonder boos te worden over deze wijze, waarop hij over mij sprak.

—Mis hebben?—hoe dan?

—De hoofdman heeft, toen hij ons deze belofte deed, zich in stilte iets voorbehouden, dat hij eerst nu laat gelden.

—Ik dacht wel, dat hij de een of de andere bijbedoeling had. Wat heeft hij zich voorbehouden?

Ik herhaalde wat Tangua gezegd had. Sam was daarover zoo vertoornd, dat hij oogenblikkelijk naar hem toeging, om hem ter verantwoording te roepen. Ik maakte van dezen tijd gebruik om mij weer aan te kleeden en mijn wapens weer bij mij te steken.

De Kiowa’s waren volkomen zeker geweest van de overwinning van het Bliksemmes. De uitslag van den strijd was voor hen zulk een teleurstelling en nederlaag, dat zij met woede en haat tegen mij vervuld waren. Het liefst zouden zij op ons zijn aangevallen, maar dit mochten zij niet, omdat het niet alleen afgesproken, maar zelfs met het rooken van een pijp bezworen was, dat de onderliggende partij den dood van den overwonnene niet op den overwinnaar zou wreken. Er was dus voorloopig niets aan te doen, en zij troostten zich met het denkbeeld dat er zich wel spoedig eens weer een aanleiding tot vijandschap zou opdoen. Zij konden nu niets doen dan afwachten, verkropten hun toorn en begonnen het lijk van hun kameraad weg te brengen. Het opperhoofd was in hun midden en het laat zich dus denken, dat Sam Hawkins geen vriendelijk gehoor vond. Hij keerde dan ook hoogst verdrietig terug en zeide:

—De kerel wil werkelijk geen woord houden, hij schijnt de gevangenen te willen laten verhongeren. En dat noemt de schurk „niet dooden”. Wij zullen echter onze oogen openhouden, en den kerel een poets bakken, hihihihi!

—Als die poets maar niet op ons terugslaat!—merkte ik op,—het is moeielijk, anderen te beschermen, als men zelf nog bescherming noodig heeft.

—Ik geloof waarachtig, dat gij bang zijt voor de roodhuiden, sir!

—Nu dat weet ge wel beter.

—Ja, maar als ik bang ben, zijt gij niet bang, en als ik moed heb, laat gij dien zakken. Wat denkt ge u eigenlijk wel?

—Waarover?

—Over den strijd, dien gij hebt gewonnen.

—Zijt gij daarover niet tevreden?

—Ja, maar ik spreek over wat anders!

—Waarover dan?

—Mijn hemel, wat zijt ge toch traag van begrip. Zeg mij eens eerlijk, sir, zijt gij in uw vaderland misschien beul geweest?

—Dat geloof ik niet, ten minste ik herinner mij daarvan niets!—antwoordde ik op deze zonderlinge vraag!

—Gij hebt dus nog nooit iemand omgebracht?

—Neen.

—Dus hebt gij dan vandaag voor ’t eerst iemand dood gemaakt? Hoe is het u dan te moede? dat wilde ik wel eens weten.

—Hm, een prettig gevoel is het nu wel juist niet, ik doe het voor de tweede maal niet graag weer. ’t Is alsof mijn geweten mij niet weinig plaagt.

—Bekommer u daarover niet. Het kan u hier elken dag overkomen, dat gij een mensch het leven moet benemen, om u zelf te redden. In zulk een geval moet men.... heavens, daar hebben wij reeds zulk een geval!—viel hij zichzelf in de rede.—Daar zijn waarachtig de Apachen reeds hier. Nu zullen er menschenlevens genoeg vallen. Maakt u gereed tot den strijd, vrienden!

Werkelijk weerklonk van den kant waar de gevangenen met hun bewakers zich bevonden, de hooge en schelklinkende oorlogskreet der Apachen, Intschu Tschuna en Winnetou waren, tegen aller verwachting in, reeds terug, zij overvielen de legerplaats der Kiowa’s. De enkele mannen, die zich bij ons bevonden, luisterden een oogenblik verschrikt, toen riep de hoofdman:

—Vijanden, daarginds bij onze broeders! Laat ons hen ter hulp snellen!

Hij wilde haastig heengaan, maar Sam trad hem in den weg en riep:

—Gij kunt niet daarheen, blijft hier, want wij zijn reeds omsingeld. Denkt gij, dat deze beide aanvoerders zoo dom zijn, alleen de wachters aan te vallen en niet weten waar gij u bevindt? Zij zullen zoo aanstonds....

Hij had snel en haastig gesproken, maar kon den zin niet ten einde brengen, want nu weerklonk het vreeselijke, door merg en been dringende krijgsgeschreeuw ook in onze nabijheid. Wij bevonden ons wel, zooals reeds is vermeld, op de open prairie, maar daar wij zoozeer met ons zelf bezig waren geweest, hadden de Apachen gelegenheid gehad, zich onopgemerkt achter de hier en daar verspreid liggende kreupelboschjes te verschuilen. Wij waren geheel omsingeld en in groote sprongen kwamen de aanvallers van alle kanten op ons toe. De Kiowa’s schoten op hen, maar troffen slechts weinigen.

—Dood geen Apache, geen enkele!—riep ik Sam, Dick en Will toe. Wij vieren namen dan ook geen deel aan den strijd, maar de hoofdingenieur en drie opzichters verweerden zich, zij werden eenvoudig neergeschoten. Dit was een vreeselijk gezicht. Ik was er geheel van ontdaan en daardoor zag ik niet, wat achter mij gebeurde. Wij werden van daar door een talrijke schare aangevallen en van elkander gescheiden, wel riepen wij deze lieden toe, dat wij vrienden waren, maar tevergeefs, zij drongen met messen en tomahawks op ons aan, zoodat wij ons wel moesten verdedigen. Verscheidenen van hen vielen neer onder onze kolfslagen, zoodat de overigen ontzag voor ons kregen en ons verder met rust lieten. Ik maakte van dit vrije oogenblik gebruik om eens om mij heen te zien. Er was geen Kiowa, of hij had meerdere Apachen om zich heen. Sam zag dit ook en riep:

—Laat ons vluchten! Daarginds in de struiken!

Hij wees naar het meermalen vermelde boschje dat tusschen ons en de legerplaats lag en liep, zoo vlug hij kon, daarheen. Dick Stone en Will volgden hem. Ik aarzelde een oogenblik en kon niet nalaten, nog eens te zien naar de plek, waar de opzichters een oogenblik van te voren hadden gestaan. Zij waren blanken en ik zou hen zoo gaarne hebben gered, helaas, het was nu te laat. Toen keerde ik mij om en liep eveneens naar het boschje, ik had het echter nog lang niet bereikt, of Intschu Tschuna versperde mij den weg.

Hij was met Winnetou bij de afdeeling der Apachen geweest, die opdracht had gekregen, de legerplaats te overvallen en de gevangenen te bevrijden. Toen dit gebeurd was, waren de beide aanvoerders weggegaan om te zien, hoever de grootere afdeeling, waarmee wij het te kwaad hadden gekregen, gevorderd was. Intschu Tschuna was zijn zoon een eind vooruit en nu, terwijl hij om het boschje heenkwam, zag hij mij.

—De landdief!—riep hij mij tegemoet en kwam met zijn zilverbuks op mij toe om mij met de kolf dood te slaan. Ik riep hem wel is waar eenige woorden toe, die hem moesten beduiden, dat ik geen vijand van hem was, maar hij luisterde niet naar mij. Er was niets aan te doen, wilde ik niet als een hond worden dood gemaakt, dan moest ik mij wel verweren. Ik wierp dus mijn beredooder, waarmee ik den eersten slag gepareerd had, weg en sloeg in ’t volgend oogenblik den linkerarm om zijn hals terwijl ik met de rechtervuist hem eenige hevige slagen tegen de slapen gaf. Hij liet de buks vallen, steunde even en viel toen bewusteloos neer. Daar weerklonk achter mij een jubelende stem.

—Dat is Intschu Tschuna, de aanvoerder der Apachen. Ik moet zijn scalp hebben.

Mij omkeerend, zag ik Tangua, den hoofdman der Kiowa’s, die om de een of andere reden, dezelfde richting had ingeslagen, als ik. Hij wierp zijn geweer weg, trok zijn mes en wilde zich op den bewusteloozen Apache werpen. Ik greep hem bij den arm en beval:

—Raak hem niet aan, ik heb hem neergeveld, hij behoort dus mij en niet u!

—Zwijg, blanke hond!—antwoordde hij.—Wat heb ik met u te maken. De hoofdman is van mij. Laat mij los, anders....

Hij stak met zijn mes naar mij en trof mij in het linkerpolsgewricht. Ik wilde hem niet dooden en liet dus mijn mes in den gordel zitten, maar wierp mij op hem en deed moeite hem weg te trekken. Daar dit mij niet gelukte, drukte ik hem de keel toe, totdat hij zich niet meer bewoog, toen boog ik mij over Intschu Tschuna heen, wiens gelaat met het bloed uit mijn wonde was bevlekt. Op dit oogenblik hoorde ik een geritsel achter mij en keerde mij om, om te zien, wat dit beteekende. Deze beweging redde mij het leven, want ik ving een vreeselijken slag die voor mijn hoofd bestemd was op mijn schouders op. Het was Winnetou die mij dien gaf.

Hij was, zooals reeds vermeld een weinig achtergebleven. Toen hij om het kreupelbosch kwam, zag hij mij bij zijn vader neerknielen. Dadelijk wilde hij wraak nemen, en mij den doodelijken slag geven, die gelukkig slechts mijn schouder trof. Dit ziende liet hij zijn geweer vallen, trok zijn mes en snelde op mij toe.

Mijn toestand was zoo gevaarlijk mogelijk. Ik was bijna verlamd door den slag. Gaarne zou ik Winnetou een opheldering hebben willen geven, maar hij liet mij niet den tijd daartoe. Zijn mes was op mijn borst gericht. Ik maakte een gelukkige wending en het mes kwam in mijn linkerborstzak, trof het sardinenbusje waarin ik mijn papieren bewaarde, stuitte op het blik af en drong mij langs hals en kakebeen in den mond en door de tong. Onmiddellijk trok hij het mes terug, om mij een tweeden steek te geven. De doodsangst verdubbelde mijn krachten, ik kon slechts één arm, ééne hand gebruiken en hij lag half op mij, het gelukte evenwel, mij om te keeren en zijn rechterhand te grijpen, die ik zoo sterk vasthield dat hij het mes van pijn liet vallen, teen nam ik snel zijn linkerarm bij den elleboog vast en duwde dien zóó naar boven, dat hij mijn hals wel moest loslaten. Nu hief ik mijn knie op en ging plotseling opstaan en slingerde hem van mij af. In ’t volgend oogenblik lag ik op zijn rug, zooals hij even te voren op den mijne had gelegen.

Nu was het zaak, hem zoo vast te houden, want, gelukte het hem weer op te komen, dan was ik verloren. Eén knie over zijn beide beenen en de andere op zijn arm zettend, nam ik hem met mijn ééne bruikbare hand bij den hals, terwijl hij intusschen, gelukkig tevergeefs, met zijn vrije hand naar zijn mes zocht. Nu volgde een vreeselijk worstelen. Men stelle zich Winnetou voor, die nog nooit te voren overwonnen werd en later ook nooit meer overwonnen is geworden, met zijn slangachtige lenigheid, zijn ijzeren spieren en stalen zenuwen. Nu zou ik tijd hebben gehad, om te spreken, eenige ophelderende woorden zouden voldoende zijn geweest om aan dezen strijd een einde te maken, maar het bloed stroomde mij steeds uit den mond en als ik met mijn doorstoken tong trachtte te spreken, bracht ik niets anders voort, dan eenige onverstaanbare klanken. Hij spande al zijn krachten in om mij af te werpen, maar ik lag als een blok op hem. Hij begon steeds sterker te kreunen, ik drukte mijn vingertoppen nog vaster tegen zijn keel. Zou ik hem worgen? Neen, in geen geval. Ik liet dus voor een oogenblik zijn hals los en onmiddellijk richtte hij het hoofd op, daardoor had ik gelegenheid, hem een paar flinke vuistslagen toe te dienen.

Winnetou was bewusteloos, ik had hem, den onoverwinbare, overwonnen.

Ik haalde diep adem, waarbij ik geducht moest oppassen, het bloed niet in te slikken, dat mij den mond vulde. Ook uit de wonde aan den buitenkant vloeide een bijna vingerbreede straal. Juist wilde ik opstaan, daar hoorde ik een toornigen Indiaanschen uitroep achter mij en meteen kreeg ik een kolfslag op het hoofd die mij bewusteloos deed neerzinken.

Toen ik weder tot mij zelf kwam, was het avond. Eerst was het of ik droomde: ik was in een diepe molenbeek gevallen, maar de molen kon niet gaan, omdat ik tusschen het rad en den muur was gevallen. Het water ruischte en bruiste om mij heen en de kracht, waarmee het op het rad moest werken, drukte mij al vaster en vaster tegen den muur, zoodat ik bijna werd verpletterd. Al mijn ledematen deden mij pijn, maar het meest van alles mijn hoofd en mijn schouder. Langzamerhand begreep ik, dat dit geen droom, maar werkelijkheid was. Het ruischen en bruisen kwam niet van het water, het zat in mijn hoofd en was het gevolg van den kolfslag, dien ik had gekregen. De pijnen in mijn schouder werden niet veroorzaakt door het molenrad, maar door den houw, dien Winnetou mij had gegeven. Het bloed liep mij nog steeds uit den mond, het drong mij in de keel en dreigde mij te doen stikken, ik hoorde een vreeselijk gerochel en ontwaakte geheel. Dit rochelen had ik zelf gedaan.

—Hij beweegt zich! Goddank, hij beweegt zich!—hoorde ik Sam roepen.

—Ja, ik heb ’t ook gezien—antwoordde Dick Stone.

—Hij doet de oogen open! Hij leeft, hij leeft!—voegde Will Parker er bij.

Ik had werkelijk de oogen geopend, maar wat ik zag, was weinig opwekkend. Wij bevonden ons nog steeds op de plek, waar de strijd had plaats gehad. Er brandden meer dan twintig legervuren, tusschen welke zich een vijfhonderd Apachen bewogen. Velen van hen waren gewond en ik zag ook een groot aantal dooden liggen, in twee afdeelingen verdeeld. De eene afdeeling bestond uit Apachen, de andere uit Kiowa’s. De eersten hadden elf, de laatsten dertig krijgers verloren. Rondom ons lagen de gevangen Kiowa’s, allen stevig gebonden. Geen enkele was ontkomen. Ook Tangua, de hoofdman, bevond zich onder hen. Ik miste den hoofdingenieur en de drie opzichters. Zij waren afgemaakt omdat zij zich hadden verzet.

Op een kleinen afstand van ons zag ik een mensch liggen, wiens lichaam als een ring was te zamen gebonden, ongeveer op de wijze zooals men dat vroeger in de middeleeuwen placht te doen bij den zoogenaamden Spaanschen bok. Het was Rattler. De Apachen hadden hem zoo gebonden, om hem te pijnigen. Hij kreunde zoo erbarmelijk, dat men, ondanks alles, medelijden met hem moest hebben. Zijn metgezellen leefden niet meer, zij waren bij den eersten aanval neergeschoten. Men had hem gespaard, omdat hij, als moordenaar van Kleki-Petra een langzamen en pijnlijken dood moest ondergaan.

Ook ik was aan handen en voeten gebonden, evenals Parker en Stone, die aan mijn linkerzijde lagen. Sam Hawkins zat rechts van mij. Zijn voeten waren vastgebonden, zijn rechterhand eveneens, maar men had de linker vrijgelaten, opdat hij, naar ik later vernam, mij zou kunnen helpen.

—Den hemel zij dank, dat gij weer tot u zelf komt, sir,—zeide hij, terwijl hij mij met zijn vrije hand liefkoozend over ’t gezicht streek.

—Hoe is het zoo gekomen, dat gij zoo zijt toegetakeld?

Ik wilde antwoorden, maar kon niet, omdat ik den mond vol bloed had.

—Spuw het uit!—zeide hij.